ONTMOETINGEN MET EEN BEER.

Er zijn er altijd twee verbaasd, bij een ontmoeting met een beer. Gij

zijt de een, en hij is de ander. Op uw zwerftochten en bij ’t kampeeren

in de uitgestrekte bosschen zijt ge op den uitkijk naar Mooween; ge

zoudt hem zoo graag, zoo dolgraag eens ontmoeten: ja, alles goed en

wel, maar wanneer ge een landtong om komt varen, of tot de plek

doordringt waar de boschbessen groeien, en hij daar plotseling voor u

staat en den weg verspert, terwijl hij u strak in de oogen staart, om

met één blik uw bedoelingen te doorgronden, dan moet ge, dunkt me,

dezelfde gewaarwording hebben als sommige voorzichtige menschen, die de

gewoonte hebben ’s avonds onder hun bed te kijken of er ook een dief

onder ligt, en hem eindelijk, net waar ze hem altijd verwacht hadden,

ineengedoken verscholen vinden.

Wat Mooween betreft, die kijkt altijd naar u uit, wanneer hij eenmaal

weet dat ge in zijn bosschen zijt doorgedrongen. Niet echter omdat hij

zoo verlangt u te zien, want hij is net als de luiaard, die bidt om

werk en den hemel dankt dat hij het niet krijgt. Een beer is niet zoo

nieuwsgierig—veel minder dan elke andere boschbewoner. Hij houdt er van

alleen te zijn; dus als hij u tracht op te sporen, is ’t er hem slechts

om te doen te weten waar ge zijt, en de goeierd wil niets liever dan u

zooveel plaats gunnen als ’t maar kan, terwijl hijzelf kalmpjes nog

dieper de eenzaamheid intrekt. En omdat deze neiging bij hem veel

sterker is dan uw luie nieuwsgierigheid, die er slechts op uit is om

weer eens wat anders te zien, krijgt ge Mooween maar zelden onder de

oogen, zelfs daar waar hij heelemaal thuis is. Alweer een staaltje van

de „poëtische gerechtigheid”, die ge overal in de bosschen aantreft

waar ge ’t niet verwacht.

Het blijkt dunkt mij hoe langer hoe duidelijker dat de natuur haar

gaven niet alleen naar de behoefte afmeet, maar veeleer naar de

wenschen van haar schepselen. De kracht en den invloed van dat hevige

verlangen—te heviger omdat elk dier er gewoonlijk maar één heeft—hebben

we nog niet leeren peilen. „Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij

vernachten aan uw kribbe?” [4] Hierin zouden we het geheim van dat

vrije leven kunnen zoeken van hen „wien de wildernis tot een huis

besteld is”, als we de Schrift zouden aanhalen om iets onbewijsbaars te

bewijzen, zooals we graag in godsdienstige gesprekken doen en daardoor

antwoorden onmogelijk maken. De uil heeft een geruischlooze vlucht,

niet eenvoudig omdat hij niet zonder deze kan—want hij heeft het niet

meer noodig dan een valk, die geen stillen vleugelslag heeft—maar

veeleer om zijn innige behoefte aan rust, wanneer hij door de stille

schemering vliegt. Zoo is ’t ook met de pooten van den panter [5], met

het oog van het hert en met den neus van den wolf, wiens grootste

zaligheid in een goeden reuk bestaat; zoo met al die sterk in ’t oog

loopende gaven, die de dieren in de wildernis van de natuur

hoofdzakelijk gekregen hebben, omdat ze er in de lange jaren van hun

ontwikkeling behoefte aan hebben gehad.

Uit deze opvatting zouden sommige van Mooweens eigenaardigheden

misschien te verklaren zijn. De natuur, die haar gaven naar de begeerte

van haar schepselen afmeet, herinnert zich hoe hij van rust en

eenzaamheid houdt en begiftigt hem daarnaar. Het kan hem weinig schelen

u of iemand anders te zien; daarom zijn zijn oogen zoo zwak—ze zijn

inderdaad zijn zwakke punt. Hij wil niets liever dan uw gezelschap

vermijden—en alle gezelschap, behalve dat van zichzelf; daarom zijn

zijn neus en ooren zoo wonderlijk gescherpt, om uw komst te merken. ’t

Gebeurt vaak dat ge u zelf heelemaal alleen in de bosschen waant, en

dan is Mooween er ook. De wind heeft het nieuwtje aan zijn neus

verteld; al een poos geleden bereikte ’t geluid van uw onbezorgde

schreden zijn scherpe ooren, en bij uw nadering verdwijnt hij en laat u

alleen met uw luidruchtigheid en nieuwsgierigheid en waar ge al meer

van houd. Zijn gave zich onzichtbaar te maken is zooveel grooter dan uw

speurzin, dat de gedachte aan een ontmoeting met u niet eens bij hem

opkomt. Vandaar dat zijn verbazing, wanneer ge elkaar onverwachts

tegenkomt, naar verhouding ook grooter dan de uwe is.

Wat hij onder zulke omstandigheden doen zal hangt niet van hem, maar

grootendeels van u zelf af. Behoudens een enkel geval, zijn zijn

gewaarwordingen waarschijnlijk juist andersom dan de uwe. Wanneer gij

durft, is hij zoo bang als een wezel; wanneer gij onthutst staat, weet

hij precies wat hij wil; als gij angst toont, kent hij geen vrees; zijt

gij nieuwsgierig, dan wordt hij oogenblikkelijk schuw; en hij heeft,

als alle andere wilde dieren, een onverklaarbare, bijna griezelige gave

om uw gedachten te raden. Het is alsof hij met dien strakken,

doordringenden blik van hem uw ziel het binnenste-buiten gekeerd voor

zich zag, om ze te onderzoeken. Dit gaat alleen niet op wanneer ge hem

zonder vrees of nieuwsgierigheid tegemoet treedt, gewoon uw gang

wenscht te gaan, als was hij een vreemdeling en uwsgelijke. Die

zeldzame geestesgesteldheid begrijpt hij volkomen—want is het bij hem

niet net zoo?—en hij gaat kalm zijn eigen gang, alsof hij u niet gezien

had.

Het lijkt wel of Mooween bij elke toevallige ontmoeting vooruit al een

plan klaar had hoe hij doen zou, en dit dadelijk zonder overleg of een

oogenblik aarzelens ten uitvoer brengt. Maak eens een onbekend geluid

achter hem, als hij langs den oever sjokt, dan zal hij zich halsoverkop

in het kreupelhout storten om zich te verschuilen, alsof uw stem op een

knopje had gedrukt, dat onder hem een veer deed springen. Het kan wel

zijn dat hij later terugkomt, om te onderzoeken waar hij eigenlijk van

geschrokken was. Zit doodstil, dan zal hij op zijn achterpooten gaan

staan, en uitkijken en lang snuiven, om er achter te komen wie ge zijt.

Spring zoodra hij te voorschijn komt met een kreet en veel lawaai op

hem los—dan zal hij zich omkeeren, dat u ’t zand en de steenen om de

ooren vliegen, als hij zijn pooten in de helling klauwt om beter

houvast te krijgen, en er jammerend als een verschrikt hondje van

doorgaan.

’t Gebeurt ook wel, wanneer ge door de herfstbosschen sluipt of haastig

een spoor volgt, dat ge plotseling een hevig geruisch en geschud in het

beukenbosch op de helling boven u hoort, alsof een kleine wervelstorm

zich daar een poosje tusschen de bladeren zat te vermaken, voordat hij

verder waait. Als ge dan naar ’t geluid toesluipt, zult ge op een

dikken tak van een beukeboom Mooween vinden, die den stam vóor zich met

zijn krachtige voorpooten te pakken heeft en uit alle macht trekt en

rukt om de rijpe beukenootjes naar beneden te schudden. ’t Geruisch en

geratel van de vallende nootjes klinkt Mooween zoo prachtig in de

ooren, dat hij ’t geritsel van uw nadering, noch het takje dat onder uw

onachtzame voeten kraakt zal hooren. Geeft ge nu een luiden schreeuw,

in den vroolijken waan dat ge hem eindelijk gevangen hebt, dan wacht u

weer een verrassing; en dat brengt me op een raad die u best te pas kan

komen. Wanneer ge schreeuwt, zorg dan dat ge niet onder den beer staat,

want als ’t een kleintje is, zal hij wel een—twee—drie maken dat hij

den boom inkomt en zich in het dichte gebladerte verbergen, zoo hoog

als hij slechts klimmen kan; maar is ’t een groote, dan is hij boven op

u geploft, eer ge weet wat er gebeurt. Van langzaam klimmen moet hij

niets hebben; hij laat zich eenvoudig los en komt naar beneden volgens

de wetten der zwaartekracht. De oude Remus, die toont drommels goed op

de hoogte te zijn van ’t doen en laten der dieren, als hij op dreef is

met zijn verhalen, zou zeggen: „Bruin krabbelt den bijenboom uit, tot

hij halverwege is, dan laat hij zich los en komt pof op den grond neer,

en dan kijkt hij, alsof het zoo maar niets is halfdood geschokt te

worden.”

Hoe ’t ook zij, die schok heeft ondanks zijn groote gewicht geen kwade

gevolgen, en evenmin eenigen invloed op de snelheid zijner bewegingen,

zoodra hij den grond bereikt heeft, want hij is zoo vlug als de wind.

Mooween komt op zichzelf, zoo soepel als op een groot kussen, neer, net

als de waschbeer, die van een ongelooflijke hoogte kan vallen zonder

zich te bezeeren, maar zoodra heeft hij niet den grond geraakt, of ’t

is of al zijn spieren zich plotseling samentrekken, en hij veert weg

als een elastieken bal en verdwijnt in de dichtste dekking die zoo gauw

maar bij de hand is. Ik heb hem op die manier tweemaal neer zien komen.

Den eersten keer zaten er twee bijna volwassen jonge beren in een boom.

De een vloog naar boven toen we schreeuwden, de ander kwam met zoo’n

verrassende haast naar beneden vallen, dat de man die met zijn geweer

klaar stond om den beer te schieten uit den weg sprong om zijn leven te

redden, en voordat hij goed en wel van zijn verbazing bekomen was, had

Mooween ’em gepoetst, terwijl slechts een heftige beweging in de lage

sparretjes zichtbaar bleef, die verried waar hij heen was.

Dit heele overleg, dat Mooween in zijn kop heeft, om onmiddellijk te

handelen, die zeldzame keeren als hij u onverwachts ontmoet, is een

gevolg van de zorgvuldige opvoeding, die zijn moeder hem heeft gegeven.

Wanneer ge ooit het buitenkansje mocht hebben een berenmoeder met haar

jongen te kunnen gadeslaan, terwijl ze heelemaal niet vermoeden dat ge

in de buurt zijt, zult ge twee eigenaardige dingen opmerken. Ten eerste

zult ge zien dat de jongen, als ze mee rondwaren—en zoo’n rusteloos

zwerver als Mooween bestaat er geen tweede in de bosschen—vlak achter

de moeder aangaan en haar met koddige nauwkeurigheid elke beweging

nadoen: snuiven als zij snuift, springen als zij springt, op hun

achterpooten staan met de voorpooten losjes neerhangend en den spitsen

snuit onderzoekend in den wind, zoodra zij zoo doet; om zich stilletjes

binnen de beschutting der vriendelijke elzen terug te trekken, wanneer

de neus der moeder een bijna onmerkbare waarschuwing heeft gekregen,

dat de kust stroomop niet heelemaal vrij van onraad is. Op die manier

leeren ze de geluiden en geuren der wildernis onderscheiden en hun

handelingen daarnaar richten. En ten tweede zult ge wanneer de jongen

aan ’t spelen zijn zien, dat de moeder elk hunner bewegingen even

nauwkeurig gadeslaat, als zij een uur geleden de hare. Daarbij zit ze

dan plat op den grond, met de voorpooten tusschen haar uitgestoken

achterpooten geplant, en met den kop op zij merkt ze elke kleinigheid

op, terwijl ze aan ’t boksen en worstelen en klimmen zijn, alsof zij

hun eens gewezen had hoe ’t hoorde, en nu oplet in hoeverre zij hun

lessen nog kennen. Af en toe krijgt een van beide eens een paar flinke

meppen, die ik me alleen verklaren kan, als ik van de veronderstelling

uitga dat hij anders deed dan hem kort en goed geleerd was.

Slechts dan wanneer Mooween iets vreemds ontmoet, of in omstandigheden

komt waar zijn opvoeding hem nooit mee in aanraking bracht, zoodat zijn

instinct en zijn aangeboren scherpzinnigheid gaan spreken, ontdekt ge

voor ’t eerst een spoor van aarzeling bij dien onverstoorbaren zwerver

der groote bosschen. Eens heb ik hem op den oever verschrikt gemaakt,

waar hij de voorpooten van een hert was komen halen, die daar

achtergelaten waren. Op ’t eerste gerucht sprong hij weg om zich te

bergen, zonder zijn kop om te wenden, evenals hij zijn moeder ontelbare

malen had zien doen, in zijn jonge jaren; toen stond hij stil en

overwoog het gevaar, drie, vier seconden, zoo, heelemaal

zichtbaar—iets, wat ik hem nog nooit door een anderen beer heb zien

nadoen—daarna aarzelde hij nog even, weifelend of mijn kano vlugger zou

wezen dan hij, hem aan zou kunnen; en toen hij overtuigd was dat hij

tenminste een goede kans had, sprong hij terug, greep het hert beet en

sleepte het ’t bosch in.

Een andermaal kwam ik hem op een nauw paadje tegen, waar hij me niet

voorbijkon; zin om terug te keeren had hij ook niet, want daar ginds

voor hem uit was iets waar hij bepaald naar toe moest. En nog nooit had

ik zoo’n mooie gelegenheid aard en instinct van den beer te bestudeeren

als bij die korte ontmoeting. Maar ik verlang er niet erg naar de proef

van zoo nabij te herhalen. ’t Gebeurde aan de kleine

Zuidwester-Miramichi, een heel onstuimige rivier, in ’t hartje van de

wildernis. Vlakbij, nog geen halve mijl stroomop van mijn tent, zat

zalm, en voor zoover ik weet had daar nog nooit iemand gevischt. De

eene oever der rivier werd gevormd door een bijna loodrechte klip, waar

de krachtige, schuimende stroom met een dof bruisen langs schuurde naar

de versnellingen en een groote, stille watervlakte, daar in de verte,

beneden. Onder die rots zat het vol zalm, die zich tegen den

pijlsnellen stroom in evenwicht hield, maar voor zoover mijn vliegen er

bij betrokken waren, hadden ze net zoo goed in de Yukon kunnen zitten.

Aan den overkant kon ik onmogelijk visschen, want er was geen ruimte om

op te slaan en de stroom was er te diep en te hevig om te waden—maar

aan den kant van de zalm bood de oever geen plaats om te staan. Had ik

een paar flinke Indianen gehad, dan had ik me tot boven de

stroomversnellingen kunnen laten afdrijven, waar ze de kano met de

boomen vast aan den grond konden houden, zoodat ik kon visschen; maar

ik had geen twee flinke Indianen, en de eene dien ik wel had dankte er

voor zijn hachje te wagen. We leden dus maar honger, ofschoon we de

zware visschen bijna konden zien plonzen, die kersversch uit zee

kwamen.

Op een goeden dag dat ik een stekelvarken achterna ging, om eens te

kijken waar dat heen moest, ontdekte ik een smal paadje, dat een paar

honderd meter langs den rotswand liep, vlak tegenover de plaats waar de

zalm zoo graag lag en niet meer dan een voet of dertig boven het snel

voortruischende water. Daar toog ik met mijn hengel heen, en zonder dat

ik moeite deed om te mikken, liet ik mijn vlieg in den stroom vallen en

wond de lijn van mijn klos. Toen ze strak stond, lichtte ik het topje

van mijn hengel op en liet mijn vlieg naar een draaikolk achter een

groot rotsblok dansen en schitteren. Bliksemsnel haalde ik op en had

een visch van wel vijf-en-twintig pond te pakken; maar bijna op ’t

zelfde oogenblik schoot hij stroomaf, waar ik hem van mijn gevaarlijke

zitplaats geen baas kon. Daar ging hij heen, in zegevierende vaart,

wild hoog uit het water springend, tot mijn heele snoer ten slotte tot

den eindknoop toe gonzend was afgewonden en het onderlijntje afknapte,

of ’t spinrag was.

Teleurgesteld wond ik weer op, mezelf afvragend hoe ik ooit, had ik

mijn zalm eindelijk stilgekregen, dertig voet diep zou hebben kunnen

reiken, om hem met den haak naar mij toe te halen; maar daar vond ik

natuurlijk geen antwoord op. En omdat de mensch nu eenmaal zwak van

nature is, nam ik een dubbel onderlijntje, dat sterker zou zijn, en

wierp weer een vlieg in den stroom. Mijn zalm zou ik wel niet krijgen,

maar ’t was wel een onderlijntje waard, als ik hem alleen maar even uit

de diepte mocht optillen en de geweldige vaart zien, waarmee hij

stroomaf zou schieten: spring je niet, zoo heb je niet! alsof de heks

van Endor hem schrijlings op den staart zat, bij wijze van bezemsteel.

Een levendige, jonge zalm van een jaar of twee duikelde halsoverkop op

mijn vlieg los, en dank zij mijn sterke onderlijntje kon ik hem in den

stroom laten uitrazen. Toen ’k hem eindelijk onder aan de rots haalde,

was hij lusteloos, waren alle springlust en strijdvaardigheid uit hem

geweken. Ik zag geen kans naar beneden te komen en nam mijn snoer dus

maar beet, om hem in zijn volle gewicht op te halen. ’t Ging al heel

gemakkelijk, totdat zijn staart boven water kwam; toen werd hem dat

gekronkel en geruk te machtig, de vlieg werd naar buiten getrokken, en

daar verdween hij—na een laatste zwenking, na een klets met zijn

breeden staart om me te toonen hoe groot hij wel was.

Vlak onder me stak een rondgeslepen rotsblok uit den wielenden stroom.

Met het stuurtouw uit mijn kano zou ’k me vrij gemakkelijk op die rots

kunnen laten neerzakken en me verzekeren van mijn vangst. Terugkeeren

zou weliswaar lastiger gaan, maar zalm is wel de moeite waard; dus liet

ik mijn hengel achter en toog weer naar mijn tent.

’t Was laat in den middag en ik haastte mij langs het pad, met al mijn

aandacht bij mijn voeten, onzeker als het loopen ging, met de rots

boven en de rivier beneden me, toen een luid hoewuf! me met een schok

deed opschrikken. Daar, geen tien meter van me af, bij een bocht van

het pad, stond een reusachtige beer. Dat beteekende halt, daar hoefde

ik niet aan te twijfelen, en als de rots voorover getuimeld was dwars

over ’t pad, zou mij de weg niet meer versperd zijn geweest. Er was

geen tijd om na te denken; daarvoor waren de verrassing en de schrik te

groot. Ik kon niets anders dan een instinctmatig hoewuf! snakken,

zooals de beer daarnet uit zijn diepe longen had gestooten, en

stokstijf blijven staan—net als hij. Hij was even hard geschrokken als

ik. Dat was ’t eenige waar ik zeker van was. Ik veronderstel dat ons

beiden eerst slechts deze gedachte door ’t hoofd ging: „Ik ben er

leelijk ingeloopen; hoe zal ik me daar weer uitredden?” En er was niets

in zijn ondervinding, noch in de mijne, dat dadelijk een antwoord aan

de hand kon doen. ’t Was duidelijk dat hij graag verder wilde. Daar

ginds, de rivier op, moest iets zijn dat hem riep; een wijfje

misschien, anders zou hij zich op ’t eerste gerucht snel hebben

omgedraaid en verdwenen zijn. Maar, in hoeverre zou hij zich kunnen

verlaten op de bangheid van dat groote dier, dat den weg daar voor hem

versperde, en dat hij met zijn hoewuf! tot staan had gebracht, eer het

te dicht naderde? ’t Bleek heel duidelijk hoe zij zich dat afvroeg.

Geen grauwen, geen gegrom, geen wreede uitdrukking, slechts een innige

verbazing, een verwonderd vragen in den blik, dien hij op mijn gelaat

gericht hield, alsof hij me door en door wilde kijken, om nauwkeurig na

te gaan wat ik wel dacht.

Ik keek hem vierkant in de oogen en bedwong zijn blik—misschien ’t

verstandigste wat ik had kunnen doen, ofschoon ’t geheel onbewust

geschiedde. In ’t volgende korte tijdsverloop vlogen me allerlei

gedachten door het hoofd. Noch naar boven, noch naar beneden was ’t

mogelijk te ontsnappen: ik moest of verder gaan, of terugkeeren. Sprong

ik met een kreet vooruit, zooals ik onder andere omstandigheden wel

eens gedaan had, zou hij dan niet woest op me losstormen, naar de

gewoonte van alle in ’t nauw gedreven wilde dieren? Neen, daar was het

tijd voor geweest op het oogenblik dat wij elkaar ontmoetten—nu zou het

te veel in ’t oog loopen dat het bluf was. Het moet zonder aarzeling of

in ’t geheel niet gebeuren. Als ik terugging, zou hij me ’t heele

rotspad volgen en steeds moediger worden. Behalve dat was ’t gevaarlijk

loopen, en wat terrein betreft was hij geheel in ’t voordeel, want hij

kende het daar door en door. Daarbij kwam dat het al laat was en ik

moest een zalm voor mijn avondeten hebben.

Naderhand heb ik me nog dikwijls afgevraagd hoeveel hij van die

aarzeling gesnapt zou hebben, en hoe hij de gevolgtrekking maakte (want

die maakte hij stellig ten leste), dat ik heelemaal geen kwaad met hem

voorhad, alleen verder wilde en niet van zins was hem het pad te laten.

Nog steeds fixeerde ik hem, tot zijn oogen hun strakken blik verloren.

Stilletjes trok mijn hand achteruit en sloot zich om ’t heft van mijn

jachtmes. Die beweging bemoedigde me wat, ofschoon ik stellig liever

van de rots zou zijn gesprongen en een kans gewaagd hebben in den

stroom, dan het op dit smalle paadje met hem aan den stok te krijgen,

geweldig sterk als hij was. Plotseling begonnen zijn oogen te dwalen

onder mijn blik, hij zwaaide zijn kop, om naar boven, dan naar beneden

te kijken, en ik begreep dat ik den eersten zet gewonnen had—en ’t pad

ook, als ik me nu maar in bedwang hield.

Doodbedaard deed ik twee stappen voorwaarts, hem nog steeds pal

aanziend. Onder de ruige plooien van zijn muil schitterden even zijn

witte tanden, maar hij draaide zijn kop weer, om den weg te overzien

dien hij had afgelegd, en daarna verdween hij. ’t Was maar een

ommezien, want daar stak hij voorzichtig neus en oogen om den hoek van

de rots; hij gluurde of ik er nog was. Toen zijn neus weer verdween,

sloop ik naar de bocht toe en zag hoe hij een eind voor me uit langs de

rots naar beneden stond te kijken, of daar nog een andere weg zou zijn.

Hij was niet meer op zijn gemak; een zacht, klagend gebrom klonk langs

het pad naar me toe. Toen ging ik op een rotsblok zitten, dat midden op

mijn weg lag en voor ’t eerst drong het grappige van den toestand

eenigszins tot me door, en dat troostte me een beetje. Ik begon tegen

hem te praten, zonder grapjes, maar alsof ik het tegen een Schot had,

die alleen vatbaar is voor redeneering. „Je bent er ingeloopen,

Mooween, je bent er leelijk ingeloopen,” herhaalde ik maar zachtjes

tegen hem; „maar als je stilletjes tot de schemering thuis was

gebleven, zooals ’t een beer betaamt, dan was er nu niets aan de hand.

Je hebt er mij ook in laten loopen, zie je; en nu blijft je niets over

dan er mij weer uit te helpen. Ik ga niet terug. Ik ken den weg niet

zoo goed als jij. Daarenboven zal ’t gauw donker zijn en ik zou

waarschijnlijk mijn hals breken. ’t Is schande, Mooween, om een

fatsoenlijk man zoo in moeilijkheden te brengen als mij nu, en dat

eenig en alleen door die stomme zorgeloosheid van je. Waarom heb je me

niet op de een of andere manier geroken, zooals elke beer, als hij geen

ezel is, gedaan zou hebben, en een ander pad over den berg genomen?

Waarom klim je niet in dien spar en maak je uit de voeten?”

Ik heb wel opgemerkt dat alle wilde dieren onrustig worden op ’t geluid

van een menschelijke stem, hoe kalm je ook spreekt. Er is iets

onbekends, iets geheimzinnigs, iets onverklaarbaars in, dat hun begrip

te boven gaat; en als ze kunnen vluchten ze er haastig voor. Ik

veronderstel dat de dieren, tamme en wilde, meer van onze

geestesgesteldheid begrijpen dan waartoe wij ze in staat achten, en

deze veronderstelling wint eer aan kracht dan dat ze zou verliezen,

telkens als ik aan Mooween op dat smalle pad denk. Ik zie hem nog voor

me, hoe hij onrustig keert en wendt: de half verlegen uitdrukking in

zijn oogen, wanneer ze de mijne vluchtig ontmoeten, alsof hij zich

schaamt; en dan klinkt dat zachte, verontruste, klagende geluid weer

langs het pad en mengt zich in ’t murmelen en ruischen van ’t diepe

water beneden.

Een beer heeft net zoo zeer het land als een vos, wanneer iemand hem te

slim af is. Vangt ge hem in een val, dan zal hij nooit grommen, nooit

vechten, nooit tegenstand bieden, zooals een lynx of een otter, of

bijna elk ander wild dier. Hij is u zoo dikwijls te leep af geweest, en

heeft u zoo vaak zijn meerderheid getoond, dat hij geheel overweldigd

is als ge hem eindelijk hulpeloos en overwonnen aantreft. Het is of hij

zijn buitengewone sterkte, de vreeselijke kracht van zijn tanden en

klauwen heelemaal vergeten is. Zijn kop legt hij eenvoudig tusschen

zijn pooten, zijn oogen wendt hij af en hij weigert u aan te zien, of

te toonen hoe hij zich schaamt. Negen van de tien keer dat ge een beer

of een vos in een val gevangen aantreft, zult ge voelen dat het dit

voornamelijk is, en iets daarvan sprak nu uit Mooweens handelwijze, uit

zijn blik, terwijl ik hem daar in den weg zat en van zijn verwarring

genoot.

Vlak bij hem sprong een spar uit de rotsen, die hoog in de lucht tot

aan een richel reikte. Daar ging hij langzaam tegenaan staan, maar

keerde zich toen weer om, om naar mij te kijken, zooals ik daar rustig

op zijn eigen weggetje—dat hij niet langer als het zijne kon

beschouwen—over zijn nederlaag zat te glimlachen, terwijl ik er over

dacht hoe hij zich schaamt wanneer hij het af moet leggen. Daar was ’t

of een electrische kracht hem plotseling van het pad ophief—hij klom

vliegensvlug met zenuwachtige schokken en sprongen den boom in.

Merkwaardig gauw schoot hij op voor zoo’n reusachtig dier. De kleine

takjes vermorzelde hij, met zijn groote klauwen ritste hij den ruwen

bast af, en achter zich liet hij een regen van stof en takken

neerkletteren, tot hij daarboven den rand van de rots bereikt had en er

op sprong. Daar hield hij stil om naar beneden te kijken, wat ik nu zou

doen. En zoo bleef hij met zijn grooten kop over den rand van de rots

oplettend naar mij staan kijken, tot ik opstond en kalm het pad

vervolgde. Het was morgen toen ik naar de zalmen terugkeerde. Maar in

tegenstelling met den mossigen boschgrond droeg de harde rots geen

sporen, die me konden verraden—waar ik zoo nieuwsgierig naar was: of

hij langs den boom weer naar beneden was gekomen, of een anderen weg

over den berg had gevonden. Op de plaats, waar ik gestaan had toen zijn

zwaar hoewuf! mij opschrikte, liet ik een dikken zalm achter, want

iedere beer zal er een grooten omweg voor overhebben, als hij daarvan

smullen kan. Den volgenden dag was deze verdwenen; dus Mooween vond

misschien op zijn volgenden tocht wel een andere en aangenamer

verrassing op hem wachten bij ’t omslaan van de bocht.

Kijkjes in het dierenleven · 第 4 / 11 题