vindt, en wij u en de jongens dikwijls kunnen zien--" riep Jo, zich
verschuilende achter de jongens, als een excuus voor de vreugde,
die zij niet goed kon verbergen.
"Ja, maar wij zullen elkander niet dikwijls zien, vrees ik; deze
plaats is in het Westen."
"Zóó ver weg!" en Jo liet haar japon aan haar lot over, alsof het er
nu niet meer op aan kwam, wat er van haar of haar kleeren werd.
Mijnheer Bhaer kon verscheiden talen lezen, maar hij had nog
niet geleerd een meisjesgezicht te ontraadselen. Hij vleide zich,
dat hij Jo tamelijk goed kende, en was daarom zeer verbaasd door
de tegenstrijdigheden van stem, uitdrukking en manieren, die zij
dien middag in snelle opvolging vertoonde,--want zij doorliep zes
verschillende stemmingen in den loop van een half uur. Toen zij
hem ontmoette keek zij verwonderd, hoewel hij toch niet kon nalaten
te vermoeden, dat zij met dat bepaalde doel daar gekomen was. Toen
hij haar zijn arm aanbood, nam zij dien aan, met een blik, die zijn
hart met vreugde vervulde; maar toen hij vroeg, of zij hem miste,
gaf zij zoo'n koel deftig antwoord, dat zijn blijdschap wel voor
wanhoop wijken moest. Toen zij van zijn aanstelling vernam, klapte
zij bijna in de handen; was die blijdschap alleen om de jongens? Toen
zij daarna de plaats van zijn bestemming hoorde, riep zij: "Zóó ver
weg!" met zooveel teleurstelling in haar stem, dat zijn hoop haar
toppunt bereikte, maar het volgend oogenblik deed zij die in duigen
vallen, door, alsof zij over niets anders dacht, te zeggen:
"Hier moet ik zijn; wilt u er even inkomen? 't Zal u niet lang
ophouden."
Jo was tamelijk trotsch op haar handigheid in het doen van
boodschappen, en wenschte nu een gunstigen indruk op haar geleider
te maken door de netheid en vlugheid, waarmee zij haar zaakjes
behandelde. Maar alles ging verkeerd, omdat zij geagiteerd was; zij
liet de doos met naalden omvallen, vergat dat het linnen gekeperd moest
zijn, en herinnerde zich die eisch eerst, toen het al afgesneden was,
gaf verkeerd geld terug, en bloosde ten laatste van ergernis, toen zij
aan de toonbank voor katoentjes naar bruin lint vroeg. De heer Bhaer
stond er bij en lette op haar blozen en stotteren; en toen hij dit zag,
scheen zijn eigen verlegenheid te wijken, want nu eerst begon hij in te
zien, dat bij sommige gelegenheden vrouwen niet altijd doen, wat men
zou verwachten, en dat men hun gedragingen dikwijls, evenals droomen
juist andersom moet uitleggen. Toen zij verder gingen, nam hij met een
vroolijker gezicht het pakje onder den arm, en stapte door de plassen,
alsof hij over 't geheel genomen de excursie nogal plezierig vond.
"Zouden wij ook niet het een of ander voor de kinderen koopen, en
van avond een afscheidsfeestje hebben, omdat ik nu voor het laatst in
uw zeer aangenaam thuis een bezoek breng?" stelde hij voor en bleef
stilstaan voor een winkel met bloemen en vruchten.
"Wat zullen wij koopen?" vroeg Jo, niet lettende op zijn laatste
woorden, en de verschillende geuren bij het binnentreden opsnuivende
met voorgewende verrukking.
"Mogen zij sinaasappelen en vijgen hebben?" vroeg mijnheer Bhaer
vaderlijk.
"Die eten zij, als zij ze maar krijgen kunnen."
"Houdt u van hazelnoten?"
"Als een eekhoorn."
"Duitsche druiven--ja, zulke zullen wij op het welzijn van mijn
vaderland kunnen eten."
Jo fronste de wenkbrauwen over zoo'n buitensporigheid, en vroeg,
waarom hij niet een pond gedroogde pruimen, een kistje rozijnen, en
een zakje amandelen nam; dat was meer dan genoeg; waarop mijnheer
Bhaer haar beurs in beslag nam, de zijne voor den dag haalde, en
tot besluit een paar pond druiven, een pot roode madeliefjes, en een
aardig fleschje honing kocht, het laatste tot een bizonder geschenk
voor Demi bestemmende. Toen vulde hij zijn zakken met de knobbelige
pakjes, verzocht Jo de bloemen te dragen, en stak de oude parapluie
weer op, om de reis te vervolgen.
"Juffrouw March, ik heb u een groote gunst te vragen," begon de
professor, nadat zij eenige stappen waren voortgegaan.
"Ja, mijnheer?" en Jo's hart bonsde zoo luid, dat zij bang was,
dat hij het zou hooren.
"Ik neem de vrijheid het u te vragen, niettegenstaande den regen,
omdat mij nog slechts zoo weinig tijd overblijft."
"Ja, mijnheer," en Jo vermorzelde het bloempotje bijna door de
plotselinge kracht, waarmee zij het aan haar hart drukte.
"Ik wilde een jurk voor mijn kleine Tina koopen, en ik ben te dom om
dat alleen te doen. Wilt u zoo vriendelijk zijn mij met raad en daad
te helpen?"
"Jawel, mijnheer," en Jo werd plotseling zoo koel en kalm, alsof zij
een stortbad gekregen had.
"Misschien zou ook een doek voor Tina's moeder wel goed zijn, zij is
zoo ziek en arm, en haar man is een groote zorg voor haar,--ja, ja,
een dikke, warme doek zou een goed geschenk zijn voor die brave vrouw."
"Ik wil u met genoegen helpen, mijnheer Bhaer." ("Daar ga ik, en met
de minuut moet ik meer van hem houden,") voegde zij er bij zichzelve
bij; toen vermande ze zich en pakte de zaak met hart en ziel aan.
Mijnheer Bhaer liet het geheel aan haar over; zij zocht dus een aardig
jurkje voor Tina uit, en vroeg toen naar omslagdoeken. De bediende,
die een getrouwd man was, begon belang te stellen in het paar, dat
klaarblijkelijk inkoopen voor de familie deed.
"Mevrouw zal dezen misschien verkiezen; 't is een mooie stof, een
nette kleur, eenvoudig en gedistingeerd," en met deze woorden ontvouwde
hij een warmen, grijzen doek, en wierp dien over Jo's schouders.
"Hoe bevalt deze u, mijnheer Bhaer?" vroeg zij, hem haar rug
toedraaiende, meer dan dankbaar voor deze gelegenheid om haar gezicht
te kunnen verbergen.
"Uitmuntend, wij zullen dien nemen," antwoordde de professor, bij
zich zelf glimlachende, toen hij er voor betaalde, en Jo ondertusschen
den boel op de toonbank doorsnuffelde, alsof haar geluk er van afhing
een koopje te doen.
"Zullen wij nu naar huis gaan?" vroeg hij, alsof die woorden een
aangenamen klank voor hem hadden.
"Ja, 't is laat, en ik ben heel moe." Jo's stem was hartroerend,
meer dan zij zelve wist, want nu scheen voor haar de zon weer
plotseling onder te gaan; de wereld werd weer modderig en eenzaam,
en nu eerst ontdekte zij, dat haar voeten nat waren, haar hoofd
pijn deed, en haar hart kouder dan de eerste en pijnlijker dan het
laatste was. Professor Bhaer ging weg; hij voelde slechts vriendschap
voor haar; zij had zich vergist, en hoe eerder alles nu voorbij was,
hoe beter. Met deze gedachte in het hoofd wenkte zij een naderenden
omnibus, met zoo'n haastige beweging, dat de madeliefjes uit den pot
vlogen en erg beschadigd werden.
"Dat is niet onze omniboes," zei de professor, liet den vollen wagen
doorrijden en bleef even staan om de bloemen op te rapen.
"O, neem me niet kwalijk; ik zag den wagen niet heel goed. Maar het
doet er niet toe, ik kan wel loopen, ik ben er aan gewend om door
de modder te baggeren," antwoordde Jo, sterk knipoogende, omdat zij
liever wilde sterven dan openlijk haar oogen afvegen.
Mijnheer Bhaer zag de tranen op haar wangen, ofschoon zij het gelaat
afwendde en dat gezicht scheen hem sterk te treffen, want zich
plotseling over haar heen buigende, vroeg hij op een toon waarin
alles lag opgesloten: "Liefste van mijn hart, waarom weent ge?"
Als Jo nu aan die soort van dingen gewend was geweest, zou zij
misschien gezegd hebben, dat zij niet schreide, maar verkouden in
het hoofd was, of een ander vrouwelijk leugentje, gepast voor de
gelegenheid, verzonnen hebben; maar in plaats daarvan antwoordde ze
"heel onbetamelijk", half snikkend: "Omdat u weggaat!"
"Omdat ik wegga? Ach Gott, dat is al te goed!" riep mijnheer Bhaer
in verrukking, en niettegenstaande de pakjes en zijn parapluie sloeg
hij zijn handen in elkaar. "Jo, ik heb u niets te geven dan heel veel
liefde; ik kwam zien, of dat je genoeg kon schelen, en ik wachtte,
om er zeker van te zijn, dat ik meer dan een vriend was. Is dat
zoo? Kunt gij in uw hart een klein plaatsje voor den ouden Fritz
inruimen?" voegde hij er in één adem bij.
"O ja!" antwoordde Jo, en hij was volkomen tevreden, want zij vouwde
haar handen om zijn arm, en keek naar hem op, met oogen, die duidelijk
zeiden, hoe gelukkig zij zijn zou, als zij dit leven met hem kon
doorwandelen, zelfs al had zij geen betere beschutting dan de oude
parapluie--wanneer hij die maar droeg.
Dit was zeker wel een huwelijksvoorstel onder moeilijke omstandigheden,
want al had hij 't gewild, mijnheer Bhaer had toch onmogelijk voor haar
kunnen neerknielen; de straat was er te modderig voor. Evenmin kon hij
Jo zijn hand aanbieden, behalve in overdrachtelijken zin, want hij
had beide handen vol; nog veel minder kon hij zijn hart lucht geven
in teedere liefkoozingen op de publieke straat, hoewel hij er na aan
toe was; dus bleef de eenige manier, waarop hij zijn blijdschap kon
toonen, haar aan te kijken met een zoo zonnigen blik, dat er werkelijk
kleine regenboogjes schenen te ontstaan in de droppels, die op zijn
baard vonkelden. Indien hij Jo niet zoo innig had liefgehad, geloof
ik niet, dat hij op dat oogenblik zijn hart aan haar zou hebben kunnen
verliezen, want zij was een alles behalve bevallige verschijning--haar
rokken in een betreurenswaardigen staat, haar overschoenen een en al
modder, en haar hoed druipnat. Gelukkig beschouwde mijnheer Bhaer
haar als de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, en vond zij
hem meer "Jupiterachtig" dan ooit, hoewel de rand van zijn hoed
heelemaal slap hing, door de kleine beekjes, die van daar op zijn
schouders afstroomden, (want hij hield de parapluie alleen boven
Jo) en iedere vinger van zijn handschoenen reparatie noodig had. De
voorbijgangers zagen hen waarschijnlijk voor een paar onschadelijke
krankzinnigen aan, want zij vergaten totaal een omnibus te wenken,
en wandelden langzaam voort, zonder op de invallende duisternis en
den mist te letten. Weinig bekommerden zij zich om de meening van
anderen; zij genoten het gelukkige uur, dat zelden meer dan eens in
een menschenleven voorkomt--het wondere oogenblik, dat den grijsaard
jeugd, den alledaagsche schoonheid, den arme rijkdom schenkt, en het
menschelijk hart een voorsmaak van den hemel geeft. De professor zag
er uit, of hij een koninkrijk had veroverd, en deze wereld hem niets
meer behoefde aan te bieden, terwijl Jo naast hem ging, met het gevoel,
alsof haar plaats daar altijd geweest was, en vol verbazing, dat zij
ooit naar iets anders verlangd had. Natuurlijk was zij de eerste, die
sprak--ik bedoel die verstandig sprak, want de aandoenlijke uitingen
die op haar onstuimig "o ja!" volgden, waren niet zeer samenhangend
of voor overbrenging vatbaar.
"Friedrich, waarom heb je me--"
"Ach! daar geeft zij mij den naam, dien niemand meer noemde sinds
Minna gestorven is!" riep de professor, en bleef midden in een plas
stilstaan om haar met dankbare verrukking aan te kijken.
"Ik noem je altijd zoo, als ik aan je denk--maar ik zal het niet meer
doen, of je moest het liever hebben?"
"Het liever hebben! Het klinkt mij lieflijker toe, dan ik kan
uitdrukken," riep mijnheer Bhaer, meer als een romantisch student
dan als een ernstig professor.
"Maar--waarom heb je mij dat alles niet vroeger gezegd?" vroeg Jo,
wel wat verlegen.
"Nu zal ik je mijn heele hart moeten openleggen, en dat wil ik zoo
gaarne, omdat gij er voortaan zorg voor moet dragen. Zie, mijn Jo--o,
die lieve, aardige korte naam!--ik had je iets willen vragen dien dag,
toen ik je in New-York vaarwel zeide; maar ik dacht, dat gij met den
knappen jongen vriend verloofd waart, en daarom sprak ik niet. Indien
ik toen had gesproken, zoudt gij dan 'ja' hebben gezegd?"
"Ik weet het niet; ik vrees van neen, want ik had toen nog geen hart."
"Prut! dat geloof ik niet. Het sliep, totdat de prins uit het sprookje
door het bosch kwam, en het wakker maakte. Ach ja, 'die erste Liebe
ist die beste', maar die mag ik niet verwachten."
"Ja, de eerste liefde is de beste; wees dus maar tevreden, want ik
heb nooit een andere gehad. Teddy was maar een jongen, en kwam gauw
zijn verliefdheid te boven," zei Jo haastig, om den professor uit
den droom te helpen.
"Goed! dan ben ik gerust en gelukkig, dat gij mij alles geven kunt. Ik
heb zoolang gewacht; nu ben ik zelfzuchtig geworden, zooals ge zult
ondervinden, Professorin!"
"Dat is best!" riep Jo, verrukt over haar nieuwen titel. "Vertel mij
nu eens, wat je eigenlijk hier bracht, juist toen ik je het meest
noodig had?"
"Dit"--en mijnheer Bhaer haalde een versleten stukje papier uit
zijn zak.
Jo vouwde het open, en keek meer dan beschaamd; want het was een van
haar eigen bijdragen aan een tijdschrift, dat poëzie opnam en waaraan
zij nu en dan een proeve zond.
"Hoe kon dat je hier brengen?" vroeg zij nieuwsgierig om te weten,
wat hij bedoelde.
"Ik vond het toevallig; ik herkende het aan de namen en de initialen,
en éen klein versje scheen mij te roepen. Lees het, en zoek het
gedeelte, dat ik bedoel; ik zal zorgen, dat je niet in de plassen
trapt."
Jo gehoorzaamde, en doorliep haastig de regels, die zij gedoopt had:
OP DEN ZOLDER.
Op den zolder staan vier kistjes,
Dik bestoven, half vergaan,
Die ze vulden zijn z' ontwassen,
Lieten lang reeds 't speelgoed staan.
Aan een lint vier kleine sleutels,
Lang geleên met blij gelach
Door de kindren opgehangen,
Op een sombren regendag.
Zie, een naam draagt ieder deksel,
Ingegrift voor zeven jaar,
Door den vriendelijken makker
Van de blijde kinderschaar,
Die zijn werk soms even staakte,
Om te luistren naar 't refrein
Van de zomerregendropplen
Tegen 't raam en op 't kozijn.
"Meta" staat op 't eerste deksel,
En daaronder, wel bewaard,
Ligt een gansche schat geborgen,
Door haar zachte hand vergaârd.
't Zijn de blijken, dat haar leven
Kalm en effen henenvloog.
Bruidsjapon, een kinderschoentje,
Vallen dad'lijk al in 't oog.
Aardigheden, kleine giften,
Prijzen in haar jeugd behaald--
Maar geen speelgoed is gebleven;
Dat werd alles weggehaald.
Jonge moeder! wiegeliedjes
Hoort gij, wed ik, in 't refrein
Van de zomerregendropplen
Tegen 't raam en op 't kozijn.
"Jo" op 't volgend vol met krassen,
En daarin een lorrenboel:
Poppen zonder hoofd, wat tollen,
Knikkers, prullen zonder doel.
Uit het land der droomerijen,
Dat de jeugd alleen betreedt,
Allerlei herinneringen
Zoo van vreugd, als zieleleed;
Halve verzen en verhalen,
Brieven, koel en warm en koud,
Kinderdagboek, wijze wenken
Van een vrouw, te vroeg reeds oud.
"Allen hebben u verlaten,"
Is voor haar het droef refrein
Van de zomerregendropplen
Tegen 't raam en op 't kozijn.
"Bets", die naam is niet bestoven,
Daarvoor zorgt een teedre hand.
Alles wat haar toebehoorde
Houden wij in waarde; want
Z' is niet langer in ons midden,
En toen God haar tot zich nam
Bergden wij hier al haar schatten
Tot een "in memoriam."
't Mutsje, 't laatst door haar gedragen,
En haar kleine zilveren schel,
Haar geliefkoosd schilderijtje,
En haar solitaire-spel.
En wij hooren liedren, psalmen,
Die zij zong in lichaamspijn,
In de zomerregendropplen
Als een liefelijk refrein.
't Laatste deksel doet aanschouwen
Hoe een ridder fier en stout,
Op zijn schild den naam van "Amy"
Voert in letters, blauw en goud.
En in 't kistje, net geborgen:
Blauwe schoentjes van satijn,
Diadeemen, droge bloemen,
Waaiers, broches, groot en klein.
Allerlei gedachtenisjes.
Philippines, teêr van aard,
Vogeltjes van klei, een kransje
Heel zorgvuldig hier bewaard.
Klokken, die haar bruiloft melden
Hoort zij, denk ik, in 't refrein
Van de zomerregendropplen
Tegen 't raam en op 't kozijn.
Op den zolder staan vier kistjes,
Dik bestoven, half vergaan.
Van het viertal dat ze vulde
Kwam er éen reeds boven aan.
Slechts voor kort zijn wij gescheiden,
Weldra komt de blijde tijd,
Die ons allen dáar vereenigt,
Waar geen dood zelfs ons meer scheidt.
Mochten wij die achterbleven,
Leven tot des Vaders eer;
Moedig strijden, biddend waken,
Heilig worden, meer en meer.
Dan, dan zullen w' eens te zamen
Juichen en gelukkig zijn--
Waar geen storm- of regenvlagen
Zijn, maar eeuw'ge zonneschijn.
J. M.
"Als gedichtje heeft het niet veel waarde, maar het kwam uit mijn
hart, en ik schreef het, toen ik mij eens bitter eenzaam gevoeld,
en uitgehuild had op de prullemand. Ik dacht niet, dat het mij nog
eens zou verklappen," zei Jo, terwijl zij het versje verscheurde,
dat de professor zoo zorgvuldig bewaard had.
"Laat het gaan, het heeft zijn plicht gedaan, en ik zal een nieuw
krijgen, wanneer ik het bruine boekje mag lezen, waarin zij al haar
geheimen bewaart," dreigde mijnheer Bhaer glimlachend, en voegde
er ernstig bij, toen hij de stukken door den wind zag verstrooien:
"Ja, ik las dat, en ik dacht bij mijzelf: zij heeft droefheid, zij
is eenzaam, zij zal troost vinden in ware liefde. Ik heb een heel
hart vol voor haar; zal ik niet tot haar gaan en zeggen: 'Indien dit
niet te gering is om in ruil te geven voor alles wat ik van u hoop
te ontvangen, neem het, onder Gods zegen.'"
"En toen heb je gezien, dat het niet te gering was, maar juist het
eene kostbare, dat ik noodig had," antwoordde Jo zacht.
"De moed ontbrak mij om dat in het begin te denken, hoewel uw ontvangst
zoo zeldzaam vriendelijk was. Maar spoedig begon ik te hopen, en
toen dacht ik: ik wil haar hebben, al moest ik er ook voor sterven,
en dat wil ik ook!" riep de professor op uitdagenden toon, alsof
de koude nevelen, die hen omgaven, even zooveel hinderpalen waren,
die hij beklimmen of omverwerpen moest.
Jo vond dat prachtig, en besloot zich haar ridder waardig te maken,
al kwam hij dan ook niet in volle staatsie, te paard gezeten, uitgedost
in een schitterende wapenrusting.
"Waarom bleef je zoo lang weg?" vroeg zij na een oogenblik van
stilzwijgen; want zij moest weer spreken--'t was zoo plezierig
vertrouwelijke vragen te doen en zulke heerlijke antwoorden te
ontvangen.
"Het was niet gemakkelijk; maar ik kon het niet over mij verkrijgen je
uit je gelukkig thuis weg te halen, voordat ik het vooruitzicht had je
een ander te kunnen geven; misschien eerst na verloop van tijd en na
hard werken. Hoe kon ik je vragen, zóóveel op te geven voor een arm,
oud man, die geen ander vermogen bezit dan zijn kennis?"
"Ik ben blij, dat je arm bent; ik zou geen rijken man willen
hebben!" riep Jo op stelligen toon, en voegde er met zachter stem bij:
"Wees maar niet bang voor armoede; ik ben het lang genoeg geweest,
om mijn vrees te overwinnen, en mijn geluk te vinden in het werken
voor hen, die ik liefheb. En je mag jezelf ook niet oud noemen--ik
zou niet kunnen laten je lief te hebben, al was je zeventig."
Deze woorden ontroerden den professor zoo, dat hij graag zijn zakdoek
zou gebruikt hebben, als hij dien maar had kunnen uithalen; daar dit
een absolute onmogelijkheid was, veegde Jo zijn oogen voor hem af,
en zei lachend, terwijl zij hem van een paar pakjes ontlastte:
"Ik mag dan energiek zijn, maar niemand kan zeggen, dat ik nu buiten
mijn sfeer treed,--want de bijzondere roeping der vrouw wordt immers
verondersteld te bestaan in het drogen van tranen, en het dragen
van lasten. Ik moet mijn deel dragen, Friedrich, en ons huis mee
helpen verdienen. Tracht je daaraan te onderwerpen, of ik ga geen
stap verder," voegde zij er vastbesloten bij, toen hij de pakjes
terugeischte.
"Nu, wij zullen zien. Hebt gij geduld om een langen tijd te wachten,
Jo? Ik moet weggaan en mijn werk alleen doen; ik moet mijn jongens
eerst helpen; want zelfs om uwentwil mag ik mijn belofte aan Minna
niet breken. Kunt gij dat vergeven en gelukkig zijn, terwijl wij
wachten en hopen?"
"Ja, ik weet, dat ik het kan; want wij hebben elkander lief, en dat
maakt al het overige gemakkelijk te dragen. Ik heb ook mijn plichten en
mijn werk. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn, als ik alles verzuimde,
zelfs voor jou,--dus behoeft er geen sprake te wezen van haast of
ongeduld. Jij hebt je aangewezen werk--ik moet het mijne hier doen,
en tezamen moeten wij geduldig zijn, het beste hopen, en de toekomst
nemen, zooals God die ons geeft."
"O, gij spreekt mij hoop en moed in, en ik kan je niets teruggeven
dan een vol hart en deze leege handen," riep de professor, geheel
overstuur.
Jo zou nooit kunnen leeren zich betamelijk te gedragen; want toen
hij dat zei, vlak voor de huisdeur, legde zij haar handen beide in de
zijne, en fluisterde teeder: "Nu niet meer leeg;" en op dat gewichtig
oogenblik kuste zij haar Friedrich onder de parapluie. Het was
hóógst onwelvoegelijk, maar al waren de natte musschen op de tuinheg,
menschelijke wezens geweest, dan zou zij het toch gedaan hebben,--want
zij was onverschillig voor alles, behalve voor haar geluk.
Ofschoon alles zoo heel eenvoudig toeging, was het volgend oogenblik
toch het glanspunt van hun leven; toen Jo de deur achter zich en haar
geliefde sloot en ze kou, storm en duisternis daar buiten, voor licht,
warmte en rust daarbinnen verwisselden, en beiden werden opgewacht
met een hartelijk: "Welkom thuis!"
HOOFDSTUK XXIV.
DE OOGST.
Een jaar ging voorbij, gedurende welken tijd Jo en haar professor
werkten en wachtten, hoopten en elkander liefhadden, elkaar een
enkele maal zagen, en zulke lange brieven schreven, dat, volgens
Laurie, de stijging in den prijs van het papier daaruit verklaard kon
worden. Het tweede jaar begon vrij somber, want hun vooruitzichten
werden niet schitterender, en tante March stierf plotseling. Toen de
eerste droefheid echter voorbij was--want zij hadden de oude tante
toch liefgehad, niettegenstaande haar scherpe tong--ontdekten zij,
dat zij reden tot blijdschap hadden; zij had n.l. Plumfield aan Jo
vermaakt, en hierdoor werden verschillende heerlijke dingen mogelijk.
"'t Is een mooie plaats, die een goede som zal opbrengen, want je
bent toch zeker van plan alles te verkoopen?" vroeg Laurie, toen zij
eenige dagen later de zaak bespraken.
"Neen, zeker niet," antwoordde Jo beslist, terwijl ze zachtjes den
ouden poedel streelde, dien ze had aangenomen, uit piëteit voor zijn
overleden meesteres.
"Je bent toch niet van plan daar te gaan wonen?"
"Zeker ben ik dat van plan."
"Maar, beste meid, 't is een onmetelijk groot huis, en je zult een
schat van geld moeten hebben, om het in orde te houden. Alleen voor
den tuin en den boomgaard heb je twee of drie mannen noodig, en ik
voor mij zie in Bhaer geen oeconoom."
"Als ik het hem voorsla, zal hij zich wel op dat vak willen toeleggen."
"En denk je te zullen kunnen leven van de opbrengst van de plaats? Op
mijn woord, het klinkt paradijsachtig, maar je zult het ontzettend
zwaar werk vinden."
"De oogst, dien wij zullen binnenhalen, zal heel voordeelig blijken
te zijn," lachte Jo.
"En waaruit zal die heerlijke oogst bestaan, mevrouw?"
"Uit jongens! Ik wil een school openen voor kleine jongens--een
goede, prettige, huiselijke school--ik zal ze verzorgen, en Fritz
moet ze leeren."
"Nou, dát is een echt plan à la Jo! Is dat niet net iets voor
haar?" riep Laurie uit, en keerde zich tot de familie, die even
verbaasd keek als hij.
"Ik vind het een aardig plan," zei mevrouw March terstond.
"Ik ook," voegde haar man er bij, die dit een kostelijke gelegenheid
achtte, om de socratische opvoedkunde op hedendaagsche jongens in
toepassing te brengen.
"Het zal een ontzettend groote zorg voor Jo zijn," vreesde Meta,
en streelde het hoofdje van haar eenigen, zooveel tijd in beslag
nemenden, kleinen jongen.
"Jo kan het doen, en zal er gelukkig door wezen. 't Is een prachtig
plan, vertel er ons eens alles van," verzocht de oude heer Laurence,
die reeds lang verlangd had het paar te helpen, maar wel wist, dat
zij toch alle hulp zouden weigeren.
"Ik wist wel, dat u mij zoudt bijvallen, mijnheer. Amy vindt het
ook goed, ik lees het in haar oogen, ofschoon zij heel voorzichtig
wacht met haar oordeel uit te spreken, tot zij er eens goed over
heeft nagedacht."