te trekken en te denken: 'Wat weet zij van die dingen.' Ik doe mij
niets wijzer voor dan ik ben, maar ik let goed op, en ik zie vrij wat
meer, dan je je kunt voorstellen. Ik stel altijd veel belang in de
ondervindingen en de veranderlijkheid van andere menschen, en al kan
ik er dikwijls geen verklaring van geven, onthoud en gebruik ik ze
toch tot mijn eigen nut. Heb Jo je leven lang lief, als je daar lust
in hebt,--maar laat je er niet door ten onder brengen,--want het is
slecht om zoo veel goede gaven te veronachtzamen, omdat je de eene,
waarop je je zinnen gezet hebt, niet krijgen kunt. Maar kom--ik zal
je niet langer de les lezen, want ik weet, dat je je zult aangrijpen,
en een man zijn, in weerwil van die hardvochtige Jo!"
Beiden zwegen een poosje. Laurie draaide het ringetje aan zijn
vinger rond, en Amy legde de laatste hand aan de vluchtige schets,
die zij al pratende gemaakt had. Daarna schoof zij die op zijn knie
met de woorden:
"Hoe vind je dit?"
Hij keek en glimlachte--wat hij moeilijk laten kon, want het was
uitstekend gedaan. De lange, luie gedaante op het gras, met het
onverschillige gezicht, de half gesloten oogen, terwijl de eene hand
een sigarette vasthield, waaruit een wolkje opsteeg, dat het hoofd
van den droomer in rook hulde.
"Wat teeken je toch goed!" riep hij uit, met ongeveinsde verbazing en
bewondering over haar bekwaamheid, en voegde er toen half lachend bij:
"Ja, dat bén ik."
"Zooals je _nu_ bent--dit is, zooals je wás," en Amy legde een andere
schets naast degene, die hij in de hand hield.
Zij was niet half zoo goed gelukt, maar er zat leven en geest in,
wat menige fout goed maakte, en zij riep het verleden zoo levendig in
de herinnering terug, dat het gezicht van den jongen man plotseling
veranderde, toen hij de teekening bekeek. Het was niets dan een ruwe
schets, voorstellende, hoe Laurie een paard temde; hoed en jas waren
neergeworpen, en iedere lijn van de vlugge gestalte, de vastgesloten
mond en de bevelende houding, gaven wilskracht en durf te kennen. Het
mooie dier, juist overwonnen, boog zijn nek onder de sterk aangehaalde
teugels, krabde met den eenen poot den grond op, en stak de ooren op,
alsof het luisterde naar de stem van zijn meester. De verwarde manen
van het paard en de strakke houding van den ruiter spraken van een
plotseling stilhouden, na snelle beweging; van kracht en moed, jeugdig
vuur, hetgeen een scherpe tegenstelling vormde met de achtelooze
bevalligheid van de "Dolce far niente"-schets. Laurie zei niets,
maar Amy zag, hoe hij van de eene teekening naar de andere keek,
kleurde, en zijn lippen op elkander klemde, alsof hij de les, die
zij hem gegeven had, begreep en aannam. Dat voldeed haar; en zonder
een antwoord af te wachten, zei zij op haar gewonen, levendigen toon:
"Herinner je je dien dag nog, toen je het paard zou temmen, en wij
er allemaal naar keken? Meta en Bets waren angstig, maar Jo danste,
en klapte in de handen, en ik zat op het hek, en nam er een schets
van. Ik vond die schets een paar dagen geleden in mijn portefeuille,
werkte ze wat op, en bewaarde haar om ze je te laten zien."
"Zeer verplicht! Je bent enorm veel vooruitgegaan, sedert dien tijd,
en ik wensch er je geluk mee. Mag ik zoo vrij zijn je in dit 'paradijs'
te herinneren, dat men om zes uren dineert in je hôtel?"
Dit zeggende stond Laurie op, gaf de teekeningen terug met een glimlach
en een buiging, en keek op zijn horloge, als om haar te beduiden,
dat er zelfs aan zedelessen een einde moet komen. Hij trachtte zijn
vroegere trage, onverschillige houding weer aan te nemen, maar nu
_was_ het "aanstellerij",--want de vermaning had meer uitgewerkt,
dan hij zelf wilde erkennen. Amy gevoelde een zekere koelheid in zijn
manieren, en zei tot zich zelve: "Nu heb ik hem beleedigd. Enfin, als
't hem goed doet, ben ik er heel blij om; als hij nu 't land aan me
krijgt, spijt het mij; maar het was de waarheid, en ik kan er geen
woord van terugnemen."
Zij lachten en keuvelden den geheelen weg over naar huis; en de
kleine Baptiste, die op het achterbankje zat, vond, dat _monsieur_
en _mademoiselle_ bizonder goed gehumeurd waren. Maar geen van beiden
voelde zich recht op zijn gemak; de vriendschappelijke, openhartige
toon was verstoord, er lag een schaduw over den zonneschijn,
en er heerschte in beider hart een geheime ontstemming, in spijt
van hun schijnbare vroolijkheid. "Zullen wij je van avond zien,
_mon frère_?" vroeg Amy, toen zij aan de kamerdeur van haar tante
afscheid namen.
"Ik heb ongelukkig een afspraak. _Au revoir, mademoiselle_," en
Laurie boog zich als om haar de hand te kussen op Fransche manier,
hetgeen hem beter afging dan menig ander. Maar een zeker iets in zijn
gezicht dwong Amy haastig te zeggen:
"Neen, Laurie, wees gewoon tegen me, en neem op de goede oude manier
afscheid van me. Ik krijg liever één hartelijken Engelschen handdruk,
dan al die flauwe, sentimenteele Fransche complimenten."
"Dag, Amy," en met deze woorden, gesproken op den toon dien zij
graag hoorde, verliet Laurie haar, na een handdruk, bijna pijnlijk
van hartelijkheid.
Den volgenden morgen ontving ze, in plaats van het gewone bezoek,
een briefje, dat haar bij den aanvang deed glimlachen, maar bij het
einde zuchten:
_Mijn lieve Mentor!_
Wees zoo goed je tante van mij goeden dag te zeggen, en verheug je,
want "luie Laurence" is naar zijn grootvader gegaan, zooals een braven
jongen betaamt. Heb een plezierigen winter, en mogen de goden je
gezegende wittebroodsweken geven te Valrosa. Ik denk, dat het Fred
ook goed zou doen, als hij eens wakker geschud werd. Zeg hem dat,
met mijn gelukwenschen.
Steeds de uwe
TELEMACHUS.
"Beste jongen! Ik ben blij, dat hij gegaan is," zei Amy met een
goedkeurenden glimlach, maar het volgende oogenblik betrok haar
gezicht, toen zij de leege kamer rondkeek, en voegde zij er met een
onwillekeurigen zucht bij:
"Ja, ik _ben_ blij, maar wat zál ik hem missen!"
HOOFDSTUK XVII.
DE VALLEI DER SCHADUWEN DES DOODS.
Toen de eerste bitterheid voorbij was, nam de familie March het
onvermijdelijke aan en trachtte het blijmoedig te dragen, elkander
steunende door die innige liefde, die gewoonlijk in tijden van druk,
huisgenooten nauwer verbindt. Zij maakten het elkaar niet zwaarder
door nuttelooze klachten, en ieder deed zijn best om dat laatste jaar
nog een betrekkelijk gelukkig jaar te doen zijn.
De vroolijkste kamer werd voor Bets in orde gemaakt, en alles daar
bijeen gebracht, waar zij het meest zwak op had--bloemen, platen, haar
piano, het kleine werktafeltje en de geliefde katjes. Vaders mooiste
boeken vonden hun weg daarheen, en zoo ook Moeders gemakkelijke stoel,
Jo's schrijftafel, Amy's beste schetsen; en elken dag bracht Meta haar
kleintjes even, om een zonnestraaltje te werpen in de kamer van "Tante
Bets". John legde, zonder iets te zeggen, een sommetje ter zijde, om de
zieke van tijd tot tijd wat vruchten of andere versnaperingen te kunnen
zenden, waarvan zij veel hield en waarnaar ze dikwijls verlangde; de
oude Hanna werd nooit moede in het bedenken van nieuwe schoteltjes,
om haar grilligen eetlust te prikkelen, en stortte onder het bereiden
menigen traan; en van over de zee kwamen allerlei verrassinkjes en
opgeruimde brieven, die weldadige warmte en liefelijke geuren schenen
mee te brengen uit streken, waar men geen winter kent.
Vereerd als een huisgod in zijn nis, zat Betsy, rustig en bezig als
altijd, want niets kon haar lieve onzelfzuchtige natuur veranderen,
en nu zelfs, nu zij op het punt stond uit dit leven te scheiden,
trachtte zij het zoo gelukkig mogelijk te maken voor degenen,
die achter zouden blijven. De zwakke vingers waren nooit ledig,
en een van haar liefste bezigheden was, kleine presentjes te maken
voor de schoolkinderen, die dagelijks voorbij gingen; om b.v. een
paar wantjes uit het raam te laten vallen voor een paar verkleumde
handjes, een naaldenboekje voor een kleine poppen-moeder, aardige
inktlappen voor jeugdige schrijvers, die zich met moeite een weg
baanden door dichte bosschen van hanepooten, of kleine plakboekjes voor
kunstlievende oogen, en alle mogelijke, andere, aardige verzinsels,
zoodat het jonge volkje, dat eigenlijk met tegenzin de ladder der
geleerdheid beklom, zijn weg als het ware met bloemen bestrooid vond,
en de lieve geefster ging beschouwen, als een soort van goede fee,
die van haar troon allerlei gaven voor hun voeten strooide, gaven,
die op wonderbare wijze juist beantwoordden aan hun smaak en hun
behoeften. Indien Betsy eenige belooning verlangde, vond zij die
in de vroolijke gezichtjes, die steeds naar haar venster opkeken,
haar toeknikten en toelachten, en in de grappige, kleine briefjes,
vol vlekken en dankbaarheid, die zij van hen kreeg.
De eerste maanden waren werkelijk gelukkig, en Betsy keek gedurig om
zich heen en zeide dan: "Wat is alles heerlijk!" als zij zoo gezellig
bij elkander zaten in haar vroolijke kamer, de kinderen kraaiend en
spelend op den grond, Moeder en de zusters bij het raam aan het werk,
terwijl Vader met zijn welluidende stem iets voorlas uit de wijze
oude boeken, die zoo rijk schenen aan goede, troostrijke woorden,
en nog evenzeer van toepassing waren nu, als toen zij eeuwen geleden
geschreven werden--een kleine tempel, waar een vaderlijk priester
zijn kuddeke de harde lessen leerde, die allen moesten leeren; hen
trachtte te doen inzien, dat hoop troost kan storten in liefhebbende
harten, en dat geloof berusting mogelijk maakt. Het waren eenvoudige
preeken, die dadelijk den weg vonden naar de harten der toehoordsters;
want het hart des vaders sprak uit den godsdienst des leeraars,
en de aandoening, meermalen merkbaar in het trillen zijner stem,
zette dubbele welsprekendheid bij aan de woorden, die hij sprak of las.
Het deed allen goed, dat deze rustige tijd hun gegeven was, als een
voorbereiding voor de droevige uren, die komen zouden, want na een
poosje klaagde Bets, dat de naald "zoo zwaar" werd, en legde zij haar
voor altijd neer; praten vermoeide haar, het zien van verschillende
menschen maakte haar onrustig, de pijn overmeesterde haar, en de
vrede harer ziel werd droevig verstoord door het lijden, dat haar
zwak lichaam teisterde. Ach! hoe moeilijk waren de dagen, hoe lang de
nachten, hoe innig de smeekbeden, die de verslagen harten opzonden,
wanneer zij, die haar zoo ziels liefhadden het moesten aanzien, hoe zij
de uitgeteerde handen naar hen uitstak, met den hartroerenden kreet:
"Help mij, o, toe help mij!" en zij geen hulp konden aanbrengen. Een
donkere wolk over de kalme helderheid der ziel, een zware strijd
tusschen het jonge leven en den dood, maar beide waren gelukkig van
korten duur, en toen het zoo natuurlijk verzet plaats had gemaakt
voor onderworpenheid, keerde de oude vrede lieflijker dan ooit
terug. Naarmate het zwakke lichaam afnam in kracht, nam de ziel toe
in sterkte, en hoewel Betsy weinig sprak, gevoelden allen in haar
omgeving, dat zij zich gereed hield en zagen zij dat de pelgrim,
die het eerst opgeroepen werd, ook het meest geschikt en het meest
bereid was om te sterven.
Jo verliet haar geen oogenblik, sedert Bets had gezegd: "Ik voel
mij sterker, wanneer jij bij mij bent." Zij sliep op een rustbank
in de kamer, stond dikwijls op om naar het vuur te zien, of om
het geduldige schepseltje dat zoo zelden om iets vroeg, en haar
best deed "om niemand tot last te zijn", te laven, goed te leggen,
of eens toe te spreken. Den ganschen dag bleef zij in de kamer,
naijverig op andere ziekenverpleegsters en trotscher op de voorkeur
haar gegeven, dan zij in later tijd ooit was op eenige eer, die haar
te beurt viel. Het waren voor Jo kostbare en nuttige uren, want haar
hart doorliep een moeilijke school; lessen in geduld werden haar op
zoo liefelijke wijze gegeven, dat het niet anders kon, of zij moest
ze ter harte nemen; lessen in liefde tot alles; die zachte stemming,
die onvriendelijkheid kan vergeven en waarlijk vergeten; het getrouw
vervullen zelfs van den moeilijksten plicht, en het innige geloof,
dat niets vreest, maar onwankelbaar vertrouwt.
Het gebeurde meermalen, dat Jo, als zij 's nachts wakker werd, Betsy
vond lezen in haar veel gebruikt boekje, of haar zacht hoorde neuriën
om den slapeloozen nacht te bekorten, of zag, hoe zij het hoofd op de
handen liet rusten, terwijl menige traan tusschen de doorschijnende
vingers neerdroppelde; dan sloeg Jo haar gade, vervuld van allerlei
gedachten, te diep voor tranen, daar zij begreep, dat Bets op haar
eenvoudige, onzelfzuchtige wijze zichzelve zocht los te maken van
het lieve oude leven, en zich voor te bereiden voor het volgende,
door het herhalen van heilige troostwoorden, stille gebeden, en de
muziek, die zij zoo liefhad.
Dit alles werkte meer uit op Jo, dan de diepzinnigste preeken,
de heiligste lofzangen, de hartstochtelijkste gebeden hadden
kunnen teweegbrengen; want met oogen, door vele tranen helderziend
geworden, en een hart, door de teederste droefheid verzacht, leerde
zij de schoonheid beseffen van Betsy's leven--door niets bizonders
gekenmerkt, zonder eerzucht, maar vol van die bescheiden deugden,
die een liefelijken geur verspreiden, en bloeien in de schaduw, en
van die zelfverloochening, welke hen, die op aarde tevreden waren met
de minste te wezen, de eersten doet zijn in het koninkrijk der hemelen.
Op zekeren nacht zocht Bets onder de boeken op haar tafeltje naar
iets, dat haar de doodelijke vermoeidheid zou kunnen doen vergeten,
die bijna even zwaar te dragen viel als pijn; zij doorbladerde haar
ouden lieveling "De Reize naar de Eeuwigheid" [10] en vond een stukje,
papier door Jo bekrabbeld. Het opschrift trok haar aandacht, en de
doorgeloopen letters deden haar zien, dat er tranen op gevallen waren.
"Arme Jo, zij is zoo vast in slaap; ik zal haar dus maar niet wakker
maken om het haar te vragen; zij laat mij toch al haar dingen zien,
en ik denk niet, dat zij knorrig zal zijn als ik dit lees," dacht
Betsy, en wierp een blik naar haar zuster, die op het haardkleed lag
te slapen met de tang naast zich, om, zoodra het hout uit elkander
viel, bij de hand te zijn.
MIJN BETSY.
Stil, geduldig in de schaduw
Uitziend naar het Hemelsch licht,
Zit zij rustig af te wachten,
't Vriendelijk oog omhoog gericht.
Aardsche hoop en vreugd en droefheid
Hebben welhaast afgedaan.
Nog maar kort en 't is geleden--
Dan breekt d'eeuwge morgen aan.
Hebt gij bijna uitgestreden,
Laat me een deel van uwen geest,
Waardoor uw kortstondig leven
Zoo aantreklijk is geweest;
Van 't geduld dat u bezielde,
En u, in de grootste pijn,
Altijd vriendlijk en blijmoedig,
Hoopvol en getroost deed zijn.
Geef mij--want ik heb 't zoo noodig--
Van uw nooit verflauwden moed,
Die den weg der plichtsbetrachting
Effen maakte voor uw voet.
Geef m'uw onbekrompen liefde
Die zoo godd'lijk schoon en vrij
't Kwaad met liefde kon vergeven--
Waar 'k misdeed, vergeef ook mij!
Zoo verliest het afscheid daaglijks
Iets van d' al te bittre pijn;
Zoo zal, als 'k de les wil leeren,
Mijn verlies mijn winste zijn.
Droefheid toch zal zachter stemmen
Mijn nog ongetemd gemoed;
Hooger streven in mij wekken,
Streven naar het Hemelsch goed.
Voortaan zie 'k in mijn gedachten,
Veilig in het land der rust,
U, mijn liev'ling, die mij opwacht,
Toewenkt van de zaalge kust.
Hoop, geloof, uit smart geboren,
Doen mij stil zijn onder 't kruis;
En de zuster, die mij voorging,
Leidt mij aan haar hand naar huis.
Gevlekt en half uitgewischt, niet uitmuntende door dichterlijke
volmaaktheid, riep dit gedichtje toch een uitdrukking van
onuitsprekelijke blijdschap op Betsy's gelaat te voorschijn, want het
was haar grootste verdriet geweest, dat zij zoo weinig gedaan had,
en Jo's versje scheen haar te verzekeren, dat haar leven niet onnut
was voorbijgegaan--dat haar dood niet die wanhoop zou veroorzaken,
waarvoor zij gevreesd had. Terwijl zij daar zoo zat te peinzen, met
het papier in de hand, viel het verkoolde blok hout ineen. Jo schrikte
wakker, pookte het vuur eens op, en sloop zachtjes naar het ledikant,
in de hoop, dat Bets zou slapen.
"Ik slaap niet, maar ik ben zoo gelukkig, Jo. Kijk's, ik heb dit
gevonden en gelezen; ik wist, dat je er niet boos om zou zijn. Ben
ik dat alles voor je geweest, Jo?" vroeg zij bescheiden en ernstig.
"O Bets, zooveel, zooveel!" en Jo legde haar hoofd op het kussen
naast haar zusje.
"Dan behoef ik niet meer te tobben, dat mijn leven nutteloos is
geweest. Ik ben lang niet zoo goed als jij mij voorstelt, Jolief,
maar ik _heb_ mijn best gedaan om te doen wat goed is, en nu het
te laat is om ook nog maar een begin te maken met het beter aan te
vatten, is het mij zoo'n troost te weten, dat er iemand is, die mij
innig liefheeft en denkt, dat ik haar in iets tot zegen ben geweest."
"Meer dan iemand ter wereld, Bets. Vroeger dacht ik, dat ik je niet
zou kunnen afstaan, maar ik begin in te zien, dat ik je niet verlies;
dat je nóg meer voor me zult zijn dan vroeger, en dat de dood ons
niet scheiden kan, al lijkt het ook zoo."
"Ik weet, dat hij het niet kan, en ik ben er ook niet bang meer voor,
want ik weet zeker, dat ik altijd je eigen Bets zal blijven, en je meer
dan ooit zal kunnen liefhebben en helpen. Jij moet mijn plaats innemen,
Jo, en alles voor Vader en Moeder zijn, als ik ben heengegaan. Zij
zullen alles van jou verwachten; laat het niet tevergeefs zijn; en
mocht het je soms moeilijk vallen, dat je zoo alleen moet werken,
herinner je dan, dat ik je niet vergeet, en dat je je gelukkiger zult
gevoelen, wanneer je Vader en Moeder helpt, dan wanneer je prachtige
boeken schrijft, of de wereld rondreist; want liefde is het eenige,
wat wij met ons kunnen nemen, wanneer wij van hier gaan, en zij maakt
het einde zooveel gemakkelijker."
"Ik zal mijn best doen, Bets," en in dat ernstig oogenblik besloot
Jo haar zoo geliefd oud plan op te geven, en zich van nu af aan een
nieuw en beter levensdoel voor oogen te stellen, inziende dat de
bevrediging van haar eigen wenschen haar toch arm zou laten, en zij
den heerlijken troost behoefde van een zich toewijden in liefde.
Zoo kwamen en gingen de lentedagen, de lucht werd helderder, de aarde
groener, de bloemen ontplooiden vroegtijdig hun blaadjes, en de vogels
kwamen nog bijtijds terug om het vaarwel toe te roepen aan Bets, die
als een vermoeid, maar vertrouwend kind zich vastklemde aan de handen,
die haar haar gansche leven door geleid hadden--aan Vader en Moeder,
die haar teederlijk ondersteunden tot aan de vallei der schaduwen
des doods, waar zij haar overgaven aan God.
Zelden, behalve in boeken, spreken stervenden bizonder treffende
woorden, zien zij gezichten, of verlaten zij de aarde met verheerlijkt
gelaat; en zij die er meermalen getuigen van waren, wanneer een ziel
het stoffelijk omhulsel ontvlood, weten, dat voor de meesten het einde
zoo natuurlijk en eenvoudig komt als de slaap. Wat Bets gehoopt had,
gebeurde: het "getij" verliep zachtkens en rustig, en in het donkere
uur, eer nog de schemering was aangebroken, blies zij zacht den
laatsten adem uit aan de borst, waar zij het eerst gerust had, zonder
eenig vaarwel, dan een laatsten blik vol liefde en een flauw zuchtje.
Met tranen en gebeden en teedere handen maakten moeder en zusters haar
gereed voor den langen slaap, die nooit meer door pijn zou gestoord
worden--en zagen met dankbare oogen, hoe een liefelijke kalmte
nu over de trekken verspreid lag, in plaats van de hartroerende
onderworpenheid, die hen zoo lang pijnlijk had aangedaan, en zij
gevoelden met innige blijdschap, dat de dood voor hun lieveling een
weldoende engel was en niet een koning der verschrikking.
Toen de morgen aanbrak, was voor het eerst sinds vele maanden, het
vuur uit, Jo's plaats ledig, en de kamer doodstil. Maar een vogeltje
zong lustig op een tak, dicht bij het raam, sneeuwklokjes bloeiden
tierig in het kozijn, en de lentezon stroomde naar binnen en deelde
van haar glans mede aan het lieve gelaat op het kussen, een gelaat zoo
vol van ongestoorden vrede, dat zij, die het zoo teeder liefhadden,
door hun tranen heen konden glimlachen, en God danken, dat eindelijk
alles wel was met Bets.
HOOFDSTUK XVIII.
Laurie zoekt te vergeten.
Amy's vermaning deed Laurie goed, hoewel hij dat natuurlijk eerst
veel later erkende; mannen zijn daar nooit zeer vlug mee. Wanneer de
vrouwen een raad geven, nemen de heeren der schepping dien niet aan,
tenzij zij zichzelf in den waan gebracht hebben, dat het juist was, wat
zij van plan waren te doen; dan handelen zij er naar, en geven, als het
goed uitkomt, aan het zwakkere geslacht de helft van de eer; komt het
echter verkeerd uit, dan geven zij haar edelmoedig de geheele schuld.
Laurie ging naar zijn grootvader terug, en wijdde zich gedurende
verscheiden weken zoo met hart en ziel aan hem, dat de oude heer
verklaarde, dat de lucht van Nice hem verwonderlijk veel goed had
gedaan, en hij niet beter kon doen, dan er nogeens heen te gaan. Het
jongmensch had niets liever gedaan--maar geen macht ter wereld zou
hem terug hebben kunnen drijven, na de ontvangen berisping; zijn
trots verbood het hem,--en werd soms het verlangen zeer sterk, dan
verlevendigde hij zijn besluit, door de woorden te herhalen, die den
diepsten indruk op hem gemaakt hadden: "Ik veracht je", en, "Ga heen,
en doe iets kranigs, dat haar zal _dwingen_ van je te houden."
Laurie keerde de zaak zoo dikwijls in zijn gedachten rond, dat hij
weldra tot het inzicht kwam, dat hij werkelijk lui en zelfzuchtig was
geweest, maar als een man een leed met zich omdraagt, heeft hij toch
immers recht op alle soorten van verzetjes, totdat hij zijn smart is te
boven gekomen! Hij voelde, dat zijn verwoeste liefde nu geheel en al
dood was, en hoewel hij haar zijn leven trouw beweenen zou, vond hij
het toch niet bepaald noodzakelijk zijn rouw zoo openlijk te blijven
dragen. Jo wilde hem niet liefhebben, maar hij zou haar toch dwingen
hem te achten en te bewonderen, door iets te doen, wat ten bewijze
kon strekken, dat het "neen" van een meisje zijn leven niet bedorven
had. Hij was altijd van plan geweest het een of ander aan te pakken,
Amy's raad kwam dus totaal overbodig. Hij had alleen maar gewacht,
totdat bovengenoemde verwoeste liefde behoorlijk begraven zou zijn;
zoodra dit gebeurd was, voelde hij zich in staat zijn gewond hart
stil in zich om te dragen en den levensstrijd voort te zetten.
Evenals Goethe, wanneer hij vreugde of droefheid ondervond, dit in
een lied moest uitstorten, besloot Laurie nu om zijn liefdessmart te
verheerlijken in een compositie, en een Requiem te vervaardigen, dat
Jo's ziel zou verscheuren, en het hart van ieder die het hoorde, zou
doen smelten. Toen dus de oude heer bemerkte, dat hij opnieuw rusteloos
en somber begon te worden, en hem raadde de reisstaf weer ter hand te
nemen, ging hij naar Weenen, waar hij muzikale vrienden had, en zette
zich aan den arbeid, met het vaste plan zich te onderscheiden. Maar,
hetzij zijn droefheid te groot was om zich te laten belichamen in
muziek, hetzij muziek iets te etherisch is om er menschelijk leed
in op te lossen, hij ontdekte weldra, dat het Requiem, ten minste
vooralsnog, zijn krachten te boven ging. Ook bleek, dat zijn geest
nog niet tot werken geschikt was, en zijn gedachten nog opklaring
noodig hadden; want het gebeurde menigmaal, dat hij zich, midden in
een droefgeestige passage, op het neuriën van een danswijsje betrapte,
en het Kerstmisbal te Nice levendig voor zijn verbeelding trad--vooral
die stevige Franschman,--die voor 't oogenblik krachtdadig een einde
maakte aan elke tragische compositie.
Toen probeerde hij het eens met een opera, want niets scheen hem
in het begin onmogelijk, maar ook hier ontmoette hij allerlei
onvoorziene moeilijkheden. Hij wilde Jo tot de heldin maken, en
riep zijn geheugen te hulp, om hem eenige liefelijke tooneeltjes
en romantische voorstellingen van zijn geliefde te binnen te
brengen. Maar zijn geheugen speelde hem parten, en wilde, alsof het
door den ondeugenden geest van het meisje zelve bezeten was, alleen
Jo's dwaasheden, gebreken en grillen voor hem oproepen; deed hem haar
alleen in de bespottelijkste houdingen zien--hoe zij b. v. matten
uitklopte, het hoofd omwonden met een bonten zijden doek, of zich
verschanste achter het canapékussen, of hem een stortbad toediende
om zijn hartstocht te blusschen,--en een niet te bedwingen lach
bedierf het aandoenlijke beeld, dat hij trachtte te schilderen. Zijn
aangebedene was met geen mogelijkheid tot heldin te maken van een
opera, en hij moest het opgeven met een: "Ze is de plaag van mijn
leven!" en een ruk aan zijn kuif, zooals een wanhopig componist past.