die hij in zijn toondicht zou kunnen vereeuwigen, deed zijn geheugen
er hem met de vriendelijkste bereidwilligheid een aan de hand. Dit
beeld kreeg telkens verschillende gelaatstrekken, maar het had altijd
gouden lokken, was gehuld in eene doorzichtige wolk, en zweefde
luchtig voorbij zijn geestesoog, in een liefelijken chaos van rozen,
pauwen, witte ponies en blauwe linten. Zonder een naam te geven aan
die bekoorlijke schim, maakte hij haar tot zijn heldin, en kreeg haar
innig lief, hetgeen niet te verwonderen was, want hij kende haar alle
mogelijke gaven en bevalligheden toe, en leidde haar veilig door een
reeks van beproevingen heen, die elke andere sterfelijke vrouw zouden
vernietigd hebben.
Dank zij deze inspiratie schoot hij geruimen tijd uitstekend op,
maar langzamerhand verloor het werk zijn aantrekkelijkheid; hij
liet de pen rusten, en bleef zitten mijmeren met het papier voor
zich, of dwaalde door de drukke straten, om nieuwe denkbeelden op
te doen en zijn geest te verfrisschen, die dezen winter bizonder
ongestadig scheen te zijn. Hij deed niet veel, maar hij dacht over
velerlei dingen na, en voelde, dat er onwillekeurig de een of andere
verandering met hem plaats vond. "Het is misschien het bruisen van
het genie--ik zal het laten bruisen, en zien wat er van komt," zei
hij, heimelijk vermoedende, dat het geen genie, maar iets anders,
veel meer alledaagsch' was. Maar wat het dan ook mocht wezen, het
werkte toch iets uit, want hij werd steeds meer ontevreden met zijn
onbeteekenend leven, begon te verlangen naar een bepaalde taak,
waarin hij zich met hart en ziel kon verdiepen, en kwam eindelijk
tot het verstandige inzicht, dat iemand, die veel van muziek houdt,
daarom nog geen componist is. Toen hij op zekeren avond terugkwam uit
het koninklijk theater, waar een van Mozart's groote opera's prachtig
was opgevoerd, keek hij de zijne nog eens in, speelde een paar van de
beste eindjes, zat een poosje te staren naar de busten van Mendelssohn,
Beethoven en Bach, die op hun beurt welwillend op hem neerkeken;
scheurde toen eensklaps al zijn volgeschreven vellen muziekpapier
een voor een in stukken, en de laatste snippers wegwerpende, zei hij
bedaard tegen zichzelf:
"Zij heeft gelijk! talent is nog geen genie, en je kunt het er niet van
maken. Die muziek heeft alle ijdelheid uit mij weggevaagd, evenals Rome
haar een openbaring is geweest, en ik wil niet langer zoo dwaas zijn,
er mij nog iets van voor te stellen. Ziezoo, wat zal ik nu beginnen?"
Dat scheen een moeilijke vraag om te beantwoorden, en Laurie wenschte
bijna, dat hij werken moest om zijn dagelijksch brood te verdienen. Zoo
ooit, dan deed zich nu de gelegenheid voor "om naar den duivel te
loopen," zooals hij zich eens krachtig had uitgedrukt,--want hij had
overvloed van geld, en niets te doen,--en Satan verschaft, zooals
iedereen weet, graag bezigheid aan ledige handen.
De arme jongen had verzoekingen genoeg van buiten en van binnen te
bestrijden, maar hij weerstond ze vrij wel,--want hoe hoog hij zijn
vrijheid ook mocht schatten, hij schatte 't in hem gestelde vertrouwen
nog hooger,--en zoo hielden de belofte aan zijn grootvader gedaan,
en zijn wensch om de vriendinnen, die hem liefhadden, eerlijk in
de oogen te kunnen zien, en te kunnen zeggen: "alles in orde," hem
op den goeden weg. Misschien zal de een of andere pessimist zeggen:
"Dat geloof ik niet; jongens zijn jongens en jongelui moeten eerst hun
wilde haren verliezen. Vrouwen moeten geen wonderen verwachten." Ik
laat ieder vrij te gelooven, wat hij wil, maar houd vol, dat het toch
waar is. Vrouwen kunnen heel wat wonderen teweegbrengen, en ik ben er
van overtuigd, dat zij zelfs het groote wonder kunnen uitwerken: het
peil der mannen te doen rijzen, door te weigeren dergelijke gezegden
te herhalen. Laat jongens, jongens zijn,--hoe langer hoe beter,
en laten de jongemannen hun wilde haren verliezen, maar moeders,
zusters en vriendinnen kunnen hun de behulpzame hand reiken in dien
moeilijken tijd, door te toonen, dat zij gelooven aan de mogelijkheid
van hun trouw aan die deugden, die den man doen rijzen in de schatting
van goede vrouwen. Zoo het inbeelding is, laat ons er dan toch van
genieten, zoolang wij kunnen, want zonder haar is de schoonheid en
poëzie van het leven voor de helft verloren, en droevige voorgevoelens
zouden al de hoop vernietigen, die wij koesteren omtrent de flinke,
teerhartige kleine jongens, die nog altijd hun moeders liever hebben
dan zich zelven, en zich niet schamen dat te bekennen.
Laurie dacht, dat hij gedurende verscheiden jaren alle krachten
zou hebben in te spannen om zijn liefde voor Jo te boven te komen;
maar hij ontdekte tot zijn groote verbazing, dat het hem met den
dag gemakkelijker viel. Hij wilde het in het begin niet gelooven,
werd boos op zichzelf, en kon het niet begrijpen; maar onze harten
zijn vreemde, tegenstrijdige dingen, en de tijd en de natuur doen
het hunne, in weerwil van ons zelven. Laurie's hart _wilde_ geen pijn
meer doen; de wond deed haar best om te genezen, met een snelheid die
hem verbaasde, en in plaats dat hij alle krachten moest inspannen om
te leeren vergeten, ontdekte hij, dat hij zich inspannen moest om
er aan te denken. Hij had dezen ommekeer van zaken niet verwacht,
en was er niet op voorbereid. Hij kreeg een afschuw van zichzelf,
was verwonderd over zijn eigen veranderlijkheid en over het vreemde
mengelmoes van teleurstellingen en verruimdheid, waarmee hij zich
zoo spoedig kon herstellen van zulk een zwaren slag. Hij rakelde
de sintels van zijn verloren liefde met de meeste zorg op, maar zij
weigerden in lichte laaie te ontbranden; er kwam niets anders dan een
weldadige gloed, die hem verwarmde en goeddeed, zonder hem koortshitte
te bezorgen, en hij zag zich, hoewel met tegenzin, genoodzaakt te
erkennen, dat de jeugdige hartstocht langzamerhand overging in rustige
genegenheid,--zeer teeder, en nog een weinig droevig en gevoelig--maar
dat zou met den tijd zeker wel overgaan, en een broederlijke liefde
achterlaten, die onveranderlijk zou blijven bestaan tot aan het einde.
Toen hem bij een dezer overpeinzingen het woord "broederlijk" voor
den geest kwam, glimlachte hij en keek op naar het portret van Mozart,
dat tegenover hem hing.
"Hij was een groot man, en toen hij de eene zuster niet krijgen kon,
wendde hij zich tot de andere en was gelukkig."
Laurie zei de woorden niet hardop, dácht ze alleen maar in stilte; en
het volgend oogenblik kuste hij het kleine oude ringetje, fluisterend:
"Neen, dat niet! Ik heb het niet vergeten, dat kan ik ook niet. Ik
zal het nog eens probeeren, en als het dan weer mislukt, ja, dan--"
Hij eindigde zijn zin niet, maar greep pen en papier en schreef aan Jo,
dat hij niet in staat was zich tot iets te bepalen, zoolang er nog de
geringste hoop bestond, dat zij van gedachten zou veranderen. Kon zij
niet, wou zij niet,--zoodat hij thuis kon komen en gelukkig zijn? Hij
voerde, terwijl hij op het antwoord zat te wachten, hoegenaamd niets
uit, maar leefde in een koortsachtige spanning. Eindelijk kwam het,
en bracht hem zekerheid op één punt,--want Jo schreef zeer bepaald,
dat zij niet kon en niet wilde. Zij ging geheel en al op in Bets, en
verlangde het woord "liefde" nooit weer te hooren. Daarop verzocht zij
hem met iemand anders gelukkig te willen zijn, maar ten allen tijde
in zijn hart een klein hoekje open te houden voor zijn liefhebbende
zuster Jo. In een naschrift vroeg zij hem niet aan Amy te zeggen,
dat Bets erger was; zij zou met het voorjaar thuiskomen, en het was
niet noodig de laatste weken van haar verblijf in het buitenland te
vergallen. Het zou later tijd genoeg zijn, maar Laurie moest haar maar
dikwijls schrijven en zorgen, dat zij zich niet eenzaam of angstig
gevoelde, of te veel naar huis verlangde.
"Dat zal ik doen, en wel dadelijk. Arme, kleine meid, het zal eene
treurige thuiskomst voor haar zijn, vrees ik," en Laurie opende zijn
schrijftafel, alsof een brief aan Amy het passend slot was van den
volzin, dien hij eenige weken geleden onvoltooid had gelaten.
Maar hij schreef toch niet dien dag; want toen hij naar zijn
mooiste papier zocht, kwam hij iets tegen, dat hem van gedachte deed
veranderen. Tusschen rekeningen en papieren van allerlei aard zwierven
verscheiden brieven van Jo rond, en in een ander vakje van zijn
schrijftafel lagen de briefjes van Amy, zorgvuldig saamgebonden met
een van haar blauwe linten, dat herinneringen wekte aan de verwelkte
roosjes, die er bij bewaard waren gebleven. Met een half berouwvollen,
half lachenden blik, legde Laurie al de brieven van Jo bij elkander,
streek ze glad, vouwde ze toe, en borg ze netjes in een klein laatje
van zijn lessenaar, draaide een oogenblik in gedachten verzonken het
ringetje in de rondte, deed het langzaam af, legde het bij de brieven,
sloot het laatje, en ging toen naar de Kathedraal om de Hoogmis te
hooren uitvoeren, met een gevoel, alsof er een begrafenis plaats had;
en hoewel hij niet overstelpt was door droefheid, scheen dit toch
een geschikter manier om het overige van den dag door te brengen,
dan het correspondeeren met bekoorlijke jonge dames.
De brief werd echter toch gauw geschreven en aanstonds beantwoord,
want Amy _had_ heimwee, en bekende hem dat met zeer vleiende
vertrouwelijkheid. De briefwisseling bloeide ongeloofelijk,
en de brieven vlogen die geheele lente door, met nooit missende
regelmatigheid, heen en weer. Laurie verkocht zijn busten, stak met de
proeven van zijn opera zijn sigarettes aan, en ging naar Parijs terug,
in de hoop, dat zeker iemand daar ook zou komen. Hij zou dolgraag
naar Nice zijn gegaan, maar wilde niet, tenzij hij uitgenoodigd
werd; en Amy wilde het hem niet vragen, want zij deed juist op dat
oogenblik een kleine ondervinding op, die de oorzaak was, dat zij de
onderzoekende oogen van "onzen jongen" eigenlijk vreesde.
Fred Vaughn was teruggekomen en had haar de vraag gedaan, waarop zij
vroeger besloten had "ja" te antwoorden; maar nu zei zij "neen", wel
vriendelijk, maar toch vast besloten, want toen het oogenblik daar was,
ontzonk haar de moed, en bemerkte zij, dat er iets meer noodig was
dan geld en een goede positie, om het nieuwe verlangen te bevredigen,
dat haar hart met zooveel teedere hoop en vrees vervulde. De woorden
"Fred is een goeie jongen, maar volstrekt niet de man, dien ik dacht,
dat jij kiezen zou," en Laurie's gezicht, toen hij dat zei, kwamen
met dezelfde hardnekkigheid voor haar geest als haar eigene, toen
zij met blikken, zooal niet met woorden, gezegd had: "Ik ben van
plan te trouwen om geld." Het hinderde haar nu; ze wou, dat zij ze
terug kon nemen; ze klonken zoo onvrouwelijk, en ze wilde niet, dat
Laurie haar zou houden voor een gevoelloos, wereldsch schepsel. Nu
verlangde zij er veel meer naar om een beminnelijke vrouw te zijn
dan te schitteren in de maatschappij; zij was zoo blij, dat hij
haar den rug niet had toegekeerd, na al de vreeselijke dingen, die
zij gezegd had, maar alles zoo goed opnam, en vriendelijker was dan
ooit. Zijn brieven waren haar tot grooten troost--want de brieven van
huis kwamen zoo ongeregeld en gaven niet half zooveel als de zijne,
wanneer zij kwamen. Het beantwoorden was niet slechts een genoegen,
maar ook een plicht, want de arme jongen voelde zich eenzaam, en
moest wat afgeleid worden, nu Jo hardvochtig bleef. Zij had toch
eens moeten probeeren, of zij hem niet kon liefhebben,--het kon
niet zoo heel moeilijk zijn--menigeen zou trotsch en blij wezen,
als zoo'n aardige jongeman van haar hield; maar Jo deed nu eenmaal
nooit als andere meisjes, en dus schoot er niets over, dan maar heel
vriendelijk te zijn en hem te behandelen als een broer.
Als alle broers even lief behandeld werden als Laurie van nu af aan,
zouden zij er veel gelukkiger aan toe wezen, dan zij nu zijn. Amy
las hem nu nooit de les; zij vroeg zijn gevoelen op alle punten,
stelde belang in al wat hij deed, maakte allerliefste cadeautjes
voor hem, zond hem twee brieven per week, vol van allerlei levendige
beschrijvingen, zusterlijk vertrouwelijke mededeelingen, en bekoorlijke
schetsjes van al het moois, dat zij zag. Daar weinig broers zoo door
hun zusters vereerd worden, dat ze hun brieven bij zich dragen om die
telkens te lezen en te herlezen, die epistels hun tranen ontlokken,
als zij kort, maar gekust worden, wanneer zij lang zijn, en als
schatten bewaard worden, willen wij zelfs niet het vermoeden wekken,
alsof Amy iets van die dwaze, teerhartige dingen deed. Maar zooveel is
zeker, zij werd in dit voorjaar wel wat bleek en afgetrokken, verloor
veel van haar lust voor allerlei uitgangetjes en ging dikwijls alleen
schetsen. Zij had nooit veel te vertoonen bij haar tehuiskomst, maar
bestudeerde vermoedelijk de natuur, als zij soms uren lang met gevouwen
handen op het terras te Valrosa zat, of, zonder het zelf te weten,
alles schetste wat haar voor den geest kwam--een dapper ridder op een
graftombe, een jonge man slapend op het gras, met zijn hoed over de
oogen getrokken, of een meisje met krulhaar, in een wit japonnetje, een
balzaal doorwandelende, geleund op den arm van een lang heer, terwijl
beider gezicht onherkenbaar was gemaakt door een groote vlek, hetgeen
wel heel veilig, maar niet bepaald bevredigend kon genoemd worden.
Haar tante dacht, dat zij berouw had over haar antwoord aan Fred,
en toen Amy bevond, dat ontkenningen niets baatten, en open kaart
spelen ondoenlijk was, liet zij haar denken, wat zij verkoos, maar
droeg intusschen zorg, Laurie te doen weten, dat Fred naar Egypte
was vertrokken. Dat was alles; maar hij begreep het en voelde zich
verlucht, terwijl hij met een heel gewichtig gezicht tot zich zelf zei:
"Ik wist wel, dat zij zich bedenken zou. Arme jongen, ik heb het ook
doorgemaakt, en kan dus met hem meevoelen."
Toen slaakte hij een diepen zucht, en alsof hij daarmee zijn plicht
jegens het verledene vervuld had, vlijde hij zich gemakkelijk op de
sofa, en genoot volop van Amy's brief.
Terwijl deze veranderingen plaats vonden in het buitenland, had
droefheid de achtergeblevenen thuis bezocht; maar den brief die
Amy meldde, dat Bets achteruit ging, kreeg zij nooit in handen;
en toen zij den volgenden ontving, was het gras reeds groen boven
het graf harer zuster. Het droevig nieuws bereikte haar te Vevey,
want de warmte had hen in Mei uit Nice verdreven, en zij hadden
langzaam doorgereisd naar Zwitserland, over Genua en de Italiaansche
meren. Zij droeg het gelaten, en onderwierp zich zonder tegenspraak
aan den wensch der familie, dat zij haar bezoek niet zou bekorten,
want nu het toch te laat was om afscheid te nemen van Bets, deed zij
beter met te blijven, waar zij was, en door tijd en afwezigheid haar
droefheid te laten verzachten. Maar ze voelde zich gedrukt, verlangde
erg naar huis, en liet haar blikken elken dag over het meer gaan, of
zij Laurie nog niet zag aankomen om haar te troosten. Hij kwam dan
ook weldra; want dezelfde mail bracht brieven aan beiden, maar hij
was toen in Duitschland, en er verliepen een paar dagen, eer hij den
zijne kreeg. Zoodra hij dien gelezen had, pakte hij zijn valies, nam
afscheid van zijn mede-voetreizigers, en ging op weg om zijn belofte
te vervullen, het hart vol vreugde en droefheid, hoop en spanning.
Hij was te Vevey goed bekend, en zoodra de boot had aangelegd, haastte
hij zich langs het meer naar La Tour, waar de Carrols _en pension_
waren. Het speet den knecht zeer, dat de heele familie een roeitochtje
was gaan maken op het meer--maar neen, de blonde _mademoiselle_
was misschien in den tuin. Als mijnheer zich de moeite wilde geven,
zoolang te gaan zitten, zou hij haar in een oogwenk roepen. Maar
mijnheer kon zelfs geen oogwenk wachten en liep midden in een volzin
weg, ten einde _mademoiselle_ zelf op te zoeken.
't Was een mooie, oude tuin, aan den oever van het heerlijke meer,
met zware kastanjeboomen en overal klimop, terwijl de toren zijn
schaduw ver over het zonnig watervlak wierp. Aan den eenen hoek van
den breeden lagen muur was een bank, en hier ging Amy dikwijls heen
om te lezen of te werken, of zich te troosten met de schoonheid
der haar omringende natuur. Nu zat zij daar weer, het hoofd op de
hand geleund, met een bezwaard, naar huis verlangend hart en droeve
oogen, mijmerend over Betsy, en zich afvragend waarom Laurie nog niet
kwam. Zij hoorde niet hoe hij de plaats overstak, en zag niet hoe hij
stil bleef staan onder de poort, die naar den tuin voerde. Hij stond
daar een oogenblik en beschouwde haar in een nieuw licht, want hij
zag, wat niemand nog ooit gezien had--den teederen kant van Amy's
karakter. Alles aan haar getuigde van liefde en droefheid; de met
tranen bevlekte brieven op haar schoot, de zwarte strik in haar haar,
de uitdrukking van smart en geduld op haar bleek gezichtje, zelfs het
kleine ivoren kruisje om haar hals scheen tot Laurie's hart te spreken,
want hij had het haar gegeven, en zij droeg het als eenig sieraad. Als
hij nog eenigen twijfel mocht hebben gekoesterd omtrent de ontvangst,
die zij hem zou geven, werd deze weggenomen, zoodra zij opkeek en
hem zag; want zij liet alles op den grond vallen, liep naar hem toe,
en riep op een toon, die duidelijk haar liefde en verlangen verried:
"O, Laurie, Laurie! Ik wist wel, dat je bij mij komen zou!"
Ik geloof, dat alles toen wel een feit werd, want terwijl zij daar
zoo stil bij elkander stonden, en het donkergelokte hoofd zich zoo
beschermend boog over het blonde kopje, gevoelde Amy, dat niemand haar
zoo goed kon troosten en ondersteunen als Laurie, en Laurie kwam tot de
overtuiging, dat Amy de eenige vrouw ter wereld was, die Jo's plaats
zou kunnen innemen en hem gelukkig maken. Hij zei het haar wel niet,
maar dat stelde haar niet teleur, want beiden gevoelden hoe de zaken
stonden, waren tevreden, en lieten met vreugde alles verder aan den
tijd over.
Na een oogenblik ging Amy weer naar haar plaats terug, en terwijl
zij haar tranen droogde, raapte Laurie de gevallen papieren weer
op en vond in het herkennen van verscheiden veel gelezen brieven en
verraderlijke schetsjes goede voorteekens voor de toekomst. Toen hij
naast haar ging zitten, werd Amy wat verlegen, en bloosde ze bij de
herinnering aan haar onstuimige ontvangst.
"Ik kon het niet helpen, ik voelde mij zoo eenzaam en ongelukkig en was
zoo ontzettend blij, toen ik je weer zag. Het was zoo'n verrassing,
toen ik opkeek en jou zag staan, en dat juist terwijl ik begon te
vreezen, dat je niet komen zou," zei zij, zich te vergeefs inspannend
om volkomen natuurlijk te spreken.
"Ik kwam, zoodra ik het hoorde. Ik wou, dat ik iets zeggen kon om je
te troosten over het verlies van onze lieve Bets, maar ik kan alleen
met je mee voelen, en--" hier bleef hij steken, want hij werd ook
plotseling verlegen en wist niet recht, wat hij zeggen zou. Liefst
zou hij Amy's hoofd op zijn schouder getrokken hebben, om haar eens
goed te laten uitschreien, maar hij durfde niet, en bepaalde er
zich dus maar toe haar hand te vatten en die hartelijk te drukken,
hetgeen beter was dan woorden.
"Je hoeft niets te zeggen,--dit troost mij al," zei zij zacht,
"Bets is tot rust en gelukkig, en ik mag haar niet terugwenschen;
maar ik zie zoo op tegen het naar huis gaan, hoewel ik toch ook zoo
vreeselijk naar allen verlang. We moeten er nu maar niet te veel
over spreken, want het maakt mij aan het schreien, en ik wou graag
van je genieten, zoolang je hier bent. Je hoeft toch niet dadelijk
weer terug te gaan, wel?"
"Niet, als jij mij noodig hebt, kleintje."
"O, zoo erg! Tante en Flo zijn heel lief, maar jij bent toch nog
meer dan zij éen van de onzen, en ik zou het zoo heerlijk vinden,
als je een poosje hier bleef."
Amy sprak en zag er uit als een bedroefd kind, dat erg naar huis
verlangt, zoodat Laurie eensklaps al zijn schroom vergat, en haar
gaf, wat zij noodig had, het vertroetelen, waaraan zij gewoon was,
en het vertrouwelijk praatje, dat haar opfleurde.
"Arm kleintje, je ziet er uit, of je half ziek bent van verdriet. Ik
zal je wel eens verzorgen! Schrei nu maar niet langer, maar kom wat
met me op- en neerloopen,--de wind is te schraal om hier stil te
zitten," zei hij op den half teederen, half bevelenden toon, dien Amy
zoo graag hoorde; daarop zette zij haar hoed op, legde haar hand op
zijn arm en begon in den zonneschijn heen en weer te wandelen, onder
de uitbottende kastanjeboomen. Hij voelde zich meer op zijn gemak,
nu hij zijn lange beenen gebruiken kon, en Amy vond het heerlijk te
kunnen steunen op zijn sterken arm, het welbekende gezicht, dat haar
zoo opbeurend toelachte, weer te zien, en zijn vriendelijke stem nu
eens voor haar alleen zoo hartelijk en gezellig te hooren praten. De
oude tuin had al menig paar gelieven geherbergd, en scheen bepaald ten
hunnen gerieve aangelegd, daar hij zoo zonnig en rustig was--niemand
toch, die hen kon bespieden dan de oude toren en het blauwe meer,
dat aan hun voeten zijn kabbelende golfjes deed spelen en de echo
hunner woorden wegvoerde. Dit nieuwe paar wandelde en praatte
wel een uur lang; soms ook rustten zij eens op het lage muurtje,
met volle teugen genietende van de weemoedig-gelukkige indrukken,
die zoo'n eigenaardige bekoring bijzetten aan tijd en plaats, en
toen een prozaïsche etensbel hen waarschuwde, dat er een eind komt
aan alle dingen, had Amy een gevoel alsof zij haar zwaren last van
eenzaamheid en droefheid in den ouden tuin achterliet.
Zoodra mevrouw Carrol het opgeklaarde gezichtje zag, viel haar een
nieuw denkbeeld in, en zei zij tot zich zelf: "Nu begrijp ik alles;
het kind treurde om den jongen Laurence. Wel, wel, dat is nog nooit
in mij opgekomen!"
De goede mevrouw hield met lofwaardige bescheidenheid al deze dingen
voor zich, gaf door geen enkel teeken te kennen, dat zij iets merkte,
maar drong er hartelijk bij Laurie op aan, dat hij zou blijven,
en ried Amy toch maar veel van zijn bijzijn te genieten, daar dat
haar meer goed zou doen dan die eenzame wandelingen. Amy was een
toonbeeld van gehoorzaamheid, en daar haar tante nog al eens met
Flo uit moest, liet ze het aan Amy over haar vriend bezig te houden,
wat haar buitengewoon goed gelukte.
Te Nice had Laurie zijn tijd verbeuzeld, en Amy moeten knorren;
te Vevey was Laurie nooit lui, maar altijd druk bezig met wandelen,
rijden, roeien of studeeren, terwijl Amy, al wat hij deed, bewonderde
en zijn voorbeeld volgde, voor zoover dat kon. Hij zei, dat die
verandering toe te schrijven was aan het klimaat, en zij sprak hem niet
tegen, blij hetzelfde excuus te hebben voor haar eigen opgewektheid
en herstelde gezondheid.
De versterkende lucht deed beiden goed, en veel beweging bracht
gunstige verandering aan, zoowel lichamelijk als geestelijk. Het was
alsof zij op de eeuwenoude bergen een duidelijker inzicht kregen in het
leven en zijn plichten; de frissche wind verdreef droeve twijfelingen,
bedriegelijke inbeeldingen en sombere hersenschimmen. De warme lentezon
riep alle mogelijke hoogerstrevende begeerten, teedere verlangens en
gelukkige gedachten wakker,--het meer scheen de zorgen van het verleden
weg te spoelen, en het was alsof de trotsche oude bergen vriendelijk
op hen neerkeken en hun toefluisterden: "Kinderen, hebt elkander lief."