Ik vind niet, dat ik mijn plicht heb gedaan als nederig

geschiedschrijfster van de familie March, als ik niet ten minste

één hoofdstuk gewijd heb aan de twee kostbaarste en belangrijkste

leden. Daisy en Demi hadden nu de jaren des onderscheids bereikt,

want in dezen vluggen tijd staan kinderen van drie of vier jaar reeds

op hun recht, en handhaven het ook, hetgeen meer is, dan menig ouder

mensen kan.

Indien ooit een tweelingpaar gevaar liep van bedorven te worden,

waren het wel deze twee babbelende Brookesjes. Natuurlijk waren zij de

merkwaardigste kinderen, die ooit geboren werden; hetgeen wel daaruit

blijkt, dat zij liepen, toen zij acht maanden oud waren, vloeiend

spraken, toen zij hun eerste jaar voltooid hadden, en op tweejarigen

leeftijd hun plaats aan tafel innamen, en zich zoo ordentelijk

gedroegen, dat allen, die het zagen, er verbaasd over stonden.

Daisy vroeg toen zij drie jaar oud was reeds om een "naaiertje" en

maakte met vier steken een zakje; ook begon zij een huishouding in 't

buffet, en sprong zoo behendig om met een microscopisch kookkacheltje,

dat Hanna's oogen zich vulden met tranen van trots en vreugde, terwijl

Demi zijn letters leerde bij zijn grootvader, die een nieuwe methode

had uitgevonden, om hem het alphabet te onderwijzen, en wel door de

letters te vormen met zijn armen en beenen,--een vereeniging dus

van hoofd- en lichaamsgymnastiek. De jongen ontwikkelde vroeg een

werktuigkundig genie, dat zijn vader verrukte, en zijn moeder veel

zorg veroorzaakte, want hij trachtte elke machine, die hij zag, na

te bootsen, en hield de kinderkamer in een chaotische verwarring met

zijn "naaimasine," een geheimzinnig samenstel van touwen, stoelen,

spelden en klosjes, die de wieltjes moesten voorstellen. Een anderen

keer hing hij een mand over den rug van een leuningstoel, waarin hij

tevergeefs zijn al te goedhartig zusje trachtte op te hijschen, dat

zich met vrouwelijke devotie op haar hoofdje liet stompen, totdat zij

door haar moeder bevrijd werd, waarop de jonge uitvinder verontwaardigd

riep: "Maar Moes, dat is mijn takel, en ik hijsch haar op."

Hoewel de tweelingen zeer van karakter verschilden, konden zij

toch uitmuntend met elkander overweg, en kibbelden zelden meer dan

driemaal per dag. Natuurlijk speelde Demi den baas over Daisy en

verdedigde haar ridderlijk tegen elken anderen aanrander, terwijl

Daisy zich de rol van galeislaaf getroostte en haar broertje aanbad,

als het eenig volmaakte schepsel ter wereld. Een rooskleurig, mollig,

blijhartig zieltje was Daisy, die den weg vond tot ieders hart, en zich

daar een plaatsje wist te veroveren. Een van die innemende kinderen,

die gemaakt schijnen, om gekust en geknuffeld, als kleine afgodjes

vereerd, en bij alle feestelijke gelegenheden tot ieders bewondering

vertoond te worden. Haar kleine deugden waren zoo allerliefst, dat

zij heusch engelachtig zou zijn geweest, zoo zij niet door een paar

stoute trekjes nu en dan getoond had een echt natuurlijk menschenkind

te zijn. In haar wereld was het altijd mooi weer, en elken morgen

huppelde zij in haar nachtjaponnetje naar het raam om naar buiten te

zien, en riep dan onveranderlijk, of het regende of de zon scheen:

"Hoed! na buiten! na buiten!" Ieder, dien zij zag, beschouwde zij als

vriend, en zij bood vreemden zoo vertrouwend een kusje, dat de meest

hardnekkige oude vrijer verteederd werd, en kindervrienden volslagen

kinderaanbidders werden.

"Itte hou van ajjemaai," zei zij eens, en stak de armpjes uit, met

haar lepel in de eene en haar kroesje in de andere hand, alsof zij

de gansche wereld wilde omarmen en aan haar hartje drukken.

Toen zij grooter werd, gevoelde haar moeder, dat de "Duiventil"

bizonder gezegend was in het bezit van een kleine bewoonster, even

opgeruimd en liefhebbend als die, welke zooveel zonneschijn in het

ouderlijk huis had verspreid, en haar vurig gebed was, dat haar een

verlies mocht bespaard worden als dat, hetwelk hen onlangs had leeren

inzien, dat zij onwetend een engel geherbergd hadden. Haar grootvader

noemde haar meermalen "Bets" en haar grootmoeder waakte over haar

met een onvermoeide zorg, alsof zij eenig vroeger verzuim had goed

te maken, dat geen ander oog dan het hare kon ontdekken.

Demi was als een echt Yankee van onderzoekenden aard; hij verlangde

alles te weten, en werd dikwijls boos, omdat hij niet altijd een

voldoend antwoord kon krijgen op zijn aanhoudend: "Waarom?"

Ook bleek hij min of meer philosophisch "aangelegd", tot groote vreugd

van zijn grootvader, die socratische gesprekken met hem hield, waarbij

het wijze ventje van tijd tot tijd vragen deed, die de vrouwelijke

familieleden in de uiterste verbazing brachten.

"Wat maakt mijn beenen aan het loopen, Opa?" vroeg de jonge wijsgeer,

en bekeek op zekeren avond na een laatste stoeipartij met een peinzend

gezicht die beweeglijke lichaamsdeelen.

"Je kleine wilsvermogen, Demi," antwoordde de wijze, oude heer,

het blonde kopje liefkoozend.

"Wat is klein wilsvermogen?"

"Dat is iets, dat je lichaam in beweging brengt, evenals de veer de

radertjes in mijn horloge doet loopen, zooals ik je laatst gewezen

heb."

"Doe me eens open; ik wou me eens zien opwinden."

"Dat kan ik niet, evenmin als jij het horloge kon openmaken. God

windt je op, en je blijft in beweging, totdat hij je doet stilstaan."

"Wat aardig!" en Demi's bruine oogen werden grooter en helderder bij

die nieuwe gedachte: "Word ik opgewonden, net als je horloge."

"Ja, maar ik kan je niet wijzen hoe; want dat is gebeurd, zonder dat

iemand het kon zien."

Demi betastte zijn rug, alsof hij verwachtte, dat die op een

horlogekast zou gelijken, en zei toen ernstig: "Ik denk dat God het

doet, als ik slaap."

Hierop volgde een uiteenzetting, waar hij zoo aandachtig naar

luisterde, dat zijn bezorgde grootmoeder waarschuwde:

"Zeg eens man, vind je het wel verstandig over zulke dingen te

spreken met zoo'n klein kind? Hij krijgt rimpels boven zijn oogen,

en gaat de meest onmogelijke vragen doen."

"Als hij oud genoeg is om de vragen te doen, is hij ook oud genoeg om

er goede antwoorden op te krijgen. Ik breng hem de gedachten niet in

het hoofd, maar tracht de denkbeelden die er in zijn, voor hem op te

klaren. Die kinderen zijn wijzer dan wij, en ik twijfel er niet aan,

of de jongen begrijpt ieder woord, dat ik hem gezegd heb. Zeg mij eens,

Demi, waar zit je wilsvermogen?"

Had de jongen evenals Alcibiades geantwoord: "Bij de goden, Socrates,

ik kan het u niet zeggen," dan zou zijn grootvader niet verwonderd zijn

geweest; maar toen hij, na een oogenblik op éen been gestaan te hebben

als een peinzende jonge ooievaar, op een toon van vaste overtuiging

antwoordde: "In mijn buikje," kon de oude heer niet anders doen dan

hartelijk met Grootmama lachen, en een eind maken aan het onderwijs

in de metaphysica.

Er zou reden geweest zijn voor moederlijke bezorgdheid, zoo Demi

niet overtuigende bewijzen had gegeven van zijn echten jongensaard,

zoowel als van een philosophischen geest; want het gebeurde wel eens

na een gesprek, (hetgeen Hanna met een bedenkelijk hoofdschudden deed

profeteeren: "Dat kind is niet lang voor deze aarde,") dat hij een

wilde bui kreeg, en haar vrees tot rust bracht, door een paar van

die guitenstreken, waarmee lieve, vuile, ondeugende, kleine bengels

het hart hunner ouders vervroolijken.

Meta hield er een opvoedingsstelsel op na en trachtte er zich

aan te houden; maar welke moeder was ooit bestand tegen de lieve

glimlachjes, de schrandere uitvluchten, of de kalme brutaliteit van

miniatuur-mannetjes en -vrouwtjes, die zoo vroeg reeds toonen, dat zij

slimme rotjes zijn? "Geen rozijnen meer, Demi, je zoudt er ziek van

worden," zei Mama tot het kereltje, dat met onverdroten ijver zijn

diensten in de keuken aanbood, telkens wanneer er een plumpudding

gemaakt moest worden.

"Ik ben wel graag ziek."

"Ja, maar ik ben er niets op gesteld; ga dus maar in den tuin, en

help Daisy zandtaartjes maken."

Hij vertrok met tegenzin, maar zijn grieven bleven hem kwellen, en

toen er na een poosje gelegenheid was om ze te verhelpen, was hij

Mama te slim af door een wel overlegd plan.

"Ziezoo, nu zijn jullie zoete kinderen geweest, en zal ik met je

spelen, wat je maar wilt," zei Meta, haar kleine helpers mee naar

boven troonend, toen de pudding veilig in den ketel danste.

"Heusch, Moes?" vroeg Demi met een heerlijke, invallende gedachte.

"Ja, heusch, wat je maar wilt," antwoordde de kortzichtige moeder,

terwijl zij zich gereed maakte "Drie jonge Eendjes" een keer of zes

te zingen, of met het tweetal koekjes te gaan koopen, ondanks den

harden wind. Maar Demi dreef haar in 't nauw door het kalme antwoord:

"Dan zullen wij nu al de rozijnen gaan opeten."

Tante Dodo was de geliefkoosde speelkameraad en vertrouwde der twee

kinderen, en het drietal keerde het kleine huisje dikwijls onderste

boven.

Tante Amy was nog slechts een naam voor hen; van tante Betsy behielden

zij een vriendelijke herinnering, maar tante Dodo was de levende

werkelijkheid, en haar toonden ze een zeldzame aanhankelijkheid,--voor

welke eer zij hun hoogst dankbaar was.

Maar wanneer mijnheer Bhaer een bezoek bracht, verwaarloosde Jo haar

speelmakkertjes, zoodat droefheid en teleurstelling hun kleine harten

dan vervulden. Daisy, die het liefst speelde, dat zij zoentjes aan het

gezelschap verkocht, verloor nu hare beste klant, en sloeg bankroet;

Demi ontdekte weldra met kinderlijke scherpzinnigheid, dat Dodo veel

liever "speelde" met den "beereman" dan met hem; maar hoe gegriefd ook,

verborg hij zijn smart, want hij kon het niet over zich verkrijgen een

mededinger te beleedigen, die zoo'n grooten voorraad chocola in zijn

jaszak verborgen hield, en ook een horloge bezat, dat uit de buitenste

kast genomen en door vurige bewonderaars vrij geschud mocht worden.

Sommige menschen zouden deze heerlijke privilegiën als omkooping

beschouwd hebben, maar Demi zag het niet in dat licht, en bleef met

peinzende vriendelijkheid in de nabijheid van den "beereman", terwijl

Daisy reeds bij zijn derde bezoek haar klein hartje voor hem opende,

zijn schouder als haar troon, zijn arm als haar toevlucht, en zijn

geschenken als schatten van onberekenbare waarde beschouwde.

Somtijds worden heeren wel eens vervuld met een plotselinge bewondering

voor de jeugdige familieleden van dames, die zij met hun opmerkzaamheid

vereeren; maar die voorgewende vriendschap gaat hun niet natuurlijk af,

en brengt niemand op het dwaalspoor. Mijnheer Bhaer's hartelijkheid

evenwel was oprecht zoowel als doeltreffend,--want eerlijkheid duurt

het langst, zoowel in liefdes- als in rechtszaken. Hij was een van

die menschen, die zich dadelijk thuis gevoelen met kinderen, en zag

er op zijn best uit, wanneer de kleine gezichtjes een aardig contrast

vormden met zijn mannelijke trekken. Zijn bezigheden, welke die ook

zijn mochten, hielden hem overdag vast, maar zelden ging de avond

voorbij zonder dat hij aankwam,--en dan vroeg hij altijd naar mijnheer

March; dus geloof ik wel, dat de oude heer de aantrekkingskracht

moest wezen. Die voortreffelijke vader verbeeldde zich tenminste, dat

hij het was, en genoot van lange discussies met den verwanten geest,

totdat een toevallig gezegde van zijn scherper opmerkenden kleinzoon

hem plotseling beter inlichtte.

Op zekeren avond bleef mijnheer Bhaer verbaasd staan op den drempel

van de huiskamer, door het onverwachte schouwspel, dat zich aan

zijn oog vertoonde. Op den grond uitgestrekt, stak mijnheer March de

eerbiedwaardige beenen in de lucht, en naast hem, eveneens op zijn

rugje, lag Demi, dezelfde houding nabootsende, met zijn dikke, stevige

kuiten, beide zoo ernstig verdiept, dat zij niets van hun toeschouwers

bemerkten, totdat mijnheer Bhaer zijn welluidenden lach deed hooren,

en Jo met een beschaamd gezicht uitriep: "Vader, Vader, hier is de

professor!" De zwarte beenen gingen naar omlaag, en het grijze hoofd

kwam boven, terwijl de onderwijzer met onverstoorbare waardigheid zei:

"Goeien avond, mijnheer Bhaer. Excuseer mij voor een oogenblik; wij

eindigen juist onze les. Nu, Demi, maak de letter, en noem hem eens."

"Ik weet het!" en na eenige stuipachtige pogingen, namen de bruine

beenen den vorm van een passer aan, en riep de schrandere leerling

op zegevierenden toon: "'t is een V, Opa, 't is een V!"

"Hij is een geboren Weller [14]," lachte Jo, terwijl haar vader

overeind kwam, en haar neefje op zijn hoofd trachtte te gaan staan,

als de eenige wijze, waarop hij zijn blijdschap kon uitdrukken,

dat de les was afgeloopen.

"Wat hebt gij vandaag gedaan, Bübchen?" vroeg mijnheer Bhaer, terwijl

hij den buitelaar van den grond opnam.

"Ikke ben na Marietje geweest."

"En wat deed jij daar?"

"Ik heb haar een zoentje gegeeft," vertelde Demi, met ongekunstelde

openhartigheid.

"Prut! jij vangt daarmede vroeg aan. Wat zeide het kleine Marietje

daarvan?" informeerde mijnheer Bhaer, voortgaande den jeugdigen zondaar

ter verantwoording te roepen, terwijl deze op zijn knie stond en zijn

binnenzak doorzocht.

"O, zij vond het best, en zoende mij ook, en ik vond het ook

prettig. Kleine jongens houden wel veel van kleine meisjes!" betuigde

Demi, met een vollen mond en een gezicht, dat de grootste voldoening

teekende.

"O, jou wijs aapje, wie heeft dat in je hoofd gebracht?" riep Jo,

die over deze kinderlijke mededeeling even hartelijk lachte als

de professor.

"'t Is niet in mijn hoofd, 't is in mijn mond," antwoordde Demi,

en stak zijn tong uit, waarop een chocolaadje lag,--in de meening,

dat zij lekkernijen in plaats van gedachten bedoelde.

"Jij moet iets voor jouw vriendinnetje bewaren; zoetigheid is voor

meisjes, kereltje," en mijnheer Bhaer presenteerde Jo ook een paar

flikken met een blik, die haar deed bepeinzen, of chocolade niet de

nektar was geweest, dien de goden dronken. Demi zag dien vriendelijken

blik ook, werd er blijkbaar door getroffen, en vroeg onschuldig:

"Houden gróóte jongens ook van gróóte meisjes, 'fessor?"

Evenmin als de jonge Washington, kon mijnheer Bhaer een onwaarheid

zeggen; daarom gaf hij het eenigszins vage antwoord, dat hij wel

geloofde, dat zij het somtijds deden; op een toon, die mijnheer March

den kleerborstel deed wegleggen, hem naar Jo's afgewend gezicht deed

kijken, en toen in zijn stoel neervallen; zoodat het er veel van had,

alsof "het wijze aapje" in "Opa's" hoofd een gedachte had doen opkomen,

die zoowel zoet als zuur was.

Waarom Dodo, toen zij hem een half uur later in de provisiekast

vond, hem bijna dooddrukte in een teedere omhelzing, in plaats van te

knorren over die ongehoorzaamheid, en waarom zij deze nieuwe wijze van

behandeling voortzette door de onverwachte gift van een beschuit met

bessengelei, was een van de raadsels, waarover Demi's klein verstand

bleef suffen, doch dat hij onopgelost moest laten.

HOOFDSTUK XXIII.

ONDER DE PARAPLUIE.

Terwijl Laurie en Amy echtelijke wandelingen deden over fluweelige

tapijten, hun huis in orde brachten, en een heerlijke toekomst

bespraken, genoten mijnheer Bhaer en Jo wandelingen van een anderen

aard, langs modderige wegen en doorweekte velden.

"Ik doe altijd een loopje na het eten, en ik weet niet, waarom

ik daarmee zou ophouden, alleen omdat ik zoo dikwijls toevallig

den professor tegenkom," zei Jo bij zichzelven, na twee of drie

ontmoetingen; want ofschoon zij langs twee verschillende wegen naar

Meta kon gaan, was zij toch zeker hem, welken weg zij ook nam, in

het gaan of in het terugkomen, te zullen ontmoeten. Hij liep altijd

bizonder hard en scheen haar nooit te zien, voordat zij vlak bij was,

waarna hij zich hield, alsof zijn kortzichtige oogen de naderende dame

eerst op het laatste oogenblik herkend hadden. Wanneer zij dan naar

Meta ging, had hij altijd iets voor de kinderen bij zich; was ze op den

terugweg, dan had hij maar even een wandeling langs de rivier gedaan,

en was hij juist op het punt om te keeren, en even bij hen te rusten,

wanneer zijn vele visites hen tenminste niet verveelden.

Wat kon Jo onder die omstandigheden anders doen, dan hem beleefd

begroeten en verzoeken binnen te komen. Indien zijn bezoeken haar

verveelden, wist zij haar ongeduld met volmaakten tact te verbergen;

ook droeg ze altijd zorg dat er koffie was, "want Friedrich--ik wil

zeggen mijnheer Bhaer--houdt niet van thee."

Aan het einde der tweede week wist iedereen heel goed, wat er aan de

hand was; toch hield iedereen zich alsof hij stekeblind was voor de

veranderingen op Jo's gezicht--niemand vroeg waarom zij onder haar

werk zong, driemaal daags haar haar opmaakte, en zoo blozend van

haar avondwandeling terugkeerde; en het scheen in niemands ziel op

te komen, dat mijnheer Bhaer, terwijl hij philosophische gesprekken

met den vader hield, aan de dochter een lesje in de liefde gaf.

Jo kon haar hart zelfs niet met het noodige decorum verliezen, maar

trachtte toch ernstig haar gevoelens te onderdrukken; en toen haar dat

mislukte, leidde zij een erg onrustig leven. Zij was doodelijk bang

uitgelachen te zullen worden over haar overgave, na haar herhaalde en

heftige betuigingen van onafhankelijkheid. Voor Laurie zat zij het

meest in angst, maar dank zij "mevrouw Laurence" gedroeg hij zich

met lofwaardige ingetogenheid, noemde nooit in gezelschap mijnheer

Bhaer "een leuke baas", zinspeelde nooit in de verste verte op Jo's

bloeiend voorkomen, of toonde de geringste verwondering, wanneer

hij bijna elken avond den hoed van den professor aan den kapstok

van de familie March zag hangen. Maar inwendig juichte hij er over,

en verlangde hij naar het oogenblik, dat hij Jo een zeker zilveren

tafelornament zou kunnen geven, waarop, zeer toepasselijk, een beer

met een knoestigen stok gegraveerd was.

Gedurende veertien dagen kwam en ging de professor met de

regelmatigheid van een minnaar; toen bleef hij drie geheele dagen

weg en liet niets van zich hooren--een wijze van handelen, die

iedereen ernstig deed kijken en Jo eerst peinzend, en toen--bizonder

onromantisch--erg knorrig maakte.

"Hij heeft er genoeg van, wil ik wedden, en is naar huis gegaan, even

plotseling als hij gekomen is. Het kan mij natuurlijk niet schelen;

maar ik had toch gedacht, dat hij wel zoo beleefd zou zijn geweest om

behoorlijk afscheid te nemen!" zei zij, met een wanhopigen blik naar

buiten, terwijl zij op zekeren somberen namiddag zich aankleedde voor

de gewone wandeling.

"Je moest liever een parapluie meenemen, lieve kind; het ziet er uit,

alsof het zal gaan regenen," zei haar moeder, die zag dat zij haar

nieuwen hoed opzette, maar er wijselijk geen aanmerking op maakte.

"Ja, Moeder; hebt u iets uit de stad noodig? Ik moet papier gaan

koopen," antwoordde Jo, haar hoed voor den spiegel vaststekende,

als een excuus om haar moeder niet aan te kijken.

"Ja, ik moet linnen keper hebben, een pakje naalden van nommer negen,

en twee el smal bruin lint. Heb je je dikke laarzen aangedaan en iets

warms onder je mantel?"

"Ik geloof het wel," antwoordde Jo afgetrokken.

"Wanneer je soms toevallig mijnheer Bhaer tegenkomt, brengt hem dan

mee op de thee; ik verlang bepaald den goeden man eens weer te zien,"

voegde mevrouw March er bij.

Jo hoorde dat laatste heel goed, maar gaf geen antwoord, behalve

dat zij haar moeder kuste, en haastig heenging, terwijl zij,

niettegenstaande de pijn in haar hart, met een warm gevoel van

dankbaarheid dacht: "Wat is Moeder toch lief voor me! Och, wat beginnen

meisjes toch, die geen moeder hebben om hen in verdrietelijkheden

te helpen?"

De manufactuurwinkels waren niet te vinden tusschen de verschillende

kantoren en groote pakhuizen, waar meest heeren in- en uitgaan, maar

Jo liep, alsof ze op iemand wachtte, in dat stadsgedeelte rond, eer

zij een enkele van haar boodschappen gedaan had, en bezichtigde met

zeer onvrouwelijke belangstelling eerst allerlei instrumenten voor het

eene raam en toen monsters van schapewol voor het andere. Zij viel

haast over vaten, werd half begraven onder neerdalende balen goed,

en zonder plichtpleging op zijde geduwd door haastige mannen, die

haar aanzagen, alsof zij dachten: "Wat heeft die hier te maken!" Een

regendroppel op haar wang bracht haar gedachten van teleurgestelde

hoop op bedorven lint, want er volgden nog meer regendroppels, en

daar zij, hoewel in liefde ontstoken, toch vrouw bleef, begreep zij,

dat zij haar hoed nog redden kon, hoewel het voor haar hart reeds te

laat was. Nu eerst herinnerde zij zich de parapluie, die zij in haar

jacht om weg te komen, vergeten had; maar 't berouw kwam te laat, en

zij had de keus tusschen er een leenen of zich laten nat regenen. Zij

keek eens naar de dreigende lucht, toen in een ruit naar het roode

lint, dat reeds hier en daar vlekken vertoonde, daarna de morsige

straat af; wierp eindelijk nog een laatsten, langen blik naar een

zeker vuil pakhuis, waarboven met groote letters "Hoffman, Swartz &

Co." te lezen stond, en zei ernstig verwijtend tot zichzelve:

"Net een goede straf! waarvoor moest ik mijn beste goed aandoen

en hier komen rondslenteren, in de hoop den professor te zien? Jo,

ik schaam me over je! Neen, je zult daar géén parapluie gaan leenen,

of van zijn vrienden trachten te weten te komen, waar hij is. Je zult

voortbaggeren, en je boodschappen in den regen doen; en als je jezelf

een ziekte op den hals haalt en je hoed bederft, is het niets meer dan

je verdiende loon! Dit zeggende stak zij de straat zoo driftig over,

dat zij bijna onder de wielen van een voorbijgaanden vrachtwagen kwam,

en toen tegen een deftig oud heer aanbonsde, die hoogst beleedigd

keek, en 'pardon!' zei. Wel wat geschrikt stond Jo nog even stil,

maar alle verzoeking weerstand biedende, haastte zij zich eindelijk

voort, terwijl haar laarzen meer en meer doorweekt werden, en de

druipende parapluies boven en om haar steeds toenamen. Op eens werd

haar aandacht getrokken door het feit, dat een oud vaal exemplaar

voortdurend boven haar onbeschutten hoed bleef zweven, en opziende

keek zij in de oogen van mijnheer Bhaer.

"Ik voelde, dat ik die energieke jonge dame kende, die zoo dapper

tusschen de paarden doorloopt en zoo haastig door de modder stapt,

Wat doet gij hier, lieve vriendin?"

"Ik doe boodschappen."

Mijnheer Bhaer glimlachte en keek van een zeilmakerij aan den eenen

kant, naar een huidenhandel aan de andere zijde der straat; maar hij

zei slechts beleefd:

"Gij hebt geen parapluie; mag ik mee gaan en de pakjes voor u dragen?"

Jo's wangen waren zoo rood als haar linten, en zij zou wel eens

hebben willen weten, wat hij wel van haar dacht; maar het volgend

oogenblik liet het haar al onverschillig, want arm in arm wandelde

zij met haar professor verder, en het scheen haar toe, dat de zon

plotseling met buitengewonen glans was doorgebroken, dat alles weer

terecht was gekomen, en dat een volmaakt gelukkige vrouw dien dag

door de straten baggerde.

"Wij dachten, dat u al weg was," begon ze zenuwachtig, want zij wist,

dat hij haar aankeek. Haar hoed was niet groot genoeg om haar gezicht

te bedekken, en zij was bang, dat hij de vreugde, die er op te lezen

stond, onvrouwelijk zou vinden.

"Dacht u, dat ik heen zou gaan, zonder vaarwel te zeggen aan hen,

die zoo vriendelijk voor mij geweest zijn?" vroeg hij zoo verwijtend,

dat zij een gevoel kreeg, alsof zij hem door die veronderstelling

beleedigd had, en ze antwoordde dus op hartelijken toon:

"Neen, ik dacht het eigenlijk niet; ik wist, dat u het druk had met

uw eigen zaken, maar wij misten u wel een beetje,--Vader en Moeder

vooral."

"En u?"

"Ik ben altijd blij u te zien, mijnheer Bhaer."

In haar streven om haar stem volkomen kalm te houden, sprak Jo op

koelen toon, en het min of meer plechtige slot scheen den professor

te doen bevriezen, want zijn glimlach verdween, toen hij er ernstig

op liet volgen:

"Dank u, ik kom nog eenmaal, voor ik heenga."

"Gaat u dan werkelijk weg?"

"Ik heb niet langer eenige bezigheid hier; zij is afgedaan."

"Naar uw zin, hoop ik?" vroeg Jo, want dat korte antwoord verried

een bittere teleurstelling.

"Ik moest dat zoo vinden, want ik zie mij een weg geopend, waardoor

ik mijn brood kan verdienen en mijn jongens veel hulp kan geven."

"Hoe dan? vertelt u 't mij eens, ik zou graag alles willen weten

van--de jongens," zei Jo met warmte.

"Dat is heel vriendelijk, ik wil u graag alles vertellen. Mijne

vrienden hebben eene plaats voor mij gevonden aan een gymnasium, waar

ik onderwijs kan geven, zooals ik dat thuis deed, en genoeg verdien

om voor Franz en Emil te zorgen. Hiervoor moet ik dankbaar zijn,

niet waar?"

Op Eigen Wieken · 第 23 / 26 段