raad, tenzij ik eerst gezien heb, of hij uitvoerbaar is. Toen jij
en Jo nog klein waren, deed ik precies, wat jij nu doet, en dacht,
dat ik in mijn plicht te kort schoot, als ik mij niet geheel aan
jullie wijdde. Je arme vader nam zijn toevlucht tot zijn boeken,
nadat ik al zijn aanbiedingen van hulp had afgeslagen, en liet mij
alleen begaan. Ik scharrelde zoo goed en zoo kwaad als het kon voort,
maar Jo was mij de baas. Ik had haar door toegevendheid bijna voor
goed bedorven. Jij was ziekelijk, en ik tobde met je, totdat ik
zelf ziek werd. Toen kwam Vader mij te hulp, nam met bedaardheid
de teugels in handen, en maakte zich zoo onmisbaar, dat ik mijn
dwaling inzag en het in vervolg van tijd niet meer buiten hem kon
stellen. Dat is het geheim van ons huiselijk geluk; hij laat niet toe,
dat zijn bezigheden hem aftrekken van de kleine zorgen en plichten,
die ons allen aangaan, en ik streef er naar, dat de huishoudelijke
beslommeringen mijn belangstelling in zijn studiën niet dooden. Ieder
onzer doet in verscheiden zaken zijn plicht alleen, maar thuis werken
wij altijd samen."
"U hebt gelijk, Moeder; en mijn grootste wensch is voor mijn man
en kinderen datgene te zijn, wat u voor de uwen was. Zeg mij maar,
hoe ik het moet aanleggen; ik zal alles doen, wat u mij aanraadt."
"Je bent altijd mijn volgzaam dochtertje geweest! Zie, mijn kind, als
ik jou was, zou ik John wat meer te zeggen geven over de opvoeding
van Demi, want de jongen heeft leiding noodig, en men kan niet te
vroeg beginnen. Dan zou ik doen, wat ik je reeds zoo dikwijls heb
voorgesteld,--laat Hanna komen om je te helpen; zij is een uitstekende
kinderverzorgster, en je kunt de kleintjes gerust aan haar overlaten,
terwijl jij je meer aan het huishouden wijdt. Je hebt beweging noodig,
Hanna zou van de rust genieten, en John zou zijn vrouw terugvinden. Ga
meer uit, tracht zoowel opgeruimd als bezig te zijn, want de vrouw
is de zonneschijn van het gezin, en als jij somber wordt, is 't uit
met het mooie weer. Verder zou ik belang zien te stellen in alles
wat John interesseert; praat met hem, laat hij je voorlezen, wisselt
van gedachten en helpt elkander op die manier. Sluit jezelf niet in
een naaidoos op, omdat je een vrouw bent, maar neem deel aan wat er
buitenaf voorvalt, en maak jezelf geschikt om een plaats in te nemen
op het groote wereldtooneel, want dat gaat de vrouw zoowel als den
man aan."
"John is zoo verstandig; ik ben bang, dat hij mij dom zal vinden,
als ik vragen doe over politiek en zulk soort van dingen."
"Dat denk ik niet; de liefde bedekt veel grootere zonden, en aan wien
zou je vrijer iets kunnen vragen dan aan hem? Probeer het eens, en
zie of hij jouw gezelschap niet veel verkieslijker vindt dan mevrouw
Scott's soupeetjes."
"Ik zal het doen. Arme John! Ik vrees, dat ik hem erg veronachtzaamd
heb, maar ik dacht, dat ik goed handelde en hij klaagde nooit."
"Hij trachtte niet zelfzuchtig te zijn, maar ik verbeeld mij, dat
hij zich nog al eenzaam voelde. Dit is juist een periode, Meta,
dat jonggehuwde menschen zoo licht van elkander vervreemden, en
toch is het de tijd, waarin zij het nauwst vereenigd moesten zijn;
want de eerste teederheid gaat er spoedig af, tenzij men zorgt die
te bewaren, en geen tijdstip is voor ouders zoo schoon en heerlijk,
als de eerste levensjaren van die lieve wezentjes, die hun ter
opvoeding zijn toevertrouwd. Laat John geen vreemde blijven voor
de kinderen, want zij zullen, meer dan iets anders, de middelen
zijn om hem gelukkig en dankbaar gestemd te houden in deze wereld
vol beproeving en verzoeking, en door hen zult gij elkander leeren
kennen en liefhebben zooals het behoort. En nu, kindlief, tot ziens,
denk maar eens na over Moeder's preekje, handel er naar, als 't je
goeddunkt, en God zegene jullie allen!"
Meta dacht er rustig over na, vond "het preekje" goed en handelde er
naar, hoewel de eerste poging niet precies zoo werd uitgevoerd, als zij
zich voorgenomen had. Natuurlijk speelden de kinderen den baas over
haar en in huis, zoodra zij bemerkten dat schoppen en schreeuwen hun
verschaften, wat zij begeerden. Mama was volkomen de slavin van hun
grillen, maar Papa was niet zoo gemakkelijk onder het juk gebracht,
en hij bedroefde nu en dan zijn teerhartige gade door zijn vaderlijk
gezag te handhaven tegenover zijn weerspannigen zoon. Want Demi had een
greintje overgeërfd van zijn vaders vastheid van karakter--wij willen
het niet koppigheid noemen--en als hij in zijn kleinen bol besloten had
het een of ander te hebben of te doen, kon niets ter wereld dat stijve
hoofdje van gedachten doen veranderen. Mama vond den kleinen lieveling
nog veel te jong, om hem te leeren zijn vooroordeelen op te geven,
maar Papa meende, dat men nooit te vroeg gehoorzaamheid kon leeren,
en dus ontdekte jongeheer Demi weldra, dat, als hij 't waagde het met
"Paatje" aan den stok te krijgen, hij er het slechtst afkwam; maar
het kind achtte den man, die hem overwon, en had den vader lief, wiens
ernstig: "neen," meer indruk maakte dan al de liefkoozingen der moeder.
Een paar dagen na het gesprek met haar moeder besloot Meta de
proef te nemen met John een gezelligen avond te bereiden. Zij zette
gezellig de thee klaar, ruimde de kamer op, kleedde zich netjes aan,
en bracht de kinderen tijdig naar bed, opdat er niets in den weg
zou kunnen komen. Maar ongelukkig was er niets, waartegen Demi zulk
een onverwinlijken afkeer had opgevat dan juist tegen naar bed gaan,
en dien avond had hij besloten oproerig te zijn, zoodat, hoe de arme
Meta ook zong en verhaaltjes vertelde en alles probeerde wat den slaap
maar kon opwekken--het was alles te vergeefs; de groote oogen wilden
maar niet dichtvallen, en lang nadat Daisy als een zachtaardig klein
engeltje onder zeil was gegaan, lag de ondeugende Demi in het licht
te staren met een klaar wakker gezichtje.
"Wil Demi wel een zoete jongen zijn, en stil blijven liggen, terwijl
Mama naar beneden gaat om voor Papa thee te schenken?" vroeg Meta,
toen de voordeur zachtjes toegedaan werd, en de welbekende stap bijna
onhoorbaar naar de eetkamer ging.
"Itte thee!" riep Demi, bereid om deel te nemen aan het feest.
"Neen, maar ik zal wat koekjes voor je bewaren bij het ontbijt,
als je nu net als Daisy gauw gaat slapen. Wil je, liefje?"
"Ja!" en Demi kneep zijn oogjes dicht om den slaap te vatten en de
komst van den morgen te verhaasten.
Meta maakte gebruik van het gunstig oogenblik, sloop weg, en liep naar
beneden om haar man te begroeten, met een glimlachend gezicht en het
blauwe dasje aan, dat altijd zijn bizondere bewondering opwekte. Hij
zag het dadelijk en vroeg met blijde verbazing:
"Wel, Moedertje, wat zijn we mooi van avond, wordt er bezoek verwacht?"
"Niemand dan jij, man."
"Is het dan een verjaarfeest, een gedenkdag of iets van dien aard?"
"Neen, maar het verveelt mij nog langer een sloof te zijn, daarom
heb ik mij voor de verandering eens netjes gekleed. Jij knapt je
ook altijd op, voordat wij aan tafel gaan, hoe vermoeid je ook bent;
waarom zou ik het dan niet doen, als ik er den tijd voor heb?"
"Ik doe het om jou," zei de ouderwetsche John.
"Dito, dito, mijnheer Brooke," lachte Meta, die er weer jong en lief
uitzag, terwijl ze hem over den trekpot toelachte.
"Nu, ik vind het heerlijk, het doet mij aan den ouden tijd denken. Dat
smaakt lekker, ik drink op je gezondheid!" en John dronk zijn kopje
leeg met een uitdrukking van rustig genot op zijn gezicht, die echter
van korten duur was, want toen hij zijn kopje neerzette werd er op
geheimzinnige wijze aan den deurknop gerammeld, en een kinderstemmetje
riep ongeduldig:
"Deur open; itte tom!"
"Die ondeugende jongen; ik heb hem gezegd, dat hij zonder mij moest
gaan slapen, en daar is hij nu beneden gekomen en zal zich een
doodelijke ziekte op den hals halen met zoo op zijn bloote voetjes
te loopen," zei Meta, de deur openend.
"Nu morgen," verklaarde Demi op vroolijken toon, en hij stapte de kamer
binnen met zijn lang nachtjaponnetje bevallig over den arm opgenomen,
en zijn krullebol vroolijk schuddende, terwijl hij om de tafel sprong
en met verlangende blikken naar de koekjes keek.
"Neen, het is nog geen morgen, je moet naar bed gaan en het Mama niet
zoo lastig maken, dan krijg je dat kleine koekje met suiker er op."
"Itte hou zooveel van Paatje," zei het slimme ventje en wilde op zijn
vaders knie klimmen om daar van de verboden vrucht te genieten. Maar
John schudde het hoofd en waarschuwde Meta:
"Als je hem gezegd hebt boven te blijven en alleen te gaan slapen, dan
moet je er hem toe dwingen, of hij zal nooit leeren je te gehoorzamen."
"Ja natuurlijk; kom Demi!" en Meta voerde haar zoon mee, hoewel zij ter
nauwernood de begeerte kon bedwingen om den kleinen spring-in-'t veld
aan haar hart te drukken, die naast haar voorthuppelde, in het vaste
geloof dat zijn wensch zou vervuld worden, zoodra hij de kinderkamer
bereikt had.
Hij werd dan ook niet teleurgesteld: want het kortzichtig moedertje
gaf hem een groote klont suiker, stopte hem lekker weer onder de
dekens en verbood alle verdere wandelingen tot den volgenden morgen.
"Ja!" zei Demi, de belofteschenner, terwijl hij hoogst voldaan aan
zijn suiker knabbelde en zijn eerste poging als volkomen geslaagd
beschouwde. Meta ging weer naar beneden, en het theedrinken werd
gezellig voortgezet, toen eensklaps de kleine kwelgeest nogmaals voor
hen stond, en de moederlijke zwakheden openlijk ten toon stelde door
stoutmoedig te vragen:
"Meer suiter, Mammie."
"Dat gáát zoo niet," zei John en verhardde zijn hart tegen den
allerliefsten kleinen zondaar, "we zullen nooit rust hebben, tenzij
dat kind leert behoorlijk naar bed te gaan. Je hebt je lang genoeg
afgesloofd; geef hem één flinke les, en dan zal het uit zijn. Leg
hem in bed, en laat hem dan alleen, Meta."
"Hij wil er niet in blijven; hij doet het nooit, tenzij ik bij hem
blijf zitten."
"Dan zal _ik_ hem eens onder handen nemen. Demi ga naar boven en naar
bed, zooals Mama gezegd heeft."
"Wil niet!" antwoordde de kleine bengel en maakte zich meester van
het begeerde koekje, dat hij met de grootste kalmte ging oppeuzelen.
"Dat mag je nooit weer tegen Papa zeggen; ik zal je dragen, als je
niet zelf gaat."
"Ga weg; itte hou niet van Paatje," en Demi zocht bescherming achter
de japon zijner moeder.
Maar zelfs deze schuilplaats bleek onvoldoende, want hij werd aan
den vijand overgeleverd, met een: "Wees zacht met hem, John," dat
den schuldige den schrik om het hart deed slaan, want als Mama zich
van hem afwendde, was de oordeelsdag nabij. Beroofd van zijn koekje,
zijn genot verstoord en door een sterke hand weggedragen naar het
verafschuwde bed, kon de arme Demi zijn toorn niet bedwingen, maar
verzette zich openlijk, en schopte en schreeuwde uit alle macht, den
ganschen weg over naar de slaapkamer. Zoodra was hij niet aan den
eenen kant in bed gelegd, of hij liet er zich aan den anderen kant
weer uitrollen en rende naar de deur, hetgeen echter tot niets anders
leidde, dan dat hij bij de slippen van zijn kleine toga gegrepen en
weer in bed gestopt werd. Dit levendige spelletje werd voortgezet, tot
de jongeling geen kracht meer had, waarna hij uit volle borst begon
te schreeuwen. Gewoonlijk behaalde dit vocaal concert de overwinning
op Meta; maar John zat onbewegelijk als een stok, een voorwerp,
dat algemeen als bizonder doof wordt aangemerkt. Geen troetelen,
geen suiker, geen wiegeliedje, geen vertelseltje--zelfs het licht
werd uitgedaan, zoodat niets dan de roode gloed van het vuur de
"groote duisternis" verbrak, die door Demi met meer nieuwsgierigheid
dan vrees beschouwd werd. Deze nieuwe orde van zaken stond hem niets
aan, en hij begon droevig om "Maatje" te roepen, toen zijn booze
hartstochten tot bedaren kwamen, en de herinnering aan zijn teedere
bondgenoote bij den gevangen heerscher levendig werd.
De hartroerende klaagtoonen, die op het driftig geschreeuw volgden,
vonden den weg tot Meta's hart, en zij stoof naar boven met de bede:
"Laat mij nu maar bij hem blijven; hij zal nu wel zoet zijn, John."
"Neen, lieveling, ik heb hem gezegd dat hij moest gaan slapen, zooals
jij bevolen had; en hij zal het doen, al moest ik hier ook den heelen
nacht blijven zitten!"
"Maar hij zal zich ziek schreeuwen," pleitte Meta, zich zelf
verwijtende, dat zij haar jongen verlaten had.
"Neen, dat zal hij niet, hij is zoo moe, dat hij gauw in slaap zal
vallen, en dan is de zaak geschikt, want hij zal begrijpen, dat hij
gehoorzaam moet zijn. Bemoei er je nu maar niet mee; ik zal het wel
in orde brengen."
"Het is _mijn_ kind, en ik kan niet hebben, dat zijn levendige geest
gebroken wordt door hardheid."
"Het is _mijn_ kind, en ik mag niet toelaten, dat zijn humeur bedorven
wordt door toegevendheid. Ga naar beneden, mijn lieve Meta, en laat
den jongen aan mij over."
Als John op dien toon sprak, gehoorzaamde Meta altijd, en ze had
nooit berouw over haar volgzaamheid.
"Laat me hem dan één kus geven, John."
"Zeker; Demi, zeg Mama goeien nacht, en laat haar dan naar beneden
gaan uitrusten, want zij is erg moe, nadat ze den heelen dag voor je
gezorgd heeft."
Meta hield later altijd vol, dat die kus de overwinning behaalde;
want nadat die gegeven was, begon Demi zachter te snikken en lag
doodstil aan het voeteneinde van zijn bedje, waarheen hij in zijn
baloorigheid gekropen was.
"Arm stumperdje! hij is uitgeput van den slaap en 't schreeuwen;
ik zal hem warm toedekken, en dan Meta's hart gerust gaan stellen,"
dacht John en sloop naar het bedje, in de hoop, zijn oproerigen
erfgenaam slapende te vinden.
Maar dat was niet het geval, want op het oogenblik, dat zijn vader
voorzichtig naar hem gluurde, deed Demi de oogen open, het kleine
mondje begon te beven, hij stak de armpjes uit en zei met een berouwvol
snikje: "Itte zal zoet zijn."
Meta, die op de trap zat te wachten, begreep niets van de lange stilte,
die op het rumoer volgde, en na zich alle mogelijke ongelukken te
hebben voorgesteld, sloop zij zacht de kamer binnen, om te zien, wat
er gaande was. Demi lag gerust te slapen, niet in zijn gewone houding
als een vliegende arend, maar als een nederig hoopje in de armen zijns
vaders, en zijn vaders vinger vast omklemmende, alsof hij gevoelde,
dat rechtvaardigheid hier getemperd werd door genade, en hij zich ter
ruste had gelegd als een bedroefde maar een wijzer geworden baby. John
had, toen hij zich zoo gevangen voelde, met vrouwelijk geduld gewacht,
tot de kleine hand van zelf losliet, en was onder het wachten in slaap
gevallen, veel meer vermoeid door dien strijd met zijn kleinen jongen
dan door zijn arbeid van den geheelen dag.
Toen Meta de twee hoofden op hetzelfde kussen zag, glimlachte zij en
verliet zachtjes de kamer, met voldoening tot zichzelf zeggende: "ik
hoef nooit te vreezen, dat John te hard zal zijn voor onze kindertjes;
hij weet, hoe hij met hen moet omgaan, en zal mij heerlijk kunnen
helpen, want Demi _wordt_ me de baas!"
Toen John eindelijk beneden kwam, in de stellige verwachting een
peinzende en ontstemde vrouw te zullen vinden, werd hij aangenaam
verrast, daar Meta met een opgeruimd gezicht een hoed zat op te
maken en dadelijk voor den dag kwam met het verzoek of hij haar,
zoo hij ten minste niet te moe was, iets wilde voorlezen over de
verkiezingen. John begreep terstond, dat de een of andere ommekeer op
handen was, maar liet wijselijk na, er naar te vragen, wel wetende,
dat Meta een doorzichtig persoontje was, niet in staat een geheim te
bewaren, al kon zij er haar leven ook door redden; hij zou dus den
sleutel wel spoedig vinden. Met de grootste bereidwilligheid las
hij haar een lang verslag voor, en verklaarde het haar daarna zoo
duidelijk mogelijk, terwijl Meta haar best deed om zeer belangstellend
te kijken, schrandere vragen te doen, en haar gedachten te bewaren
voor een afdwalen van den toestand der natie naar den toestand van haar
hoed. In het diepst van haar ziel echter kwam zij tot de overtuiging,
dat politiek al even weinig aanlokkend was als wiskunde, en dat het
de roeping van staatslieden scheen te zijn, elkander onaangenaamheden
te zeggen, maar zij hield die vrouwelijke gedachten voor zichzelve,
en toen John even zweeg, schudde zij haar hoofd en zei met wat zij
voor diplomatieke dubbelzinnigheid hield:
"Ik begrijp heusch niet, waar het heen moet!"
John lachte en keek haar een oogenblik aan, zooals zij daar een mooien
tak bloemen op haar hand heen en weer draaide dien beschouwende,
met een belangstelling zoo innig, als zijn redevoering niet bij haar
had kunnen wekken.
"Zij doet haar best van politiek te houden om mijnentwil, dus zal
ik wat belangstelling toonen in modeartikelen om harentwil--dat is
niet meer dan billijk," dacht John, de rechtvaardige, en hij voegde
er hardop bij:
"Wat wordt dat voor een fraaiigheidje?"
"Mijn beste man, die bloemen zijn voor op mijn hoed--mijn gekleeden
hoed, om mee naar concerten en comedie's te gaan!"
"Neem me niet kwalijk, het lijkt me zoo'n licht ding, dat ik me met
eenige onrust afvraag, hoe het op je hoofd blijft vastzitten?"
"Met een paar flinke pennen; kijk, zoo!" en Meta gaf er een illustratie
van, door hem op te zetten, en keek haar John daarbij aan, met zoo'n
uitdrukking van kalme opgewektheid, dat zij waarlijk onweerstaanbaar
was.
"Het is zeker een 'schat' van een hoed, maar ik geef de voorkeur
aan het gezichtje er onder, want dat ziet er weer jong en gelukkig
uit," en John kuste het lachende gezicht, tot groot gevaar voor de
"gekleede" hoofdversiering.
"Ik ben blij, dat je hem netjes vindt, want ik zou zoo graag willen,
dat je mij eens meenam naar een van die nieuwe concerten; ik heb
wezenlijk wat muziek noodig om weer op streek te komen. Wil je dat
eens doen?"
"Zeker wil ik dat! Overal heen, waar je maar wilt. Je bent zoo lang
opgesloten geweest, dat het je verbazend veel goed zal doen, en ik
vind het prettiger dan iets anders ter wereld. Wat heeft dat in je
hoofd gebracht, Mamaatje?"
"Och, ik had voor een paar dagen een gesprek met Moeder, en vertelde
haar hoe zenuwachtig, prikkelbaar en onplezierig ik mij voelde, en zij
vond dat ik eens een verandering noodig had en 't minder druk moest
hebben: nu zal Hanna mij komen helpen met de kinderen, dan kan ik meer
over het huishouden gaan, en nu en dan een verzetje zoeken, om niet
vóór mijn tijd een kribberige, afgetobde oude vrouw te worden. Het
is nog maar een proefneming, John, en ik wil het probeeren, zoowel
om jou als om mezelf, want ik heb je in den laatsten tijd schandelijk
veronachtzaamd, en ik zal zien, of ik ons thuis niet weer kan maken,
wat het vroeger was. Je hebt er toch niets tegen, hoop ik?"
't Doet er niet toe wat John antwoordde, noch hoe weinig er aan
scheelde, of de mooie hoed was totaal bedorven geweest; het eenige,
wat wij noodig hebben te weten is, dat John geen bezwaren scheen te
maken, te oordeelen naar de veranderingen, die langzamerhand plaats
grepen in het huis en zijn bewoners. Het werd nog geen paradijs,
maar allen bevonden zich beter bij de verdeeling van het werk;
de kinderen gedijden onder de vaderlijke tucht, want John met zijn
trouw, vast karakter bracht orde en gehoorzaamheid in de kinderkamer,
terwijl Meta haar opgeruimdheid herkreeg, en haar zenuwgestel weer
tot rust bracht door overvloed van gezonde beweging, af en toe een
kleine uitspanning en menig vertrouwelijk gesprek met haar verstandigen
echtgenoot. "Thuis" werd weer "thuis" zooals vroeger, en John had geen
verlangen om uit te loopen, tenzij Meta meeging. De Scotts kwamen nu de
Brookes bezoeken, en iedereen vond "de duiventil" een echt gezellige
verblijfplaats, overvloeiend van geluk, tevredenheid en onderlinge
liefde; zelfs de wereldsche Sallie Moffat ging er graag heen. "Het
is hier altijd zoo rustig en gezellig; dat doet mij goed, Meta,"
zei ze dikwijls, en keek dan met verlangende blikken in het rond,
alsof zij wilde ontdekken, waar dat gezellige eigenlijk in bestond,
opdat zij het mocht overbrengen naar haar groote woning, zoo vol van
eenzame pracht; want daar waren geen dartele, zonnige kindertjes,
en Ned leefde in een eigen wereld, waarin voor haar geen plaats scheen.
Dit huiselijk geluk kwam niet in eens, maar John en Meta hadden er
den sleutel toe gevonden, en elk jaar van hun huwelijksleven leerde
hen beter, hoe dien te gebruiken, en de schatkamers te ontsluiten van
ware onderlinge liefde en hulpvaardigheid, zegeningen die de armste
kan bezitten en door den rijkste niet gekocht kunnen worden.
Om dit geluk te veroveren kan iedere jonge vrouw en moeder gerust
afstand doen van de zenuwvermoeiende amusementen, die in de "uitgaande
kringen" aan de orde zijn. Vinden zij niet trouwe aanbidders in
de zoontjes en dochtertjes, die zich aan haar vastklemmen en niet
afgeschrikt worden door droefheid, armoede of ouderdom; leggen zij
hun levensweg niet af, zoowel bij zonneschijn als bij stormweer,
aan de zijde van een trouw vriend, die in den waren zin van het goede
oude Saksische woord de "huis-band" [9] is, en leeren zij niet inzien,
evenals Meta het leerde inzien, dat het gelukkigste rijk der vrouw haar
tehuis is, haar hoogste eer de wijze, waarop zij het bestuurt--niet
als een koningin, maar als een wijze echtgenoote en moeder?
HOOFDSTUK XVI.
LUIE LAURENCE.
Laurie ging naar Nice, met het plan er een week te blijven, maar hij
bleef er een maand. Hij had genoeg gekregen van het alleen reizen, en
de vertrouwelijke omgang met Amy scheen een huiselijke bekoorlijkheid
te geven aan de vreemde omgeving, waarvan zij deel uitmaakte. Hij
had het eigenlijk gemist, dat er in den laatsten tijd geen werk van
hem gemaakt werd, zooals hij gewoon was, en nu kreeg hij er weer
een proefje van,--want geen vleierijen van vreemden, hoe aangenaam
ook, waren hem half zoo welgevallig als de zusterlijke bewondering
van de meisjes thuis. Amy had hem nooit zoo willen "bederven" als
de anderen, maar zij was heel blij hem nu te zien, en klampte zich
als 't ware aan hem vast, als de vertegenwoordiger van het dierbaar
gezin, waarnaar zij meer verlangde, dan zij wel wilde bekennen. Zeer
natuurlijk vonden ze troost in elkanders gezelschap en waren ze veel
te zamen, reden, wandelden, dansten of verbeuzelden hun tijd--want
niemand kan, tijdens het badseizoen te Nice, veel uitvoeren. Maar
terwijl zij zich schijnbaar op de meest zorgelooze manier vermaakten,
deden zij toch halfbewust allerlei ontdekkingen, en vormden zij een
oordeel over elkander. Amy rees dagelijks in de schatting van haar
vriend; maar hij daalde in de hare, en beiden gevoelden de waarheid,
voordat er nog een woord over was uitgesproken. Amy zocht te behagen en
slaagde er in,--want zij was dankbaar voor de vele vriendelijkheden,
die hij haar bewees, en beloonde hem met die kleine dienstbewijzen,
waaraan vrouwelijke vrouwen zulk een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid
weten bij te zetten. Laurie spande zich hoegenaamd niet in, maar liet
zich zoo gemakkelijk mogelijk met den stroom voortdrijven, terwijl
hij zijn best deed om het verleden te vergeten en een gevoel had,
alsof alle vrouwen hem een vriendelijk woord schuldig waren, omdat
éen meisje koel tegen hem geweest was. Het viel hem niet moeilijk gul
te zijn; hij zou Amy graag alle aardigheden uit Nice gegeven hebben,
als zij ze had willen aannemen,--maar onderwijl gevoelde hij, dat
hij de meening, die zij omtrent hem koesterde, niet kon veranderen,
en hij was eigenlijk min of meer bang voor de scherpe blauwe oogen,
die hem met een half-droevige, half-verachtelijke verwondering schenen
waar te nemen.
"Al de anderen zijn vandaag naar Monaco gegaan, maar ik bleef liever
thuis om brieven te schrijven. Ze zijn nu af, en ik ga naar Valrosa,
schetsen; ga je soms mee?" vroeg Amy, op een mooien dag, toen Laurie
als naar gewoonte tegen den middag aan kwam slenteren.
"Och, ja; maar is het niet te warm voor zoo'n lange
wandeling?" antwoordde hij dralend,--want het koele salon zag er
uitlokkend uit na den gloeienden zonneschijn daarbuiten.
"Ik was van plan het wagentje te nemen, en Baptiste kan rijden, zoodat
je niets te doen zult hebben dan je parasol op te houden en te zorgen
dat je handschoenen schoon blijven," antwoordde Amy, met een spottenden
blik naar de vlekkelooze glaceetjes, die Laurie's zwakke punt waren.
"Dan ga ik met alle genoegen mee," en hij stak zijn hand uit voor
haar schetsboek. Maar zij nam het onder den arm met een scherp:
"Vermoei je niet; het is volstrekt niet te zwaar voor mij, maar jij
ziet er uit, alsof het je te veel zou zijn."
Laurie trok de wenkbrauwen op en volgde dood op zijn gemak, terwijl zij
naar beneden vloog; maar toen zij in het rijtuig zaten, nam hij zelf de
teugels, zoodat er voor den kleinen Baptiste niets anders overbleef dan
zijn armen over elkander te slaan en op zijn bankje in slaap te vallen.
De twee kibbelden nooit; Amy was "te wel-opgevoed," en Laurie op dit
oogenblik te lui; hij gluurde dus na een poosje met een onderzoekenden
blik onder den rand van haar hoed; zij antwoordde met een glimlach
en zij reden samen voort in de meest vriendschappelijke stemming.