vrijster, met een pen tot echtgenoot, een hoop verhalen tot kinderen,
en over twintig jaar een armzalig beetje roem en fortuin misschien;
maar dan ben ik, evenals de arme Johnson, [12] natuurlijk te oud om
er van te genieten, en heb ze dus niet meer noodig. Hoe het zij,
ik behoef geen zure heilige of zelfzuchtige zondares te wezen; en
ik geloof eigenlijk wel, dat oude vrijsters zich heel behagelijk
voelen, als ze maar eerst aan den toestand gewend zijn; maar--"
en hier zuchtte Jo, alsof het vooruitzicht toch niet uitlokkend was.
Onder haar overpeinzingen scheen Jo in slaap gevallen te zijn, want
eensklaps stond Laurie's geest voor haar. 't Was of een lichamelijk
levende geest zich over haar heenboog, met denzelfden blik, die in
zijn oogen placht te komen, als hij iets diep gevoelde en het liever
niet wou toonen.
Een oogenblik lag ze hem verschrikt aan te staren, zonder een enkel
woord te zeggen, totdat hij bukte en haar een kus gaf. Toen kende
zij hem, en vloog op met den blijden uitroep:
"O, Teddy! O, mijn Teddy!"
"Ben je dus blij mij weer te zien, Jo?"
"Blij! mijn beste jongen, woorden kunnen mijn blijdschap niet
uitdrukken. Waar is Amy?"
"Je moeder heeft zich van haar meester gemaakt; zij zijn bij Meta. Wij
gingen daar in het voorbijgaan even aan, en ik kon mijn vrouw niet
uit hun handen krijgen."
"Je wat?" riep Jo--want Laurie zei deze twee woorden met een onbewusten
trots en zelfvoldoening, die hem verrieden.
"Drommels! daar heb ik het nu toch verklapt!" en hij keek meer dan
schuldig, terwijl Jo hem het mes op de keel zette.
"Ben je heusch getrouwd?"
"Ja, om u te dienen, maar ik zal het nooit weer doen," en hij viel
voor haar op de knieën, de handen smeekend samengevouwen, en zijn
gezicht een en al schalkschheid, vroolijkheid en triomf.
"Wezenlijk getrouwd?"
"_Wezenlijk!_"
"Groote goedheid! wat voor verschrikkelijke dingen zul je nu verder
uitrichten?" en Jo viel hijgend op haar plaats neer.
"Een karakteristieke, maar niet complimenteuse gelukwensch", merkte
Laurie op, nog steeds in zijn nederige houding, maar stralende van
voldoening, en uiterst voldaan.
"Wat kun je anders verwachten, als je iemand buiten adem brengt,
door als een dief in huis te sluipen, en op die manier een schrik
aan te jagen! Sta op, dwaze jongen, en vertel mij er alles van."
"Geen woord, tenzij je mij weer op mijn oude plaats laat zitten,
en me belooft, dat je geen barricade zult opwerpen."
Jo begon te lachen, zooals zij in lang niet gelachen had, klopte
uitlokkend op de sofa, en zei op hartelijken toon: "Het oude kussen
ligt op zolder, wij hebben het nu niet meer noodig; kom dus maar gauw
alles opbiechten, Teddy!"
"Wat klinkt dat genoegelijk, je weer 'Teddy' te hooren zeggen; niemand
dan jij noemt mij ooit zoo," en Laurie ging met een zeer vergenoegd
gezicht zitten.
"Hoe noemt Amy je?"
"Mylord."
"Net iets voor haar!--nu, je ziet er kranig genoeg vooruit," en Jo's
oogen zeiden duidelijk, dat zij "haar jongen" knapper vond dan ooit.
Het kussen was er niet meer, maar toch was er een barricade,
een natuurlijke--opgeworpen door tijd, afwezigheid en veranderde
gemoedsgesteldheid. Beiden gevoelden dit, en zagen elkander een
oogenblikje aan, alsof die onzichtbare scheidsmuur een kleine schaduw
tusschen hen deed vallen. Dat duurde echter maar een poosje, want
Laurie vroeg, met een vergeefsche poging om een waardig gezicht te
zetten: "Zie ik er niet uit als een getrouwd man, als het hoofd van
een huisgezin?"
"Geen zier, en dat zul je ook nooit. Je bent wat dikker en steviger
geworden, maar anders nog dezelfde kwajongen als altijd."
"Hoor eens, Jo, je moest mij met wat meer eerbied behandelen," begon
Laurie, die erg van de ontvangst genoot.
"Hoe is dat mogelijk, als het denkbeeld alleen, dat jij getrouwd en
gevestigd bent, zoo onweerstaanbaar grappig is, dat ik niet ernstig kan
blijven," antwoordde Jo, een en al glimlach, hetgeen zoo aanstekelijk
bleek, dat zij samen in lachen uitbarstten, en toen rustig gingen
zitten, om een vertrouwelijk praatje te houden op de oude manier.
"Het zou je niets baten, of je al in de kou uitging om Amy te halen,
want ze komen straks allemaal hier; ik kon niet langer wachten; ik
wou je zoo graag het groote nieuws vertellen, en het bovenste laagje
hebben, zooals wij zeiden, als wij over den room kibbelden."
"Natuurlijk wou je dat, en bedierf je alles door met het slot te
beginnen. Begin nu eens van voren af aan, en vertel mij _precies_
hoe alles in zijn werk is gegaan. Ik brand van nieuwsgierigheid."
"Nu dan: ik deed het eenvoudig om Amy plezier te doen," begon Laurie
met een knipoogje, dat Jo deed uitroepen:
"Leugen nommero een; Amy deed het om jou plezier te doen. Ga voort,
maar spreek de waarheid, als ge kunt, mijnheer."
"Nu begint zij mij al dadelijk de les te lezen; is 't niet
allergenoeglijkst dat weer eens te hooren?" vroeg Laurie aan het
vuur, en de vlammen flikkerden helder op, alsof ze 't er volkomen
mee eens waren. "Het komt immers toch alles op hetzelfde neer,
is 't niet? nu zij en ik toch één zijn. Wij waren van plan met de
Carrols thuis te komen, dat was een maand of wat langer geleden,
maar zij veranderden in eens van gedachten, en besloten nog een
winter te Parijs te blijven. Maar Grootvader verlangde naar huis;
hij was op reis gegaan voor mijn plezier, dus kon ik hem niet alleen
laten terugtrekken, maar ik kon toch ook niet van Amy scheiden,
en mevrouw Carrol had malle Engelsche ideeën opgedaan over gepast
geleide en zulke gekheid meer, en wou Amy niet toestaan met ons mee
te gaan. Daarom maakte ik een eind aan de moeilijkheid door te zeggen:
'Laten wij trouwen, dan kunnen wij doen, wat wij willen.'"
"Natuurlijk stelde jij dat voor! Jij richt altijd de dingen in naar
je eigen plezier."
"Niet _altijd_!" en iets in Laurie's stem deed Jo haastig vervolgen:
"Hoe heb jullie Tante's toestemming gekregen?"
"Dat was wel lastig, maar we wisten haar toch om te praten, want we
hadden een massa goede argumenten aan onzen kant. Er was geen tijd
meer om te schrijven en toestemming te vragen, maar jullie zoudt het
toch allemaal _later_ goed hebben gevonden, en dus: 'we moesten de
koe maar bij de horens pakken,' zooals mijn vrouw zegt."
"Wat zijn we trotsch op die twee woorden, en wat vinden wij het
prettig om ze te zeggen!" viel Jo hierop in, het vuur op haar beurt
toesprekende en met genot den gelukkigen glans waarnemende die het
scheen te wekken in de oogen, die zoo droevig en somber hadden gestaan,
toen zij ze de laatste maal zag.
"Wel een beetje! Ze is ook zoo'n mooi en lief vrouwtje, dat ik niet
laten kan trotsch op haar te zijn. Nu maar--Oom en Tante waren er voor
het decorum. We gingen zoo in elkander op, dat wij voor anderen niets
waard waren, en deze plezierige schikking zou alles voor iedereen
't gemakkelijkst maken; dus besloten wij er dan ook maar toe."
"Wanneer, waar, hoe?" vroeg Jo, een en al belangstelling, en brandend
van nieuwsgierigheid, want zij kon het zich nog maar niet begrijpen.
"Zes weken geleden, in het hôtel van den Amerikaanschen consul te
Parijs--een heel rustige trouwerij natuurlijk; want zelfs in ons
geluk vergaten wij onze lieve Betsy niet."
Jo legde haar hand in de zijne, toen hij dat zei, en Laurie streek
zachtjes over het kleine roode kussen, dat hij zich zoo goed
herinnerde.
"Waarom liet jullie 't ons daarna niet weten?" vroeg Jo op bedaarder
toon, toen zij een poos heel stil hadden gezeten.
"Wij wilden jullie verrassen; wij dachten eerst, dat wij dadelijk
naar huis zouden gaan, maar mijn beste grootvader zag, zoodra we
getrouwd waren, plotseling in, dat hij nog wel een maand noodig had,
eer hij klaar kon komen, en zond ons weg om onze wittebroodsweken
door te brengen, waar wij verkozen. Amy had vroeger eens gezegd,
dat Valrosa daar zoo uitstekend voor geschikt was, dus gingen wij
daarheen en waren er zoo gelukkig, als menschen maar eenmaal in hun
leven zijn kunnen. Dat was daar met recht rozengeur en maneschijn!"
Laurie scheen Jo voor een oogenblik te vergeten, en Jo verheugde
zich er over; want het feit, dat hij haar al deze dingen zoo vrij en
natuurlijk vertelde, bewees haar dat hij volkomen vergeven en vergeten
had. Zij zocht haar hand weg te trekken; maar alsof Laurie raadde
welke gedachte haar aanspoorde tot die half onwillekeurige beweging,
hield hij ze vast, en zei met een manlijken ernst, dien zij nog nooit
in hem had opgemerkt: "Jolief, ik wou je graag één ding zeggen, en dan
zullen wij die zaak voor goed laten rusten. Zooals ik al in mijn brief
schreef, toen ik vertelde, hoe lief Amy voor me geweest was, ik zal
nooit ophouden jou ook lief te hebben; maar de liefde is veranderd,
en ik heb leeren inzien, dat het beter is, zooals het is. Amy en jij
veranderen van plaats in mijn hart, dat is al. Ik geloof, dat het zoo
beschikt was, en zou dat zeker ook wel van zelf hebben leeren inzien,
als ik gewacht had volgens jouw raad; maar ik kon niet geduldig zijn
en werd dus wanhopig. Ik was toen een jongen, koppig en heftig, en ik
had een harde les noodig om mijn vergissing te leeren inzien. Want het
wás een vergissing, Jo, zooals jij ook zei, en ik merkte het, nadat
ik mij als een gek had aangesteld. Ik raakte daarna zoo in de war,
dat ik zelf niet wist, wie ik het meest liefhad--jou of Amy, en mijn
best deed beiden even lief te hebben, maar dat kon ik niet, en toen
ik haar in Zwitserland terug zag, scheen alles op eens tot klaarheid
te komen. Je nam beiden je rechte plaats in, en ik wist zeker,
dat de oude liefde afgedaan was, voordat de nieuwe begon te leven;
dat ik mijn hart eerlijk kon deelen tusschen zuster Jo en vrouw Amy,
en ze beiden hartelijk liefhebben. Wil je dat gelooven en terugkeeren
naar den gelukkigen ouden tijd, toen wij elkander pas leerden kennen?"
"Ik wil het van ganscher harte gelooven; maar Teddy, wij kunnen
nooit weer jongen en meisje zijn--de gelukkige oude tijd kan nooit
terugkomen, en wij moeten dat ook niet verwachten. Wij zijn nu
volwassen man en volwassen vrouw, hebben ernstig werk te doen, want
de speeltijd is over, en mogen niet langer gekheid maken. Ik geloof,
dat jij dat ook wel voelt; ik zie de verandering in jou, en jij zult
die in mij zien; ik zal 'mijn jongen' missen, maar ik zal den man
even goed liefhebben en hem méér bewonderen, omdat hij zich voorneemt
te zijn, wat ik hoopte, dat hij worden zou. We kunnen niet langer
speelkameraden wezen, maar wij zullen broer en zuster zijn, om elkaar
ons leven lang lief te hebben en te helpen; zullen we niet, Laurie?"
Hij antwoordde niet, maar nam de hand, die zij hem aanbood, en legde er
zijn gezicht voor een oogenblik op, gevoelende, dat uit het graf van
een jongenshartstocht een schoone sterke vriendschap was verrezen,
die hun beiden tot zegen zou zijn. Toen hernam Jo vroolijk, want
zij wilde niet, dat zijn thuiskomst droevig zou worden: "Ik kan het
mij nog maar niet begrijpen, dat jullie kinderen werkelijk getrouwd
zijn en een huishouden gaan opzetten. Het lijkt mij net, of het pas
gisteren was, dat ik Amy's boezelaar vastmaakte, en jou aan 't haar
trok, als je mij plaagde. Och, och, wat vliegt de tijd toch om!"
"Daar een van de 'kinderen' ouder is dan jijzelf, behoef je niet
zoo grootmoederachtig te praten. Ik vlei mij, dat ik nu wel 'een
opgeschoten meneer' ben, zooals Peggotty zei van David; [13] en als
je Amy ziet zul je haar wel een bizonder voorspoedig kind vinden,"
zei Laurie, lachende om haar moederlijken toon.
"Jij mag wat ouder zijn in jaren, maar ik ben zooveel ouder in mijn
gevoel, Teddy. Dat zijn vrouwen altijd, en dit laatste jaar is zoo
moeilijk geweest, dat ik mij wel veertig jaar voel."
"Arme Jo, we lieten het jou ook maar alleen dragen, terwijl wij plezier
maakten. Je bent werkelijk ouder geworden; hier is een diepe rimpel, en
daar nog een; behalve wanneer je glimlacht, staan je oogen droevig, en
toen ik straks het kussen aanraakte, voelde ik er een traan op. Je hebt
veel verdriet gehad en stond er alleen voor; wat ben ik een zelfzuchtig
wezen geweest!" en Laurie trok met een berouwvol gezicht aan zijn haar.
Maar Jo keerde het verraderlijke kussen om, en antwoordde op een
toon, dien zij zoo vroolijk mogelijk deed klinken: "Neen, ik had
Vader en Moeder om mij te helpen, en de kleintjes om mij te troosten,
en de gedachte, dat jij en Amy gezond en gelukkig waren, deed mij de
moeilijkheden hier gemakkelijker dragen. Ik voel mij soms eenzaam,
maar ik geloof, dat dat wel goed voor mij is, en--"
"Je zult het nooit weer zijn," viel Laurie haar in de rede, en sloeg
zijn arm om haar heen, alsof hij alle mogelijke kwaad van haar wilde
weren. "Amy en ik kunnen niet buiten jouw hulp; jij moet 'de kinderen'
leeren huishouden, en in alles deelen, zooals vroeger, en toelaten,
dat we je vertroetelen, dan zullen we allemaal óvergelukkig zijn."
"Als ik niet overcompleet ben, zou ik het heel prettig vinden. Ik
begin mij nu al verjongd te voelen; want toen jij kwam, schenen al
mijn zorgen op de een of andere manier weg te vliegen. Jij bent mij
altijd een troost geweest, Teddy," en Jo leunde met haar hoofd op
zijn schouder, zooals zij dat jaren geleden gedaan had, toen Betsy
ziek was, en Laurie haar zeide, dat zij maar op hem moest steunen.
Hij keek haar aan om te zien, of zij aan die dagen terugdacht, maar
Jo glimlachte, alsof haar zorgen werkelijk bij zijn komst waren
weggevlogen.
"Je bent nog altijd dezelfde, Jo, het eene oogenblik schreien, het
volgende lachen. Nu kijk je wel wat ondeugend; waar denkt u aan,
Grootma?"
"Ik peinsde er over, hoe jij en Amy met elkander zouden omgaan."
"Als engelen!"
"Ja natuurlijk, in het begin--maar wie is de baas?"
"Ik heb er geen bezwaar tegen, je te vertellen, dat zij op 't
oogenblik het meest in te brengen heeft; ik laat haar ten minste in
dien waan,--zij vindt dat plezierig, weet je. Maar we zullen daar
gauw verandering in brengen, want zij zeggen, dat het huwelijk iemands
rechten halveert en iemands plichten verdubbelt."
"Je zult voortgaan, zooals je begonnen bent, en Amy zal je al je
levensdagen regeeren."
"Nu, zij doet het zoo onmerkbaar, dat ik niet denk, dat het mij veel
zal kunnen schelen. Amy is een vrouw, die de kunst van regeeren goed
verstaat; ik vind het, om je de waarheid te zeggen, zelfs wel aardig,
want zij draait iemand zoo zacht en netjes om den vinger, alsof hij
een strengetje zij was, en intusschen geeft ze je 't idee, dat ze je
een gunst bewijst."
"Dat ik dát nog beleven moet, jou onder den pantoffel te zien,
terwijl je het nog aardig vindt op den koop toe!" riep Jo, de handen
in elkaar slaande.
Het was aardig om te zien, hoe Laurie de borst vooruitzette, en met
mannelijken trots om die insinuatie lachte, terwijl hij "met zijn
hooghartig air" antwoordde: "Amy is te wel opgevoed om zooiets te
doen, en ik behoor niet tot de soort van mannen die zich daaraan
onderwerpen. Mijn vrouw en ik hebben te veel achting voor ons zelven
en voor elkaar, om ooit over elkander te heerschen, of met elkaar
te kibbelen."
Dat beviel Jo, en zij vond, dat de nieuwe waardigheid hem heel
goed stond, maar de knaap scheen met reuzenschreden in een man te
veranderen, en weemoed vermengde zich met haar blijdschap.
"Dat geloof ik graag; Amy en jij kibbelden nooit, zooals wij samen. Zij
is de zon, en ik ben de wind uit de fabel, en de zon maakte het meest
van den man, zooals je je herinnert."
"Zij kan hem zoowel wat 'opblazen' als 't noodig is, als hem
beschijnen," verzekerde Laurie lachend. "Als ik nog aan de vermaning
denk, die ik te Nice kreeg! Ik verzeker je, dat die nog vrij wat
erger was, dan jij me ooit gegeven hebt. Die klonk als een klok;
ik zal je er bij gelegenheid wel eens alles van vertellen,--_zij_
zal het nooit doen, omdat zij--nadat zij mij gezegd had, dat zij mij
verachtte en zich over mij schaamde--haar hart kwijt raakte aan dien
verachtelijken persoon en den nietswaardige trouwde."
"Hoe karakterloos! Maar mocht zij het soms te bont maken, kom dan
maar bij mij, dan zal ik je wel verdedigen."
"Ik zie er wel uit, of ik dat noodig had, hè?" vroeg Laurie, opstaande
en een gebiedende houding aannemende, die plotseling in ongeveinsde
verrukking overging, toen hij Amy hoorde roepen:
"Waar zit zij? Waar is mijn lieve, oude Jo?"
Daar kwam de heele familie binnen marcheeren, en allen kusten en
pakten elkander nog eens weer van voren af aan, en eindelijk mochten
de drie reizigers in vrede gaan zitten, en kon ieder zich ongestoord
"aan hun aanblik vergasten." Mijnheer Laurence, gezond en flink als
altijd, was door zijn buitenlandsche reis even zeer verkwikt als
de anderen,--zijn barschheid scheen nagenoeg geheel verdwenen en
de ouderwetsche hoffelijkheid had een kleine verfijning ondergaan,
die haar aantrekkelijker maakte dan ooit. Het deed iemand goed op te
merken, hoe hij "mijn kinderen", zooals hij het jonge paar noemde,
toelachte; nog aardiger was het te zien, hoe Amy hem haar kinderlijke
liefde bewees, waardoor zij zijn oud hart geheel en al won; en het
best van alles was het Laurie gade te slaan, zooals hij om die twee
heendraaide, alsof hij zich niet verzadigen kon aan het liefelijke
tafreel.
Meta had bij den eersten oogopslag dadelijk ontdekt, dat Amy er heel
anders uitzag dan zijzelve, dat haar eigen japon niet de Parijsche
"coupe" had en dat de jonge mevrouw Moffat geheel in de schaduw zou
worden gesteld door de jonge mevrouw Laurence, die een echt elegante,
gracieuse vrouw was geworden. Jo dacht, toen zij het paar nauwkeurig
opnam: "wat komen ze toch goed bij elkander! Ik had gelijk, en Laurie
heeft 'het mooie begaafde meisje' gevonden, dat zijn huis meer tot
sieraad zal strekken dan de lompe oude Jo; zij zal zijn trots en
niet zijn plaag zijn." Mevrouw March en haar echtgenoot glimlachten
en knikten elkaar met een verheugd gezicht toe, want zij zagen,
dat het hun jongste dochter naar wensch was gegaan, niet alleen in
wereldsche dingen, maar dat ook het betere goed: liefde, vertrouwen
en geluk haar deel was geworden.
Want Amy's gelaat droeg die uitdrukking van zachte blijmoedigheid, die
van vrede des harten spreekt, haar stem had een nieuwen teederen klank,
en de koele, stijve houding was overgegaan in een zachte waardigheid,
zoowel vrouwelijk als innemend. De indruk werd niet verstoord door
kleine gemaaktheden, en haar hartelijke, lieve manieren waren nog
bekoorlijker dan de nieuwe schoonheid of haar vroegere bevalligheid,
en leverden het onmiskenbare bewijs, dat zij de echte "edelvrouw"
was, die zij eens gehoopt had te zullen worden.
"Liefde heeft veel gedaan voor ons dochtertje," zie de moeder zacht.
"Zij heeft haar heele leven door altijd een goed voorbeeld gehad, mijn
beste," fluisterde mijnheer March, terwijl hij zijn oogen vol liefde
liet rusten op het vervallen gelaat en de vergrijsde haren naast zich.
Daisy kon haar oogen maar niet afhouden van de mooie tante, en
haar handjes niet van de kostbare châtelaine, die zooveel onbekende
heerlijkheden bevatte. Demi moest eerst nog eens nadenken over de
vreemde familieleden, eer hij zich liet vangen, door het ondoordacht
aannemen van een geschenk, in den verleidelijken vorm van een familie
houten beertjes uit Bern. Een zijwaartsche beweging van Laurie deed
hem echter tot een onvoorwaardelijke overgave besluiten; de nieuwe
oom wist blijkbaar, hoe hij het moest aanleggen. "Jongmensch, toen ik
voor het eerst de eer had kennis met je te maken, gaf je me een slag
in 't gezicht: nu eisch ik voldoening!" en daarmee pakte de lange
oom het kleine neefje op, zwaaide hem in de lucht en hield hem boven
zijn hoofd, op een manier, die zijn waardigheid evenzeer benadeelde
als ze zijn jongenshart verblijdde.
"Wel, heb ik van me leven, as ze niet van 't hoofd tot de voeten in
't zij steekt! 't Doet men ouwe oogen goed, as ik haar daar zoo
mooi en lief zie zitten en as ze onze kleine Amy mevrouw Laurence
noemen!" mompelde oude Hanna, die niet nalaten kon af en toe door
een reetje van de deur te gluren, terwijl zij bezig was de tafel te
dekken, en alles vrij wel door elkander opzette.
Wat werd er druk geredeneerd! eerst de een, dan de ander, dan allen
tegelijk,--want ze wilden allemaal de geschiedenis van drie jaren in
een half uurtje vertellen. Het was een geluk dat het tijd werd om thee
te drinken, zoodat er een kleine pauze intrad en ze zich wat verkwikken
konden,--want zij zouden heesch en flauw geworden zijn, als zij nog
langer zoo hadden doorgepraat! Wel was dat een gelukkige optocht,
die later naar de kleine eetkamer trok! Mijnheer March geleidde met
trots mevrouw Laurence; mevrouw March leunde even trots op den arm van
"mijn zoon", de oude heer bood Jo den arm met een zacht en hartelijk:
"Nu moet jij mijn meisje zijn," en een blik naar het ledige hoekje
bij den haard, die Jo noopte met bevende lippen te fluisteren:
"Ik doe mijn best haar plaats te vervullen, mijnheer."
De tweelingen huppelden achteraan, in het idee, dat de gouden
eeuw was aangebroken, want iedereen bleek zoo vervuld van de nieuw
aangekomenen, dat zij zich naar hartelust vrij konden vermaken, en zij
wisten van de gelegenheid zooveel mogelijk partij te trekken. Namen
zij niet ongemerkt een teugje uit de verschillende kopjes, snoepten
zij niet ad libitum van de koekjes, bemachtigden zij niet ieder een
sneetje toast, en wisten zij niet, om alles de kroon op te zetten,
ieder een verrukkelijk taartje weg te moffelen in hun kleine zakken,
om daar verraderlijke sporen van kleverige kruimels achter te laten,
hetgeen hun leeren kon, dat zoowel de menschelijke natuur als een
taartje zwak is? Bezwaard door hun schuldig geweten en vreezende
dat Dodo's scherpe oogen door den dunnen scheidsmuur van katoen en
merinos, die den buit aan 't gezicht onttrok, zouden dringen, volgden
de kleine zondaars "Opa" als zijn schaduw, daar hij zijn bril niet
ophad. Amy, die van den een aan den ander werd overgedaan, alsof zij
een schoteltje ververschingen was, keerde naar de zitkamer terug aan
den arm van Vader Laurence; de anderen volgden twee aan twee als te
voren, en deze schikking was oorzaak, dat Jo alleen overschoot. Op
het oogenblik zelf gaf zij er niet om, want zij bleef even achter
om Hanna's vraag te beantwoorden: "Zou juffrouw Amy nou in der eigen
coupé rijden, en al dat mooie zilveren gerei gaan gebruiken, dat nou
nog allemaal in de kasten staat in het groote huis?"
"Het zou mij niets verwonderen, als zij met zes witte paarden reed,
van gouden borden at, en elken dag juweelen en echte kant droeg. Teddy
vindt niets te goed voor haar," antwoordde Jo met groote voldoening.
"Dat is 't ook warempel niet!--Wilt u gehakt of visch voor 't ontbijt
hebben?" liet Hanna er op volgen, die wijselijk poëzie met proza
vermengde.
"'t Is mij hetzelfde," en Jo deed de deur dicht, alsof het bedenken
van eten op het oogenblik een al te triviaal onderwerp was. Zij keek
even het verdwijnend gezelschap na, en toen Demi's korte beentjes
de laatste tree der trap opklauterden, overviel haar plotseling
een gevoel van eenzaamheid, zóó sterk, dat zij met betraande oogen
rondzag, alsof zij iets zocht om op te steunen,--want zelfs Teddy
had haar in den steek gelaten. Had zij geweten welk verjaarsgeschenk
met iedere minuut nader en nader kwam, dan zou zij niet tot zichzelf
gezegd hebben: "Ik zal in mijn bed wel een deuntje huilen, het zou
nu al heel saai zijn, als ik treurig was." Toen veegde zij met de
hand over haar oogen,--want een van haar jongensgebreken was nog,
dat ze nooit haar zakdoek kon vinden--en was er juist in geslaagd
een glimlach te voorschijn te roepen, toen er gebeld werd.
Met gastvrijen haast deed ze gauw zelf even open en schrikte, alsof een
tweede geest haar verrast had,--want daar stond een heer met bruinen
baard, die haar in den donkeren avond zoo vriendelijk toelachte als
een warme namiddagzon.
"O, mijnheer Bhaer, wat ben ik blij u te zien!" riep Jo, en greep
hem bij de hand, alsof zij vreesde, dat de nacht hem verzwelgen zou,
eer zij hem nog in huis had gehaald.
"En ik om juffrouw March weer te zien,--maar neen, u hebt een
partijtje," en de professor stond stil, toen hij het geluid hoorde
van zooveel stemmen en het getrappel van dansende voeten.
"Neen, neen, alleen mijn familie. Mijn broer en zuster zijn juist
thuis gekomen, en dat stemt ons allemaal zoo gelukkig. Komt u binnen
en voeg u bij ons."