"Nu, lieve menschen, begrijpt maar eerst, dat dit geen _nieuw_ plan

van mij is, maar een, dat ik al lang gekoesterd heb. Voordat ik Fritz

ontmoet had, stelde ik mij al dikwijls voor, hoe ik, wanneer ik mijn

fortuin gemaakt zou hebben, en niemand mij thuis meer noodig had,

een groot huis zou huren, en een paar arme moederlooze jongetjes

zou opnemen, om hen het leven plezierig te maken, voordat het te

laat was. Ik zie er zooveel, die verongelukken, omdat zij niet op

het goede oogenblik geholpen worden; ik zou zoo dolgraag iets voor

dergelijke jongens doen; ik weet, wat ze noodig hebben, en ik voel

hun moeilijkheden; en o! ik wou zoo graag een moeder voor hen zijn!"

Mevrouw March stak Jo haar hand toe, die deze met tranen in de oogen

drukte, terwijl ze met haar vroegere opgewondenheid, die haar vrienden

in zoo'n langen tijd niet van haar gezien hadden, voortging:

"Ik sprak Fritz eens over mijn plan, en hij zei dat zooiets ook zijn

wensch was, en stemde er in toe het te probeeren, wanneer wij eens

rijk zouden zijn. Maar, die goeierd heeft het al zijn leven lang

gedaan,--arme jongens helpen, bedoel ik, (niet rijk worden, dát zal

hij wel nooit) het geld blijft niet lang genoeg in zijn zak om veel

over te kunnen leggen. Maar nu, dank zij mijne goede, oude tante,

die meer van mij hield, dan ik ooit verdiende, nu ben ik rijk--ten

minste, ik _voel_ mij rijk, en wij kunnen best op Plumfield leven,

als onze school een beetje wil opnemen. 't Is juist een geschikte

plaats voor jongens--het huis is ruim, en de meubels zijn sterk

en eenvoudig. Binnenshuis is overvloed van plaats voor een paar

dozijn, en buitenshuis loopen zij elkander ook niet in den weg. Zij

zouden in den tuin en den boomgaard kunnen helpen, uitstekend, gezond

werk--Fritz zou hen op zijn eigen manier kunnen opvoeden en leeren, en

Vader wil hem stellig wel helpen. Ik zal ze eten geven, en oppassen en

vertroetelen en beknorren, en daarin zal Moeder mijn steun zijn. Ik heb

altijd verlangd naar een massa jongens om me heen, maar heb nooit mijn

zin gehad; nu kan ik het huis vol maken, en me aan de kleine bengels

wijden, zooveel ik maar wil. Denk eens wat een genot! Plumfield mijn

eigendom, en een bende jongens om er met mij van te genieten!"

Toen Jo opgewonden gesticuleerde en een zucht van geluk slaakte,

barstte de heele familie in een luid gelach uit, en mijnheer Laurence

lachte zóó, dat zij voor een aanval van beroerte begonnen te vreezen.

"Maar ik zie er niets belachelijks in," hernam Jo ernstig, zoodra

zij zich verstaanbaar kon maken. "Niets is immers natuurlijker of

geschikter voor mijn professor dan een school te openen, en voor mij,

dan graag op mijn eigen plaats te willen wonen."

"Kijk, zij neemt al airs aan," riep Laurie, die de zaak als een

prachtige grap beschouwde. "Maar mag ik ook vragen, waarvan je

van plan bent de inrichting te doen bestaan? Als al de leerlingen

landloopertjes zijn, ben ik bang, dat je oogst niet heel voordeelig

zal blijken, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, mevrouw Bhaer."

"Kom, ontneem mij nu niet mijne illusies, Teddy. Natuurlijk zullen

er ook rijke jongens onder zijn; misschien begin ik wel met enkel

betalende; als ik dan eenmaal goed op streek ben, kan ik voor

mijn speciaal genoegen een paar arme tobbers aannemen. Kinderen

van welgestelde menschen hebben dikwijls ook troost en zorg noodig,

even goed als van arme. Ik heb meer dan eens gezien, hoe ongelukkige

stumpertjes aan dienstboden overgelaten, en achterlijke kindertjes

met geweld opgestoomd werden,--werkelijk wreed. Sommige jongens zijn

lastig, door een verkeerde behandeling of door verwaarloozing, en

anderen verliezen hun moeders al vroeg. Buitendien moeten toch ook

de beste de vlegeljaren doormaken, en dat is de tijd, waarin zij het

meest behoefte hebben aan geduld en vriendelijkheid. Iedereen lacht

ze uit, of schudt ze door elkander, of tracht ze op den achtergrond

te houden, en verwacht blijkbaar, dat mooie kindertjes eensklaps in

flinke jongens zullen veranderen. Zij klagen niet veel--arme stumperds,

maar zij voelen het daarom wel. Ik heb er iets van mee doorgemaakt,

en weet er dus al wat van. Ik stel bijzonder veel belang in zulke

jonge beertjes, en toon ze zoo graag, hoe ik hun warme, eerlijke,

oprechte jongensharten op prijs stel, ondanks hun onhandige armen en

beenen en hun slordige hoofden. Ik bezit heusch al wat ondervinding

op dat gebied, want is er niet een jongen, dien ik heb opgevoed,

en die nu de trots en de roem van zijn familie uitmaakt?"

"Ik zal altijd getuigen, dat je er je best toe gedaan hebt," zei

Laurie, haar dankbaar aanziende.

"En ik ben boven verwachting geslaagd; want je bent nu een flink man

van zaken, je doet ontzettend veel goed met je geld, en kapitaliseert

de zegeningen der armen. Maar je leeft niet alleen voor je zaken,

je houdt ook veel van al wat goed en mooi is, geniet er zelf van,

en laat anderen mee genieten, zooals je vroeger in den ouden tijd ook

deed. Hoor, Teddy, ik ben trotsch op je, want ieder jaar word je beter,

en iedereen voelt het, al wil je niet dat iemand het uitspreekt. Ja,

als ik later mijn kudde om mij heen heb, zal ik op jou wijzen en

zeggen: 'Ziedaar jullie model, jongens!'"

De arme Laurie wist niet, waar zich te bergen, want zoo oud als

hij was, kwam nu toch iets van de vroegere verlegenheid over hem,

toen na deze uitbundige lofspraak alle gezichten zich goedkeurend

tot hem keerden.

"Hoor eens Jo, dat is te veel," begon hij op zijn oude

jongensmanier. "Jullie hebben allemaal meer voor mij gedaan, dan ik

ooit kan vergelden, behalve door mijn best te doen, om je niet teleur

te stellen. Je hebt mij in den laatsten tijd wel wat laten loopen,

Jo, maar ik heb gelukkig toch een goede hulp gehad; dus, als ik

vooruit ben gegaan, mag je er deze twee voor danken,"--en hij legde

de eene hand op die van zijn grootvader en de andere in die van Amy,

want die drie zaten altijd dicht bij elkaar.

"Ik vind toch maar, dat familiekringen de mooiste dingen in de wereld

zijn!" riep Jo uit, die dien avond in een bizonder blijde stemming was,

"wanneer ik mijn eigen huishouden heb, hoop ik, dat ik zoo gelukkig

zal zijn als de drie gezinnen, die ik ken, en het meest liefheb. Als

John en Fritz nu nog maar hier waren, zou het hier heusch een hemel

op aarde zijn," voegde zij er rustiger bij. En toen zij dien avond

naar haar kamer ging, na een intiemen familieraad, waarin aller hoop

en plannen besproken waren, was haar hart zoo vol van geluk, dat

zij het slechts tot kalmte kon brengen, door bij het ledige bedje,

dat op zijn oude plaats was blijven staan, neer te knielen en met

teedere liefde aan Betsy te denken.

Over 't geheel genomen was het een heel buitengewoon jaar, waarin

alle dingen op een buitengewoon vlugge en plezierige manier schenen

te gebeuren. Bijna voordat zij het goed besefte, was Jo getrouwd en

woonde zij op Plumfield, waar weldra een troepje van zes of zeven

jongens als paddestoelen rondom haar verrees, en er verwonderlijk

goed gedijde. Arme jongens zoowel als rijke; want mijnheer Laurence

vond telkens een hartbrekend geval van de grootste verlatenheid, en

smeekte de Bhaers zich over het kind te ontfermen,--hij zou dan gaarne

een kleinigheid voor zijn onderhoud betalen. Op die wijze verschalkte

de slimme oude heer onze hooghartige Jo, en bezorgde haar die soort

van jongens, die haar het meest aantrokken.

In het begin was het natuurlijk zwaar werk, en Jo maakte allerlei

dwaze vergissingen; maar de verstandige professor stuurde haar

veilig in kalmer vaarwater, en de meest uitgelaten deugniet werd ten

laatste getemd. Hoe genoot Jo van haar "bende," en hoe zou die goede

tante March gekermd hebben, als zij had kunnen zien, hoe de heilige

grenspalen van het stijve, welgeordende Plumfield overschreden werden

door wilde Toms, Dicks en Harrys. Maar in dit alles was een soort van

poëtische vergelding te zien, want de oude dame was de schrik van al

de jongens uit den omtrek geweest; en nu smulden de kleine bannelingen

naar hartelust van de verboden pruimen, schopten met hun ongewijde

schoenen in het kiezel, zonder dat iemand hen beknorde, en speelden

voetbal in de groote wei, waar de strijdlustige koe met de kromme

horens gewoonlijk de brutale jeugd tot een kampstrijd placht uit te

noodigen. De school werd als het ware een paradijs voor jongens,

en Laurie wilde haar "Der Bhaergarten" doopen, als een compliment

aan den eigenaar, en als zeer toepasselijk op de bewoners.

Het werd nooit een modelschool, en de professor verdiende er geen

schatten mee; maar het was juist, wat Jo gehoopt had--een gelukkig

tehuis voor jongens, die onderwijs, zorg en liefde noodig hadden. Elke

kamer in de groote villa had spoedig haar bestemming, elk plekje

in den tuin weldra zijn eigenaar gevonden. Een complete menagerie

verscheen in de schuur en het tuinhuis--want allerlei dieren werden

toegelaten,--en driemaal per dag knikte Jo haar Fritz toe van het

hoofd der lange tafel, aan beide zijden met gelukkige jonge gezichten

versierd, die zich alle tot haar keerden met vriendelijk lachende

oogen, vertrouwelijke woorden en dankbare harten, overvloeiende van

liefde voor "Moeder Bhaer." Zij had nu zeker jongens genoeg om zich

heen, maar kreeg er volstrekt nog niet genoeg van, ofschoon zij lang

geen engelen waren, en sommigen hunner aan Professor en Professorin

beiden, veel zorg en moeite veroorzaakten. Doch haar geloof aan

het zachte plekje, dat in elk hart bestaat, zelfs in dat van den

weerbarstigste en ondeugendste, gaf haar geduld en handigheid, en,

na verloop van tijd, succes,--want geen enkele jongen kon zich lang

verharden, wanneer Vader Bhaer hem met zijn goedige oogen door en

door keek, en Moeder Bhaer hem zeventig maal zeven maal vergaf. De

kostelijkste belooning was voor Jo de vriendschap der jongens, hun

berouwvolle tranen en beloften van beterschap na kleine overtredingen,

hun grappige of aandoenlijke geheimen, hun luchtkasteelen, vurige hoop,

en plannen voor de toekomst; zelfs hun ongelukken,--want zij had hen

daarom slechts te hartelijker lief. Er waren achterlijke jongens, en

verlegen jongens, zwakke en baldadige jongens, jongens die lispelden,

en jongens die stotterden, een paar kreupelen, en een vroolijke kleine

mulat, die nergens een onderkomen kon vinden, maar in den "Bhaergarten"

liefdevol werd opgenomen, ondanks de bewering van sommige menschen,

dat zijn toelating den ondergang der school ten gevolge zou hebben.

Jo was een echt gelukkige vrouw, hoewel zij hard moest werken, veel

angst uitstond en onder een aanhoudend rumoer leefde. Zij genoot er

met hart en ziel van, en geen lof voldeed haar meer dan de toejuiching

van haar jongens,--want nu vertelde zij haar verhalen alleen nog

aan haar geestdriftvolle bewonderaars en vereerders. Na verloop van

tijd kwamen twee kleine _eigen_ jongetjes haar geluk nog verhoogen;

Rob, naamgenoot van Grootpapa, en Teddy, een gelukskindje, dat zijn

vaders zonnig humeur, zoowel als zijn moeders geest scheen geërfd te

hebben. Hoe zij in het leven bleven en opgroeiden, in dien maalstroom

van jongens, was een mysterie voor hun grootmoeder en tantes; maar zij

bloeiden als paardebloemen in de lente, en hun onbeholpen kindermeisjes

waren dol op hen en verzorgden ze goed.

Er waren heel veel vacantiedagen op Plumfield, en een van de

allerplezierigste was die, ter eere van den jaarlijkschen appeloogst;

want dan kwamen de families March, Laurence, Brooke en Bhaer,

om met vereende krachten dien dag te vieren. Vijf jaar na Jo's

huwelijk vond er zoo'n oogstfeest plaats. 't Was een van die zachte

koele Octoberdagen, waarop de lucht zoo opwekkend frisch is, dat

alle levensgeesten wakker worden en het bloed vlugger door de aderen

stroomt. De oude boomgaard scheen wel in feestdos gehuld; goudsbloemen

en asters omzoomden de met mos begroeide muren; sprinkhanen wipten

door het dorre gras, en krekeltjes piepten als muzikantjes bij een

elfenmaaltijd. De eekhoorns waren druk bezig met het binnenhalen van

hun wintervoorraad, de vogels tjilpten hun afscheidslied in de hooge

elzen, en alle boomen zaten zoo vol, dat zij stellig bij de eerste

schudding een regen van roode en gele appels op de hoofden der jongens

zouden doen neerdalen. Allen waren op het appèl, iedereen lachte en

zong, of klom in een boom en tuimelde naar beneden; allen verklaarden,

dat zij nog nooit zoo'n verrukkelijken dag gehad hadden; ten minste

niet in zulk vroolijk gezelschap,--en iedereen gaf zich geheel over

aan het genot van het oogenblik, alsof zooiets, als zorg en droefheid,

in de wereld niet bestond.

De oude heer March wandelde kalm rond met den ouden heer Laurence,

nu en dan genietende van

"De geur'ge, zachte appelwijn."

De professor trok als een dapper ridder door de lanen, met een stok tot

lans, aan het hoofd zijner jongens, die allerlei kunsten vertoonden,

en wonderen verrichtten in het buitelen en springen. Laurie wijdde

zich aan de kleintjes, trok zijn dochtertje voort in een schepelsmand,

klom met Daisy in een boom, om naar een vogelnestje te kijken, en

zorgde, dat de avontuurlijke Rob zijn hals niet brak. Mevrouw March

en Meta zaten tusschen de hoopen appels, als een paar Pomona's en

sorteerden de soorten, die nog steeds aangroeiden. Amy was bezig de

verschillende groepjes te schetsen, en waakte met teedere zorg over

een bleek ventje, dat haar, met zijn kruk naast zich, in bewonderende

aanbidding aanstaarde.

Jo was dien dag in haar element; ze vloog heen en weer, haar japon

opgespeld, haar hoed overal, behalve op haar hoofd, en haar jongste

kind onder den arm, gereed om de behulpzame hand te bieden, zoodra er

het een of ander mocht gebeuren. Kleine Teddy's leven scheen als door

tooverkracht beveiligd te zijn, want hij kreeg nooit een ongeluk,

en Jo maakte zich nooit ongerust, wanneer hij door een der jongens

op een boomtak gezet werd, weggaloppeerde op den rug van een ander,

of een zure renet te eten kreeg van zijn toegevenden papa, die in

den waan verkeerde, dat kleine kinderen alles kunnen verteeren, van

zuurkool af tot knoopen, spijkers en hun eigen schoentjes toe. Zij

wist dat kleine Teddy wel op zijn tijd weer boven water zou komen,

gezond en blozend, vuil en vroolijk, en zij ontving hem altijd met

een hartelijk welkom, want Jo had haar kinderen innig lief.

Om vier uur werd er een oogenblik pauze gehouden, de manden bleven

half gevuld, de appeldragers namen rust, en vergeleken elkaars scheuren

en schrammen. Daarna zetten Jo en Meta, geholpen door een paar van de

grootste jongens, het theegoed klaar op het gras,--want de theepartij

buiten was altijd de grootste pret op den dag. Het land vloeide bij

zulke gelegenheden letterlijk over van melk en honing, en de jongens

behoefden niet om de tafel te zitten, maar mochten af en aan loopen,

en eten en drinken als zij er lust in hadden, daar vrijheid toch de

meest geliefde spijs is voor een jongensziel. In den ruimsten zin

van het woord maakten ze gebruik van het zeldzame voorrecht, want

enkelen probeerden de grap om, op hun hoofd staande, melk te drinken,

anderen zetten het haasje-over dubbele bekoorlijkheid bij, door in de

pauze tulband te eten; koekjes werden mild over het gras gestrooid

en appelbollen mee in de boomen genomen, alsof de jongens eekhoorns

waren. De kleine meisjes hielden een afzonderlijk theepartijtje,

en Ted grabbelde naar welgevallen onder de eetbare waren.

Toen niemand meer iets in zijn maag kon bergen, stelde de professor

den eersten algemeenen toast in, die altijd bij zulke gelegenheden

gedronken werd: "Tante March; God zegene haar!" Een toast, van harte

gemeend door den goeden man, die nooit vergat, hoeveel hij aan haar

verschuldigd was, en rustig gedronken door de jongens, die geleerd

hadden haar nagedachtenis te eerbiedigen.

"Nu op Grootma's zestigsten verjaardag! Lang leve zij, en driemaal

drie hoera's!"

Dat ging meer van harte, zooals men denken kan; en toen de hoera's

eenmaal begonnen waren, bleek het moeilijk er een einde aan te

maken. Ieders gezondheid werd daarop gedronken, van den ouden heer

Laurence af, die als hun bizonderen beschermheer werd beschouwd,

tot aan het verbaasde marmotje toe, dat uit zijn eigen gebied was

komen aanwippen, om zijn jongen meester te zoeken. Demi bood toen, als

oudste kleinkind, de koningin van den dag verscheiden geschenken aan,

zoo talrijk, dat zij op een kruiwagen naar het feestterrein moesten

gebracht worden. Sommige van die presenten waren allergrappigst,

maar wat voor andere oogen van nul en geener waarde zou schijnen,

bleek kostbaar in die van Grootma,--want de cadeautjes der kinderen

waren hun eigen werk. De steken, waarmee Daisy's geduldige vingertjes

den zakdoek gezoomd hadden, waren haar meer waard dan het mooiste

borduursel; Demi's naaikistje was een wonder van handenarbeid,

hoewel het deksel niet sluiten wou; Rob's voetenbankje wiegelde wel

een beetje, omdat de pooten ongelijk waren, maar de jarige vond,

dat zoo'n kleinigheid er niets op aan kwam, en geen bladzijde van

het kostbare boek, dat Amy's kind haar aanbood was zoo schoon in haar

oogen, als de eerste, waarop in dronken hoofdletters te lezen stond:

"Aan de lieve Grootma van haar kleine Bets."

Onder deze plechtigheid waren de jongens op een geheimzinnige wijze

verdwenen; en toen mevrouw March haar kinderen had willen bedanken,

maar ontroerd middenin was blijven steken, waarom Teddy haar oogen

afdroogde met zijn morsboezelaar, hief de professor eensklaps een lied

aan. En toen sloot, boven zijn hoofd, de eene stem voor en de andere

na, zich bij hem aan, en van boom tot boom weergalmde de muziek van

het onzichtbaar koor; want de jongens zongen uit volle borst het lied,

dat door Jo gemaakt en door Laurie op muziek gezet was, en dat zij,

met behulp van den professor, ingestudeerd hadden, om het met het

grootst mogelijk effect te kunnen voordragen. Dat was iets geheel

nieuws, en slaagde bizonder, want mevrouw March kon maar niet van haar

verbazing bekomen, en wilde met ieder der vederlooze vogels handen

schudden, van den langen Emil en Franz af, tot den kleinen mulat toe,

die de welluidendste stem van allen had.

Toen dat afgeloopen was, verspreidden de jongens zich om nog wat

pret te maken, mevrouw March en haar dochters achterlatende om kalm

te genieten onder den feestboom.

"Ik vind dat ik mezelf nooit weer 'ongelukkige Jo,' mag noemen, nu

mijn grootste wensch zoo heerlijk vervuld is," zei mevrouw Bhaer,

en trok Teddy's vuistje uit de melkkan, waarin hij naar hartelust

scheen te karnen.

"En toch is je leven zoo heel anders, dan je je jaren geleden

voorstelde. Herinner je je onze luchtkasteelen nog?" vroeg Amy,

met een glimlach naar Laurie en John kijkende, die met de jongens

cricket speelden.

"Beste jongens! Het doet mijn hart goed te zien, hoe zij voor een

dag hun drukke bezigheden eens aan den kant zetten en onbezorgd pret

hebben," antwoordde Jo, die nu op moederlijken toon van het gansche

menschdom sprak. "Ja, ik herinner het mij; maar het leven, dat ik

toen voor mezelf begeerde, schijnt mij nu zelfzuchtig, eenzaam en

koud toe. Ik heb de hoop nog niet opgegeven om eenmaal een goed boek

te schrijven, maar ik kan wachten, en ik ben zeker, dat het nog beter

zal worden door ondervindingen en illustraties als deze;" en Jo wees

van de woelige jongens naar haar vader, die geleund op den arm van den

professor, in den zonneschijn heen en weer wandelde, geheel verdiept

in een van die gesprekken, waarvan beiden zoo genoten, en daarna op

haar moeder, als een koningin te midden van haar dochters gezeten,

met de kinderen aan haar voeten of op haar schoot, alsof allen hulp

en geluk vonden in het gelaat, dat voor die liefhebbende oogen nooit

oud kon worden.

"Mijn kasteel is nog het meest werkelijkheid geworden. Ik vroeg

wel om prachtige dingen, maar ik wist in mijn hart toch wel, dat

ik tevreden zou zijn met een aardig klein huisje, en John, en een

paar lieve kinderen. Ik heb dat alles gekregen, God zij gedankt,

en ik ben de gelukkigste vrouw ter wereld," zuchtte Meta, terwijl ze

haar hand op het hoofd van haar flinken zoon legde, met een gezicht,

waarop volmaakt geluk en teedere liefde te lezen stonden.

"Mijn kasteel is heel anders geworden dan ik gedacht had, maar ik

zou het voor niets willen ruilen, hoewel ik, evenmin als Jo, al mijn

kunstenaarshoop opgeef, of er mij alleen toe bepaal anderen te helpen

hun droomen te verwezenlijken. Ik ben begonnen aan een beeldje van

kleine Bets, en Laurie zegt, dat het 't beste is, wat ik nog ooit

gemaakt heb. Ik vind dat zelf ook, en ben van plan het in marmer te

laten uithouwen, zoodat ik, wat er ook gebeuren moge, ten minste het

afbeeldsel heb van mijn lieve schat."

Terwijl Amy sprak, viel er een groote traan op het goudlokkig hoofdje

van het slapende kind in haar armen; want haar eenig dochtertje bleef

een teer popje, en de angst, haar eens te kunnen verliezen, was de

eenige schaduw over Amy's zonneschijn. Deze zorg werkte veel goeds

uit voor vader en moeder beiden; die liefde en droefheid maakten hun

verbond nog inniger. Amy's gemoed werd teederder, dieper en zachter,

Laurie werd ernstiger, sterker en flinker; en beiden leerden, dat

schoonheid, jeugd, voorspoed en liefde, zelfs den meest gezegende

niet bewaren kunnen voor zorg, verlies en smart.

"Ze zal wel sterker worden, daar ben ik zeker van; laat den moed

niet zakken, maar hoop en wees gelukkig," zei mevrouw March, en de

teerhartige Daisy bukte, om haar eigen rooskleurig wangetje te drukken

tegen het bleeke gezichtje van haar nichtje.

"Dat mag ik ook niet, zoolang ik u heb om mij te bemoedigen,

Moederlief, en Laurie om meer dan de helft van elken last te dragen,"

antwoordde Amy met warmte. "Hij laat mij nooit merken, hoe bezorgd

hij zich maakt, maar is zoo lief en geduldig voor mij, zoo engelachtig

voor Bets, en altijd zoo'n steun en troost bij alles, dat ik hem niet

half genoeg kan liefhebben. En dus kan ik, ondanks mijn groote zorg,

met Meta zeggen: 'Ik ben, God zij gedankt, een gelukkige vrouw.'"

"Ik hoef het niet te zeggen, want iederen kan zien, dat ik veel

gelukkiger ben, dan ik verdien," voegde Jo er bij, en liet den blik

gaan over haar besten man en over de stevige kinderen, die naast

haar in het gras stoeiden. "Fritz wordt grijs en gezet, ik zoo

mager als een schim, en ik ben al over de dertig; wij zullen nooit

rijk worden, en Plumfield zal misschien wel eens in brand vliegen,

want die onverbeterlijke Tommy Bangs wil nu eenmaal sigaretten maken

van Spaansche kervel, en die onder de dekens rooken, hoewel hij zich

al driemaal deerlijk gebrand heeft. Maar ondanks die onromantische

dingen, heb ik mij over niets te beklagen, en ben ik nog nooit in

mijn leven zoo jolig geweest. Vergeef me die uitdrukking, maar nu ik

zoo onder jongens leef, kan ik niet helpen, dat ik soms hun woorden

wel eens overneem."

"Ja, Jo, ik denk, dat jouw oogst heel groot zal zijn," begon mevrouw

March, en verdreef een groote zwarte tor, die Teddy bang maakte.

"Niet half zoo groot als de uwe, Moeder. Hier is hij, om u heen, en

wij kunnen u nooit genoeg danken voor al het geduld, waarmee u gezaaid

en gemaaid hebt," riep Jo, met haar oude onstuimige hartelijkheid.

"Ik hoop, dat er jaarlijks meer tarwe en minder onkruid mag zijn,"

zei Amy zacht.

"Een groote schoof, maar ik weet, dat er plaats voor is in uw hart,

Moederlief," voegde Meta's warme stem er bij. Tot in het diepst

harer ziel geroerd kon mevrouw March niets anders doen dan de armen

uitstrekken, alsof zij kinderen en kleinkinderen tegelijk aan haar

hart wilde drukken, en met een gelaat en stem vol van moederliefde

en nederige dankbaarheid, zei zij: "o, Kinderen, hoe lang jullie ook

moogt leven, ik kan je nooit grooter geluk toewenschen, dan wat mij

nu ten deel valt!"

INHOUD.

HOOFDSTUK I. Een Praatje

HOOFDSTUK II. Het eerste Huwelijk

HOOFDSTUK III. Artistieke Proefnemingen

HOOFDSTUK IV. Letterkundige Ondervindingen

HOOFDSTUK V. Huiselijke Ondervindingen

HOOFDSTUK VI. Visites maken

HOOFDSTUK VII. Gevolgen

HOOFDSTUK VIII. Onze buitenlandsche Correspondente

HOOFDSTUK IX. Verborgen Leed

HOOFDSTUK X. Jo's Dagboek

HOOFDSTUK XI. Een Vriend

HOOFDSTUK XII. Harteleed

HOOFDSTUK XIII. Betsy's Geheim

HOOFDSTUK XIV. Nieuwe Indrukken

HOOFDSTUK XV. Op zij gezet

HOOFDSTUK XVI. Luie Laurence

HOOFDSTUK XVII. De Vallei der Schaduwen des Doods

HOOFDSTUK XVIII. Laurie zoekt te vergeten

HOOFDSTUK XIX. Alleen

HOOFDSTUK XX. Verrassingen

HOOFDSTUK XXI. Mijnheer en Mevrouw

HOOFDSTUK XXII. Daisy en Demi

HOOFDSTUK XXIII. Onder de Parapluie

HOOFDSTUK XXIV. De Oogst

AANTEEKENINGEN

[1] Uit Dickens' _David Copperfield_.

[2] _Scarabeeën_ (Keversteenen) zijn oude Egyptische, voor heilig

gehouden steenen, die op den bollen kant den vorm van een kever,

in hun holte een klein gedenkbeeld vertoonen. Vert.

Op Eigen Wieken · 第 25 / 26 段