Wanneer ge ’s avonds in uw kano langs de kust drijft en de nachtelijke
geluiden en geuren van de wildernis tracht te onderscheiden, wanneer
alle luide kreten verstomd zijn en de stilte zoo’n spanning bereikt dat
ze welluidend wordt als een groote, strakke snaar, waar de wind zachte,
droomerige wijzen op tokkelt, gebeurt het soms dat een geritsel en
geflapper in het gras naast u plotseling luidruchtig het voorspel dier
nauw te onderscheiden toonreeksen, dier rijzende, wegstervende
harmonieën verstoort. Dan, wanneer ge nog staat te luisteren, nog
voordat de Stilte de snaren van haar Eolusharp weer strak genoeg
gespannen heeft voor de vingeren van den Wind, komt er een ander geluid
aandrijven, een kreet boven uit de lucht—Quoskh? quoskh-quoskh?—een
wilde, vragende roep, alsof de opgeschrikte avond vroeg wie ge zijt.
Het is de blauwe reiger maar, door uw luide komst, die gij zoo
geruischloos waandet als den avond zelf, op het strand uit zijn slaap
gewekt. Een poosje vliegt hij in kringen boven uw hoofd. Hij ziet u
best, ofschoon gij nog geen schim van zijn breede wieken onderscheiden
kunt; dan verdwijnt hij in de wijde, donkere stilte, met zijn kreet van
Quoskh? Quoskh? En die roep, met zijn vreemde, wilde vraag, waarmee hij
in het diepste duister wegglijdt, heeft hem den bekoorlijken
Indiaanschen naam verschaft van Quoskh, het Raadsel van den Nacht.
Hij bezit werkelijk voor velen, zelfs voor sommige Indianen, geen
anderen naam; geen eigenlijk bestaan ook, want zijn kreet uit hij
zelden overdag—dan is zijn geluid hard en krassend—, en ge ziet hem
nooit, als hij daarboven uit het diepst dier plechtige duisternis
roept, zoodat er dikwijls iets raadselachtigs om die nachtelijke stem
waart. We denken er geen oogenblik aan haar in verband te brengen met
den kalmen, geduldigen, langbeenigen visscher, dien ge elken zomerdag
aan de oevers van eenzame rivieren of meren kunt aantreffen. Mannen van
ervaring in de wildernis hebben mij al herhaaldelijk gevraagd: „Wat is
dat?”—wanneer het was of er een schel, vragend Quoskh-quoskh? in ’t
slapende meer duikelde; en toch kenden ze den grooten, blauwen reiger
heel goed—meenden ten minste dat ze hem kenden.
Quoskh heeft echter nog andere namen, die zijn doen en laten te kennen
geven. Het overkwam me wel eens, als ik langs de kust aan ’t visschen
was en mijn Indiaan pagaaide, dat ik met de punt van de kano
geruischloos om een hoek kwam zetten en daar plotseling den reiger op
trage wieken weg zag vliegen, schuin de hoogte in, al halverwege de
boomtoppen, terwijl het waakzame zaagbekmoedertje, of de herten zelfs,
die vlakbij tusschen de leliebladen stonden te eten, nog niets van onze
komst vermoed hadden. Dan mompelde Simmo, die er nooit in mocht slagen
een van die groote vogels te overrompelen, hoe stil hij ook pagaaide,
iets dat wel had van Quoskh—K’sobegh; Quoskh de alziende. Weer een
anderen keer, als we hem bezig zagen kikkers aan zijn langen snavel te
spietsen, sprak Simmo, die het gezicht van een kikkerpoot in mijn
braadpan niet verdragen kon, om mij in ’t bijzonder te stichten in zijn
zangerige taal minachtend over Quoskh, den kikkervraat, en als ik
plotseling het visschen in het diepe forellenwater tegenover een
grazigen oever staakte om met mijn oogen een lange, grijsblauwe schaduw
te volgen, die als een schim op stelten zich met stappen van
zevenmijlslaarzen langs de kust voortbewoog, naar stroomend water een
eind verder, waar ’t vol kikkers zat, wees Simmo met zijn pagaai en
zei: „Kijk, Vadertje Langbeen; hij nog meer kikkers voor zijn kleintjes
vangen. Raar soort kleintjes, eten stierkikkers.”
Van alle benamingen die ik opving (en ’t waren er nog een heeleboel
meer) als we hem op onze zomersche tochten zaten te bespieden, leek
„Vadertje Langbeen” me altijd de meest geschikte. Die statige
steltlooper van onze meren en stroomen heeft zoo iets over zich dat een
beeld oproept van een grijs verleden. Van alle vogels staat hij
werkelijk nog het dichtst bij die voorwereldlijke, onbehouwen monsters,
die de natuur schiep om er onze aarde in haar onbeholpen jonkheid mee
te bevolken. Andere reigers en roerdompen zijn kleiner en sierlijker
geworden, met korter pooten en korter hals, om zich aan te passen bij
ons landschap, dat veranderde, onze rivieren, die inkrompen. Quoskh is
stellig veel kleiner dan hij oorspronkelijk was, maar hals en pooten
zijn nog buitensporig lang, wanneer ge u het water voor den geest
brengt waar hij rondwaadt, en het nest dat hij bouwt; en de prent, die
hij in de modder achterlaat, lijkt verrassend veel op die versteende
pootafdrukken van reuzenvogels, zooals we diep onder de aarde in
gesteente uit het pliocene tijdperk vinden, om ons te toonen wat voor
soort schepsels er leefden in die verlaten uitgestrektheden, voordat de
mensch kwam om de aarde weer te vervullen en te onderwerpen.
In nauw verband tot de gedachte aan vroeger tijden, die Quoskh’s doen
en laten opwekt, staat een andere—dat hij een eeuwige jeugd met zich
omdraagt. Het lijkt wel alsof de ouderdom geen vat op hem heeft Hij is
even oud en even jong als de aarde zelf; hij is als een Maartsche dag
met winter en voorjaar in zijn zonsop- en zijn zonsondergang. Wie zag
er ooit het schitterend oog van een blauwen reiger verduisterd, of zijn
natuurlijke kracht verminderd? Wie betrapte er ooit éen slapend, of zag
hem uitgeput op zijn lange pooten wankelen, zooals wij onze gewone
wilde vogels zoo dikwijls aantreffen, als ze zich krachteloos, met hun
laatsten greep aan een tak vastklemmen? Een zeeman van kaap Cod
vertelde me eens dat zijn schoener ver uit de kust langs een blauwen
reiger was gekomen, die met uitgespreide wieken dood op zee dreef. Dat
is de eenige reiger, voor zoover ik ooit gehoord heb, die zijn zinnen
niet bij elkaar had. Als Quoskh werkelijk sterven kon, zou dit het
antwoord kunnen geven op de vraag wat er van hem wordt. Met zijn
laatste krachten vliegt hij kloek naar zee, om dat groote geheim van
den oceaan te ontraadselen. Daar hebben zijn voorouders ontelbare
eeuwen aan de kust geleefd en zijn af en aan, af en aan getrokken op
hun eindeloozen, onnoodigen trek, rusteloos, onvoldaan, zwervend, alsof
de stem der zee ze riep, daarheen waar ze niet durfden volgen.
Eens op een zomer was er een nauw zichtbaar lommerpaadje vlak achter
mijn tent aan het wijde meer, dat in het bosch verdween met eindelooze
wendingen en bochten, zonder de minste aanduiding waar het van plan was
heen te gaan, voordat ik het einde al bereikt had. In dit paadje
wachtten me steeds allerlei merkwaardige verrassingen. Roode
eekhoorntjes, die aan weerskanten allerlei kattekwaad uithaalden,
gluurden met een drukte van belang over een tak naar beneden,
elandsvogels [6] glipten er geruischloos over in bedrijvige haast. Nu
eens staat ge plotseling met bonzend hart stil, wanneer ge bezig zijt
over een van de vele omgewaaide boomen die u den weg versperren heen te
klimmen, als er iets opspringt en krakend door het kreupelhout breekt.
Een glimp van een wit vaantje, dat rijst en daalt, en weer rijst en
daalt boven de gevelde stammen, door een heel kleintje gevolgd, zegt u
dat een hinde en haar kalfje daar achter den stam lagen, zonder iets te
merken van uw geruischlooze nadering. Dan weer doemt er bij een bocht
van het paadje iets grijs en massiefs voor u op en verspert het nauw
zichtbare weggetje, zoodat ge plotseling stilstaat, en terwijl ge
achter den eersten den besten boom terugdeinst, draait een kop met een
reusachtig gewei zich met een zwaai naar u toe: opengespalkte
neusgaten, turende, wijdopengesperde oogen, en ooren die als trompetten
recht op uw hoofd gericht zijn—een mannetjeseland, sst!
Twee lange minuten blijft hij daar roerloos staan om dat nieuwe wezen,
zooals hij nog nooit eerder gezien heeft, te bekijken, en ge zult goed
doen u doodstil te houden en ’t aan hem over te laten of hij zin heeft
vrij baan te maken. Een beweging van uw kant zou hem nader kunnen
brengen om eens een onderzoek in te stellen, en ge kunt nooit weten
welke geringe aanleiding al een uitdaging voor hem beteekent en het
onheilspellende, roode licht in zijn oogen ontvonkt. Eindelijk gaat hij
heen, eerst bedaard, terwijl hij zich nog herhaaldelijk omkeert om te
kijken en met zijn lange trompetooren naar u te wijzen, maar dan legt
hij zijn groote gewei achterover op zijn schoften, steekt zijn neus in
de lucht en met lange, gelijkmatige stappen gaat het over de gevelde
boomen heen en hij is verdwenen.
Zoo had dat paadje elken dag de een of andere nieuwe verrassing—uil, of
haas, of prikkelig stekelvarken, dat met zijn pennen ratelde als met
een koker vol pijlen en zijn Indiaanschen naam: Unk-wunk, Unk-wunk
uitbazuinde, terwijl hij rondscharrelde. Wanneer ge het paadje een heel
eind gevolgd waart en zeker dacht dat het treuzelend en talmend
verdwaald was, kroop het eindelijk onder een donkeren spar, en daar, in
een ovale lijst van ritselend, fluisterend groen, lag het eenzaamste,
liefelijkste bevermeertje van de wereld, waar de herten kwamen drinken
en Quoskh met vrouw en kinderen woonde.
Den eersten keer dat ik het paadje afkwam en door de ovale bladerlijst
keek zag ik hem, en nauwelijks had ik een glimp van hem opgevangen, of
ik sprong al op bij de gedachte aan de prachtige ontdekking die ik daar
gedaan had: dat jonge reigers evengoed met poppen spelen als kinderen.
Maar ik had me vergist. Quoskh was aan ’t kikkers-vangen geweest en was
bezig ze een voor een te verstoppen, toen ik aankwam. Hij had mij al
vernomen eer ik van zijn aanwezigheid afwist, en met een sprong naar
zijn laatsten kikker, een grooten, dikken, was hij op zijn breede
wieken zwaar in schuine richting naar boven gevlogen—zijn rug gekromd
en zijn hals als een S gebogen, terwijl zijn lange pooten onder hem
uitstaken en hem nasleepten—naar zijn nest in den spar aan den anderen
kant van het bevermeertje. Toen ik hem goed zag, kwam hij net dwars
langs de ovale lijst waardoor ik keek. Hij had den kikvorsch met zijn
langen snavel om ’t middel beet, vrijwel zooals iemand dien met een
stompe schaar zou vasthouden, dat hij er aan weerskanten uitbolde, als
een kussentje waar een touw stijf omheen is gebonden. De kop en de
korte armpjes waren den eenen kant uitgeduwd, de slappe pooten
bungelden aan den anderen kant naar beneden, en ’t leek warempel wel
een opgevulde lappenpop, die Quoskh voor zijn kinderen naar huis bracht
om mee te spelen.
Ze zouden stellig veel liever een kikker gehad hebben, maar door den
wonderlijken inval dien ik in dat korte romantische oogenblik had was
er een belangstelling voor hen in me gewekt, waaraan niet voldaan was,
eer ik veel later naar hun nest was geklommen en hen en hun leefwijze
had gezien. Toen ik Quoskh ging bestudeeren om hem beter te leeren
kennen, merkte ik dat hij een boeiend onderwerp was, niet alleen om
zijn wonderlijke manieren, maar ook omdat hij altijd zoo uiterst
behoedzaam te werk ging en om de moeilijkheden waarmee ik te kampen
had, toen ik hem op heeterdaad wilde betrappen. Eerst leek zijn naam
Quoskh K’sobegh me ’t meest geschikt, totdat ik zijn gewoonten had
leeren kennen en wist hoe hem de loef af te steken; wat me maar twee-
of driemaal in een heelen zomer gebeurde.
Eens op een morgen toog ik al vroeg naar ’t bevermeer, waar ik tegen
een grijze boomstomp aan de kust ging zitten met wilde frambozen
schouderhoog om me heen. „Nu zal ik me koest houden en alles zien wat
er komt,” dacht ik, „en niets zal mij in ’t oog krijgen—geen blauwe
gaai zelfs.” Dat lukte bijna. Kleine vogeltjes, die nog nooit te voren
een mensch in ’t bosch hadden gezien, kwamen op de frambozen af en
pikten er aan, geen zes voet van mijn gezicht, zonder dat ze iets
ongewoons merkten. Als ze me zagen, draaiden ze met hun kopjes, om me
eerst met het eene, dan met het andere oog te bekijken en eindelijk met
een ruischend brrr! van hun wiekjes op te vliegen naar een tak boven
mijn hoofd. Daar zaten ze me dan langer of korter, al naar gelang van
hun nieuwsgierigheid, op te nemen, kwamen naar beneden vliegen en
flapperden mij met hun vlerkjes hard in ’t gezicht, om me door een
beweging te laten verraden wie ik was.
Op een steenworp afstand, aan den anderen kant van een kleinen boezem
van het meer, kwam een mooie bok naar ’t water, stak er zijn snuit in
en begon toen onrustig heen en weer te draaien. Een flauwe, bijna
onmerkbare geur was van mij naar den overkant gedreven en maakte hem
ongedurig, ofschoon hij niet wist wat ik was. Hij bleef zich maar om
zijn neusgaten likken, als een koe dat doet, om ze vochtig te maken en
den geur beter op te vangen. Rechts van me was een hinde niets kwaads
vermoedend in de leliebladen aan ’t grazen. Langs den oever aan mijn
voeten snelde een mink, telkens wegglippend in wortels en rotsblokken,
om huppelend en duikend weer voort te gaan. Cheokhes beweegt zich
altijd op die manier, want hij weet hoe glimmend zwart zijn huid is,
hoe glinsterend hij afsteekt tegen den zandigen oever, als een doelwit
voor uil en havik. Daarom glijdt hij nooit verder dan een meter of
anderhalf zonder weg te schuilen, en het liefst gaat hij over de
donkerste wortels en rotsblokken. Vlak voor me liet een jonge ijsvogel
zich met zijn zangerig k’plop in een school voorntjes vallen, die al
spelend het water rimpelden. Een eind verder op het meer plofte een
vischarend zwaar suizend neer, om met een dikken witvisch weer op te
stijgen, en geen scherpzichtige blik van heel dat boschvolkje had mij
getroffen—ze wisten niet eens dat ze begluurd werden. Toen kwam er
langs den groenen oever aan den overkant een lange, golvende, blauwe
lijn glijden, een Cupido-boog in ’t groot, en Quoskh verscheen voor
zijn ochtendvangst.
Tegenover me, net op de plek waar de bok gestaan had, vouwde hij zijn
groote vlerken samen, zijn nek was gekromd, zijn lange pooten, die hij
in zijn snelle vlucht sierlijk uitgestrekt achter zich aan had
gesleept, zwaaiden als twee slingers onder hem uit, toen hij luchtig op
den modderigen oever landde. Hij kende zijn terrein in de puntjes,
kende elke beek, elken inham van ’t meertje, waar ’t vol kikkers zat,
zooals wij ons geboortedorp. Maar hoe Quoskh zich ook in zijn omgeving
thuis voelt, zijn waakzaamheid laat zich nooit in slaap wiegen. Op ’t
eigen oogenblik dat hij neerkwam richtte hij zich bijna manshoog op en
liet zijn scherpen blik langs de oevers glijden; ééns maar. Zijn kop
met dat heldergele oog en dien langen, gelen bek, die in ’t morgenlicht
glinsterde, wendde, draaide op zijn langen hals als een vergulde
windvaan op een torenspits. Toen het vaantje, het strand volgend, mijn
richting uit kwam draaien, hield ik mijn adem in om toch geen beweging
te maken, want ik waande mij zoo mooi verscholen, dat geen blik me op
dien afstand zou kunnen ontdekken. Terwijl hij langzaam over mij
heengleed, lachte ik in mijn vuistje, want ik meende dat ik Quoskh beet
had genomen, maar ik had er heelemaal niet aan gedacht dat een vogel
nooit recht voor zich uitkijkt. Zijn snavel was mijn neus nauwelijks
een graad of dertig voorbij, net zooveel dat zijn linkeroog op mij
rustte, of plotseling bewoog hij niet verder. Zoodra ’k hem onder ’t
oog kwam, had hij me gesnapt en begrepen dat ik daar niet hoorde. Geen
vin verroerde hij en zijn blik scheen me een poos lang te doorboren. Je
had hem makkelijk zoo over ’t hoofd kunnen zien, in de meening dat hij
een van die grauwe wortels aan den oever was, waar de golven over
spoelden. Toen dook hij op die onbeschrijflijk onhandige manier waarmee
alle reigers hun vlucht beginnen ineen, en vloog zwaar schuin naar
boven in den hoogsten boom aan den oever, waar hij nog een poos op een
dooden tak naar mij bleef zitten kijken. Ik had niet eens geknipoogd,
en toch was ik te duidelijk voor hem zichtbaar dan dat hij me
vertrouwen kon. Weer dook hij ineen, steeg hoog boven de boomtoppen en
zweefde in forsche, rustige, sierlijke vlucht naar een eenzaam meer,
waar geen mensch was om hem te begluren of ’t hem lastig te maken.
Die scherpzichtigheid van Quoskh ontmoedigde me niet—integendeel, mijn
verlangen om meer van hem te weten te komen werd er maar door
versterkt; vooral wou ik hem eens van heel dichtbij aan ’t visschen
zien. Op de landtong aan den kleinen inham, waar het vol kikkers zat,
vlocht ik een scherm van twijgen, onder de lage, dikke takken van een
spar en ging toen heen om andere boschbewoners te bespieden.
Den volgenden morgen keerde hij niet terug en op den oever vond ik ook
geen versche prent van hem. Dat was me het eerste teeken dat Quoskh de
voorschriften van een ervaren visscher goed kent en hetzelfde terrein,
hetzelfde water, niet te dikwijls plundert, hoeveel er ook te vangen
is. Den derden morgen kwam hij terug; toen den zesden avond; daarna den
negenden morgen en zoo in regelmatige afwisseling, zoolang ik hem
bespiedde. ’t Gebeurde ook wel dat ik hem ver het land in aan ’t
visschen trof, in andere meren en rivieren, of hem hoog boven de wouden
zag wieken, op weg naar huis van wateren die ver buiten mijn
gezichtsveld lagen. Maar zulke verschijningen waren te ongeregeld dan
dat ik er een theorie op zou kunnen bouwen. Toch twijfel ik er niet aan
of hij vischte niet zoo geregeld in de naburige rivieren en vijvers als
in het bevermeer, en trok slechts dan het land in, als hij eens naar
visschersgewoonte een verzetje of grooter kikkers wilde hebben, of als
’t hem tegenliep en hij den luidruchtigen honger van zijn opgroeiende
jongen niet stillen kon.
Op dien zesden middag kreeg ik het best gelegenheid om zijn wonderlijke
manier van visschen eens gade te slaan. Ik zat achter mijn scherm aan
het bevermeer op een hert te wachten, toen Quoskh langs den oever kwam
stappen. Zijn weerhaan zwaaide, tot hij een kikker voor zich zag, dien
hij dan langzaam, omzichtig, uiterst behoedzaam besloop, alsof hij
evengoed als ik wist hoe de kikkers voor hem op hun hoede zijn en hoe
snel ze halsoverkop naar een schuilplaats duiken, zoodra ze zijn lange
steltbeenen maar zien glimmen. Nader en nader gleed hij, om roerloos
als een grijze boomstronk te blijven staan, wanneer hij meende dat zijn
slachtoffer op hem lette; en dan weer met nog grooter voorzichtigheid
verder, diep voorovergebogen, met teruggetrokken hals, zoo, dat hij
zijn slag zoo snel en krachtig mogelijk kon slaan—een toeschieten, een
bliksemsnel neerkomen, en ik zag hem dan nijdig zijn kikker schudden,
dien tegen den eersten den besten steen of boomwortel kwakken en er
langzaam mee naar een graspol gaan, waar zijn vangst listiglijk
verstopt werd. Dat zaakje was afgedaan. Met zijn weerhaan draaiend en
wendend in zijn onafgebroken zoeken naar kikkers of mogelijke vijanden,
stapte hij er weer op los.
Wanneer zijn scherpe blik getroffen werd door een vischje dat door de
waterplanten schoot, veranderde hij van taktiek en liet zijn
slachtoffer naar zich toekomen, in plaats van er achteraan te stappen,
zooals hij met kikkers deed. In wat voor houding hij ook stond, op
beide pooten, of met éen poot opgeheven om een pas te doen—wanneer er
een visch verscheen, bleef hij pal zoo staan, want hij wist drommels
goed dat de minste beweging alleen zou dienen om zijn prooi haastig
naar het diepe water te verjagen. Soms stond hij daar wel een halfuur
op éen poot, liet zijn kop langzaam tusschen zijn schouders zinken, met
teruggekromden hals, en zijn langen, scherpen snavel steeds recht op de
trillende lijn gericht, die den spelenden visch verried; de oogen half
geloken, tot het oogenblik gekomen was en zijn lange hals neerschoot.
Geplas, ’t kwakken van zijn vangst tegen den eersten den besten
boomwortel om ze te dooden—en met een eigenaardig medegevoel zag je toe
hoe hij haar in het gras verborg en bedekte, omdat Hawahak haar anders
eens zien mocht, of Cheokhes haar ruiken en haar stelen, terwijl hij
stond te visschen.
Als hij gauw aan zijn laatste vangst toe was, stapte hij achteruit en
verstopte haar bij de vorige; zoo niet, dan bedekte hij haar op het
eerste het beste plekje en ging verder. Geen nood dat hij de plek
vergeten zou, hoe groot zijn vangst ook was! Of hij zijn kikkers en
visschen telt, of zich eenvoudig de plaatsen waar hij ze begroef
herinnert, zou ik niet kunnen zeggen.
Ik volgde zijn spoor wel eens terug, als ik hem op een moerassigen
oever verraste en hij wegvloog zonder iets van zijn versnaperingen mee
te nemen, om zijn bergholen te ontdekken en eens te kijken wat hij
gevangen had. Kikkers, visschen, donderpadden, mossels, een
muskusratje—daar lagen ze allemaal slim onder wat dor gras of modder
verborgen. En eenmaal ben ’k me op den tegenovergestelden oever gaan
verschuilen, om eens te kijken of hij terug zou komen. Na een goed uur
verscheen hij. Eerst bekeek hij nog nauwkeuriger dan anders mijn
voetspoor, vervolgens den heelen oever, en toen ging hij regelrecht
naar de verschillende plekjes die ik gevonden had, en nog naar twee die
’k niet had gezien, en vloog daarna naar zijn nest, met een franje van
kikkers en visch, die hem onder ’t vliegen aan weerskanten uit zijn
langen snavel hing. Die had hij op den grond als de spaken van een wiel
gerangschikt, zooals een vos ook doet: de koppen naar buiten en de
staarten of pooten boven op elkaar middenin, zoodat hij de gekruiste
pootjes in zijn snavel kon pakken, en zooveel visch en kikkers als ’t
maar mogelijk was kon dragen, zonder het minste gevaar te loopen er
onder het vliegen te verliezen.
De mossels die hij vond at hij altijd allemaal op, geloof ik, als een
lekkernij voor zich persoonlijk, want nooit heb ik hem zien probeeren
ze mee te dragen, ofschoon ’k er eens een paar verborgen vond.
Gewoonlijk kreeg hij de schaal makkelijk met een slag van zijn sterken
bek of door ze tegen een boomwortel te slaan stuk, zoodat hij het
kunstje, aan elke meeuw bekend, niet noodig had, het waarschijnlijk
niet eens wist—van met een bikkelharde schaal naar boven te vliegen en
ze op een steen te laten vallen om haar te breken.
Als Quoskh voor zijn eigen middagmaal aan ’t visschen was, in plaats
van voor zijn hongerige broed, ging hij op een andere wijze te werk.
Was hij voor hen een sluwe, geslepen, stille jager, die zijn buit
besloop volgens een beproefde sluipjachttaktiek, voor zichzelf was hij
een echt visscher—rustig spiedend, met eindeloos geduld. Hij scheen te
begrijpen dat hij zich den tijd kon gunnen en ’t er eens van kon nemen,
omdat hij wel wist: de aanhouder wint, vooral wanneer het om visch
gaat; terwijl hij zich voor zijn jongen haasten moet, omdat, als ze te
lang gevast hadden, hun gekras stellig hongerige, onwelkome sluipdieren
naar het groote nest in den spar zou lokken.
Eens zag ik hem op een eigenaardige manier aan den gang, die me
dadelijk aan de vischwijze deed denken bij elken makreelvisscher aan de
kust bekend. Hij ving een donderpad als lokaas en waadde er mee naar
een koele, diepe plek onder een lommerrijken oever. Daar trok hij zijn
donderpad aan stukjes, die hij in ’t water gooide, waar het aas weldra
een heele school kleine vischjes lokte om er van te eten. Quoskh stond
ondertusschen in de schaduw, waar hem niemand zien zou, diep met zijn
pooten in ’t water, den kop tusschen zijn schouders teruggetrokken,
terwijl een bebladerde tak welwillend over hem heenboog, om hem voor
onderzoekende blikken te beschermen. Zoodra er een vischje naar zijn
lokaas toezwom, spietste hij het met een bliksemsnelle beweging, wierp
zijn kop achterover en werkte het in zijn langen hals naar beneden.
Daarna ging hij weer rustig staan om op een volgend te loeren. En daar
bleef hij spieden en smullen om beurten, tot hij genoeg had. Dan trok
hij zijn kop nog dieper in de schouders, sloot zijn oogen en viel vast
in slaap, midden in de koele schaduw—een toonbeeld van den onbezorgden
visscher, voldaan en in zalige rust.
Terwijl ik daar zoo dagen aaneen naar dat nest ging kijken en mij in
het kreupelhout verschool om het te bespieden, kwam ik er beter van op
de hoogte hoe Quoskh vischt en jaagt. Het nest bevond zich op een
grooten spar, in een somber moeras—een kwaad oord, vol poelen en
verraderlijke plekken, met hier en daar een eilandje van hooge boomen.
Op een van die eilandjes nestelde een kleine reigerkolonie. Overdag
zwierven ze het land in en verspreidden zich ver in ’t rond, elke
koppel naar zijn eigen vischwater; maar wanneer de schaduwen lengden en
nachtelijke sluipers gingen rondwaren, kwamen de reigers op hun spoor
terug in eigenaardige, sierlijke, golvende lijnen tegen den gloeienden
zonsondergang, om in alle gezelligheid samen te krassen en elkaar te
helpen waken den lieven, langen nacht. Quoskh „de waakzame”—ik kon het
wijfje van mijn grooten reiger zoodra ’k haar hoorde en op ’t eerste
gezicht van alle andere onderscheiden, door haar grootte en den
eigenaardigen tweeklank in haar gekras—had haar nest in den top van een
grooten, groenen spar verborgen. Dichtbij, hoog in de vork van een
dooden boom, was nog een nest, dat ze klaarblijkelijk jaren te voren
gemaakt had, waar ze elk voorjaar wat had bijgebouwd om het ten leste
toch te verlaten voor den sparreboom. Beide vogels gingen vaak naar het
oude nest toe; en ik heb me wel eens afgevraagd of het niet een list
van hen was, dat ze het zoo in ’t volle gezicht lieten, waar elk
roofdier het in ’t oog kon krijgen en er heen klimmen, terwijl de
jongen ondertusschen veilig verscholen zaten in den top van den anderen
spar, waar ze konden uitkijken zonder zelf gezien te worden. Pas van
een afstand was ’t nest te ontdekken. Onder den spar werd het heelemaal
beschermd door een warrelnet van takken, en het andere nest, dat zich
daar brutaalweg op den dooden boomtop afteekende, trok alle aandacht
tot zich. Die wijsheid—als het wijsheid en geen toeval is—wordt slechts
door ondervinding verworven. Eén broedsel van jonge reigers tenminste
moest aan den honger van lynx of vischmarter zijn opgeofferd, om Quoskh
te leeren dat hij partij kon trekken van dat misleidende nest, om
hongerige roofdieren op den naakten stam te lokken, waar het terrein
geschikt was om ze met den krachtigen snavel te spietsen en met de
groote vlerken naar beneden te slaan, voordat ze hun vergissing konden
bemerken.
Gewoonlijk kon ik door mijn kijker wel onderscheiden op wat voor
gedierte de vogels gejaagd hadden, als ze er mee bij hun jongen kwamen.
Eens hing er een slang uit den bek van de moeder, eens een vogel,
tweemaal bracht ze kleine dieren mee, die ik niet goed kon thuisbrengen
in ’t korte oogenblik dat zij neerdaalde op den nestrand—en behalve
deze beesten nog den gewonen voorraad visschen en kikkers waar ik geen
aandacht aan gaf. En eens toen ik in mijn schuilplaats zat zag ik de
reigermoeder snel uit het nest naar beneden zeilen, plotseling een
kring beschrijven boven het meer en zich in de ruigte van
frambrozestruiken storten die den oever omzoomden, om het een of andere
dier te vervolgen dat haar scherpe oogen er hadden zien bewegen. Een
haastig geritsel in de boschjes, klappen met een vleugel, om den
vluchteling den pas af te snijden, twee of drie bliksemsnelle houwen
met haar vlijmscherpen bek, en daar steeg ze zwaar naar boven, met een
haas beladen; ik kon zien hoe ze hem op het nest onhandig aan stukken
trok om haar hongerige jongen te voeren.
Het duurde heel lang eer ik er eindelijk toe kwam de moeilijke
klimpartij naar het reusachtige nest te ondernemen, om de jonge reigers
eens te zien—een plan, dat me al bekoord had sinds ik Quoskh iets naar
zijn nest had zien dragen, wat me op het eerste gezicht een lappenpop
voor ze had geleken, om mee te spelen; maar ook om nog meer van Quoskhs
jachtmanieren te leeren kennen. Eens, toen de moeder een onbekend dier
had meegebracht,—een mink leek het mij—kwam ik plotseling uit mijn
schuilhoek te voorschijn en stak over naar het nest. Het had altijd een
zekere bekoring voor me gehad. Als ik er in de schemering onder stond,
had ik de moeder zachtjes tegen de jongen hooren krassen—een schor
wiegeliedje, maar dat zij stellig prachtig vonden—en als ik daarna
wegpagaaide, zag ik het nest donker tegen de ondergaande zon
afgeteekend, moeder Quoskh er boven op—een groot, sierlijk schaduwbeeld
tegen de heerlijkheid van den stervenden dag—die de wacht hield over
haar jongen. Nu zou ik het geheim van dat hooge nest ontsluieren er er
inkijken.
De moeder, verschrikt door mijn plotselinge verschijning—ze had er geen
oogenblik aan gedacht dat ze bespied werd—schoot stilletjes weg, in de
hoop dat ik haar nest niet zien zou door het dichte takkenscherm. Met
moeite klom ik naar boven, maar niet voordat ik tot op een voet of tien
genaderd was kon ik iets maken van al die takken boven mij. De omgeving
begon nu vuil te worden en verspreidde een hoogst onaangenamen stank,
want Quoskh leert de jonge reigers het nest kraakzindelijk houden, door
al het overtollige over den rand van hun ruime woonplaats naar beneden
te gooien. Wel tien keer had ik gezien hoe de moeders van de kolonie
haar jongen naar den rand van het nest duwden, om hun het besef van
netheid bij te brengen, zoo heel anders dan de meeste andere vogels.
Terwijl ik aarzelde me verder door die met vuil beladen takken heen te
werken, werd mijn aandacht getrokken door iets glimmends op den rand
van het nest. Het was een oog van een jongen reiger, die over zijn
langen snavel op mij neerkeek en mijn nadering gadesloeg met een
ingespannen aandacht, die maar amper verborgen werd door de halfgeloken
oogleden. Ik was op een punt gekomen dat ik om den boom heen moest
klimmen om vasten voet te krijgen op een dikken tak, en toen ik opzag
keek er nog een oog naar beneden, ook over een langen snavel, zoodat ze
me, hoe ik mij ook keerde, nauwkeurig in ’t oog hielden, terwijl ik
nader en nader kwam, totdat ik mijn hand uitstak om ’t nest aan te
raken. Toen klonk er een schor gekras, drie lange halzen schoten
plotseling aan mijn kant over den rand, drie lange snavels sperden zich
wijd open vlak boven mijn hoofd, en drie reigerjongen werden plotseling
zeeziek, alsof ze een braakmiddeltje hadden geslikt.
Het inwendige van dat nest heb ik nooit gezien, want toen had ik te
veel haast om naar beneden te komen en me af te wasschen in het meer,
en daarna waren de jonge vogels zoo groot geworden, hun bekken zoo vlug
en krachtig, dat het mensch noch dier zou lukken over den rand van het
nest heen te kijken, als hij, met zijn beide handen in de weer om zich
vast te houden, nog in ’t bezit van zijn oogen wil blijven ook. ’t Is
nog gevaarlijker naar jonge reigers toe te klimmen dan naar jonge
arenden, want een reiger hakt altijd naar de oogen, en als hij raakt,
is blindheid of dood het gevolg—of de slag moest met een katachtige
tegenwoordigheid van geest worden afgeweerd.
Toen ik de jongen weer zag, kregen ze hun eerste les. Een droevig
gekras in de boomtoppen trok mijn aandacht en ik stak voorzichtig over,
om eens te kijken wat mijn reigers uitvoerden. De jongen stonden
reikhalzend op het groote nest met uitgespreide vlerken hongerig te
krassen, terwijl de moeder een eindje verder op een boomtop stond en
hun iets te eten voorhield, dat ze duidelijk in reigertaal beduidde te
komen halen. Na veel aanmoedigend gekras probeerden ze het, maar hun
lange, onhandige nagels misten houvast op den ranken tak, waarop zij
zich luchtig in evenwicht hield—geheel volgens haar verwachting, en
toen ze met hevig gefladder neervielen, schoot zij voor hen uit naar
beneden en leidde ze met een lange bocht in glijvlucht naar een open
plek op den oever. Daar voerde zij hen met het lekkers dat zij in den
bek droeg, haalde nog meer te eten uit een graspol in de buurt, waar ze
’t verstopt had, prees hen met gorgelend gekras, tot ze een beetje op
hun gemak raakten op die lastige pooten en de heele familie den oever
op trok voor haar eerste kikkerjacht.
Dat was geweldig belangwekkend voor een man die als kleine jongen zelf
dikwijls op de kikkerjacht was geweest—op groote, om ze landelijk te
braden, of op kleine, om snoek mee te vangen—daar nu op een eilandje te
zitten kijken hoe de reigerjongen hun geluk beproefden. Moeder Quoskh
ging voorzichtig vooruit om de leliebladen te doorzoeken en de jongen
volgden haar onhandig op den voet. Ze beurden hun pooten op als
kalkoensche hanen en zetten ze met een plons, die elken kikker in de
buurt wel op de vlucht moest drijven, weer neer, juist waar de poot van
de moeder een oogenblik geleden had gestaan. Zoo ging ’t verder;
moeders kop draaide als een weerhaan om goed uit te kijken, terwijl de
jongen hun halzen uitrekten, alsof ze aan weerskanten langs haar heen
wilden gluren, uiterst verbaasd over die onbekende wereld, hongerig
naar de dingen die daar groeiden, tot een verschrikte jonge kikker
k’tung! zei van achter een lelieblad waar ze hem niet zagen, en
halsoverkop de modder indook. Een lang, kronkelend spoor liet hij
achter, dat nauwkeurig verried hoe ver hij gegaan was. Een kikker is
net een struisvogel: als hij niets ziet, omdat zijn kop verborgen is,
denkt hij dat ook niemand hem kan zien. Bij dien plotselingen noodkreet
rekte moeder Quoskh haar hals uit om den kikker na te kijken; daarop
keerde ze haar kop zoo, dat haar lange snavel op den bobbel in den
gladden modderbodem gericht was, die de schuilplaats van Chigwooltz
verried, en deed een zacht gekras hooren. Dadelijk kwam een der jongen
bij dat geluid gretig naar voren, volgde zijn moeders snavel, die al
dien tijd onbeweeglijk gericht bleef, draaide zijn kop, tot hij den rug
van den kikker in de modder in ’t oog kreeg, om er dan bliksemsnel op
aan te vallen. Gewoonlijk kreeg hij zijn kikker, en door mijn kijker
kon ik ’t ongelukkige beest kronkelend en draaiend in Quoskh’s gelen
bek zien verdwijnen. Mislukte de aanval, dan volgde de scherpe blik van
de moeder den wanhopig vluchtenden kikker in de modder, nu met een
langer spoor achter zich aan, tot hij zich weer verstopte, waarop zij
hetzelfde jong krassend weer aanspoorde het nog eens te probeeren, en
dan toog de heele familie als een rij steltloopende jongens, met horten
en stooten weer verder naar een volgend eilandje van leliebladen.
Toen de jongen ouder werden en vaster op de pooten stonden, ontdekte ik
een eigenaardige gewoonte, die de meeste van onze langbeenige
waadvogels er op na schijnen te houden; de laatste overblijfselen van
een soort dans. Want als ik rustig in mijn kano zat, zag ik de jongen
soms in lange glijvlucht naar het strand zeilen, en zoodra ze er
neerkwamen, nog eer ze aan kikkers of visch of honger dachten, begonnen
ze op-en-neer te huppelen, terwijl ze zich zwaaiend, met uitgespreide
vleugels in evenwicht hielden, en dan weer om elkaar heen sprongen
alsof ze behekst waren. Die onzinnige vertooning duurde maar heel kort,
en dan stapten ze weer bezadigd langs den oever, alsof ze zich
schaamden over hun onbeholpen lichtzinnigheid. Elk oogenblik kon ’t
echter gebeuren dat die geestvervoering hen weer te pakken kreeg en dan
begon ’t gehuppel weer, alsof ze ’t eenvoudig niet laten konden. ’t
Gebeurde gewoonlijk tegen den avond, als ze volop te eten hadden gehad
en klaar stonden om te spelen of hun breede wieken uit te slaan, om
zich vast te oefenen voor den langen, langen najaarstrek.
Terwijl ik zoo eens op een avond naar hen zat te kijken, schoot me
plotseling weer een grappig tooneeltje te binnen, waar ik als jongen
toevallig getuige van was. Ik had een grooten blauwen reiger onder
hevig gekras neer zien zeilen in een boezem van het groote meer, waar
ik aan ’t hengelen was, en sloop er door dicht struikgewas naar toe, om
te onderzoeken waarom hij zoo kraste. In plaats van éen, vond ik er een
stuk of tien van die groote vogels op den open oever, die in vervoering
al huppelend een soort van dollen dans uitvoerden. Er knapte een takje
toen ik nader kroop, en in een oogwenk waren ze links en rechts uit
elkaar gevlogen. Het was September, en het instinct, dat hen samendreef
om op den trek te gaan, was over hen vaardig geworden. Toen ze voor ’t
eerst bij elkaar kwamen, had een vage herinnering aan lang vergane
geslachten—overblijfsel van een vroeger instinct, naar welks beteekenis
we nog slechts raden kunnen—hen zoo wild aan het dansen gebracht,
ofschoon ik er toen aan twijfelde of ze veel begrepen van wat ze
uitvoerden.
Misschien vergiste ik mij, want als ik de jonge vogels bespiedde bij
hun onhandig gehuppel, leek het wel dat die drang tot dansen
onbedwingbaar was, en toch deden ze af en toe heel deftig; ook schenen
ze ’t wel eens prettig te vinden—misschien net als wij soms genieten
van onze eigenaardige dansen, waar een Chinees, dien wij op bezoek
hadden, eens onschuldig van vroeg: „Waarom laat ge uw bedienden dat
niet voor u doen?”
In den paartijd heb ik het kleine, groene reigers in het bosch ook zien
doen, en eens, in den dierentuin in Antwerpen, zag ik een prachtige
huppelvertooning van een paar Afrikaansche reuzenkraanvogels. Onze
Amerikaansche kranen, de gewone en de zandheuvelkraan, zijn bekende
dansers; en stellig al de reigersoorten, van de kleinste tot de
grootste, doen het, min of meer instinctmatig. Maar wat er achter dat
instinct schuilt—behalve dat het net als ons dansen zuiver uit plezier
zou gebeuren, zooals kraaien spelletjes doen en duikeenden
zwemwedstrijden houden—weet niemand.
Voordat de jongen heelemaal volwassen waren, en terwijl ze nog achter
de moeder aan trokken om kikkers en visch te leeren vangen, gebeurde er
iets verschrikkelijks, dat maakte dat ik sedert dien tijd steeds met
oprechte bewondering naar Quoskh opzie. Ik was eens, laat op een
middag, midden in het groote meer aan ’t visschen, toen Quoskh en haar
jongen over de boomen van het bevermeer kwamen aanzeilen en op een
grazigen oever neerdaalden, waar een ondiep beekje het meer ingleed; en
moeder Quoskh liet haar jongen daar alleen om kikkers te vangen,
terwijl zij een eind de beek op onder de elzen ging visschen. Ik was
bezig de jonge reigers door mijn verrekijker te bespieden, toen ik
plotseling een snelle beweging in ’t hooge gras naast hen bemerkte. Op
reigersmanier doken ze dadelijk alle drie ineen. Twee ontkwamen er
veilig, maar de derde had nauwelijks zijn wieken uitgeslagen, of een
zwart beest sprong hem uit het gras naar de keel en trok hem
klapwiekend en wanhopig krassend naar beneden.
Onmiddellijk haalde ik mijn ankertje in en pagaaide naar den oever, om
te zien wat er gebeurde en wat voor beest er uit het gras was
gesprongen. Voordat ik met mijn pagaai een twaalf slagen gedaan had,
zag ik de elzen aan de beek snel uiteenwijken en moeder Quoskh zeilde
te voorschijn, als een pijl uit den boog regelrecht op de spartelende
vleugeltoppen toe, die nog krampachtig boven ’t gras flapperden. Nog
voordat haar pooten goed en wel op den grond stonden, sloeg ze twee
keer verblindend snel en krachtig met haar groote wieken naar beneden;
haar hals kromde zich achterover en schoot met den sterken, zes duim
langen snavel recht naar voren, sneller zelfs dan de arm van een Romein
zijn speer wierp. Boven het lap-lap van mijn kano hoorde ik een wilden
smartkreet; hetzelfde zwarte beest schoot uit het ruige gras en hapte
haar naar de keel. Toen begon er een wanhopig gevecht, met kort,
hortend gekras en gegrauw, waardoor voorzichtigheid van mijn kant niet
noodig was, terwijl ik er mij heen haastte, om te zien wie de roover
was en hoe Quoskh het maakte in haar nobelen strijd.
De kano schoot achter een landtong, waar ik het strijdperk zoo voor me
had als ik over den lagen oeverrand keek. ’t Beest was een
vischmarter—zwarte kat noemen de „trappers” hem—de bloeddorstigste en
sterkste vechtersbaas van zijn grootte die er op de heele wereld
bestaat, geloof ik. Op het oogenblik dat ik hem het eerst zag had hij
zich sneller dan de gedachte voor den tweeden keer op de borst van den
reusachtigen vogel geworpen, elastisch als een catapult. Beide keeren
was hij met een bliksemsnellen klap in zijn gezicht van Quoskh’s
gespannen wiek ontvangen. Zijn tanden vermaalden de groote slagpennen
tot pap, zijn nagels trokken ze aan flarden, maar hij kreeg geen
houvast in de veerenmassa en hij gleed grauwend, met slaande klauwen
weer in ’t gras, om vliegensvlug weer overeind te springen. Nog een
slag met de stijve wiek, maar nu was de sprong hooger—een klauw haakte
in den schouder, reet door de stuivende veeren tot op het bot, terwijl
zijn gewicht den grooten vogel naar beneden haalde. Toen trok Quoskh
haar hals terug in een groote bocht, liet hem als een slang over den
rand van haar eigen vleugel glijden—twee korte, krachtige stooten van
de doodelijke speer—zoo snel dat mijn oog slechts tweemaal een gele
flikkering zag—en met een snerpenden kreet liet de marter af en tolde
blindelings naar mij toe. Eén oog was weg, en een leelijk rood streepje
boven het andere verried hoe weinig het gescheeld had of ook de tweede
houw had doel getroffen.—Het was of Quoskh’s gestalte zich oprichtte
als een held die den strijd gewonnen heeft.
Er voer mij een rilling door de leden, toen ik er aan dacht hoe weinig
het eens gescheeld had dat het mij zelf zoo gegaan was als den marter,
en door hetzelfde scherpe wapen. Ik was toen een kleine jongen, en liep
met een goedhartigen jager dien ik in ’t bosch was tegengekomen mee,
alleen omdat ik ’t in de wildernis zoo heerlijk vond en omdat het zoo
prachtig was de weitasch te dragen. Hij schoot een grooten, blauwen
reiger, die vleugellam in de zachte modder en ’t moerasgras viel.
Zonder erg stuurde hij er mij naar toe, omdat hij geen zin had zelf
natte voeten te halen. Terwijl ik mij er heenspoedde, lag de reiger
rustig met teruggetrokken hals, en zijn langen, spitsen snavel pal op
mijn gezicht gericht. Ik had nog nooit eerder zoo’n grooten vogel
gezien en boog me over hem heen, vol verbazing over zijn langen snavel,
vol bewondering voor zijn helder schitterend oog. Toen wist ik nog
niet—wat ik sedert wel geleerd heb—dat het altijd nauwkeurig te bepalen
is wanneer een dier, een mensch ook, indien hij in zoo’n geval
verkeert, zal aansnellen of springen, of toeslaan, door nauwkeurig op
het oog te letten. Er fonkelt iets in die oogen, voordat de slag komt,
nog eer er een spier getrild heeft om te gehoorzamen aan het snelle
bevel van de hersenen. Toen ik me bukte, bekoord door dien scherpen,
fonkelenden blik van den gewonden vogel, en mijn hand uitstak, kwam er
diep in dat oog een flikkering, als een zonneschicht uit een spiegel,
en als door instinct gedreven dook ik op zij. En dat was maar goed ook.
Bliksemsnel schoot er iets langs mijn gezicht en haalde me een lange,
roode snee over mijn linkerslaap, van de wenkbrauw tot het oor. Toen ik
opsprong, hoorde ik een zorgeloozen lach.—„Uitkijken jongen, hij kon je
eens bijten.—Lieve deugd, dat scheelde ook weinig!”—toen hij de wonde
zag; en met een verschrikt, bleek gezicht rukte hij me weg, alsof er
een beer in ’t moerasgras gezeten had.
De zwarte kat was nog niet genoeg gestraft. Hij is een van de grootste
wezelsoorten en heeft dan ook een dubbele portie van de
bloeddorstigheid en taaiheid van de wezel. Met snelle, zenuwachtige
sprongen schoot hij in een kring om den reiger heen, om aan den
achterkant een punt van aanval te vinden; maar Quoskh hief haar groote,
gerafelde vleugels als schilden op en draaide zich in die verdedigende
houding langzaam rond, om altijd front te kunnen maken tegen het
gevaar. Wel twaalf keer sprong de marter toe en vulde de lucht met
veeren. Wel twaalf keer zwiepten de strakke vleugels neer om den sprong
op te vangen, en elke slag werd gevolgd door een snellen houw van den
scherpen bek. Toen de marter wéér grommend in ’t gras ineendook, zag ik
dat moeder Quoskh plotseling een stap voorwaarts deed—haar eerste
aanvallende beweging—, zooals ik haar wel twintig keer had zien doen
als ze bijna een kikker beethad—en haar snavel schoot neer, door de
volle kracht van haar langen hals gedreven. Er klonk een snerpende
smartkreet; toen wankelde de marter met onzekere sprongen blindelings
weg, om een schuilplaats in het bosch te zoeken.
Nu was Quoskh meester van het terrein. Toen haar vijand wegstrompelde,
was het of er een hevige, een ziedende woede in haar oplaaide, die het
eerst zoo koele, berekenende van de verdediging verteerde. Ze schoot
achter den zwarten marter aan, eerst loopend, daarna met zware
vleugelslagen, tot ze hem voor was; toen dreef ze hem met nijdige
slagen van wiek en snavel weer terug naar het water. Hij kon niets zien
en werd slechts geleid door vrees en door zijn instinct. Nog een minuut
of vijf joeg ze hem door het platgetreden gras heen en weer en dreef
hem van ’t water naar ’t kreupelhout en van ’t kreupelhout naar het
water, terwijl ze bij elken draai naar hem stak, totdat bladgeritsel
hem lokte en hij zich blindelings in de dichte boschjes stortte, waar
haar breede wieken niet konden volgen. Toen zag ze mij met haar
wonderbaarlijke scherpzinnigheid daar in mijn kano staan, en schijnbaar
zonder een oogenblik aan den jongen reiger te denken die daar zoo stil
in ’t gras naast haar lag, breidde ze haar gehavende vlerken uit en
vloog zwaar klapwiekend de jongen achterna die meer geluk hadden gehad.
Ik volgde het spoor van den marter door het bosch en vond hem
ineengerold in een holle boomstomp. Hij bood maar weinig tegenstand,
toen ik hem te voorschijn haalde. Al zijn kwaadaardigheid was in slaap
gesust in die vage, droomerige verdooving, die de natuur altijd aan
haar getroffen schepselen zendt. Hij leed niets, ofschoon hij
vreeselijk gewond was; hij verlangde slechts alleen gelaten te worden.
Zijn beide oogen waren er uit. Ik kon niet anders doen dan barmhartig
voltooien wat Quoskh ongedaan had gelaten.
Toen het September werd en de zorgen voor ’t gezin geleden waren,
raakte de kolonie aan den overkant van ’t bevermeer wijd en zijd
verstrooid; alle reigers keerden terug tot het schuwe, wilde, eenzame
leven dat Quoskh het liefst leidt. Bijna overal, in de afgelegenste
plaatsen, ontmoette ik een eenzamen reiger, die op de kikvorschenjacht
was of vischjes ving, of hoopvol als een schelpenvisscher over de
zachte modder wandelde, om met zijn lange teenen te zoeken waar de
mossels verscholen zaten, of hij stond daar zoo van den slaperigen
zonneschijn te genieten, tot het laat op den middag werd; dan is hij
het liefst heelemaál buiten.
Ze sliepen niet meer op het groote nest, waar ze als schildwachten
stonden afgeteekend tegen ’t avondrood en den glans van de ondergaande
maan; maar elk zocht een geschikt plekje op het strand en sliep zoo
goed en kwaad als ’t ging op éen poot, en wachtte tot hij in de vroegte
kon gaan visschen. Ik verbaasde er mij over hoe zorgvuldig zelfs de
jonge vogels een veilige schuilplaats uitpikten. Overdag stonden ze als
beelden in de schaduw van een oeverrand, of te midden van ’t hooge
gras, waar ze door hun zachte kleuren bijna onzichtbaar waren, urenlang
te wachten tot er visch of kikkers bij hen kwamen. ’s Nachts zocht elk
zich een plaatsje op den onbegroeiden oever uit, gewoonlijk een eind
van een landtong af, waar hij om zich heen kon kijken, waar geen gras
een vijand aan ’t oog kon onttrekken, en het kreupelhout zoo ver weg
was dat hij het minste bladergeritsel kon hooren, eer het dier dat het
veroorzaakte dicht genoeg bij was om den sprong te wagen. En daar stond
hij den heelen nacht veilig te slapen, behalve als mijn kano of iets
anders dat nader sloop hem stoorde. Reigers kunnen ’s nachts bijna even
goed zien als overdag. Daarom kon ik er nooit, hoe stilletjes ik ook
pagaaide, dicht genoeg bij komen om ze te verrassen. Het eenige wat ik
hoorde was een verschrikt vleugelgeklepper en daarna een vragenden
kreet als ze over mij heenzeilden, voordat ze wegwiekten naar kusten
waar ze niet gestoord werden.
Als ik in ’t donker vischte, met een helderschijnend licht voor me in
de kano, om eens te probeeren welk nachtelijk volkje ik aan den oever
zou kunnen verrassen, was Quoskh de eenige op wien mijn lantaarn geen
bekoring uitoefende. Herten en elanden, vossen en wilde eenden, kikkers
en visschen—het leek wel of ze zonder uitzondering als met tooverkracht
werden aangetrokken door dat groote wonder van een licht, dat rustig in
de diepe duisternis scheen. Allemaal zag ik ze, elk uur van den nacht,
en ik gleed zoo naar ze toe, eer hun schuwheid ze van dat vreemde
lichtwonder terugdreef. Maar Quoskh hoefde je op zoo’n manier niet te
bespieden, en met zulke kunstjes was hij ook niet te vangen. Meestal
zag ik een vagen omtrek aan het uiterste eind van mijn lichtbundel,
ving de heldere flonkering op, eerst van ’t eene, dan van ’t andere
oog, wanneer hij zijn kop als een weerhaan zwaaide, en daarna glipte
het vage beeld de diepste duisternis in. Een oogenblik later hoorde ik
dan boven me, achter me, waar het licht zijn oogen niet verblindde,
zijn nachtelijken kreet—waarin meer boosheid dan vraag doorklonk—en als
ik mijn lantaarn naar boven richtte, ving ik nog net een glimp op van
zijn breede wieken, zeilend over ’t meer. Hij zou ook nooit terugkomen,
om nog eens te kijken of ik het wezenlijk wel was, en dat doet een vos
aan den oever wel.
Toen de glanzende maannachten kwamen, woelde er een wilde onrust in
Quoskh’s binnenste. Overdag riep hem het leven in de eenzaamheid dat
hem ’t liefst is, maar ’s nachts trok het oude kudde-instinct hem weer
naar zijn kameraden. Terwijl ik eens op het bevermeer dreef in het
teedere maanlichtgetoover, hoorde ik een stuk of vijf, zes van die
groote vogels opgewonden in de oude kolonie krassen, die ze weken
geleden hadden verlaten. Het meer, maar vooral de eenzame kom waar het
hertenpad eindigde, was liefelijker dan ooit; in ’t Zuiden was echter
iets dat hem wegriep. Ik denk dat Quoskh ook maanziek was, net als
zooveel dieren in ’t wild; want in plaats van rustig aan den oever te
gaan slapen bracht hij zijn tijd door met doelloos boven het meer en de
bosschen rond te kringen, terwijl hij luidkeels zijn naam riep of wild
tot zijn makkers kreet.
Tegen middernacht van den dag, voordat ik mijn kampplaats opbrak,
pagaaide ik voor het laatst in het maanlicht op het meer. ’t Was een
ideale nacht—helder, koel, bladstil. Geen rimpeltje brak het glanzende
oppervlak van ’t water, een zilveren baan strekte zich ver, ver uit
voor den boeg van mijn voortglijdende kano, en leidde me daarheen waar
het groote bosch zwijgend, vol verwachting stond te waken, al die
geheimzinnig schemerende bogen overstroomd van wonderbaar licht. De
wildernis slaapt nooit. Als ze zwijgt, is het om te luisteren. Dien
nacht waren de bosschen in spanning, als een vos die op de loer ligt,
om te zien welk ongekend wezen er uit het meer zou komen, of welk
vreemd geheim ging geboren worden onder hun eigen zachte schaduwen.
Quoskh was ook op ’t pad, door ’t maanlicht betooverd. Ik hoorde hem
roepen en pagaaide er heen. Hij herkende me, lang voordat hij mij nog
niet meer was dan een stem in den nacht, en kwam naar me toe zwenken.
’t Was de eerste keer dat ik hem na ’t invallen van de duisternis
zag—een vage, grijze schaduw slechts, met zachte zilverglansen aan de
omtrekken, die een kring beschreef boven mijn kano en er inkeek. Toen
verdween hij; en van ver, ver over den zoom van het wachtende bosch,
waar ’t zoo diep geheimzinnig was, kwam een kreet, een uitdaging, een
raadsel, de wilde vraag van den nacht, waar geen mensch tot nog toe
ooit antwoord op heeft gegeven—Quoskh? quoskh?