HOE EEN LUILAK ZICH VERMAAKTE.

Eens op een laten middag klom ik langs de helling met de beukeboomen,

om te zien welk boschvolkje ik er al zoo betrappen kon, bezig zich aan

dien overvloed van beukenootjes te goed te doen, toen ik plotseling

stilstond, getroffen door een vreemd geluid, een snorrend

bladergeritsel. Pr-r-r-r-usj, pr-r-r-r-usj!—een eigenaardige mengeling

van ’t geritsel dat eekhoornpootjes maken en ’t zachte, knetterende

gesnor van adelaarsvleugels—dat nader en nader kwam en elk oogenblik

duidelijker werd. Stilletjes glipte ik achter den eersten den besten

boom, om uit te kijken en te luisteren.

Er kwam iets den heuvel af, maar wat? ’t Was geen voortsnellend dier,

want geen beest dat ik kende zou dunkt me ooit zoo’n rumoer maken, om

Jan en alleman te verkondigen waar hij was, of ’t zou plotseling gek

moeten zijn geworden. Het waren geen spelende eekhoorntjes, of

hazelhoenders die in de pasgevallen bladeren krabbelden, want de manier

waarop deze zich afwisselend stilhouden en weer verder ritselen maakt

geen vergissen mogelijk. Het was geen beer, die de rijpe beukenootjes

naar beneden schudde—daarvoor was ’t niet zwaar genoeg; en ’t was toch

ook weer te zwaar voor den tred van eenig roofdier in ’t bosch, als hij

sluipend aan ’t jagen is. Pr-r-r-usj! z-z-z-z-t! boms! Er kwam iets

zwaars tegen een stam in ’t kreupelhout en deed een regen van bladeren

naar beneden ritselen; toen rolde er van onder de lage takken iets te

voorschijn dat ik nog nooit te voren gezien had: een zware,

grijsachtige bal, zoo groot als een halve schepelsmand en zoo van onder

tot boven met bladeren bedekt, dat niemand zou kunnen raden wat er

binnenin zat. Het was alsof iemand een grooten ketel met lijm had

bestreken en hem den heuvel af had laten rollen, zoodat er onderweg

dorre bladeren aan waren blijven plakken. Zoo duikelde dat wonderlijke

ding daar snorrend en knetterend langs mijn voeten en werd al grooter

en haveloozer, naarmate het meer blaren verzamelde, totdat het den voet

van een steile helling bereikte en stil bleef liggen. Ik sloop het

voorzichtig achterna. Plotseling bewoog het, daarna ontrolde het zich,

en de havelooze massa ontpopte zich als een groot stekelvarken. Het

schudde zich, rekte zich eens uit, waggelde een oogenblik rond, alsof

dat lange gerol hem duizelig gemaakt had en ging toen doelloos

rondscharrelen onder langs de helling, met zijn pennen vol dorre

bladeren, zoodat hij er groot en zonderling genoeg uitzag, om iedereen

verschrikt te maken die hem in ’t bosch mocht ontmoeten.

Dat was een nieuw kunstje, weer een raadsel omtrent een der domste

boschbewoners. Wanneer ge een stekelvarken ontmoet en hem plaagt, zal

hij zich gewoonlijk als een reusachtig speldenkussen met alle punten

naar buiten gericht oprollen, zijn snuit met zijn stekeligen staart

bedekken en stil blijven liggen, want hij weet best dat ge hem nergens

kunt aanraken zonder er bekaaid af te komen. Was hij nu wellicht lastig

gevallen door ’t een of andere dier en had hij zich in elkaar gerold op

een plaats, waar ’t zoo steil was dat hij zijn evenwicht had verloren

en zonderdat hij het wilde de helling af was geduikeld? Of was hij met

zijn buikje vol zoete beukels vadsig naar beneden komen rollen, om zich

de moeite van ’t gaan te besparen? Of is Unk-Wunk snuggerder dan hij er

uitziet en heeft hij ontdekt hoe heerlijk het is zich van een helling

te laten rollen, en hoe ’n grappig, duizelig gevoel dat naderhand

geeft?

Boven op den heuvel was niets—geen geritsel, geen spoor van een jagend

dier om een antwoord op die vraag te geven. Ik volgde Unk-Wunk dus maar

op zijn doelloozen zwerftocht onder langs de helling. Daar werd mijn

aandacht getrokken door een lichte beweging een eind voor me uit, en ik

zag een haas door de donkere varens glijden en huppelen. Hij kwam

langzaam onzen kant uit, nu eens springend, dan weer poozend; bij elken

struik dien hij tegenkwam begon zijn neus te werken, tot hij ons hoorde

aankomen en hij een mannetje maakte om te luisteren. Hij sprong een el

in de lucht, toen Unk-Wunk in ’t zicht kwam, van onder tot boven met

dorre bladeren bedekt, die zijn hakige pennen opgeprikt hadden terwijl

hij den heuvel afrolde, en ging daarna stilletjes op een plaatsje

liggen, waar hij dacht dat de varens hem wel verbergen zouden.

De vertooning kwam nader. Heel nieuwsgierig stak Moktaques voorzichtig

zijn kop uit de varens en ging weer overeind zitten, met zijn

voorpooten over elkaar geslagen, en oogen die glommen van angst en

nieuwsgierigheid om dat vreemde beest, dat daar heenritselde en de

blaren meenam. Van verbazing stond hij een poosje stokstijf als de

boomstronk naast hem, maar toen duikelde hij met groote, verschrikte

sprongen het kreupelhout in en ik hoorde hem als een dolleman in een

halven cirkel om ons heen rennen.

Unk-Wunk schonk geen aandacht aan deze stoornis, maar laveerde zijn

dommen neus achterna. Evenmin als de andere stekelvarkens die ik

nagegaan ben scheen hij iets te doen te hebben, geen taak die hem riep

in de wijde wereld. Hij liep lui rond te boemelen, te verzadigd om van

de beukenootjes te eten, die hij kieschkeurig uit de bladeren

snuffelde. Hier en daar proefde hij eens van een stukje schors, maar

alleen om het weer uit te spuwen. Eens begon hij tegen den heuvel op te

klimmen, maar deze was te steil voor een luilak met zijn buikje vol.

Hij probeerde het nog eens, maar ’t was niet glooiend genoeg om er

naderhand weer af te rollen. Daar keerde hij zich plotseling om en kwam

terug, om eens te kijken wie hem toch zoo overal achternaliep.

Ik hield me doodstil en hij liep mij twee of drie keer rakelings langs

de beenen, terwijl hij me slaperig opnam. Daarna begon hij snuffelend

een beukenootje onder mijn voet uit te werken, alsof ik hem net zoo min

belang inboezemde als Alexander aan Diogenes.

Ik had nooit vriendschap gesloten met een stekelvarken, want ’t is een

te prikkelig heer om vertrouwelijk mee te zijn, maar nu begon ik hem

zachtjes met een stokje te onderzoeken, me afvragend of ik onder dat

dikke harnas van stekels en punten niet een plekje zou kunnen vinden,

waar hij graag gekrabbeld zou willen worden. Bij de eerste aanraking

rolde hij zich op, zoodat al zijn stekels aan weerszijden uitstaken als

van een reusachtigen kastanjebolster. Ik kon hem nergens aanraken, of

een dozijn pennen dreigden mij te doorboren. Toen ik echter zachtjes

met mijn stok aan hem kwam en de plekken onder zijn harnas uitzocht

waar ’t hem jeukte, begon hij zich langzamerhand te ontrollen en stak

hij zijn neus weer onder mijn schoen. Het was hem niet te doen om dat

beukenootje, maar om het er onder uit te snuffelen. Want Unk-Wunk is

net als een varken: hij heeft weinig anders te doen dan eten; maar als

hij ergens op uittrekt, het een of ander gaat ondernemen, volbrengt hij

het ook. Toen bukte ik om hem met mijn hand aan te raken.

Dat had ik niet moeten doen, want hij voelde ’t verschil in aanraking

onmiddellijk, rook ook het zilte van mijn hand, en als Unk-Wunk daar

een proefje van kan krijgen, zet hij alle luiheid op zij en zou hij er

wel een mijl voor loopen als ’t moest. Eerst trachtte hij mijn hand met

zijn klauwen te grijpen, daarna met zijn bek, maar ik was veel te bang

voor zijn groote snijtanden om hem zijn gang te laten gaan. In plaats

daarvan aaide ik hem achter zijn ooren en zocht voorzichtig hoe ik gaan

moest door het dikke stekelbosch, en probeerde behoedzaam hoe makkelijk

de pennen uit te trekken waren.

Ze stonden heel los ingeplant en elke schacht was van een pijl voorzien

zoo scherp als een naald. Al wat er hard tegen aangedrukt werd zou

stellig doorboord worden; de pennen zouden zich losrukken uit de huid

en snel doordringen in de ongelukkige hand of poot of neus, die ze

aanraakten. Elke pen was als het zwaard van de bewoners der

Zuidzee-eilanden, dat halverwege met haaietanden is bedekt. Eens in het

vleesch zou ze haar eigen weg wel vinden, tenzij ze met vaste hand,

pijn en vreeselijke verwonding ten spijt, er uit werd getrokken. Geen

wonder dat Unk-Wunk geen angst of vrees kent, wanneer hij zich tot een

bal samenrolt en aan alle kanten door zulke verschrikkelijke wapens

beschermd wordt. Ik ging heel behoedzaam te werk, terwijl ’k met mijn

hand langs zijn flank naar beneden streek en binnen ’t bereik kwam van

zijn snelle, eenige wapen. Daar groeiden duizenden stekels, zoo

gekarteld als een zaag, in alle richtingen over en door elkaar en toch

allemaal met de punten naar buiten. Unk-Wunk was waarschijnlijk

prikkelbaar, omdat hij ’t zout niet kon krijgen dat hij hebben wou, en

toen mijn hand binnen ’t bereik van zijn staart kwam, klapte hij dien

bliksemsnel op. Ik was op den slag bedacht en toch lang niet vlug

genoeg. Toen ik het dreigende ruischen, net ’t geluid van een

toeklappende stalen val, hoorde, trok ik snel als de wind mijn hand

terug, maar twee van zijn staartpennen waren er in blijven steken, en

nog een stuk of twaalf in de mouw van mijn jas. Ik sprong op zij toen

hij zich omkeerde en ontsnapte zoo aan een snellen zwaai, tweemaal

achter elkaar, van zijn staart naar mijn beenen. Toen rolde hij zich

weer als een kastanjebolster ineen, en zijn heele wezen scheen spottend

te tarten: „Raak me eens aan als je durft!”

Met een paar flinke rukken trok ik de twee pennen uit mijn hand, schoof

al de andere door de mouw van mijn jas en wendde me weer naar Unk-Wunk,

terwijl ik op mijn gewonde hand zoog die me hevige pijn deed. „Alles je

eigen schuld,” hield ik me zelf maar steeds voor, want ik moest me

geweld aandoen om hem niet met mijn stok op zijn neus te slaan, zijn

eenige kwetsbare plaats.

Unk-Wunk van zijn kant scheen het heele voorval vergeten. Hij ontrolde

zich langzaam, en ging onder langs de heuvelrij scharrelen met

uitgespreide, ruischende pennen, alsof er in ’t heele bosch niets

bestond dat op een vijand of onderzoekend mensch geleek.

Hij had al weer een plannetje in zijn kop en zocht naar iets. Terwijl

ik vlak achter hem aankwam, zag ik hoe hij op zijn achterpooten ging

staan, tegen een boompje op, het een poosje ernstig beschouwde, om

daarna onvoldaan weer verder te wandelen. Er was een bries van den berg

komen waaien, die alle boomtoppen boven hem heen en weer wuifde. Ik zag

hem nauwlettend naar de schommelende takken kijken, om daarna haastig

naar ’t eerste ’t beste boompje te loopen, het onderzoekend op te nemen

met zijn voorpooten tegen den stam aan, terwijl zijn slaperige oogen de

beweging boven zich gadesloegen. Eindelijk vond hij wat hij wilde: twee

hooge, jonge boomen, die dicht bij elkaar groeiden, en tegen elkaar

aanwreven als de wind ze heen en weer zwaaide. Hij begon log in den

eenen te klimmen, al hooger en hooger, tot de slanke top zich onder

zijn gewicht naar den anderen boom overboog. Toen rekte hij zich uit om

dien tweeden top met zijn voorpooten te grijpen, haakte de klauwen van

zijn achterpooten stevig in den eersten en vormde zoo liggend een brug

tusschen de boomtoppen, terwijl de wind opstak en hem in zijn

wonderlijke wieg begon te schommelen.

Al wijder en wilder werden zijn zwaaien; nu eens, als de wind de

boomtoppen uiteendreef, lag hij dun uitgestrekt als een elastiek, met

zijn harde, gladde pennen langs zijn flanken; dan, als ze weer naar

elkaar toe kwamen, werd hij ineengedrukt en samengeperst tot een

platten ring, waar stekels rechtop uitstaken, als een platgetrapte

kastanjebolster. En daar bleef hij wel langer dan een uur zwaaien, tot

het te donker werd om hem te zien, uitgerekt en samengetrokken, alsof

hij een harmonica was waar de wind op speelde. Het eenige geluid dat

hij ondertusschen maakte was af en toe een zacht geknor van

tevredenheid, als hij eens buitengewoon lekker was uitgerekt, of als de

beweging zich wijzigde en beide boomen samen wild en vroolijk wijduit

zwaaiden. Af en toe werd dit geluid beantwoord door een ander

stekelvarken, dat heuvelafwaarts ook in zijn verheven wieg ging slapen.

Er was storm op til en Unk-Wunk, die een van de beste weerglazen uit

het bosch is, riep het uit dat iedereen ’t hooren kon.

Mijn vraag was dus onverwachts beantwoord. Unk-Wunk was er dien middag

voor zijn plezier op uitgetrokken en had van den heuvel afgerold, om te

genieten van de snelle beweging en het duizelige gevoel naderhand, net

als andere boschbewoners. Ik heb wel jonge vossen, die hun hol aan een

steile helling hadden, achter elkaar naar beneden zien rollen. Soms

wisselden ze ’t programma eens af en keukelde een jong zoo snel als hij

kon naar beneden, terwijl er een ander naast hem voorthuppelde, om naar

hem te happen en ’t hem lastig te maken, als het hem bij dat

holderdebolder naar beneden duikelen duizelde.

Dat is nu alles goed en wel voor vossen, want zulke plannetjes zijn te

verwachten van die verstandige kopjes, maar wie heeft Unk-Wunk van den

heuvel leeren afrollen en allemaal droge bladeren aan zijn pennen

prikken om de boschbewoners bang te maken? En wanneer leerde hij de

boomtoppen als schommel gebruiken en den wind als drijfkracht?

Daar ’t meeste wat de boschbewoners kennen een zaak van onderwijs en

niet van instinct is, heeft zijn moeder hem misschien wel een heeleboel

dingen geleerd, zonder dat wij er ooit getuigen van geweest zijn. Als

dit zoo is, bergt Unk-Wunk meer in zijn slaperigen, dommen kop dan wij

van hem gedacht zouden hebben. En den eerste die de school der

stekelvarkens ontdekt en er binnen treedt staat een belangwekkend

onderricht te wachten.

Kijkjes in het dierenleven · 第 7 / 11 题