In weerwil van het pas geleden verlies, waren het recht gelukkige

dagen,--zoo gelukkig dat Laurie het niet van zich kon verkrijgen ze

door een enkel woord te verstoren. Het duurde een poosje, eer hij van

zijn verbazing bekwam over het spoedig genezen van zijn eerste, en

naar hij stellig geloofd had, laatste en eenige liefde. Hij troostte

zich over die schijnbare ontrouw, door de gedachte, dat Jo's zuster

bijna op hetzelfde neerkwam als Jo-zelf, en de overtuiging, dat het

onmogelijk zou geweest zijn iemand anders dan Amy zoo kort daarna en

zoo innig lief te krijgen. Zijn eerste liefde was van stormachtigen

aard geweest; hij zag er op terug, en met een gemengd gevoel van

medelijden en spijt alsof zij reeds jaren lang achter hem lag. Hij

schaamde er zich niet over, maar begroef haar als een der bitter-zoete

ondervindingen zijns levens, waarvoor hij dankbaar kon zijn, nu de

smart gelenigd was. In zijn tweede liefdesgeschiedenis zou hij zich

zoo kalm en eenvoudig mogelijk gedragen, besloot hij; het was niet

noodig er veel beweging van te maken, bijna overbodig Amy met ronde

woorden te zeggen, dat hij haar liefhad; zij wist het toch wel, en

had hem reeds lang haar antwoord gegeven. Alles ging zoo natuurlijk en

als vanzelf, dat niemand zich kon beklagen, en hij wist dat iedereen

er mee ingenomen zou zijn,--zelfs Jo. Maar als onze eerste liefde

onbeantwoord is gebleven, zijn wij zoo licht geneigd voorzichtig en

langzaam te werk te gaan, bij het wagen van een tweede poging; daarom

liet Laurie de dagen voorbijglijden, genietende van ieder uur, en het

aan 't toeval overlatende het woord uit te spreken, dat een eind zou

maken aan het eerste en liefelijkste gedeelte van zijn nieuwen roman.

Eigenlijk had hij zich voorgesteld, dat de ontknooping plaats zou

vinden in den ouden tuin, bij maanlicht en op de meest poëtische en

teedere manier, maar het viel heel anders uit,--want de zaak werd op

het meer beslist, op klaarlichten dag, met enkele korte woorden. Zij

hadden den ganschen morgen gedobberd op het water, van het sombere

St. Gingolf naar het zonnige Montreux, de Savooische Alpen aan de

eene, de St. Bernard en de Dent du Midi aan de andere zijde, het

liefelijk Vevey in de vallei, en Lausanne in de verte heuvelopwaarts,

met een wolkeloozen hemel boven hun hoofd, en het blauwe meer onder hun

voeten, bezaaid met de schilderachtige bootjes, die zooveel gelijken

op witgevleugelde zeemeeuwen.

Zij hadden gesproken over Bonnivard, toen zij langs Chillon voeren,

en over Rousseau, toen zij hun blik lieten gaan over Clarens, waar

hij zijn Heloïse schreef. Geen van beiden had het verhaal gelezen,

maar zij wisten, dat het een liefdesgeschiedenis was, en in stilte

vroegen zij zich af, of die wel half zoo belangwekkend zou wezen

als de hunne. Amy had, gedurende een kleine pauze in het gesprek,

het water tegen haar hand laten kabbelen, en toen zij opkeek, zat

Laurie op zijn riemen te leunen met een uitdrukking in zijn oogen,

die haar haastig deed zeggen: (alleen om het stilzwijgen af te breken)

"Je zult wel moe zijn; rust een poosje en laat ik eens roeien; het

zal mij goed doen, want sedert jij gekomen bent, ben ik veel te lui

en te gemakzuchtig geworden."

"Ik ben niet moe, maar je kunt als je wilt, wel een riem krijgen. Er is

plaats genoeg, hoewel ik wel bijna in het midden mag zitten, om de boot

in evenwicht te houden," antwoordde Laurie, alsof hij die schikking

wel aardig vond. Amy nam, ofschoon zij begreep, dat de zaak er niet

beter op geworden was, het aangeboden derde gedeelte der bank in,

zette haar hoed wat in haar gezicht, en pakte een riem. Zij roeide

goed, zooals zij trouwens de meeste dingen goed deed, en hoewel zij

beide handen gebruikte en Laurie slechts één, hielden de riemen maat,

en gleed de boot zachtkens over het water.

"Wat roeien wij samen gelijk, vind je niet," vroeg Amy, die op dat

oogenblik liever geen nieuwe pauze zag intreden.

"Zoo gelijk, dat ik wou, dat wij altijd in hetzelfde schuitje konden

varen. Wil je, Amy?" vroeg hij op teederen toon.

"Ja, Laurie!"--heel zachtjes.

Toen lieten beiden de riemen rusten en voegden zonder het zelf te

weten, een allerliefst tableau van menschelijke liefde en geluk, bij de

weerspiegelingen van het schoone natuurtafereel in het heldere water.

HOOFDSTUK XIX.

ALLEEN.

Het was gemakkelijk de belofte af te leggen, zichzelf te

verloochenen, toen de gansche ziel vervuld was van een ander,

en hart en gemoed geheiligd werden door een liefelijk voorbeeld;

maar toen de moed-in-sprekende stem zweeg, de dagelijksche lessen

opgehouden hadden, de beminde zieke was heengegaan, en er niets scheen

overgebleven dan droefheid en eenzaamheid, vond Jo het heel moeilijk

haar belofte te houden.

Hoe kon zij "Vader en Moeder vertroosten," terwijl haar eigen hart pijn

deed van het onophoudelijk verlangen naar haar zuster; hoe kon zij "het

huis gezellig maken," nu alle licht en warmte en aantrekkelijkheid er

uit geweken waren, nu Betsy haar oude thuis verwisseld had voor een

nieuw; en waar ter wereld kon zij "eenig nuttig en aangenaam werk

vinden," dat de plaats kon innemen van de liefdediensten, die hun

eigen belooning met zich hadden gebracht? Zij trachtte haar plicht

te doen, maar 't ging op een troostelooze wijze, in 't blinde weg en

kwam er in stilte gedurig tegen in opstand, want het scheen haar zoo

onrechtvaardig toe, dat het weinige genot, dat zij had, nog verminderd,

haar lasten vermeerderd, en haar leven al moeilijker en moeilijker

moest worden. Sommige menschen kregen niets dan zonneschijn, anderen

daarentegen niets dan schaduw; het was niet billijk, want zij streefde,

meer dan Amy misschien, naar volmaking, maar kreeg nooit een belooning,

niets dan teleurstelling, leed en hard werk.

Arme Jo, het waren donkere dagen voor haar, want een gevoel van

wanhoop maakte zich van haar meester, als zij zich voorstelde, hoe

zij haar leven zou moeten slijten in dat stille huis, opgaande in

nietige zorgen, van tijd tot tijd een paar armzalige genoegens, en

een plicht vóór zich, die nooit lichter scheen te zullen worden. "Ik

kàn het niet, ik ben niet gemaakt voor zoo'n leven, en ik weet dat

ik mij nog eens op een goeien dag van alles losruk en iets wanhopigs

doe, als de een of ander mij niet komt helpen," zei zij tot zichzelf,

toen haar eerste pogingen mislukten en zij in den somberen, ellendigen

geestestoestand verviel, die zoo dikwijls intreedt, wanneer een sterke

wil zich in het onvermijdelijke moet schikken.

Maar er kwamen wel "iemanden" om haar te helpen, hoewel Jo niet

dadelijk oog had voor haar goede engelen, omdat zij haar in zoo

welbekenden vorm verschenen, en die eenvoudige middelen gebruikten,

die het best geschikt zijn voor ons, arme menschenkinderen. Meermalen

schrikte zij 's nachts op, meenende, dat Betsy haar riep, en als het

zien van het ledige bed haar met niet te bedwingen droefheid deed

uitroepen: "O, Bets! kom terug! kóm terug!" dan strekte zij haar

smeekende armen niet te vergeefs uit; want evenmin als de geringste

beweging van haar zusje ooit aan haar oor ontsnapt was, ontging

een harer droeve klachten aan de moeder, die gereed stond hulp en

troost te brengen, niet alleen met woorden, maar ook met de geduldige

teederheid, die verzachting aanbrengt door een handdruk; met tranen,

die de stomme getuigen waren van nóg dieper smart dan die van Jo, en

met fluisterende woordjes, die meer zeiden dan gebeden, omdat hoopvolle

onderwerping gepaard ging met natuurlijke droefheid. Onvergetelijke

oogenblikken! wanneer zij in de stilte van den nacht van hart tot hart

spraken en de droefheid tot een zegen werd, die hun smart heiligde en

hun liefde versterkte. Toen Jo dit begon te gevoelen, scheen de last

lichter te worden, de voorgeschreven plicht makkelijker te vervullen,

en het leven leek minder zwaar te dragen, nu zij het beschouwde van

uit de veilige schuilplaats in haar moeders armen.

Toen het gewonde hart eenige vertroosting had gevonden, daagde er ook

hulp op voor den afgetobden geest; want op zekeren dag ging zij naar de

studeerkamer, sloeg haar arm om het dierbare grijze hoofd, opgeheven om

haar met een zachten glimlach te verwelkomen en verzocht ze nederig:

"Vader, spreek met mij, zooals u gewoon was met Bets te spreken. Ik

heb er meer behoefte aan dan zij, want ik ben niet half zoo goed!"

"Lieve kind, niets kan mij meer goed doen, dan dit," antwoordde

hij met bevende stem, en sloeg zijn armen om haar heen, alsof hij

ook hulp behoefde en niet aarzelde er om te vragen. Toen zette Jo

zich op Betsy's kleine stoeltje dicht bij hem, en vertelde hem al

haar bezwaren; hoe zij in opstand was geweest tegen God, hoe zij

vruchteloos gestreden had en daardoor ontmoedigd was geworden, hoe

klein haar geloof was, en hoe donker het leven haar dus toescheen, en

hoe zij geheel en al in de war en bitter wanhopig gestemd raakte. Zij

schonk hem haar heele vertrouwen, en hij schonk haar de hulp, die zij

noodig had, en beiden vonden troost in die uitstorting des harten;

want de tijd was gekomen, dat zij niet alleen samen spraken als

vader en dochter, maar als vrienden, in staat elkander te helpen

met wederkeerige sympathie en liefde. Dat waren gelukkige, ernstige

uren in de oude studeerkamer, door Jo "de kerk voor één gemeentelid"

genoemd: zij was daarna dan ook met nieuwen moed vervuld, opgeruimder

van geest, en meer onderworpen van gemoed, want de ouders die een

hunner kinderen geleerd hadden den dood zonder vrees tegemoet te

gaan, deden nu al wat zij konden, om een tweede te leeren het leven

te aanvaarden, zonder mismoedigheid of wantrouwen; met dankbaarheid

te letten op de lichtzijden, en geen gelegenheid om nuttig te zijn,

ongebruikt te laten voorbijgaan.

Er waren nog meer dingen, die Jo hielpen: nederige maar heilzame

plichten, die er het hunne toe bijbrachten om haar op te wekken,

en die zij langzamerhand leerde zien en waardeeren. Stoffer en

theedoek konden haar nooit meer afkeer inboezemen zooals vroeger,

want Bets had beide gehanteerd, en iets van haar huishoudelijken geest

scheen het kleine stoffer- en blikje, dat nooit werd weggeworpen,

te omzweven. Als zij ze gebruikte, betrapte Jo er zich op, dat zij

soms de liedjes neuriede, die Bets placht te neuriën, en onwillekeurig

volgde zij Betsy's ordelijke gewoonten na, en liet ze haar oog gaan

over al die kleinigheden, waardoor de kamers er netjes en frisch bleven

uitzien, hetgeen een eerste stap was om het in huis wat vriendelijk en

gezellig te maken. Ze besefte dit zelve niet, totdat Hanna haar hand

eens een hartelijk drukje gaf en zei: "Goed, zorgzaam schepsel! je

doet je best, dat we het lieve kind tenminste niet hoeven te missen,

wat dat betreft. We zeggen er wel niks van, maar daarom zien we het

toch wel, en onze lieve Heer zal je er voor zegenen; je zult zien,

dat Hij het doet."

Als zij zoo rustig samen zaten te naaien, merkte Jo telkens op, hoe

haar zuster Meta zich ontwikkeld had; hoe degelijk zij kon praten,

hoe goed zij thuis was in allerlei dingen, hoe echt vrouwelijk in

gedachten en woorden, hoe gelukkig in man en kinderen, en hoeveel

zij allen voor elkander waren.

"Het huwelijk is, wel beschouwd, toch een voorbeeldig ding. Ik zou

wel eens willen weten, of ik half zoo zou ontluiken, als jij gedaan

hebt, wanneer ik het eens probeerde; natuurlijk als de gelegenheid

zich aanbood," zei Jo, die een vlieger voor Demi zat te maken in de

woelige kinderkamer.

"Dat is juist, wat je noodig zou hebben om den zachten vrouwelijken

kant van je karakter te voorschijn te roepen, Jo. Jij hebt veel van

een kastanje, stekelig van buiten, maar van binnen zoo zacht als zij,

en met een zoete kern, als iemand die maar bereiken kon. Liefde zal

je eenmaal wel leeren, je hart te toonen, en dan zal de ruwe borstel

er wel afvallen."

"De vorst doet den bolster van de kastanjes barsten, mevrouw Brooke,

en er moet heel wat geschud worden, eer ze afvallen. Jongens gaan

uit kastanjeplukken, en ik ben er niets op gesteld door hen in een

zak gestopt te worden," antwoordde Jo, met ijver voortplakkend aan

den vlieger, die door geen wind ter wereld kon opgejaagd worden,

want Daisy had er zichzelve bij wijze van staart aan vastgemaakt.

Meta lachte, blij Jo's vroegere opgeruimdheid weer te zien herleven,

maar zij achtte het haar plicht, haar meening alle mogelijke kracht

bij te zetten; en de zusterlijke gesprekken bleven niet zonder vrucht,

vooral daar twee van Meta's meest afdoende argumenten de kinderen

waren, die Jo teeder liefhad. Sommige harten worden het best door

droefheid ontsloten, en dat van Jo was bijna goed "voor den zak";

nog een beetje zonneschijn om de kastanje volkomen te rijpen en

dan zou niet een _jongen_ haar door ongeduldig schudden veroveren,

maar een ernstig man de hand uitstrekken om haar zacht te ontdoen

van den bolster, en den gaven, zoeten kern te bereiken. Had zij dit

kunnen vermoeden, dan zou zij zich zeker teruggetrokken hebben en

stekelachtiger dan ooit zijn geweest; gelukkig dacht zij niet veel

over zichzelf, en viel ze, toen de tijd daar was, naar beneden.

Was zij de heldin van een zedekundigen roman geweest, dan zou zij in

deze periode van haar leven misschien streng vroom zijn geworden, de

wereld verzaakt hebben, en goeddoende de huizen langs zijn gegaan,

met een eenvoudig hoedje op en haar zak vol tractaatjes. Maar Jo

was geen heldin; zij was niets meer dan een gewoon meisje, dat met

allerlei moeilijkheden te worstelen had, zooals honderd anderen, en

zich, volgens haar natuur, afwisselend droevig, knorrig, lusteloos

of vol energie toonde, al naar dat haar stemming meebracht. Jo was

zoover gekomen, dat zij haar plichten leerde vervullen, en zich

onbevredigd voelde, als zij dit niet deed, maar ze _met blijdschap_

te vervullen--zie, dat was een tweede! Dikwijls had ze gezegd,

dat zij "iets grootsch" wenschte te doen, het kwam er niet op aan,

hoe moeilijk het ook was; en nu had zij haar wensch bereikt,--want

wat was heerlijker dan haar leven te wijden aan Vader en Moeder,

en het thuis zoo gelukkig voor hen te maken, als zij het vroeger

voor háár gemaakt hadden? En zoo er bezwaren en moeilijkheden noodig

waren om de waarde van dat streven te verhoogen, wat was zwaarder

voor een rusteloos, eerzuchtig meisje, dan om eigen luchtkasteelen,

plannen en wenschen op te geven, en blijmoedig voor anderen te leven?

De Voorzienigheid had haar aan haar woord gehouden; hier was de

taak,--niet zooals ze die verwacht had, maar een betere, omdat het

eigen ik er geen rol in speelde en--kon zij haar nu vervullen? Zij

besloot het te beproeven; en bij haar eerste pogen vond zij al hulp,

bij die haar liefhadden. Nog een andere werd haar toegezonden, en zij

nam die aan,--niet als een belooning, maar als een vertroosting, zooals

Christiaan met dankbaarheid genoot van de verfrissching, die het kleine

boschje hem bood, toen hij den heuvel "Moeilijkheid" beklom [11].

"Waarom schrijf je niet eens weer wat? dat deed je toch altijd zoo

graag," zei haar moeder eens, toen Jo opnieuw een vlaag van groote

moedeloosheid doorworstelde.

"Ik heb geen lust om te schrijven, en al had ik dat, niemand geeft

toch iets om mijn verhalen."

"Wij toch wel! Toe, schrijf eens iets voor ons, en bekommer je niet

om het verdere publiek. Probeer het eens, mijn kind, ik geloof zeker,

dat het je goed zou doen, en _ons_ veel genoegen zou geven."

"Ik geloof niet, dat het zal lukken." Maar Jo haalde toch haar

lessenaar voor den dag, om haar half voltooide manuscripten nog eens

door te zien.

Een uur later keek haar moeder om het hoekje van de deur, en daar

zat zij te schrijven, met haar zwarten boezelaar voor, en zoo geheel

en al in haar bezigheid verdiept, dat mevrouw March glimlachte en

stilletjes verdween, voldaan over de uitwerking van haar raad. Jo

wist zelve niet, hoe het kwam, maar er was iets in het verhaal, dat

aanstonds den weg vond tot het hart van hen, die het lazen; en toen

de familie er over gelachen en geschreid had, zond haar vader het,

zeer tegen haar zin, naar een der meest populaire tijdschriften. Tot

haar groote verbazing werd het niet alleen betaald, maar er werd nog

meer van haar hand verlangd. Brieven van verscheiden personen, wier

lof eer was, volgden weldra; nieuwsbladen namen het verhaal over, en

onbekenden zoowel als vrienden bewonderden het. Het maakte bizonder

veel opgang voor zoo'n klein dingetje, en Jo was daar veel verbaasder

over, dan toen haar roman tegelijkertijd geprezen en veroordeeld werd.

"Ik begrijp het niet; wat steekt er toch in dat eenvoudige

geschiedenisje, dat het door de menschen zoo geroemd wordt?" vroeg

zij met de grootste verwondering.

"Het bevat waarheid, Jo, dát is het geheim; humor en zuiver gevoel

maken het boeiend, en je hebt eindelijk je genre gevonden, mijn kind;

je hebt eerst het bittere gehad, nu volgt het zoete; doe je best,

en wees even gelukkig over je succes als wij."

"Als er iets goeds en waars is in hetgeen ik schrijf, dan heb ik dat

niet uit mijzelf; ik heb het allemaal te danken aan u, en Moeder en

Bets," zei Jo, dieper geroerd door haars vaders woorden, dan door

eenigen lof van de buitenwereld.

Zoo schreef Jo, geleerd door liefde en droefheid, haar kleine verhalen,

en zond ze de wereld in, hopende er vrienden mee te maken voor hen en

voor zich zelve. Zij ondervond, dat die bescheiden zwervelingen al heel

vriendelijk ontvangen werden; zij werden hartelijk welkom geheeten,

en zonden als rechtgeaarde, door de fortuin begunstigde kinderen,

menig blijk daarvan aan hun moeder thuis.

Toen Amy en Laurie hun engagement berichtten, vreesde mevrouw March,

dat Jo het moeilijk zou vinden er zich in te verblijden, maar haar

vrees werd spoedig weggenomen, want hoewel Jo eerst heel ernstig

keek, nam zij het heel kalm op, en was reeds vol hoop en plannen

voor "de kinderen", nog eer zij den brief tweemaal gelezen had. Het

was een soort van geschreven duet, waarin ze elkaar om 't hardst

verheerlijkten; grappig om te lezen en aangenaam om te overdenken,

want niemand had iets tegen dit verbond.

"U vindt het zeker wel plezierig, hè, Moeder?" vroeg Jo, de

fijnbeschreven bladzijden neerleggend, terwijl zij haar moeder aankeek.

"Ja, ik hoopte, dat het zoo zijn zou, van het oogenblik af, waarop

Amy schreef dat zij Fred bedankt had. Ik was er toen zeker van, dat

iets beters, dan wat jij 'de koopmansgeest' noemt, in haar hart was

gekomen, en een uiting hier en daar in haar brieven deed mij vermoeden,

dat liefde en Laurie den palm zouden wegdragen."

"Wat ziet u toch scherp, Moeder, en wat kunt u toch goed zwijgen;

u hebt er nooit een enkel woord van tegen mij gezegd."

"Moeders hebben scherpe oogen en een bescheiden tong noodig, als zij

dochters hebben op te voeden. Ik was half bevreesd je die gedachte

in het hoofd te brengen, want je mocht hen eens zijn gaan schrijven,

om hen geluk te wenschen, voordat de zaak nog goed en wel in orde was."

"Ik ben niet meer de flap-uit, die ik was; u kunt mij vertrouwen, ik

ben nu wel ernstig en verstandig genoeg om iemands confidente te zijn."

"Dat is waar, mijn kind, en ik zou je zeker tot de mijne gemaakt

hebben, als ik niet ongerust was geweest, dat het je verdriet zou doen,

te hooren, dat je 'Teddy' iemand anders had lief gekregen."

"Maar Moeder, dacht u dan werkelijk, dat ik zoo dwaas en zelfzuchtig

zou zijn, nadat ik zijn liefde had afgeslagen, toen die pas ontwaakt,

en misschien het zuiverst was?"

"Ik wist, dat je het toen volkomen meende, Jo, maar in den laatsten

tijd dacht ik wel eens, dat je hem, als hij terug kwam en je nog

eens vroeg, misschien een ander antwoord zou geven. Vergeef het mij,

kindlief, ik moet wel zien, dat je je heel eenzaam voelt, en er is

soms een verlangende blik in je oogen, die mij tot in de ziel treft;

daarom dacht ik, dat Laurie de ledige plaats wellicht zou kunnen

vervullen, als hij het nu nog eens beproefde."

"Neen, Moeder, het is beter zoo, en ik ben blij, dat Amy hem heeft

leeren liefhebben; maar u hebt in één opzicht gelijk, ik voel mij

eenzaam, en zou misschien als Teddy het weer gevraagd had, 'ja'

gezegd hebben, niet omdat ik hem meer liefheb, dan toen hij wegging,

maar omdat ik er meer om geef bemind te worden, dan toen."

"Dat verheugt me, Jo, want het bewijst, dat je vooruitgaat. Er zijn

er genoeg om je lief te hebben; doe dus je best tevreden te zijn met

Vader en Moeder, zusters en broers, vrienden en kindertjes, totdat

er iemand komt, die je meer dan iemand ter wereld liefheeft en je je

belooning zal geven."

"Moeders hebben op de allerbeste manier lief, maar ik wil het mijn

moedertje wel in 't oor fluisteren, dat ik ook graag andere soorten

zou leeren kennen. Het is heel vreemd, maar hoe meer ik mij tevreden

zoek te stellen met alle mogelijke genegenheden, des te meer behoeften

schijn ik te krijgen. Ik had nooit gedacht, dat een hart zooveel

kon bevatten--het mijne is zoo elastisch; het is nooit te vullen,

geloof ik, en ik had vroeger toch volkomen genoeg aan mijn familie;

ik begrijp het niet."

"Ik wel," en mevrouw March glimlachte veelbeteekenend, terwijl Jo

den brief doorbladerde om nog eens te lezen wat Amy van Laurie schreef.

"Het is zoo'n heerlijk besef, dat iemand je liefheeft zooals Laurie;

hij is niet sentimenteel, praat er niet veel over, maar ik zie en

voel het in al wat hij zegt en doet, en het maakt mij zoo gelukkig,

en zoo klein, dat ik hetzelfde meisje van vroeger niet meer schijn te

wezen. Ik wist niet hoe goed en edelmoedig en teeder hij was, maar nu

laat hij mij in zijn hart lezen, en zie ik, hoe vol het is van nobele

opwellingen en hoop en plannen, en ik ben er toch zóó trotsch op,

dat het mij toebehoort! Hij zegt, dat hij een gevoel heeft, alsof

hij nu een voorspoedige levensreis zal maken, met mij aan boord

als stuurman, en overvloed van liefde tot ballast. Ik bid er om,

dat het zoo zijn mag, en doe mijn best, om alles te worden, wat hij

denkt dat ik ben, want ik heb mijn 'kapitein' met hart en ziel lief,

en zal hem nooit verlaten, zoolang God ons te zamen laat. O, Moeder,

ik wist niet, dat de aarde den hemel zoo nabij kon zijn, als twee

menschen elkander liefhebben en voor elkander leven!"

"En dat is onze koele, terughoudende, wereldsche Amy! Werkelijk, de

liefde doet wonderen. Wat innig gelukkig moeten die twee zijn!" en

Jo vouwde den brief met zorg dicht, zooals men een mooien roman zou

dichtslaan, die den lezer geboeid heeft tot aan het einde, en hem

dan weer alleen laat in de nuchtere werkelijkheid.

Na een oogenblik dwaalde Jo naar boven, want het regende en zij kon

niet gaan wandelen. Een rustelooze geest bezielde haar, en het oude

droevige gevoel maakte zich weer van haar meester; niet zoo bitter

als vroeger, maar zij vroeg zich toch met pijnlijke verwondering af,

waarom de eene zuster alles mocht hebben, wat zij maar begeerde, en

de andere niets. Het was niet waar; dat wist zij wel, en zij trachtte

de opwelling op zij te zetten, maar het natuurlijk verlangen naar

liefde was sterk, en Amy's geluk wekte den vurigen wensch in haar op,

ook iemand met hart en ziel te kunnen liefhebben en haar leven aan

hem te mogen wijden, zoolang God hen te zamen wilde laten.

Op den zolder, waar Jo's doelloos omdwalen tot een einde kwam,

stonden vier kleine kisten op een rij, alle geteekend met den

naam der eigenares en alle gevuld met reliquien uit de kinder- en

meisjesjaren, nu voor allen voorbij. Jo deed ze open en keek er eens

in, en toen zij aan de hare kwam, leunde zij met de kin op den rand

en staarde afgetrokken op den verwarden rommel, totdat een stapeltje

oude leesboeken haar oog trof. Zij haalde ze te voorschijn, keek ze

door, en leefde dien prettigen winter bij de vriendelijke mevrouw

Kirke nog eens over. Eerst glimlachte ze, daarna keek zij peinzend,

en toen zij een klein briefje tegenkwam van de hand van den professor,

begonnen haar lippen te beven, de boeken gleden van haar schoot, en

zij staarde op de vriendelijke woorden, alsof zij een nieuwe beteekenis

voor haar kregen, en een teer plekje in haar hart aanraakten.

"Gij kunt mij verwachten, lieve vriendin, het kan misschien wel wat

laat worden, maar ik zal zeker komen."

"O, kwam hij maar, hij was altijd zoo vriendelijk, zoo goed, zoo

geduldig met mij; mijn lieve oude Frits, ik heb hem niet half genoeg

gewaardeerd toen ik hem had, maar wat zou ik hem nu niet graag eens

willen zien, want iedereen schijnt van mij weg te gaan en ik blijf

heel alleen."

Zij hield het papiertje vast, alsof het een belofte was, die

nog vervuld moest worden, leunde met het hoofd op een groote

prullemand en schreide, alsof zij den regen daarbuiten gezelschap

wilde houden. Was het alleen uit medelijden met zichzelf, uit

verlatenheid, of neerslachtigheid? of was 't het ontwaken van een

gevoel, dat zijn tijd had afgewacht, met evenveel geduld als hij,

die het inboezemde? Wie zal het zeggen?

HOOFDSTUK XX.

VERRASSINGEN.

Alleen in den schemer op de oude sofa, lag Jo naar het vuur te staren

en te peinzen. Dat was haar geliefkoosde manier om het schemeruurtje

door te brengen; niemand stoorde haar, en zij lag daar gewoonlijk,

op Betsy's klein rood kussen, verhalen te phantaseeren, droomen te

droomen, of met teedere liefde te denken aan de zuster, die haar nooit

veraf scheen. Zij zag er vermoeid, ernstig en min of meer droevig uit,

want morgen was zij jarig, en zij dacht er over hoe oud zij al werd,

en hoe weinig zij nog gedaan had. Bijna vijf en twintig, en niets

uitgevoerd, dat de moeite waard was!--Daar vergiste Jo zich in;

ze had heel wat gedaan, en na een poosje erkende ze dat ook zelf,

en was er dankbaar voor.

Op Eigen Wieken · 第 20 / 26 段