Het was een mooi ritje, langs kronkelende wegen, rijk aan

schilderachtige kijkjes, die zoo'n genot zijn voor schoonheidlievende

oogen. Hier een oud klooster, waaruit hun het plechtig gezang der

monniken tegemoet kwam. Daar een schaapherder, die met een soort van

houten schoenen aan, bloote beenen, een puntigen hoed, en zijn buis

over den éénen schouder geworpen, op een steen zat fluit te spelen,

terwijl zijn geiten tusschen de rotsen huppelden of aan zijn voeten

lagen. Muiskleurige ezels, beladen met manden vol verschgesneden gras,

trokken hen voorbij, begeleid door een aardig boerenmeisje met een

_capaline_ over het hoofd, en gezeten tusschen de groene hoopen,

of door een oude vrouw, die al voortgaande met haar spinrokken

spon. Bruine, zachtoogige kinderen kwamen naar buiten loopen uit

de vreemdsoortige steenen hutten, om hun ruikertjes of oranjeappels

met tak en al aan te bieden. Knoestige olijfboomen beschaduwden de

heuvels met hun donkergroen gebladerte, gouden vruchten prijkten

in de boomgaarden, en groote vuurroode anemonen omzoomden de wegen,

terwijl de Zee-Alpen zich, achter groene hellingen en spitse hoogten,

scherp en wit afteekenden tegen den blauwen Italiaanschen hemel.

Valrosa verdiende zijn naam wel, want in dat klimaat, waar voortdurend

zomerwarmte heerscht, bloeiden de rozen overal. Zij hingen tusschen

de staven van het groote ijzeren hek, waar zij den voorbijgangers een

liefelijk welkom toeriepen, stonden aan beide zijden van de laan,

die zich, tusschen citroenboomen en vederachtige palmen door, een

weg baande naar de villa op den heuvel. Ieder schaduwrijk plekje,

waar zitplaatsen den wandelaar tot rust uitnoodigden, was schier

onder rozen bedolven, in iedere koele grot lachte een marmeren

nimf u toe van uit haar bloemenpracht, en elke fontein weerkaatste

donkere witte of rozeroode rozen, die zich in het water spiegelden,

als verheugden ze zich over hun eigen schoonheid. Rozen bedekten de

muren van het huis, versierden de kroonlijsten, slingerden zich om de

pilaren, en tierden welig langs de balustrade van het ruime terras,

vanwaar men het uitzicht had op de zonnige Middellandsche zee en de

met witte muren omgeven stad aan de kust.

"Wat een ideaal plekje, vind je niet? Heb je ooit zulke rozen

gezien?" vroeg Amy, en bleef stilstaan op het terras, om van het

uitzicht te genieten en den heerlijken bloemengeur, die een zacht

windje haar toevoerde, in te ademen.

"Neen, en 'k heb ook nooit zulke doorns gevoeld," antwoordde Laurie,

met zijn duim in den mond, na een vergeefsche poging om een eenzame

donkerroode roos te bemachtigen, die juist buiten zijn bereik hing.

"Probeer het wat lager, en pluk die, waar geen doorns aan zitten,"

zei Amy, behendig drie van de roomkleurige roosjes plukkende, die

den muur achter haar bedekten. Zij stak ze in zijn knoopsgat als

een vredesteeken, en hij bekeek ze een oogenblik met een vreemde

uitdrukking op zijn gezicht, want in het Italiaansche deel van

zijn natuur leefde een sprankje bijgeloovigheid, en hij bevond zich

toen juist in dien staat van half zoete, half bittere melancholie,

waarin jonge menschen aan alle mogelijke kleinigheden een diepere

beteekenis hechten, en voedsel voor de verbeelding vinden, in al het

hun omringende. Bij het grijpen naar de doornachtige roode roos had hij

aan Jo gedacht, want levendige kleuren stonden haar goed, en zij had

dikwijls zulke rozen gedragen, uit de broeikas thuis. De bleeke rozen,

die Amy hem gaf, waren van de soort, die de Italianen in de handen

hunner dooden leggen,--nooit in bruidskransen vlechten,--en gedurende

een seconde vroeg hij zich af, of het soms een voorteeken voor Jo

of voor hemzelf zou wezen. Maar het volgend oogenblik kreeg zijn

Amerikaansch gezond verstand de overhand boven zijn sentimentaliteit,

en hij lachte hartelijker dan Amy nog van hem gehoord had.

"'t Is een goede raad,--je deed beter hem op te volgen en je vingers

te sparen," zei zij, in de veronderstelling, dat hij om haar opmerking

lachte.

"Dank je, dat zal ik doen," antwoordde hij in gekheid--en een paar

maanden later deed hij het in ernst.

"Laurie, wanneer ga je weer naar je Grootvader?" vroeg ze na een

poosje, terwijl ze op een rustieke bank ging zitten.

"Heel gauw."

"Dat heb je in de laatste drie weken al wel twaalf maal gezegd."

"Wel mogelijk; korte antwoorden zijn 't gemakkelijkst."

"Hij verwacht je, en je moest nu heusch eens gaan."

"Bizonder gastvrij. Maar 'k weet wel dat ik gaan moet."

"Waarom doe je 't dan niet?"

"Natuurlijke verdorvenheid, denk ik."

"Natuurlijke luiheid, meen je. Het is werkelijk verschrikkelijk!" en

Amy keek verontwaardigd.

"Niet zoo erg als het schijnt, want ik zou hem maar plagen, als ik

bij hem was; ik kan dus even goed blijven en jou een beetje langer

plagen--jij kunt het beter verdragen, en eigenlijk geloof ik, dat

jij het wel prettig vindt!" Waarna Laurie over den breeden rand van

de balustrade ging hangen.

Amy schudde het hoofd, en opende haar schetsboek, met een uitdrukking

van berusting op haar gezicht, maar nam zich toch voor "dien jongen"

de les eens te lezen, en begon na een poosje opnieuw.

"Waar ben je op 't oogenblik mee bezig?"

"Ik kijk naar hagedissen."

"Och neen! Ik bedoel natuurlijk wat heb je voor plannen; wat denk je

te gaan doen?"

"Een sigarette te rooken, als jij het toestaat."

"Wat _ben_ je toch vervelend! Ik houd niet van rooken, en ik permitteer

het je alleen op voorwaarde, dat ik je in mijn schets mag opnemen;

ik heb een figuur noodig."

"Met alle genoegen. Hoe wil je mij hebben? In mijn volle lengte,

of drie kwart, op mijn hoofd, of op mijn voeten? Als ik zoo vrij mag

zijn je een wenk te geven, zou ik je een liggende houding aanraden;

neem er dan jezelf mee in op, en noem de schets 'Dolce far niente.'"

"Blijf maar zoo zitten en ga slapen, als je er lust in hebt. _Ik_ ben

van plan hard te werken," antwoordde Amy met den meest mogelijken klem.

"Wat een heerlijk enthousiasme!" en hij leunde tegen een hooge urn,

met een uitdrukking van volkomen tevredenheid op zijn gebruind gezicht.

"Wat zou Jo zeggen, als zij je nu zag?" vroeg Amy ongeduldig, in de

hoop, dat zij hem zou kunnen wakker schudden door den naam van haar

nog energiekere zuster te noemen.

"Als naar gewoonte: 'Ga toch heen, Teddy; ik heb het druk.'" Hij

lachte, toen hij dit zei, maar de lach was niet natuurlijk, en er

trok een schaduw over zijn gezicht, want het uitspreken van dien

geliefden naam, deed de wond schrijnen, die nog niet was geheeld.

Zoowel de toon als de schaduw trof Amy; zij had die reeds vroeger

gehoord en gezien, en zij keek op, juist bijtijds om een nieuwe

uitdrukking in Laurie's oogen waar te nemen--een harden bitteren blik,

vol smart, onvoldaanheid en spijt. De blik was voorbijgegaan, eer

zij dien goed kon bestudeeren, en zijn gezicht had weer de gewone

onverschillige plooi aangenomen. Zij sloeg hem een oogenblik met

kunstenaarsgenot gade, en dacht, hoeveel hij toch van een Italiaan

had, zooals hij zich daar in de zon lag te koesteren, met ongedekt

hoofd en de oogen zoo droomerig en donker van kleur; want hij scheen

haar vergeten te hebben en in gepeins verzonken te zijn.

"Je doet me denken aan de beeltenis van een jong ridder op zijn

graftombe," zei zij, zorgvuldig het welbesneden profiel teekenend,

dat zoo goed tegen den donkeren steen uitkwam.

"Ik wou, dat ik het was!"

"Dat is een dwaze wensch, tenzij je je leven bedorven hebt. Je bent

zoo veranderd, dat ik soms wel eens denk--" hier zweeg Amy, met een

half verlegen, half onderzoekenden blik, die meer zeide dan haar

onvoltooiden zin.

Laurie zag en begreep de hartelijke bezorgdheid, die zij aarzelde

uit te spreken, en haar flink in de oogen ziende, antwoordde hij,

zooals hij haar moeder zoo dikwijls geantwoord had:

"Alles in orde, mejuffrouw!"

Dat stelde haar tevreden, en maakte een einde aan de twijfelingen,

die haar in den laatsten tijd dikwijls verontrust hadden. Het trof

haar, en zij toonde dat, door op hartelijken toon te zeggen:

"Daar ben ik blij om! Ik dacht wel niet, dat je een erge losbol zou

zijn geweest, maar ik was bang, dat je veel geld verspeeld zou hebben

in dat verdorven Baden-Baden, je hart verloren aan de een of andere

mooie getrouwde Fransche vrouw, of een andere dwaasheid begaan had,

iets wat jongelui blijkbaar beschouwen als een noodzakelijk onderdeel

van een buitenlandsch reisje. Blijf daar niet zoo in de zon hangen,

maar kom hier liever op het gras liggen, en 'laten w'eens vertrouwelijk

zijn', zooals Jo altijd zei, wanneer wij gezellig in het hoekje van

de canapé gingen zitten om geheimen te vertellen."

Laurie wierp zich gehoorzaam in het gras, en begon zich te vermaken

met madeliefjes te steken tusschen het lint van Amy's hoed, die op

den grond lag.

"Ik ben een en al gehoor voor je geheimen," zei hij met plotselinge

belangstelling naar haar opkijkende.

"Ik heb niets te vertellen, jij mag beginnen."

"Het spijt mij, te moeten zeggen, dat ik er geen een rijk ben. Ik

dacht, dat jij misschien groot nieuws van huis hadt."

"Ik heb je alles verteld wat er in mijn laatste brieven stond. Krijg

jij niet dikwijls bericht? Ik dacht, dat Jo je wel vellen vol zou

schrijven."

"Zij heeft het druk; ik ben dan hier en dan daar, dus is het

niet mogelijk, geregeld te correspondeeren, zooals je wel

kunt begrijpen. Wanneer begin je aan je groot kunstgewrocht,

Raphaella?" vroeg hij, eensklaps van onderwerp veranderende, na een

korte pauze, waarin hij er over gepeinsd had, of Amy zijn geheim wist

en er over verlangde te praten.

"Nooit!" antwoordde zij op droevigen maar beslisten toon. "Rome heeft

alle ijdelheid uit mij verdreven, want na de wonderen die ik dáár

gezien heb, voel ik mij te onbeteekenend om iets uit te richten,

en heb ik in wanhoop al mijn dwaze luchtkasteelen laten varen."

"Waarom; je hebt toch zooveel energie en talent?"

"Dat is juist de reden; omdat talent geen genie is, en de grootst

mogelijke hoeveelheid energie het niet tot genie maken kan. Ik wil

groot zijn, of niets. Een alledaagsche kladschilderes begeer ik niet

te worden, en dus heb ik alle pogingen opgegeven."

"En wat ben je dan van plan verder met jezelf te doen, als ik vragen

mag?"

"Mijn andere talenten te polijsten en 'een sieraad van de maatschappij

te worden,' als de gelegenheid mij daartoe ooit wordt geboden."

Het was een karakteristiek gezegde en klonk overmoedig; maar

vermetelheid hoort bij jonge menschen, en Amy's eerzucht had een

goeden grond. Laurie glimlachte, maar hij bewonderde de geestkracht,

waarmee zij, nu een lang geliefd plan in duigen viel, zich een nieuw

doel voor oogen stelde, en geen tijd verspilde met nutteloos klagen.

"Mooi! en hier komt nu, denk ik, Fred Vaughn in 't spel?"

Amy zweeg bescheiden, maar een zekere uitdrukking op haar afgewend

gezicht noopte Laurie te gaan zitten en ernstig te zeggen:

"Nu wou ik eens graag voor broer spelen, en een paar vragen doen. Mag

ik?"

"Ik beloof niet, dat ik er op antwoorden zal."

"Dat zal je gezicht wel doen, als je tong weigert. Je bent nog niet

genoeg vrouw van de wereld om je gevoelens te verbergen, meisje! Ik heb

verleden jaar praatjes gehoord over Fred en jou en ik voor mij geloof,

dat, als hij niet zoo plotseling naar huis had moeten gaan, en zoo

lang was opgehouden, er wel iets van zou gekomen zijn, is 't niet zoo?"

"Dat kan ik moeilijk beantwoorden," zei Amy stijf; maar haar oogen

glinsterden verraderlijk en deden voldoende zien, dat zij haar macht

kende en behagen schepte in die wetenschap.

"Je bent toch nog niet geëngageerd, hoop ik?" en Laurie keek eensklaps

heel ernstig, zooals een ouderen broeder paste.

"Neen."

"Maar je zult hem aannemen, als hij terugkomt en heel behoorlijk een

knieval doet, is 't niet?"

"Best mogelijk!"

"Je houdt dus heel veel van Fred?"

"Ik zou het zeker kunnen doen, als ik het probeerde."

"Maar je bent niet van plan het te probeeren, voordat het geschikte

oogenblik is aangebroken? Lieve hemel, wat een bovenaardsche

voorzichtigheid! Hij is een goeie jongen, Amy, maar niet de man,

dien ik dacht, dat jij zou liefhebben."

"Hij is rijk, een 'gentleman' en heeft bizonder innemende

manieren,"--begon Amy en ze trachtte heel koel en waardig te spreken,

maar voelde zich toch min of meer beschaamd, in weerwil van de

zuiverheid harer bedoelingen.

"Ik begrijp je--schoonheden, die in de wereld willen schitteren,

hebben geld noodig, en dus ben je van plan een goed huwelijk te doen

en er op die manier te komen? Heel juist en verstandig zeker, in de

oogen van 'men', maar het klinkt vreemd uit den mond van een dochter

van je moeder."

"'t Is toch zoo!"

De kalme beslistheid, waarmee dit korte gezegde geuit werd, was

in vreemd contrast met de jonge spreekster. Laurie gevoelde dit

instinctmatig, en ging weer liggen, met een gevoel van teleurstelling,

waarvan hij geen verklaring kon geven. Zijn blik en stilzwijgen,

gevoegd bij zekere inwendige zelfbeschuldiging, hinderden Amy, en

deden haar het besluit opvatten, hem zonder uitstel de les te lezen.

"Ik wou, dat je je eens wat aanpakte en je best deed wat levendiger

te zijn," viel zij scherp uit.

"Probeer jij me dan eens wakker te schudden, als een beste meid."

"Ik zou het best kunnen, als ik wou," en zij zag er uit, alsof zij

het op de kortste en bondigste manier zou willen aanpakken.

"Probeer het maar gerust, ik geef mijn toestemming," antwoordde

Laurie, die het heerlijk vond eens te kunnen plagen, nadat hij zich

dat prettig tijdverdrijf zoo lang had moeten ontzeggen.

"Je zou binnen vijf minuten boos zijn."

"Ik ben nooit boos op jou. Om vuur te slaan zijn er twee vuursteenen

noodig; jij bent zoo koel en zacht als sneeuw."

"Je weet niet, wat ik doen kan--als sneeuw goed toegepast wordt,

doet zij iemand gloeien en tintelen. Je onverschilligheid is voor de

helft aanstellerij; en als je maar eens ferm door elkaar geschud werd,

zou je zien dat ik gelijk had."

"Schud mij dan eens ferm door elkaar! 't Zal mij geen pijn doen,

en het is voor jou nog eens een pleziertje, zooals de reus zei, toen

zijn kleine vrouw hem sloeg. Beschouw mij maar als een echtgenoot of

een karpet, en sla, tot je er zelf moe van bent, als die soort van

lichaamsoefening je goed doet."

Daar zij nu werkelijk tot het uiterste geprikkeld was, en er hartelijk

naar verlangde, dat hij die traagheid en onverschilligheid, die hem

zoo totaal veranderd hadden, zou afschudden, scherpte Amy zoowel haar

toon als haar potlood en begon:

"Flo en ik hebben een nieuwen naam voor je bedacht: 'luie Laurence',

hoe bevalt je die?" Zij dacht, dat het hem onaangenaam zou aandoen,

maar hij sloeg zijn handen boven zijn hoofd in elkander en zei

onverstoord:

"Niet kwaad, ik dank de dames wel."

"Wil ik je eens zeggen, hoe ik in alle oprechtheid over je denk?"

"Ik smacht er naar het te hooren."

"Nu, ik veràcht je."

Al had zij gezegd: "Ik haat je," op een kregeligen of coquetten toon,

hij zou gelachen en het wel aardig gevonden hebben; maar haar ernstige,

bijna droevige stem deed hem de oogen opslaan en kortaf vragen:

"Waarom, als ik 't weten mag?"

"Omdat jij, met alle kansen om goed, nuttig en gelukkig te zijn,

aan je gebreken toegeeft en lui en karakterloos bent."

"Krachtige taal, mejuffrouw."

"Als 't je bevalt, zal ik voortgaan."

"Alstjeblieft, het is hoogst interessant."

"Ik dacht wel, dat je er zoo over zou denken; zelfzuchtige menschen

praten altijd graag over zichzelf."

"Ben _ik_ zelfzuchtig?" de vraag ontsnapte hem onwillekeurig en werd

op verwonderden toon gedaan, want de enkele deugd waarop hij aanspraak

meende te mogen maken, was grootmoedigheid.

"Ja, vreeselijk zelfzuchtig," antwoordde Amy op een kalmen, koelen

toon, die op dat oogenblik tweemaal zooveel indruk maakte als een

heftige. "Ik zal het je bewijzen, want ik heb je bestudeerd, terwijl

wij onzen tijd zoo prettig doorbrachten, en ik ben volstrekt niet

tevreden over je. Je bent nu bijna zes maanden op reis, en hebt niets

uitgevoerd dan tijd en geld verspillen en je vrienden teleurstellen."

"Mag iemand dan niet eens plezier maken, na vier jaren lang hard

gewerkt te hebben?"

"Je ziet er niet naar uit, of je veel plezier gehad hebt; in elk geval

heeft het je, voor zoover ik kan nagaan, niet veel goed gedaan. Toen

wij elkander voor het eerst zagen, zei ik, dat je er op vooruit

was gegaan, maar nu neem ik dat terug, want ik vind je niet half

zoo aardig, als toen ik van huis ging. Je bent verschrikkelijk lui

geworden, houdt van babbelen, en verbeuzelt je tijd met onbeteekenende

dingen. Je vindt het prettig je door nietsbeduidende menschen te

laten fêteeren en bewonderen, in plaats van door verstandige menschen

bemind en geacht te willen worden. Met geld, talent, een goede positie,

gezondheid en schoonheid,--dat hoor je natuurlijk graag, ijdeltuit die

je bent! maar het is de waarheid en dus moet ik het wel zeggen,--in

't bezit en 't genot van al die schatten, kun je geen andere bezigheid

vinden dan lanterfanten, en in plaats van de man te zijn, dien je kon

en moest zijn, ben je--" hier zweeg zij, met een blik, waarin zoowel

teleurstelling als medelijden te lezen stonden.

"De heilige Laurentius op een rooster," voegde Laurie er bij, den zin

kalm voltooiend. Maar de vermaning bleef toch niet zonder uitwerking,

want zijn oogen stonden nu klaar en wakker en begonnen te glinsteren,

en een half knorrige, half beleedigde uitdrukking nam de plaats in

van de vroegere onverschilligheid.

"Ik dacht wel, dat je 't zoo zou opnemen. Jullie mannen vertelt ons,

dat wij engelen zijn, en álles van jullie maken kunnen, wat wij maar

willen; maar niet zoodra trachten wij je in alle oprechtheid van

dienst te zijn, of jullie lacht ons uit en wilt niet luisteren. Wel

een bewijs hoeveel die vleierij waard is!" Amy sprak bitter en draaide

den ongelukkigen martelaar aan haar voeten den rug toe.

Een oogenblik later kwam er een hand op haar papier, zoodat zij

niet kon teekenen, en Laurie riep, met grappige nabootsing van een

berouwvol kinderstemmetje:

"Ik zal zoet zijn, héél zoet!"

Maar Amy lachte niet, want zij meende het ernstig, en terwijl ze met

haar potlood een tikje gaf op de hand die voor haar lag, zei zij strak:

"Schaam je je niet over zoo'n hand? Zij is zoo zacht en wit als die van

een vrouw, en ziet er uit, alsof zij nooit iets anders uitvoert, dan

Jouvin's fijnste handschoenen dragen en bloemen voor dames plukken. Je

bent, den hemel zij dank, geen fat, dus ben ik tenminste nog blij,

dat er geen diamanten of groote zegelringen aan schitteren, alleen

maar dat kleine oude ringetje, dat Jo je jaren geleden eens gaf. O,

ik wou, dat zij hier was om mij te helpen."

"Dàt wou ik ook!"

De hand verdween even plotseling als zij gekomen was, en het vuur,

waarmee hij met haar wensch instemde, voldeed zelfs Amy. Terwijl

ze op hem neerkeek, viel haar een nieuwe gedachte in--maar hij had

zijn hoed half over zijn gezicht getrokken, als om het te verbergen,

en zijn knevel bedekte zijn mond. Zij zag alleen, hoe zijn borst

op en neer ging door een diepe ademhaling, die wel een zucht had

kunnen zijn, en de hand, die het ringetje droeg, woelde in het gras,

alsof zij iets verbergen moest, dat te kostbaar of te teeder was om

besproken te worden. In een oogwenk kregen verschillende zinspelingen

en kleinigheden vorm en beteekenis in Amy's hoofd, en vertelden haar,

wat haar zuster haar nooit had toevertrouwd. Zij herinnerde zich,

dat Laurie nooit uit eigen beweging over Jo sprak; zij dacht aan

de schaduw, die zooeven over zijn gezicht getrokken was, aan de

verandering in zijn karakter, en het dragen van dat kleine oude

ringetje--geen sieraad aan een flinke hand. Meisjes zijn vlug in

het lezen van zulke teekenen en voelen, hoeveel zij zeggen. Daarbij

had Amy zich al eens verbeeld, dat wellicht een liefdeshistorie

de oorzaak was van die verandering, en nu was zij er zeker van;

haar heldere oogen vulden zich met tranen, en toen zij weer sprak,

was het op een zachten, vriendelijken toon.

"Ik weet wel, dat ik geen recht heb zoo tot je te spreken, Laurie;

en als je niet de best gehumeurde jongen van de wereld was, zou

je woedend op mij worden. Maar we zijn allemaal trotsch op je en

houden zóóveel van je, dat ik niet goed velen kan, dat zij thuis even

teleurgesteld in je zouden zijn, als ik het ben geweest--hoewel zij

daar de verandering misschien beter zouden begrijpen."

"Dat denk ik zeker," klonk het van onder den hoed, op een grimmigen

toon, maar die even roerend was als een half gesmoorde zou geweest

zijn.

"Zij hadden 't mij moeten schrijven, dan had ik je niet zoo hard

toegesproken, terwijl ik juist meer dan ooit vriendelijk en geduldig

had moeten zijn. Ik heb nooit van die juffrouw Randal gehouden, en

nu haat ik haar!" zei slimme Amy, die zeker van haar zaak wilde zijn.

"Juffrouw Randal?!" Laurie gaf een duw aan zijn hoed, zoodat hij van

zijn gezicht vloog, met een uitdrukking, die geen twijfel overliet

aangaande zijn gevoelens jegens die jonge dame.

"O, neem me niet kwalijk, ik dacht--" hier zweeg zij diplomatisch.

"Niet waar! dat dacht je _niet_! Je wist heel goed, dat ik nooit

om iemand gegeven heb, dan om Jo." Laurie uitte dit op zijn ouden

heftigen toon, zijn gezicht afkeerend terwijl hij sprak.

"Dat dacht ik eerst ook wel, maar omdat zij er nooit iets over

schreven, en jij op reis ging, meende ik, dat ik mij vergist had. En

wou Jo niet? Hé, ik heb altijd gedacht, dat zij vreeselijk veel van

je hield!"

"Zij _houdt_ ook wel van me, maar niet op de manier, die ik verlang;

en 't is maar gelukkig voor haar, dat zij mij niet liefhad, als

ik dan toch zoo'n nietsbeteekenend, karakterloos wezen ben, als

waarvoor jij me houdt. Maar dat is háár schuld, en dat kun je haar

gerust vertellen."

De harde, bittere uitdrukking kwam weer terug, toen hij dat zei, en het

hinderde Amy, want zij wist niet welken balsem op de wond te leggen.

"Ik had ongelijk; ik wist het niet, en het spijt mij erg, dat ik me

zoo boos op je gemaakt heb; maar ik wou tóch dat je het beter droeg,

Teddy."

"Noem me niet zoo! dat is háár naam voor me," en Laurie hief

de hand op, met een haastige beweging, om de woorden, op Jo's

half vriendelijken, half verwijtenden toon gesproken, tegen te

houden. "Wacht tot je 't zelf ondervonden hebt," voegde hij er zachtjes

bij, handenvol gras uittrekkende.

"Ik zou het manmoedig dragen, en mij in elk geval geacht maken, als

ik niet bemind kon worden," riep Amy, met de beslistheid van iemand,

die er niets van af weet.

Nu vleide Laurie zich, dat hij het bizonder goed gedragen _had_,--hij

had niet geklaagd, geen medelijden zoeken op te wekken, en was met

zijn smart de wereld ingegaan, om die alléén de baas te worden. Amy's

woorden stelden de zaak in een nieuw licht, en hij zag voor de

eerste maal in, dat het zwak en zelfzuchtig was, bij de eerste groote

teleurstelling reeds den moed te verliezen, en zich over te geven aan

sombere onverschilligheid. Hij had een gevoel, alsof hij plotseling

uit een droom werd wakker geschud en onmogelijk den slaap weer kon

vatten. Na een poosje kwam hij overeind, en vroeg langzaam:

"Denk je, dat Jo mij ook zou verachten?"

"Ja, als zij je nu zag, zou zij dat zeker. Zij heeft een afkeer van

luie menschen. Waarom doe je niet iets kranigs, en _dwing_ je haar

niet, je lief te hebben?"

"Ik heb mijn best gedaan, maar 't hielp niet."

"Door te promoveeren, bedoel je? Dat was niets meer dan je plicht

tegenover je grootvader. Het zou een schande zijn geweest, als je

niet geslaagd was, na zooveel tijd en geld verspild te hebben, en

terwijl iedereen wist, hoe goed je werken _kon_!"

"Ik bén niet geslaagd; je kunt zeggen wat je wilt, want Jo wou mij

niet liefhebben," begon Laurie, en liet mismoedig het hoofd op de

hand rusten.

"Dat ben je wel, en dat zul je later zelf moeten erkennen,--want het

deed je goed, en bewees, dat je, als je 't maar probeerde, best iets

ten uitvoer kon brengen. Als je je nu maar iets anders tot taak wou

stellen, zou je gauw weer even opgewekt en gelukkig zijn als vroeger,

en je verdriet vergeten."

"Dat is onmogelijk!"

Op Eigen Wieken · 第 17 / 26 段