Hoewel hij erg van de gezelligheid hield, zou mijnheer Bhaer stellig

heel behoorlijk zijn heengegaan en op een anderen dag teruggekomen;

maar hoe kon hij, nu Jo de deur achter hem sloot en hem zijn hoed

afnam? Misschien had haar gezicht er ook een beetje schuld aan, want

zij vergat haar vreugde over het weerzien te verbergen en toonde het

met een oprechtheid, die onweerstaanbaar bleek voor den eenzamen man,

wiens welkom zijn stoutste verwachtingen had overtroffen.

"Als ik niet _Monsieur de Trop_ zal wezen, wil ik zeer gaarne allen

zien. Gij zijt ziek geweest, mijn waarde vriendin?"

Hij deed die vraag eensklaps, want toen Jo zijn jas ophing, viel het

licht op haar gezicht en zag hij er een verandering in.

"Niet ziek, maar vermoeid en bedroefd; wij hebben veel verdriet gehad,

sedert ik u het laatst sprak."

"Ach ja, dat weet ik. Mijn hart leed om uwentwil, toen ik dat hoorde,"

en hij schudde nogmaals haar hand met zoo'n medelijdend gezicht,

dat Jo bij zichzelf dacht, dat niets haar zoo troosten kon, als de

blik dier vriendelijke oogen, de druk van die groote, warme hand.

"Vader, Moeder, hier is mijn vriend, professor Bhaer," stelde Jo

hem voor, met een gezicht en op een toon, die zoo duidelijk trots en

innige blijdschap te kennen gaven, dat zij even goed de trompet had

kunnen blazen en de deur met een zwaai had kunnen opendoen.

Indien de vreemdeling eenigen twijfel gekoesterd had omtrent zijn

ontvangst, werd die hem al zeer spoedig benomen door het hartelijk

onthaal, dat hij vond. Allen begroetten hem even vriendelijk, ter wille

van Jo, maar heel spoedig hielden zij van hem om zijns zelfswil. Zij

konden het niet laten, want hij droeg den talisman bij zich, die

alle harten opent, en de eenvoudige Marches schonken hem dadelijk hun

genegenheid, en voelden zich bijna nog vriendschappelijker gestemd,

omdat hij arm was,--want armoede verrijkt diegenen, die door hun

leven toonen er boven verheven te zijn, en is een zeker paspoort tot

waarlijk gastvrije gemoederen. Mijnheer Bhaer zat te glimlachen als

een reiziger, die aan een vreemde deur heeft geklopt, en toen zij

openging opeens bemerkte, dat hij thuis is. De kinderen voelden zich

tot hem aangetrokken als de bijen naar de honig, klommen op zijn knie,

en stalen zijn hart door zijn zakken te doorzoeken, aan zijn baard te

trekken, en zijn horloge te bekijken met kinderlijke vrijmoedigheid. De

dames telegrafeerden hun ingenomenheid naar elkander, en mijnheer

March zag dadelijk in, dat hij een verwanten geest had gevonden,

en opende de kostbare schatkamers van zijn geest ten bate van zijn

gast, terwijl de niet zeer spraakzame John luisterde en genoot,

hoewel hij geen woord zei, en mijnheer Laurence er niet aan dacht

een middagslaapje te houden.

Als Jo het niet te druk had gehad met andere zaken, zou Laurie's

gedrag haar vermaakt hebben; want een aanvechting, niet van jaloezie,

maar van iets, dat op argwaan geleek, drong hem, zich wat terug te

trekken en den nieuw aangekomene met omzichtigheid gade te slaan. Maar

het duurde niet lang; hij begon zijns ondanks belang te stellen in

hetgeen er verhandeld werd, en was, eer hij het wist, meegetrokken in

het discours, want mijnheer Bhaer sprak goed in dit hem sympathieke

gezelschap, en kwam er volkomen tot zijn recht. Hij praatte weinig

met Laurie, maar keek hem des te meer aan, en dan trok er een schaduw

over zijn gezicht, alsof hij zijn eigen verloren jeugd betreurde, bij

het aanschouwen van dien jongen man in de kracht zijns levens. Daarna

dwaalde zijn oog soms zoo veelzeggend naar Jo, dat zij ongetwijfeld

die stomme vraag zou beantwoord hebben, als zij het maar gezien had;

maar Jo moest oppassen voor haar eigen oogen, en daar zij voelde,

dat die niet te vertrouwen waren, hield zij ze voorzichtig gevestigd

op het kleine kousje, dat zij, als een modeltante, zat te breien.

Een steelsche blik nu en dan, verkwikte haar, als een teug frisch

water na een stoffige wandeling, want die vluchtige kijkjes deden

haar verscheiden gunstige verschijnselen opmerken. Mijnheer Bhaer's

gezicht had zijn afgetrokken uitdrukking verloren en tintelde van

leven en belangstelling; hij zag er wezenlijk jong en knap uit, vond

zij, en ze vergat totaal, hem met Laurie te vergelijken, zooals zij

gewoonlijk vreemde heeren--zeer in hun nadeel--deed. Daarbij scheen hij

als meegesleept door zijn onderwerp, hoewel de begrafenis-gewoonten der

ouden, waarheen het gesprek afgedwaald was, nu niet juist beschouwd

kon worden als een opvroolijkend thema. Jo gloeide van voldoening,

toen Teddy met een krachtig argument werd doodgeslagen, en dacht

bij zichzelf, toen zij haar vaders bezield gelaat zag: "Wat zou het

heerlijk voor hem zijn, als hij eens iemand als mijn professor had

om elken dag mee te praten!" En om alles de kroon op te zetten, had

mijnheer Bhaer een fonkelnieuw pak aan, waardoor hij er echt als een

"gentleman" uitzag. Zijn zwaar haar was geknipt en netjes geborsteld,

hoewel het niet lang in orde bleef, want in opgewonden oogenblikken

streek hij het ouder gewoonte in de hoogte, en Jo gaf de voorkeur

aan dien rechtovereindstaanden bos, boven de gladde lokken, omdat

zij meende, dat zijn welgevormd voorhoofd dan iets Jupiter-achtigs

kreeg. Arme Jo, wat verheerlijkte zij dien doodgewonen man, terwijl

zij daar zoo kalmpjes zat te breien en toch niets aan haar oog

liet ontsnappen--zelfs niet het feit, dat mijnheer Bhaer gouden

manchetknoopen droeg in zijn smettelooze manchetten.

"Die goede professor, hij had zich niet met meer zorg kunnen kleeden,

als hij op een liefdesavontuur uitging," zei Jo bij zichzelf, waarop

een plotseling invallende gedachte, uit die woorden voortgekomen, haar

zoo'n vreeselijke kleur aanjoeg, dat zij haar kluwen moest laten vallen

en bukken om het op te rapen, en zoo haar gezicht te kunnen verbergen.

Die manoeuvre gelukte haar echter niet zoo goed, als zij wel hoopte;

want hoewel de professor juist op het punt was een doodenbrandstapel

aan te steken, liet hij zijn toorts, figuurlijk gesproken, vallen en

dook naar het kleine, blauwe kluwen. Natuurlijk bonsden hun hoofden

terdege tegen elkander, zoodat zij er sterretjes van voor de oogen

kregen, en beiden kwamen weer boven, lachend en verlegen, zonder het

kluwen, en namen hun plaatsen weer in, met den heimelijken wensch,

dat zij die maar niet verlaten hadden.

Niemand begreep, waar de tijd bleef, want Hanna wist de kinderen zeer

behendig nog al bijtijds uit de kamer te lokken; ze knikkebolden dan

ook als twee roode papavers, en mijnheer Laurence ging naar huis om

uit te rusten. De anderen zaten om het vuur te praten en dachten er

niet aan, dat de uren verstreken, totdat Meta, wier moederlijk hart

tot de vaste overtuiging kwam, dat Daisy uit bed zou gevallen zijn,

en Demi zijn nachtjaponnetje in brand zou steken, bij het bestudeeren

van de samenstelling van lucifers, opstond om heen te gaan.

"Laten wij van avond weer eens als vanouds zingen, nu wij weer voor

het eerst allen bij elkaar zijn," stelde Jo voor, meenende, dat zij

door een van harte gezongen lied veilig lucht zou kunnen geven aan

de juichende stemming van haar ziel.

Zij waren er niet _allen_, maar niemand vond de woorden gedachtenloos

of onwaar, want Betsy leefde nog in hun midden--een vreedzame

tegenwoordigheid--onzichtbaar, maar dierbaarder dan ooit, daar de dood

den innigen band, door hechte liefde gesmeed, niet kon verbreken. De

kleine stoel stond op zijn oude plaats; het nette werkmandje nog op

dezelfde plank, met het laatste werkje, dat zij onder handen had, toen

de naald zoo zwaar werd; de geliefde piano, nu zoo zelden bespeeld,

was nooit verzet, en daarboven keek Betsy's gezichtje op hen neer,

dat vreedzaam en glimlachend als in vroeger dagen scheen te zeggen:

"Weest gelukkig, ik ben bij jullie."

"Speel eens iets, Amy; laat hun eens hooren, hoe je bent

vooruitgegaan," verzocht Laurie, met vergeeflijken trots op zijn

veelbelovende leerling.

Maar Amy fluisterde met oogen vol tranen, terwijl zij het oude krukje

opdraaide: "Niet van avond, Laurie, ik kan van avond geen kunsten

vertoonen."

Maar zij deed beter dan dat, want zij zong Betsy's liederen, met een

teeder pathos, dat de beste meester haar niet kon geleerd hebben,

en roerde de harten der hoorders door die liefelijke macht, die

slechts zuivere bezieling verleent. Het was doodstil in de kamer,

toen de heldere stem eensklaps beefde en zweeg bij den laatsten regel

van Betsy's lievelingsgezang. Het was zoo moeilijk te zeggen:

"Geen smart op aarde, of 't geloof kan haar verzachten."

En Amy leunde het hoofd tegen haar man, die achter haar stond,

diep gevoelende, dat haar welkom-thuis niet volmaakt was, zonder

Betsy's kus.

"Nu moeten wij eindigen met Mignon's lied, want dat zingt mijnheer

Bhaer," zei Jo, voordat de pauze pijnlijk werd, en de professor

kuchte eens en ging toen naar den hoek, waar Jo stond, zeggende: "Gij

wilt wel met mij zingen; wij gaan bizonder goed tezamen." Dat was,

in het voorbijgaan gezegd, pure verbeelding, want Jo had niet veel

meer begrip van muziek dan een sprinkhaan; maar zij zou zijn voorstel

aangenomen hebben, al had hij haar gevraagd een heele opera met hem

te zingen, en kweelde er op los, zich in haar geluk niet om maat of

toon bekommerend. Het kwam er niet veel op aan, want professor Bhaer

zong als een echt Duitscher, flink, uit volle borst, en Jo verviel

weldra in een zacht geneurie, om des te beter te kunnen luisteren

naar de welluidende stem, die voor haar alleen scheen te zingen.

"Kennst du das Land, wo die Zitronen blühen,"

placht de lievelingsregel van den professor te zijn; want 'das Land'

was voor hem Duitschland; maar nu scheen het wel, alsof hij met

buitengewone warmte en aandrang de woorden herhaalde:

....dahin, dahin!

Möcht ich mit dir, o, mein Geliebte ziehn!

en één toehoorster werd zoo geroerd door die teedere uitnoodiging,

dat zij hem gaarne had willen toeroepen, dat zij het land kende,

en er vol vreugde wilde heentrekken, wanneer hij maar verkoos.

Het lied werd met grooten bijval ontvangen, en de zanger trok zich

verlegen terug, overdekt met roem en eer. Maar een paar minuten

later vergat hij zichzelf totaal en keek zijn oogen uit, toen Amy

haar hoed opzette om heen te gaan, want zij was alleen maar aan hem

voorgesteld als "mijn zuster," en niemand had haar nog bij haar nieuwen

naam genoemd. Hij vergat zich nog meer, toen Laurie bij het afscheid

nemen op hartelijken en beleefden toon tegen hem zei: "Mijn vrouw en

ik zijn heel blij, u ontmoet te hebben, mijnheer Bhaer. U zoudt ons

groot genoegen doen, met ons eens op te komen zoeken; wees overtuigd

dat u altijd hartelijk welkom zult wezen."

Toen dankte de professor hem zoo hartelijk, en zijn gezicht werd

plotseling zoo verhelderd en opgetogen, dat Laurie hem den aardigsten,

openhartigsten ouden heer vond, dien hij ooit gezien had.

"Ik wil nu ook gaan, doch ik wil gaarne weerkomen, wanneer u het

veroorlooft, lieve mevrouw, want ik heb hier eenige zaken te doen,

en zal hier een paar dagen moeten blijven."

Hij sprak tegen mevrouw March, maar keek Jo aan; en de stem der moeder

gaf een even welgemeende toestemming, als de oogen der dochter; want

mevrouw March was niet zoo blind voor het welzijn harer kinderen,

als mevrouw Moffat dacht.

"Ik geloof, dat dat een wijs man is," zei mijnheer March, uiterst

voldaan voor den schoorsteen staande, nadat de laatste gast vertrokken

was.

"Ik weet, dat hij een _goed_ man is," antwoordde mevrouw March beslist,

terwijl ze de klok opwond.

"Ik dacht wel, dat u van hem zoudt houden," was alles, wat Jo zei,

terwijl zij hen goeden nacht wenschte en naar haar kamer ging.

Zij peinsde er over, wat toch wel die zaken konden zijn, die mijnheer

Bhaer naar de stad riepen, en kwam eindelijk tot het besluit,

dat hij de een of andere eervolle benoeming moest hebben ontvangen,

maar te bescheiden was om dat zelf te vertellen. Had zij zijn gezicht

kunnen zien, toen hij veilig op zijn kamer, het portret bekeek van een

strenge, ernstige jonge dame met een massa haar, die met donkeren blik

de toekomst scheen te willen doorboren, dan zou dit haar misschien

eenig licht hebben gegeven, vooral toen hij het gas uitdraaide,

en het portret in de duisternis kuste.

HOOFDSTUK XXI.

MIJNHEER EN MEVROUW.

"Madame Mère, kunt u mij als 't u belieft mijn vrouw ook een half

uurtje afstaan? Het goed is gekomen, en ik heb Amy's Parijsche

fraaiigheden wel wat door elkander gerommeld, want ik zocht iets, wat

ik noodig heb," zei Laurie den volgenden dag, toen hij de huiskamer

binnenstapte, en mevrouw Laurence op haar moeder's schoot zag zitten,

alsof zij nog "het kleintje" was.

"Zeker, ga maar gauw, kindlief. Ik vergeet, dat je nog een ander thuis

hebt dan dit," en mevrouw March drukte de kleine hand, waaraan de

trouwring prijkte, alsof zij vergiffenis vroeg voor haar moederlijke

begeerigheid.

"Ik zou haar niet zijn komen halen, als ik het had kunnen laten,

maar ik kan evenmin buiten mijn vrouw als een--"

"Weerhaan zonder wind kan," vulde Jo aan, toen hij zweeg om een

vergelijking te vinden. Jo was weer even dwaas als vroeger, sinds

Teddy's terugkomst.

"Juist, want Amy zorgt er voor, dat ik meestal West wijs met nu en dan

een streekje Zuid; ik heb nog geen oogenblik naar het Oosten gewezen,

sinds ik getrouwd ben, weet zelfs niet wat het Noorden is, maar ben

altijd even koel en zacht--niet waar, mevrouw?"

"Allerliefst weer tot nu toe; ik weet niet hoelang het zal duren,

maar ik ben niet erg bang voor stormen, want ik weet al wel een beetje

hoe ik mijn schip moet besturen. Ga nu maar mee naar huis, dan zal ik

wel eens naar je laarzentrekker zoeken; ik denk, dat je daarvoor mijn

goed zoo overhoop hebt gehaald. Mannen zijn toch _zoo_ hulpbehoevend,

Moeder," zei Amy beschermend, tot groot vermaak van haar echtgenoot.

"Wat zijn jullie van plan te gaan doen, als alles op orde is?" vroeg

Jo, terwijl ze Amy's mantel dichtknoopte, zooals zij het vroeger haar

boezelaars deed.

"Wij hebben wel plannen gemaakt, maar zullen er voorloopig maar niet

over spreken, omdat wij nog zulke nieuwe bezems zijn, maar wij zijn

niet van zins te gaan luieren. Ik zal mij met zooveel ijver aan de

zaken wijden, dat Grootvader in verrukking komt, en hem eens bewijzen,

dat ik niet bedorven ben. Ik heb genoeg van 't leegloopen, en ben

van plan aan het werk te gaan als een man."

"En wat gaat Amy doen?" informeerde mevrouw March, verheugd over

Laurie's beslistheid en de energie, waarmee hij sprak.

"Na overal beleefdheidsbezoeken te hebben afgelegd en onze elegante

toiletten gelucht te hebben, zullen wij uw verbazing wekken door de

ongedwongen gastvrijheid van ons huis, het schitterend gezelschap,

dat wij om ons zullen verzamelen, en den weldadigen invloed, dien

wij rechts en links zullen uitoefenen. Dat was immers _uw_ voornemen,

madame Récamier?" vroeg Laurie met schijnbaren ernst naar Amy ziende.

"De tijd zal het leeren. Kom maar mee, brutale plaaggeest en erger

mijn familie maar niet door mij in hun bijzijn belachelijk te maken,"

antwoordde Amy, vast besloten, dat zij een goede _huis_vrouw zou zijn,

eer zij als _gast_vrouw haar salons opende.

"Wat schijnen die kinderen samen gelukkig te wezen!" zei mijnheer

March, wien het moeilijk viel, zich na het vertrek van het jonge paar

weer te verdiepen in zijn Aristoteles.

"Ja, en ik geloof, dat het duurzaam zal zijn," voegde mevrouw March

er bij, met het rustige gevoel van een loods, die een schip veilig

de haven heeft binnengeleid.

"Daar ben ik zeker van. Gelukkige Amy!" zuchtte Jo, maar ze glimlachte

vroolijk, toen professor Bhaer even later met een ongeduldigen ruk

het hek openstootte.

Later op den avond, toen zijn geest gerustgesteld was over den

laarzentrekker, riep Laurie eensklaps zijn vrouw toe, die heen en

weer liep om haar nieuwe kunstschatten te schikken:

"Mevrouw Laurence."

"Mylord?"

"Die man is van plan onze Jo te trouwen."

"Ik hoop het; jij ook niet?"

"Wel, vrouwtje, ik vind hem 'een juweel' in den vollen zin des woords,

maar ik wou dat hij wat jonger en flink wat rijker was."

"Kom, Laurie, wees niet al te kieschkeurig en wereldschgezind. Als

zij elkander liefhebben komt het er volstrekt niet op aan, hoe oud

of hoe arm hij is. Vrouwen moeten _nooit_ om geld trouw--" hier hield

Amy plotseling op en zag haar man aan, die plagend zei:

"Zeker niet, hoewel heel aardige meisjes soms beweren, dat zij

het _vast_ van plan zijn. Als mijn geheugen mij niet bedriegt,

beschouwde jij het eenmaal je plicht een rijk huwelijk te doen; dat

verklaart misschien, hoe het komt, dat je een nietswaardige als mij

hebt genomen."

"O, mijn liefste man, denk dat toch als 't je blieft niet! Ik vergat

heelemaal dat je rijk was, toen ik 'ja' zei. Ik zou met je getrouwd

zijn, al had je geen cent bezeten, en soms zou ik wel willen, dat

je arm was, om je te kunnen toonen, hoe lief ik je heb," en Amy,

die zich heel waardig gedroeg in gezelschap, maar heel teeder was,

wanneer niemand het zag, gaf hem een overtuigend bewijs van de

oprechtheid harer woorden.

"Je gelooft toch niet _wezenlijk_, dat ik zoo'n geldzuchtig schepsel

ben, als ik vroeger meende te zijn, wel? Het zou mijn hart breken, als

je niet gelooven wou, dat ik even graag met je in 't zelfde bootje zou

varen, al moest je je kost verdienen met roeier te zijn op het meer."

"Neen, zoo'n idioot ben ik niet! Hoe zou ik dat kunnen denken, terwijl

je een rijker man om mijnentwil afgewezen hebt, en mij niet toe wilt

staan, je de helft te koopen van wat ik wel zou willen, nu ik er het

recht toe heb? Meisjes doen het elken dag, arme stakkerds! en leeren

in hun jeugd dikwijls al, dat het een uitkomst voor hen is, maar jij

hadt beter onderwijs gehad, en hoewel ik wel eens voor je gebeefd heb,

werd ik toch niet teleurgesteld,--want de dochter deed de opvoeding

van haar moeder eer aan. Toen ik dat gisteren tegen Moeder zei, keek

ze zoo blij en dankbaar, alsof ik haar een wissel van een millioen had

gegeven, voor een liefdadig doel. Zeg, je luistert heelemaal niet naar

mijn zedekundige opmerkingen, mevrouw Laurence,"--en Laurie zweeg,

want Amy was blijkbaar afgetrokken, hoewel zij hem strak aanzag.

"Jawel, en ik bewonder meteen het kuiltje in je kin. Ik wil je

niet ijdel maken, maar ik moet bekennen, dat ik trotscher ben op

mijn knappen echtgenoot, dan op al zijn geld. Lach niet--maar je

neus is mij zoo'n groote troost," en Amy liefkoosde het welbesneden

lichaamsdeel met een gevoel van artistieke voldoening.

Laurie had al menig compliment gekregen in zijn leven, maar nooit

een, dat zoo naar zijn genoegen was, zooals hij met daden toonde,

hoewel hij om den bizonderen smaak van zijn vrouw lachte, terwijl ze

langzaam vervolgde:

"Mag ik je eens iets vragen, man?"

"Natuurlijk wel."

"Zou je het naar vinden, als Jo met mijnheer Bhaer trouwde?"

"O, zit daar de knoop? Ik dacht wel, dat er iets in dat kuiltje was,

wat je niet beviel. Daar ik de zon best in 't water kan zien schijnen

en de gelukkigste kerel ter wereld ben, kan ik je eerlijk verklaren,

dat ik op Jo's bruiloft zal dansen, met een hart zoo licht als een

veertje. Twijfel je er aan, _mon mie_?"

Amy keek hem aan en was voldaan; het laatste zweempje van naijverige

vrees verdween voor altijd, en zij dankte hem met een van liefde en

vertrouwen stralend gezicht.

"Ik wou, dat wij iets konden doen voor dien besten, ouden

professor. Zouden wij niet een rijk bloedverwant kunnen verzinnen,

die wel zoo goed wou zijn om in Duitschland te sterven, en hem een

aardig fortuintje naliet?" bedacht Laurie, toen het tweetal arm in

arm de lange zitkamer op en neer wandelde, zooals zij zoo graag deden,

in herinnering aan den ouden tuin te Vevey.

"Jo zou er achter komen en alles bederven; zij is heel trotsch op hem,

en zei gisteren, dat zij armoede iets moois vond."

"Die lieve ziel, maar zij zal wel anders denken, als zij een geleerden

echtvriend en een dozijn kleine professortjes of professorinnetjes

heeft te onderhouden. Wij zullen ons er dan maar niet mee bemoeien,

maar een goede kans afwachten, en ze een dienst bewijzen, zonder dat

zij het weten. Ik heb aan Jo een deel van mijn opvoeding te danken,

en zij vertrouwt altijd, dat menschen hun schulden eerlijk betalen;

daar zal ik haar dus mee vangen."

"Wat heerlijk toch, als je anderen kunt helpen! Dat was altijd een

van mijn illusies: de macht te hebben om vrij te kunnen geven, en ik

heb het aan jou te danken, dat die illusie werkelijkheid geworden is."

"O, wij zullen een massa goed doen, hè, meisje? Er is een bepaalde

soort van armoede, die ik bizonder graag help. De bedelaars op straat

worden wel geholpen, maar arme, fatsoenlijke lui hebben het kwaad,

omdat zij niet willen vragen en men hun niets durft aanbieden; toch

zijn er wel duizend manieren om hen te helpen, als men het maar zoo

kiesch weet te doen, dat ze er niet door beleedigd worden. Ik moet

bekennen, dat ik liever een gentlemen help, die in 't achterschip

is geraakt, dan een bedelenden mooiprater, hoewel het eerste veel

moeilijker is."

"Omdat je zelf een gentlemen zijn moet om het te kunnen doen,"

antwoordde het andere lid van de huiselijke bewonderings-vereeniging.

"Dank je, maar ik vrees, dat ik dat aardige complimentje niet

verdien. Maar ik wou nog zeggen, dat ik, toen ik in het buitenland

mijn tijd zoo verbeuzelde, veel talentvolle jongelui heb ontmoet, die

zich alle mogelijke opofferingen getroostten en zware ontberingen

verduurden, om eenmaal hun droomen verwezenlijkt te kunnen

zien. Prachtige jongens waren sommige, die werkten als helden;

zij waren wel arm en zonder vrienden, maar zoo vol moed, geduld en

ambitie, dat ik mij over mezelf schaamde, en niets liever had gedaan

dan ze eens goed voorthelpen. Zulke menschen te helpen is een genot,

want hebben zij werkelijk talent, dan is het een eer ze te mogen

steunen, opdat hun gaven niet verloren gaan, of uitdoven bij gebrek

aan brandstof om het vuur levendig te houden; hebben zij het niet,

dan nog is het een genot de arme jongens op te beuren, en ze, als

zij het leeren inzien, voor wanhoop te bewaren."

"Ja zeker; en er is nog een andere soort, die niet kan vragen,

en in stilte lijdt; ik weet er iets van door ondervinding, want ik

behoorde er toe, voordat jij me prinses maakte, zooals de koning in het

sprookje het bedelmeisje. Eerzuchtige arme meisjes hebben een moeilijk

leven, Laurie, en moeten dikwijls jeugd, gezondheid, en kostbare

gelegenheden zien voorbijgaan, alleen omdat niemand ze helpt op het

juiste oogenblik. De menschen zijn voor mij heel vriendelijk geweest,

en als ik ooit meisjes zie tobben, zooals wij hebben moeten doen,

zou ik graag mijn hand uitsteken en ze helpen, zooals ik geholpen ben."

"Dat zul je, lieveling!" riep Laurie, en hij nam zich in 't

vuur van zijn menschlievenden ijver voor om een inrichting

te stichten, uitsluitend ten voordeele van jonge meisjes met

kunstenaarsaanleg. "Rijke menschen hebben geen recht om rustig neer te

zitten en te genieten, of hun geld op te stapelen, om het later door

hun erfgenamen te laten verkwisten. Het is niet half zoo verstandig een

reeks legaten te vermaken na je dood, als het geld nuttig te gebruiken

bij je leven, en het genot te hebben er je medemenschen gelukkig door

te maken. Wij zullen een prettig leven hebben, en een extraatje voegen

bij ons eigen geluk, door anderen ook een proefje te geven. Wil jij een

kleine Dorcas zijn en rondgaan met een groote mand vol verkwikkingen,

die je ronddeelt, en ze doen volgen door je goede daden?"

"Niets liever dan dat, als jij St. Maarten wilt zijn en ridderlijk

je mantel deelen met den bedelaar."

"Afgesproken! en wij zullen er zelf 't meest bij winnen."

Het jonge paar gaf elkander er de hand op en wandelde voort in het

bewustzijn, dat hun gelukkig tehuis nog gelukkiger zou zijn, omdat

zij andere huisgezinnen in hun overvloed wilden doen deelen, vol

vertrouwen, dat hun eigen voeten vaster zouden voortgaan op het met

bloemen bestrooide pad vóór hen, als zij oneffen paden voor anderen

effenden, en overtuigd, dat hun harten steeds nauwer vereenigd zouden

worden door een liefde, die met medelijden kon denken aan hen, die

minder bevoorrecht waren dan zij.

HOOFDSTUK XXII.

DAISY EN DEMI.

Op Eigen Wieken · 第 22 / 26 段