Eens zat ik op een Septembermiddag in het diepe water onder aan het
meer te visschen, en terwijl over ’t oppervlak de donkere schaduwen der
naaldboomen lengden, had ik al wel op twintig manieren gepoogd een
voorzichtige, oude forel zóo ver te brengen, dat ze mijn vliegen
aannam. Daar, in een duistere kom tusschen de leliebladen, waar het
koude welwater uit den bodem opborrelde, huisden er een massa, en haar
luimen en grillen waren een voortdurende bron van ergernis of genoegen,
al naar de visscher zelf gestemd was.
Soms bleven ze dagenlang in domme, doffe onverschilligheid in de zware
schaduw van de leliebladen liggen. Niets kon ze dan in verzoeking
brengen. Vliegen, wormen, krekels, roodvinnen, hommels werden—netjes
aan een haren onderlijntje—met krinkelende golfjes over haar
heengetrokken, of voorzichtig naast haar ingelegd, maar ze schoten
gemelijk op zij, norsch als koning Achab [2], toen hij zijn gelaat naar
den muur wendde en geen brood wilde eten.
Dan kwamen er scholen vischjes uit de bladen zwermen en brachten de
heele wel in opschudding. Zwartvischjes, roodvinnen, pompoenzaadjes
[3], baarsjes, schoten schuimend op de vliegen af, of joegen elkaar in
wilde jacht door ’t verboden water, dat ze in een roes scheen te
brengen met zijn frissche koelte. Ik hoefde mijn kano maar even met een
zwenking naar den lommerrijken zoom van de wel toe te brengen, en maar
eenmaal in te gooien waar ’t open water was, om te weten of ik al dan
niet forellen bij mijn ontbijt zou hebben. Als de kleine vischjes jacht
op de vliegen maakten, kon ik net zoo goed opstappen of gaan rondkijken
in de natuur, want forel ving ik in geen geval. Maar wanneer er een
wijziging zou komen kon je nooit vooruit zeggen. Soms, bij de minste
aanleiding,—een koeltje in de lucht, een briesje, dat even ’t water
rimpelde, een wolkschaduw, die er overheen gleed—was het of er
plotseling een verandering gekomen was over die gespikkelde Achabs,
daar diep onder de leliebladen verscholen. Nog voordat er zich een
forel bewogen had, was ’t of er een geheimzinnige, raadselachtige
waarschuwing door de wel was gevaren, en wanneer je over den rand van
je kano keek, zou je de vischjes, haast-je, rep-je, op de leliebladen
kunnen zien afschieten, om zich in ’t ondiepe in veiligheid te brengen
en de bron over te laten aan de dwingelanden die er baas waren. Dan is
’t oogenblik daar om in te gooien: de forellen zullen zóo boven komen.
’t Gebeurde vaak dat er een speelsche stemming op zoo’n gemelijke luim
volgde. ’t Plonzen van een drieponder, ’t geplas van een dozijn
kleinere visschen deed je in zenuwachtige haast ingooien; maar je had
je die moeite weer kunnen besparen, die alleen gediend had om de
forellen op de hoogte te helpen van de meest uitgezochte listen uit je
vliegenboek. Dan schoten ze op al je mooie kunstvliegen aan: „’t
koetsiertje”, „’t zilveren doktertje”, en hoe ze verder mogen heeten,
zwenkten er onder door, sprongen er over heen, maar slikten er nooit
een in. Ze speelden met drijvende bladen, haar merkwaardig scherpe
oogen vingen de schaduw op van een mug, die over den zilveren spiegel
van haar dak vloog en den breeden staart zwiepten ze naar boven om haar
op te vangen; maar ’t was alleen om spel of beweging te doen: je
vliegen raakten ze niet aan. Toch zou de dag komen dat ijver en geduld
rijkelijk beloond werden. Er plaste een snoer, er trilde een vlieg, die
zachtjes aan den anderen kant van de wel was neergevallen—en daar
zoemde ’t piepen van je klos de rustige berghelling op, beantwoord door
een luid gebriesch, als de hinde die daar huisde verschrikt wegsprong
en de beide kalfjes toeriep haar te volgen. Maar daar lette je
nauwelijks op, want je had het veel te druk. Hoofd en handen waren in
de weer, om de groote forel uit de leliebladen te houden, waar je haar
stellig kwijt zou raken met je lichte vischtuig.
Op den middag waar ik ’t over heb waren de forellen niet speelsch;
traag ook niet; honger hadden ze evenmin. Toen ik mijn eerste vlieg
ingooide en over ’t water trok, gebeurde er niets. Dat was een goed
teeken: de kleine vischjes waren er klaarblijkelijk weggejaagd. Ik liet
grooter vliegen volgen, maar de dikke forellen speelden er niet mee en
toch lieten zij ze niet met rust. Ze gingen er behoedzaam op een voet
afstands, tot den zoom van de leliebladen naast ons, achteraan, om dan,
als ze mij in ’t oog kregen, naar haar koele schuilplaats terug te
jagen. ’t Was duidelijk dat ze achterdocht koesterden, en in zoo’n
geval is ’t bij de lagere diersoorten, net als bij menschen, maar ’t
beste gewoon te doen, nog kalmer dan anders, en ze tijd te geven om
over hun wantrouwen heen te komen.
Terwijl ik daar zat te wachten en mijn vliegen tusschen de bladen bij
de kano rustten, kwamen er vreemde geluiden van de berghelling boven
me:—Prut, prut, pr-r-r-rt! Wit-kwit? Wit-kwit? Pr-r-rt, pr-r-rt! Oewit,
oeoewit! Pr-r-rie-ie! Dit laatste met een haastig wiekgeruisch. En die
wonderlijke, halfvragende, halfgedempte, uiterst voorzichtige geluiden
gaven vluchtig de gewaarwording dat ze in en uit het ruige kreupelhout
gleden. „Een koppel patrijzen,” dacht ik, terwijl ’k mij omwendde om
aandachtiger te luisteren. De schaduwen lengden en lengden—voorboden
van den nacht, en nog andere ooren dan de mijne hadden met
belangstelling de geluiden vernomen. Een schaduw viel sneller over ’t
water, en toen ik haastig opkeek, zag ik een grooten uil geluidloos
aanzeilen van den berg op den anderen oever en op een dooden boomtronk
neerdalen, die uitzicht over het water gaf. Kookooskoos had in een
zwaren spar zitten slapen, toen de geluiden hem wekten, en hij was er
onmiddellijk op uitgetogen, niet om te jagen—want daar was ’t nog te
licht voor—maar om zijn wild op te sporen en stilletjes naar de plek te
volgen waar het slapen ging; daar zou hij zich dan in de buurt
verschuilen en afwachten tot het schemerduister neerzeeg. Dat kon ik
allemaal uit zijn houding opmaken, terwijl hij voortzweefde en, voordat
hij verder vloog, als een speurende hond met zijn grooten kop heen en
weer draaide om de plaats te bepalen waar de koppel zich bevond.
Boven aan de helling zwegen de gretige geluiden even, alsof een
wonderlijk zesde zintuig de vogels had gemaand zich stil te houden. De
uil was in de war gebracht, maar ik durfde mij niet verroeren, omdat
hij net mijn kant uitkeek, toen een licht gerucht, te zwak voor mijn
ooren, hem zijn kop deed omkeeren. Oogenblikkelijk greep ik naar mijn
buksje, dat voor mij in de kano lag, en net toen hij zijn wieken
uitsloeg om dat nieuwe geluid te gaan onderzoeken, knalde de buks en
plofte hij zwaar naar beneden op den oever.
„Een roover minder,” dacht ik, toen de kano licht op het water
wiegelde. Daar klonk een zware plons—nijdig snorde mijn snoer, waar ’k
heelemaal niet meer aan gedacht had; ik greep mijn hengel en merkte dat
ik beet had: een groote forel, die uit haar schuilhoekje onder de
leliebladen mijn vliegen had bespied, tot haar achterdocht
gerustgesteld was en ’t eerste beweginkje haar naar boven deed
schieten.
Een minuut of tien later lag zij in mijn kano, waar ik haar naar
hartelust kon bekijken. Terwijl ik zat te wachten tot de wel weer
rustig zou worden, klonk er een vreemd geluid uit het kreupelhout, een
snel plop-lop-lop-lop-lop, als ’t klokken van water, in een flesch
geschonken, waarbij de lucht ontsnapt.
In de buurt van die geluiden liep een beek, een traag stroompje, dat
tusschen de elzen verdwaalde en al zijn geklater vergeten was. Mijn
eerste gedachte was dan ook dat het een of andere dier in het water
stond te drinken en de stem van ’t beekje gewekt had, toen de stroom
langs zijn pooten kabbelde. De kano gleed naar den overkant, om te
ontdekken welk dier het was, toen er midden uit die geluiden het
onmiskenbare, vragende wit-kwit? van patrijzen klonk—en daar had je
ze—even een glimp van vlug wegschuilende, kleine gedaanten en
glinsterende oogen, die door de warrelige elzestammen gleden. Toen ze
dicht bij het beekje kwamen, hadden ze hun zachte babbelpraatje,
waardoor een koppel in de wilde ruigte van het verbrande gebied
onderling voeling blijft houden, veranderd in een eigenaardig, vloeiend
geluid, zoo sprekend watergekabbel tegen een mossigen steen, dat het me
volkomen misleid zou hebben, als ik de vogels niet gezien had. Het was
alsof ze trachtten het beekje zijn geklater, dat het daar heel ginds
tusschen de heuvels had verloren, weer te helpen herinneren.
Nu was me, toen ik het kamp verliet, dringend op ’t hart gebonden die
patrijzen voor ons Zondagsmaal mee te brengen. Mijn eigen troepje waren
de forellen en de blikjes gaan vervelen en de jonge patrijzen die ik ze
onlangs had voorgezet hadden naar meer gesmaakt. Ik liet de wel en mijn
hengel maar in den steek, net toen de forellen naar boven begonnen te
komen, en glipte de elzen in met mijn buks.
Er waren op zijn minst wel twaalf volwassen vogels, met sterke
vleugels. Ze hadden er nog niet toe besloten uiteen te gaan naar alle
windrichtingen, zooals de meeste koppels die in ’t verbrande gebied te
vinden zijn. Den heelen zomer, als er bessen in overvloed zijn, blijven
ze bij elkaar, want ze vinden tien paar kalme oogen een veel beter
waarborg voor verrassingen dan éen verschrikt paar. Elke koppel staat
dan onder streng bevel van de moeder, en wanneer ge ze nagaat, krijgt
ge soms heel even eigenaardige staaltjes, buitengewoon merkwaardig, van
een patrijzenopvoeding te zien. Is de moeder door een uil of valk of
wezel omgebracht, dan blijft de koppel, zoolang er nog bessen zijn,
onder leiding van een hunner die dapperder of slimmer is dan de rest
bijeen; maar later in den herfst, als de vogels al wat er te kijk is,
alle geluiden en gevaren in de wildernis, hebben leeren kennen, of
meenen dat ze ’t kennen, gaat de koppel uiteen. Dit gebeurt èn om een
grooter terrein te hebben om rond te pikken als het voedsel schaarsch
begint te worden, èn ook als een natuurlijk verzet tegen het moederlijk
gezag, dat geen dier graag langer gedoogt, nadat hij eenmaal geleerd
heeft voor zichzelf te zorgen.
Haastig, maar behoedzaam volgde ik den koppel, in een bijna
ondoordringbaar warrelnet van elzen die de beek omzoomden, en werd van
allerlei gewaar, ofschoon ze me niet de minste kans gaven een schot te
lossen. De moeder was er niet meer en de aanvoerder was een gladde
vogel, de kleinste van ’t heele troepje, die ze nu eens snel voortdreef
in de dichte dekking, dan weer liet neerduiken of zich verschuilen,
nieuwsgierig wie ik wel zijn zou. Zij hielden mij voortdurend in ’t
oog, maar zorgden toch dat ze geen gevaar liepen. Ondertusschen praatte
de aanvoerder tot hen in een merkwaardig taaltje van sjilpen en
fluiten, en zij antwoordden met vragen of schelle kreten, als mijn
hoofd eens een oogenblik zichtbaar werd. Ze wachtten, tot de ruigte het
dichtst was en ik ze bijna overrompeld had, om dan vliegensvlug aan
mijn blik te ontsnappen, en als er een open plek was, vlogen ze samen
met veel gerucht van hun krachtige vlerken op, of zeilden snel van een
omgevallen boomtronk af, met die geluidlooze vlucht die een patrijs zoo
prachtig kan hebben als ’t noodig is.
Maar het instinct dat hen uiteen doet gaan was al over hen vaardig.
Waarschijnlijk hadden ze overdag al op hun eigen houtje aan de helling
rondgepikt, maar met de lengende schaduwen kwamen ze nu weer bij
elkaar, om in de veilige beschutting van het oude samenzijn den nacht
in de wildernis tegemoet te gaan. En ik was onder ’t visschen gelukkig
zoo stil geweest, dat ik het hoorde toen de aanvoerder ze samen begon
te roepen en ze van alle kanten waar ze aan ’t pikken waren
antwoordden.
Na een poosje gaf ik ’t op ze nog verder te volgen—ze waren mij te vlug
af in de elzenruigte—en kwam het drassige uit en den oever op. Daar
gekomen liep ik vlug een hertenpad af en met een kring voor ze uit naar
een dicht cederboschje toe, waar ze dunkte me den nacht wel eens zouden
kunnen doorbrengen.
Het duurde niet lang of ik hoorde ze aankomen—wit-krit? pr-r-r, pr-r-r,
prut, prut!—en ik zag er een stuk of vijf, zes, haastig voortgaan; maar
op ’t zelfde oogenblik kreeg de kleine aanvoerder mij in ’t oog en week
terug, zoodat ik hem uit ’t gezicht verloor. De meeste van zijn troepje
volgden zijn voorbeeld, maar éen patrijs, nieuwsgieriger uitgevallen
dan de andere, hipte op een gevallen boomtronk, zette zich stokstijf in
postuur en staarde mij aan. Dadelijk knalde mijn buks en ik stopte hem
kalmpjes, een kopje kleiner, in een wijden zak van mijn jachtbuis—een
mooie, vette vogel.
Op dat gerucht vloog een andere patrijs naar een dichten spar, om te
onderzoeken wat dat toch voor geluid was, drukte zich stijf tegen den
stam aan om zich te verbergen en luisterde aandachtig. Of hij stond te
wachten om ’t geluid weer op te vangen, of dat hij bang was geworden en
den roep van den aanvoerder beidde, kon ik niet gewaar worden, maar ik
vuurde vlug en zag hem op de helling aanzeilen, waar de harde plof
waarmee hij neerkwam en een gefladder van veeren achter hem aan me een
bewijs waren dat hij flink was aangeschoten.
Ik volgde hem den heuvel op, waar ik af en toe vleugelgeklepper hoorde
dat mijn schreden leidde, tot die geluiden in een uitgestrekte
wildernis van kreupelhout en omgewaaide boomen verdwenen. Hier zocht ik
nog een minuut of tien tevergeefs, luisterde toen nog een heele poos in
de machtige stilte, maar het dier had zich verborgen en bespiedde mij
stellig uit de een of andere schuilplaats, waar zelfs een uil hem in ’t
voorbijvliegen niet ontdekken zou. Met tegenzin wilde ik naar ’t moeras
terugkeeren. Vlak bij mij was een gevelde boomstam; aan mijn
rechterkant nog een, en ze waren zoo gevallen dat ze als ’t ware de
zijden van een grooten hoek vormden, waarvan de uiteinden tegen elkaar
op de helling rustten. Daar midden in, tusschen rotsen en kreupelhout,
groeiden verscheiden zware boomen. Ik klom op een van de omgevallen
stammen en liep er voorzichtig een voet of acht, tien van den grond
over heen, terwijl ik onder mij rondspeurde, of een zwervend bruin
veertje mij ook den weg zou wijzen naar mijn verloren patrijs.
Plotseling begon de stam onder mijn voeten zachtjes te wiebelen.
Verbaasd stond ik stil en keek wat de oorzaak van dat wonderlijke
getril zou wezen, maar er bevond zich niemand anders dan ik op den
boom. Na een poosje ging ik weer verder naar mijn patrijs zoeken. Weer
bibberde de boom, maar nu zoo heftig dat ik er bijna afviel. Toen
merkte ik dat het eene eind van den tweeden boomstam, die in evenwicht
lag op een groot rotsblok, onder het uiteinde van den mijnen stak en
dat er aan den anderen kant iemand bezig was hem op te wippen. Dat
moest een dier zijn, en ’t flitste me door mijn hoofd dat het zwaar
genoeg was om mijn gewicht met zijn krachtigen hefboom op te beuren. Ik
sloop naar voren om achter een dikken boom om te kunnen gluren—en daar
stond me, nog geen twintig voet van mij af, op den anderen stam, een
groote beer, die onrustig heen en weer draaide en tot een besluit
trachtte te geraken, of hij voor- of achteruit moest op zijn wankele
loopplank.
Zoodra mijn hoofd om den boom verscheen kreeg hij me in ’t oog, en
zóó’n verrassing, zóó’n verbazing heb ik zelden op een dierentronie
gezien. Een tijdlang hield hij mijn blikken zonder knipoogen uit, maar
toen begon hij weer te draaien, zoodat de boomen op- en neerwipten.
Weer keek hij naar dat vreemde dier op den anderen stam, maar ’t
gezicht achter den boom had zich niet bewogen, stond nog onveranderd,
met oogen die hem strak aankeken. Opeens sprong hij verschrikt naar
beneden in het kreupelhout, en als ik mij niet vliegensvlug aan een tak
had vastgeklampt, zou de plotselinge slingering me achterover tusschen
de rotsblokken hebben gegooid. Toen hij er afsprong, had ik een haastig
wiekgeflodder gehoord. ’t Was met eenige aarzeling dat ik er achteraan
ging, want ik wist niet waar de beer gebleven was; maar het duurde niet
lang of den tweeden patrijs had ik ook netjes bij zijn makker in mijn
jachtbuis geborgen.
De rest van den koppel was nu overal verspreid. Ik vond er een stuk of
wat en achtervolgde ze, maar ze verscholen zich in de dichte elzen,
waar ik ze niet gauw genoeg in ’t vizier kon nemen. Na een paar
haastige, vergeefsche schoten toog ik weer aan ’t visschen.
Meer en bosch waren spoedig weer rustig. De forellen kwamen niet langer
boven, hadden een van haar grillige buien; een plechtige stilte
heerschte rondom, niet onderbroken door ’t snorren van mijn klos, en in
de schemering lengden de dieper wordende schaduwen, toen het zachte,
vloeiende, vragende gebabbel van patrijzen uit de elzen kwam drijven.
Daar, in de dichte ruigte, was de aanvoerder—in den tijd van een uur
had ik zijn eigenaardig prut, prut leeren onderkennen—en de koppel
antwoordde hem van de helling, uit het elzenmoeras en het zware
naaldhout: hier met een „kwit”, daar met een „prut”, ginds met een
haastig wiekgeruisch, terwijl ze al dichter weer naar elkaar
toetrokken.
Omdat ik nog een derden patrijs moest zien machtig te worden voor mijn
hongerige troepje, sloop ik vlug naar het elzenmoeras terug, waar ik
langs een wildpaadje dat ik er ontdekte voorzichtig op handen en voeten
naderbij kroop, tot waar de leider steeds maar lokte.
Midden in een dicht bosch van lage, donkere elzen, door kreupelhout als
met een heg omgeven, vond ik hem eindelijk. Met uitgespreiden staart en
vleugels, met opstaanden halskraag, alsof ’t in den paartijd was, gleed
hij snel op ’t uiterste eind van een omgewaaiden boom heen en weer,
terwijl hij telkens als hij even stilhield zijn eigenaardigen loktoon
liet hooren. Verder op den boom zaten nog vijf patrijzen in een lange
rij, doodstil; alleen wanneer het lokken van den aanvoerder beantwoord
werd, draaiden ze af en toe hun kopjes om en luisterden ingespannen,
totdat het kreupelhout voorzichtig uiteenweek en er weer een vogel
fladderend naast hen kwam hippen. Weer een roep, weer een zwak
kwit-kwit en wiekgeruisch van de helling tot antwoord, en weer kwam er
op snelle vleugels een patrijs aansuizen, om zich neer te laten op den
boom naast zijn makkers. Gastvrij opende de rij zich om hem op te
nemen, en daarna, onder het lokken van den aanvoerder, keerde de rust
in het troepje terug, terwijl de kopjes heen en weer draaiden naar de
zwakke antwoorden.
Eindelijk zaten er negen op den boomstam. Luider en luider werd het
geroep; maar nu waren er al een paar minuten voorbijgegaan zonder dat
er antwoord kwam. De koppel begon onrustig te worden, de aanvoerder
trippelde haastig, luider lokkend, van zijn standplaats het kreupelhout
in en weer terug, terwijl een zacht gesnater door het kleine gezelschap
op den boomtronk golfde—den eersten keer dat zij hun wonderlijk zwijgen
verbraken. Er moesten er nog meer komen, maar waar waren die, en waarom
draalden zij zoo? Het werd al laat, er had al een uil geroepen en hun
slaapplaats was nog een heel eind weg. Prut, prut, pr-r-r-r-ieie! lokte
de aanvoerder; het gesnater hield op, terwijl de heele koppel
luisterde.
Ik wendde mijn hoofd ook naar de helling, om naar die treuzelaars te
luisteren, maar er kwam geen antwoord. Behalve de kreet van een laag
vliegende duikeend en het kraken van een takje—te hard en te zwaar dan
dat kleine pootjes het zouden hebben gedaan—was het doodstil in het
woud. Toen ik mij weer naar den boomstam keerde, drukte mij iets warms
en zwaars tegen mijn zij. Toen wist ik het; en met dat begrijpen
doortrilde mij plotseling iets van berouw, dat me een gevoel van schuld
gaf, van daar niet te hooren in die zwijgende bosschen. De aanvoerder
lokte, het zwijgende kuddeke stond daar op twee van de hunnen te
wachten, die nooit meer op den roep zouden antwoorden.
Ik lag nauwelijks tien meter van den boomstam, waar het droevige
tooneeltje zich in de schaduwen van de schemering afspeelde, terwijl de
wijde stilte dieper en dieper werd, alsof de wildernis zelf medelijden
had en haar kreten inhield om te luisteren. Eenmaal, zoo, dat ik den
koppel in ’t oog kreeg, had ik mijn buks opgeheven en aangelegd op den
kop van den grootsten vogel, maar nieuwsgierigheid naar wat ze
uitvoerden had mij weerhouden. Nu was er een ernstiger gevoel voor in
de plaats gekomen; ’t geweer was uit mijn hand gegleden en onopgemerkt
tusschen de gevallen bladeren blijven liggen.
Weer lokte de aanvoerder. Het troepje rees overeind als een rijtje van
grijsbruine beeldjes, alle oogen glinsterden, alle ooren luisterden,
totdat een vage gewaarwording van angst, alsof er gevaar dreigde, ze
naar elkaar dreef en ze in een dichte groep samenschoolden op den
grond; behalve de aanvoerder, die vóor hen stond en ze telkens over
scheen te tellen, om dan zijn kreet weer uit te zenden in de bosschen,
waar de duisternis viel.
Ik nam een der vogels uit mijn zak en begon de verfomfaaide bruine
veertjes glad te strijken. Wat was hij mooi, hoe prachtig die vorm, die
kleur, aangepast bij de wildernis, waarin hij geleefd had! En ik had
hem het leven ontnomen, het eenige wat hij bezat! Zijn schoonheid en
nog iets diepers, dat het ernstige geheim is van elk leven, waren voor
altijd heen. Den heelen zomer had hij verheugd op zijn pootjes
rondgedribbeld en genoten van de natuur en haar overvloed, en vroolijk
tegen zijn kameraadjes geroepen, als ze bij ’t gretig zoeken licht en
schaduw in- en uitglipten. De twee groote factoren in zijn leven waren
èn vrees, èn onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan zijn moeder geweest.
Hierbij was hij sterk, wakker, vlug opgegroeid, wist hij precies
wanneer hij haastig trippelen, wanneer hij vliegen moest en wanneer
roerloos ineenduiken, als ’t gevaar voorbijging, ziende blind. Maar
toen zijn kracht volgroeid was, toen hij eindelijk alleen in de
wildernis door de beschuttende ruigte gleed, waakzaam, zelfstandig—was
éen oogenblik van nieuwsgierigheid, éen haastige, begeerige blik naar
dat vreemde dier, dat zoo stil onder den ceder stond, voldoende... een
flits, een knal, en het was al gebeurd. De roep van den aanvoerder ging
zoekend, zoekend door het bosch, maar hij zou er niet meer naar hooren.
Mijn hand streelde plotseling heel teeder over de veertjes. Ik had hem
zijn leven ontnomen, nu moest ik ook voor hem antwoorden. Ik hief mijn
hoofd op en maakte het heldere wit-kwit van een voortsnellenden
patrijs. Dadelijk antwoordde de aanvoerder, het troepje sprong weer op
den boomstam en alle keerden zich naar mijn kant om te luisteren. Weer
een roep,—en nu hipten ze weer naar beneden en bleven dicht
bijeengedoken liggen. De aanvoerder bleef stokstijf op den boomstam
staan, zoodat het leek alsof hij een deel werd van de doode stomp naast
zich.
Er was iets niet in den haak met mijn antwoord; de vogels hadden
achterdocht gevat, omdat ze niet begrepen welk gevaar hun makkers zoo
lang deed zwijgen en hèn nu uit de donkere elzen bedreigde. Een
oogenblik van aandachtig luisteren—toen kwam de aanvoerder langzaam van
zijn boomstam af, voorzichtig naar mij toe; nu stilstaand, dan
wegschuilend, nu luisterend, dan voortglijdend, zich ver naar een kant
uitrekkend en weer terugtrekkend, zoo sloop hij vooruit; tot hij opeens
bleef staan, toen hij mijn gezicht uit het kreupelhout zag kijken. Wel
twee minuten lang verroerde hij zich niet. Toen gleed hij haastig met
een zwak, verward, vragend, kwit kwit? naar de plek terug waar zijn
koppel zat te wachten. Een zacht teeken, dat ik amper kon hooren, een
snel bewegen... en het heele troepje vloog verspreid en met veel
gerucht naar het zwijgende, gastvrije woud.
Een minuut of tien later zat ik in dicht kreupelhout gehurkt naar boven
te kijken in een grooten spar, waar net nog even de aanvoerder voor mij
zichtbaar was, die scherp tegen het gloeiende westen afgeteekend naast
een opstekenden tak stond. Ik was zijn haastige vlucht gevolgd, en lag
nu weer te luisteren naar zijn zoekend geroep, dat door de schemering
uitging om zijn kleine kudde naar den boom te roepen waar ze slapen
zouden. Zij antwoordden uit het moeras, van de helling en ver weg van
het rustige meer; eerst zwak, dan helderder hun roep en sterker ’t
ruischen van vlugge vleugels, als zij aankwamen.
Maar ik had al genoeg gezien en gehoord; al te veel voor mijn
gemoedsrust. Ik kroop weg door ’t moeras, terwijl het gretige roepen
mij tot in mijn kano achtervolgde; eerst een klacht, alsof er iets
ontbrak aan het vreedzame meer, het rustige woud, de teere schoonheid
van den schemeravond; en toen zacht een vraag, die altijd doorklinkt in
het kwit van een patrijs, alsof ik de eenige was die zou kunnen
vertellen waarom twee levendige bekjes nooit meer zouden antwoorden,
als er in de lengende schaduwen appèl gehouden werd.