"Mijn nieuwe waaier kleurt goed bij mijn bloemen, mijn handschoenen

zitten keurig, en die echte kant aan tante's zakdoek geeft iets fijns

aan mijn heele toilet. Had ik nu nog maar een klassieken neus en mond,

dan zou ik volmaakt gelukkig zijn," zei zij, terwijl ze zichzelf met

een critisch oog voor den grooten spiegel beschouwde, een kaars in

iedere hand. In weerwil van dat kruis, zag zij er bizonder vroolijk

en lief uit, toen zij naar beneden zweefde; zij liep zelden hard,--zij

vond, dat het niet bij haar persoonlijkheid paste; daar zij nog al lang

was, stond het haar beter zich statig en Junoachtig te gedragen, dan

dartel of piquant. Al wachtende op Laurie, liep ze de lange zaal op en

neer, en bleef even onder de kroon staan, waardoor het licht zoo mooi

op haar blond haar viel; maar zij bedacht zich en ging naar het andere

eind der kamer,--alsof zij zich schaamde over den meisjesachtigen

wensch, dat de eerste indruk een voordeelige mocht zijn. Zij had niet

beter kunnen doen, want Laurie kwam zoo zachtjes binnen, dat zij hem

niet hoorde; en zooals zij daar aan het achterste raam stond, met

half afgewend hoofd, de eene hand bevallig haar waaier vasthoudend,

maakte de slanke witte gedaante tegen de roode gordijnen het effect

van een mooi beeld, dat men met opzet daar een plaats had aangewezen.

"Goeien avond, Diana!" riep Laurie met den goedkeurenden blik, dien

zij zoo gaarne op zich zag rusten.

"Goeien avond, Apollo!" antwoordde zij met een glimlach,--want ook

hij zag er "in de puntjes uit"--en het denkbeeld de balzaal binnen

te komen aan den arm van zoo'n knap jongmensch deed Amy de vier

alledaagsche juffrouwen Davis uit het diepst harer ziel beklagen.

"Hier zijn je bloemen! Ik heb ze zelf geschikt, want ik herinnerde

me, dat je niet houdt van wat Hanna een 'pracht van een boeket'

noemt," zei Laurie en overhandigde haar een smaakvolle touffe, in

een houder waarnaar zij al lang met begeerige oogen had gekeken,

op haar dagelijksche wandeling langs Cardiglia's winkelramen.

"Wat vreeselijk aardig van je!" riep zij dankbaar; "als ik geweten

had, dat je komen zou, had ik vandaag ook voor een Kerstpresentje voor

je gezorgd, hoewel ik vrees, dat het niet zoo mooi geweest zou zijn,

als dit."

"Dank je; het is nog wel niet, wat het moest zijn, maar jij verhoogt er

de schoonheid van," voegde hij er bij, toen zij den zilveren bracelet,

dien hij uit zijn zak had gehaald, aan haar arm deed.

"Hè, toe, Laurie, zeg zulke dingen niet!"

"Ik dacht dat je dat nogal aardig vond!"

"Niet uit jouw mond; het klinkt zoo onnatuurlijk, ik houd meer van

je oude rondheid."

"Daar ben ik blij om," antwoordde hij met een gevoel van

verluchting. Toen knoopte hij haar handschoenen voor haar dicht,

en vroeg of zijn dasje wel recht zat, zooals hij gewoon was te doen,

als zij thuis samen naar een partijtje gingen.

Een cosmopolitisch gezelschap als dien avond bijeenkwam in de

lange eetzaal, kan men nergens anders zien dan op het vasteland. De

gastvrije Amerikanen hadden al hun bekenden uit Nice genoodigd, en

daar zij niets hadden tegen een titel, waren er een paar geïnviteerd,

ter opluistering van hun Kerstavondbal.

Een Russische prins achtte het niet beneden zich een uur lang in een

hoek te zitten praten met een kolossale dame, die, even als Hamlet's

moeder, in zwart fluweel was gekleed met een paarlentoom onder haar

kin. Een Poolsche graaf, achttien jaar oud, wijdde zich met hart en

ziel aan de dames, die hem dan ook voor een "engel" verklaarden, en de

een of andere Duitsche Hoogheid, alleen om het souper gekomen, dwaalde

in den wilde rond, speurende naar wat hij zou kunnen verslinden. De

geheim-sekretaris van baron von Rothschild, een jood met een zeer

grooten neus en eng sluitende laarzen, keek met genadig welgevallen op

de aanwezigen neer, alsof zijns meesters naam hem met een stralenkrans

omgaf; een forsch Franschman, die den keizer wel kende, kwam om aan

zijn hartstocht voor dansen te voldoen, en Lady de Jones, een Britsche

matrone, luisterde met haar acht kinderen het feest op. Natuurlijk

waren er veel Amerikaansche meisjes, licht van tred en schel van

stem, mooie Engelsche wassen beeldjes, en een paar alledaagsche,

maar piquante Fransche juffertjes. Zoo ook het gewone publiek van

reislustige jongeheeren, die zich kostelijk amuseerden, terwijl

mama's uit alle natiën langs de vier wanden zaten, en hen met een

goedgunstigen glimlach nakeken, wanneer zij met hun dochters dansten.

Ieder jong meisje kan zich voorstellen wat er in Amy omging, toen zij

dien avond "ten tooneele trad", geleund op Laurie's arm. Zij wist, dat

zij er goed uitzag, zij hield veel van dansen, zij voelde, dat haar

voetjes thuis waren in een balzaal, en genoot van het machtsbesef,

dat in jonge meisjes ontwaakt, wanneer zij voor het eerst het nieuw

en heerlijk koninkrijk betreden, waarin zij, rechtens schoonheid,

jeugd en geslacht, mogen heerschen. Zij beklaagde de meisjes Davis,

die linksch en alledaagsch waren, en geen ander geleide hadden dan

een grimmigen papa en drie nog grimmiger ongetrouwde tantes, en ze

groette hen in het voorbijgaan met een allervriendelijkste buiging,

wat heel lief van haar was, daar zij ze zoodoende in staat stelde om

haar japon op te nemen, en van nieuwsgerigheid te branden om te weten,

wie haar gedistingeerde vriend toch wel mocht zijn. Zoodra de muziek

zich deed hooren steeg Amy's blos, haar oogen begonnen te schitteren,

en haar voet sloeg ongeduldig de maat, want zij verlangde er naar

Laurie eens te toonen hoe goed zij walste. 't Is dus duidelijk wat

zij moest gevoelen, toen hij op doodkalmen toon vroeg:

"Heb je soms lust om te dansen?"

"Daar heeft iemand op een bal gewoonlijk lust in!"

Haar verbaasde blik en kort antwoord noopten Laurie zijn misstap zoo

spoedig mogelijk weer goed te maken.

"Ik bedoelde den eersten dans. Mag ik de eer hebben?"

"Ik kan je dien alleen geven, als ik den Poolschen graaf bedank. Hij

danst goddelijk, maar hij zal het mij wel niet kwalijk nemen, omdat jij

een oud vriend bent," zei Amy, in de hoop, dat de naam zijn uitwerking

niet zou missen en Laurie doen zien, dat ze niet met zich liet spelen.

"Een aardig jongetje, maar een wel wat kleine staf om de schreden te

steunen van:

"Een godendochter, hemelsch schoon

En met een godd'lijk slanke leest,"

was al de voldoening, die zij kreeg.

Het clubje, waarin zij zich op dat oogenblik bevonden, bestond alleen

uit Engelschen, en Amy zag zich genoodzaakt heel stemmig een cotillon

te dansen, met een gevoel, alsof het haar een voldoening zou zijn

geweest, de Tarantella door te vliegen. Laurie gaf haar over aan het

"aardige jongetje," en ging zijn plicht vervullen bij Flo, zonder

zich voor de volgende genotvolle oogenblikken van Amy verzekerd te

hebben, welk schuldig verzuim behoorlijk gestraft werd, want zij

engageerde zich onmiddellijk tot aan het souper, met het plan echter

om inschikkelijk te zijn, als hij dan nog eenig teeken van berouw

mocht geven. Zij liet hem niet zonder voldoening haar balboekje zien,

toen hij heel bedaard kwam aanwandelen, in plaats van naar haar toe te

vliegen om haar voor den volgenden dans, een heerlijke polka-redowa,

te vragen; maar zijn beleefde betuigingen van spijt fopten haar niet,

en toen zij met het graafje rondzweefde, zag zij Laurie, met een

uitdrukking van verlichting op zijn gezicht, bij haar tante zitten.

Dat was onvergeeflijk; en Amy nam geruimen tijd geen notitie van hem,

behalve dat ze hem nu en dan een woordje gunde, als zij tusschen

de dansen eens bij haar tante kwam om een speld of een oogenblik

rust. Haar toorn had echter een goede uitwerking, want zij verborg

dien onder een glimlachend gezicht en scheen buitengewoon vroolijk en

geestig. Laurie's oogen volgden haar met genoegen, want zij vloog niet

en sprong niet, maar danste rustig en bevallig, en liet het genoeglijk

tijdverdrijf zijn, wat het behoort te wezen. Natuurlijkerwijze begon

hij haar van uit dit nieuwe gezichtspunt te bestudeeren, en kwam hij,

eer de avond half om was, tot de overtuiging, dat "kleine Amy een

heel aantrekkelijke vrouw beloofde te worden."

Het was een alleraardigste avond, want weldra kwam de echt gezellige

kerstgeest over allen, en de kerstvermakelijkheden deden alle

gezichten stralen, maakten alle harten vroolijk en alle voeten

vlug. De muzikanten fiedelden, bliezen en floten, alsof zij er zelf

plezier in hadden; ieder, die maar eenigszins kon, danste, en zij,

die het niet konden, bewonderden de walsers met ongewone warmte. Het

wemelde van Davisen, en de Jonesjes huppelden als een kudde jonge

giraffen. De gouden sekretaris vloog als een meteoor door de zaal met

een coquette Française, die den grond zweepte met haar rood satijnen

sleep. De Duitsche Hoogheid vond de aangerichte soupertafel, en

voelde zich volmaakt gelukkig, nu hij het geheele menu kon afwerken,

terwijl hij de kellners grooten schrik aanjoeg door de bres die

hij schoot. Maar de vriend des keizers overdekte zich met roem,

want hij danste "alles", of hij het kende of niet, en voerde maar

een inpromptu pirouette uit, als hij zich niet door de figuren kon

heenredden. Het deed iemand goed, het jeugdig vuur van dien forschen

man te zien, en hoewel hij heel wat mee te dragen had, danste hij

als een elastieken bal. Hij trippelde, hij vloog, hij galoppeerde;

zijn gezicht gloeide, zijn kaal hoofd glom, de panden van zijn jas

fladderden wild om hem heen, en toen de muziek zweeg, wischte hij de

droppels van zijn voorhoofd en keek met stralende oogen neer op zijn

medemenschen, als een Fransche Pickwick zonder bril. Amy en haar Pool

onderscheidden zich door evenveel enthousiasme, maar meer elegance,

en Laurie hield onbewust maat met de witte schoentjes die hem telkens

onvermoeid en als gevleugeld voorbij snelden. Toen de kleine Vladimir

haar eindelijk verliet, met de verzekering, "dat hij _désolé_ was,

zoo vroeg weg te moeten," bleek zij niet ongenegen wat rust te nemen,

en te zien hoe haar ontrouwe ridder zijn straf gedragen had.

De onwillekeurige afleiding had hem goed gedaan. Op drie en

twintigjarigen leeftijd vindt een ongelukkige liefde nog balsem

in vriendschappelijk verkeer, en jonge zenuwen trillen, en

jong bloed danst, en gezonde jonge gemoederen luiken op, als zij

worden overgelaten aan de bekoring van schoonheid, licht, muziek en

beweging. Laurie zag er veel monterder uit, toen hij opstond om haar

zijn plaats af te staan; en toen hij wegvloog om haar een versnapering

te bezorgen, zei zij met een voldanen glimlach tot zichzelve:

"Ja, ik dacht wel, dat het hem goed zou doen!"

"Je lijkt op Balzac's 'Femme, peinte par elle-même,' zei hij, terwijl

hij met de eene hand haar waaier en met de andere haar glas vasthield.

"Mijn rouge zal er niet afgaan," en Amy wreef haar gloeiende wang

en toonde hem haar witten handschoen met zoo'n ernstigen eenvoud,

dat hij hardop begon te lachen.

"Hoe noem je dit goed?" vroeg hij en wees op een plooi van haar japon,

die over zijn knie gewaaid was.

"Voile."

"Een juiste naam, het flatteert--iets nieuws, zeker?"

"Het is zoo oud als de weg naar Rome; je kunt het van honderd meisjes

gezien hebben, en ziet nu eerst dat het goed staat--_stupide_!"

"Ik heb het jou nog nooit zien dragen, en dat verklaart de vergissing

volkomen!"

"Zulke praatjes zijn verboden waar; ik zou op het oogenblik liever

ijs hebben dan complimenten. Neen, hang niet zoo smachtend, dat maakt

me zenuwachtig."

Laurie schoot stijf rechtop, nam heel zachtzinnig haar leeg bordje

aan en schepte er een eigenaardig soort van vermaak in, zich zoo

door "kleine Amy" te laten commandeeren; want zij was nu niet langer

verlegen en voelde een onweerstaanbare begeerte hem op de vingers te

tikken, zooals meisjes zoo aardig kunnen doen, wanneer een heer der

schepping eenig teeken geeft van onderworpenheid.

"Waar heb je al die soort van dingen geleerd?" vroeg hij met een

onderzoekenden blik.

"Daar 'al die soort van dingen' nog al vaag klinkt, zul je misschien

wel zoo goed willen zijn je nader te verklaren?" antwoordde Amy,

die heel goed wist, wat hij bedoelde, maar hem ondeugend opdroeg te

beschrijven, wat onbeschrijfbaar is.

"Dat heele air: die maniertjes, dat zelfbewuste,

dat--uitgaand-meisjes-achtige," zei Laurie lachend, toen hij niet

verder kon en zich met dat nieuwe woord uit de verlegenheid zocht

te helpen.

Amy was voldaan, maar toonde dat natuurlijk niet en antwoordde effen:

"Een verblijf in het buitenland polijst iemand, zonder dat hij het zelf

weet, maar ik studeer toch ook, al amuseer ik mij; en wat dit betreft

(met eene kleine handbeweging naar haar japon) och, voile is goedkoop,

bloemen krijg je haast voor niets, en ik ben gewend zooveel mogelijk

te maken van mijn arme kleine bezittingen." Amy had eigenlijk spijt

van die laatste woorden, uit vrees, dat het niet _comme il faut_

was, maar Laurie had er haar te liever om, en bewonderde en achtte

het moedig geduld, dat van elke gelegenheid partij trok, en den

veerkrachtigen geest, die armoede bedekte met bloemen. Amy begreep

niet, waarom hij haar opeens zoo hartelijk aankeek, of waarom hij haar

boekje invulde met zijn eigen naam en zich voor het overige van den

avond op de plezierigste manier aan haar wijdde; maar de opwelling,

die deze aangename verandering teweegbracht was het gevolg van een der

nieuwe indrukken, die beiden, zonder het te weten, gaven en ontvingen.

HOOFDSTUK XV.

OP ZIJ GEZET.

In Frankrijk leiden de jonge meisjes een vrij vervelend leven,

totdat zij in het huwelijk treden, wanneer "vive la liberté," hun leus

wordt. In Amerika echter, teekenen, zooals ieder weet, de meisjes reeds

vroeg een onafhankelijkheidsverklaring en genieten met republikeinschen

ijver van hun vrijheid, maar de jonggehuwde vrouwen deden, in Meta's

tijd, gewoonlijk afstand van de regeering, bij de geboorte van den

troonopvolger, en trokken zich terug in een afzondering, die veel had

van een Fransch nonnenklooster, hoewel ze dit, wat stilte betreft,

volstrekt niet evenaarde. Of zij het plezierig vonden of niet, zij

werden feitelijk, zoodra de drukte van de bruiloft voorbij was, op

zij gezet, en de meesten konden gerust de woorden overnemen van een

bizondere beauté uit die dagen: "Ik ben nog even mooi als altijd,

maar niemand neemt meer eenige notitie van mij, omdat ik getrouwd ben."

Daar Meta geen schoonheid of mondaine vrouw was, deed zij deze

droevige ondervinding niet op, dan voordat haar kindertjes een jaar

waren,--want in haar kleine wereld behielden de eenvoudige gewoonten

nog de overhand, en zij zag zich meer dan ooit bewonderd en bemind. Ze

was een huishoudelijk vrouwtje met een zeer sterk moederlijk instinct,

en zij was zoo geheel verdiept in haar tweeling, dat zij buiten

alles en allen leefde. Nacht en dag wijdde zij zich onvermoeid aan

hen en liet John over aan de teedere zorg der dienstmaagd, want een

Iersche vrouw zwaaide nu den schepter in het keukendepartement. John

met zijn huiselijken aard, miste de kleine attenties erg, die zijn

vrouw gewoon was hem te bewijzen; maar daar hij zijn kleintjes innig

liefhad, offerde hij er voor een poosje met blijdschap genoegen en

gemak aan op, in de veronderstelling, dat de rust spoedig hersteld

zou zijn. Maar drie maanden gingen voorbij en de rust keerde niet

weer; Meta zag er afgemat en zenuwachtig uit, de kinderen namen ieder

oogenblik van haar tijd in beslag, het huishouden werd verwaarloosd,

en Kitty, de keukenprinses, die het leven gemakkelijk opnam, hield

John zeer kort. Als hij 's morgens uitging, werd hij beladen met

allerlei boodschappen voor de gebonden mama; kwam hij 's avonds thuis,

vol verlangen om de zijnen te omhelzen, dan werd hem dadelijk een

domper opgezet met een: "st! zij slapen juist, na den gansenen dag

lastig te zijn geweest!" Stelde hij een of ander pretje in huis voor:

"Neen, het zou de kinderen wakker houden." Zinspeelde hij op een

lezing of een concert, dan kreeg hij tot antwoord een verwijtenden

blik en een beslist: "Mijn kinderen alleen laten, om plezier te

gaan maken? nooit!" Zijn slaap werd gestoord door kindergeschrei en

visioenen van een spookachtige gedaante, die in de nachtwake onhoorbaar

de kamer op en neer wandelde: zijn maaltijden werden afgebroken

door de gedurige vlucht van de tafelvoorzitster, die hem, al was

hij maar half bediend, alleen liet, zoodra zij een gesmoord getjilp

uit het nestje boven hoorde, en als hij 's avonds de courant las,

raakte Demi's hoest wel eens tusschen de scheepstijdingen, en oefende

Daisy's val invloed uit op het rijzen of dalen der effecten,--want

mevrouw Brooke stelde in niets belang dan in huiselijk nieuws.

De arme man voelde zich alles behalve gelukkig, want de kinderen

hadden hem van zijn vrouw beroofd; zijn huis was niets anders dan een

kinderkamer, en het onophoudelijk "st!" maakte, dat hij zich als een

lompen indringer begon te beschouwen, zoodra hij den voet zette op den

drempel van het Kinderrijk. Hij verdroeg het zes maanden lang met het

grootste geduld, en toen zich geen teekenen van verbeteren vertoonden,

deed hij, wat andere vaderlijke bannelingen doen, en trachtte elders

eenigen troost te vinden. Scott was getrouwd en had niet ver vandaar

zijn tenten opgeslagen, en John gewende er zich aan 's avonds een

paar uurtjes over te loopen, als zijn eigen huiskamer toch leeg was,

en zijn vrouw eindelooze wiegeliedjes zong. Mevrouw Scott was jong,

levendig en mooi, had niets te doen dan zich aangenaam te maken, en

zij kweet zich voortreffelijk van haar taak. De huiskamer was er altijd

gezellig en aantrekkelijk, het schaakbord altijd bij de hand, de piano

gestemd, overvloed van vroolijk gekeuvel, en een lekker soupeetje

in een oogwenk klaar om iemand tot blijven te verleiden. John zou

zijn eigen haard verkozen hebben, als hij zich niet zoo eenzaam had

gevoeld, maar nu dat eenmaal zoo was, nam hij dankbaar het naastbij

gelegen goede, en genoot het gezelschap van zijn buren.

Meta keurde in het eerst die nieuwe schikking wel goed, en vond

het een uitkomst, te weten, dat John een plezierigen avond had, in

plaats van beneden te zitten dommelen of door het huis te stappen,

waardoor de kinderen wakker werden. Maar toen, na verloop van tijd,

de verdrietelijkheden van het tanden krijgen voorbij waren, en de

afgodjes Mama tijd lieten om eens even uit te rusten, begon zij John te

missen en haar werkmandje alles behalve opwekkend gezelschap te vinden,

als hij niet tegenover haar zat in zijn oude huisjas en dood op zijn

gemak zijn pantoffels schroeide voor den gloeienden haard. Zij wou

hem niet vragen thuis te blijven, maar voelde zich gegriefd dat hij

niet uit zichzelven begreep, hoe zij naar zijn gezelschap verlangde,

daarbij geheel vergetende hoe menigen avond hij te vergeefs op _haar_

gewacht had. Zenuwachtig en afgetobd door waken en zwoegen, raakte ze

in de onredelijke gemoedsstemming waarin de beste moeder nu en dan wel

eens kan verkeeren, wanneer huiselijke zorgen haar drukken, gebrek

aan beweging haar van haar opgeruimdheid berooft, en ze een gevoel

krijgt, alsof zij alleen uit zenuwen en niet ook uit spieren bestaat.

"Ja," zei zij wel eens en keek in den spiegel, "ik word al oud en

leelijk, John vindt niet veel bizonders meer aan mij; dus laat hij

zijne verwelkte vrouw alleen, en gaat naar zijn mooi buurvrouwtje,

dat geen zorgen heeft. Enfin, de kinderen hebben mij lief; die geven

er niet om, of ik mager en bleek ben, en geen tijd heb om mijn haar

te crêpeeren; zij zijn mijn troost, en eenmaal zal John inzien, wat

ik met vreugde voor hen heb opgeofferd,--zal hij niet, mijn lieveling?"

Op welke roerende toespraak Daisy gewoonlijk antwoordde met zacht

gekir; en Demi met luid gekraai, waarna Meta een einde maakte aan

haar klachten door een moederlijke stoeipartij, die voor het oogenblik

haar eenzaamheid verzoette. Maar het verdriet werd grooter, naarmate

John verdiept raakte in de politiek en altijd naar Scott overliep

om belangrijke questies met hem te bespreken, terwijl het niet in

zijn gedachten scheen op te komen, dat zijn vrouw hem miste. Ze zei

er echter geen woord van, totdat haar moeder haar op zekeren dag

in tranen vond en er op aandrong de reden te hooren--want Meta's

gedruktheid was haar aandacht niet ontsnapt.

"Ik zou het niemand willen zeggen dan aan u, Moeder, maar ik heb

heusch raad noodig, want als John nog lang zoo doet, kon ik even

goed een weduwe zijn," barstte mevrouw Brooke los en droogde met een

gegriefd gezicht de tranen af aan Daisy's bavetje.

"Nog lang zoo doet; hoe meen je dat, kindlief?" vroeg haar moeder

bezorgd.

"Hij is den heelen dag uit, en 's avonds, als ik naar hem verlang zit

hij altijd bij de Scotts. Is 't niet onbillijk, dat ik het zwaarste

werk moet hebben en nooit een verzetje? Mannen zijn _gruwelijk_

zelfzuchtig, zelfs de besten onder hen."

"Vrouwen niet minder; veroordeel John niet, voordat je weet, waar je

zelf gedwaald hebt."

"Maar het is toch niet goed van hem, dat hij mij veronachtzaamt?"

"Veronachtzaam jij hem niet?"

"Hè, Moeder, ik dacht dat _u_ mijn partij wel zou kiezen!"

"Dat doe ik ook, wat mijn sympathie betreft, maar ik geloof dat de

schuld bij jou ligt, Meta."

"Dat zie ik niet in."

"Laat ik het je dan eens duidelijk maken. Heeft John je ooit, zooals

je het uitdrukt, veronachtzaamd, toen jij het je ten plicht stelde hem

's avonds gezelschap te houden--in zijn eenigen vrijen tijd?"

"Neen, maar dat kan ik nu toch niet doen, nu ik twee kleine kinderen

te verzorgen heb."

"Ik geloof, dat je het wel zou kunnen, mijn kind, en ik geloof,

dat je het doen moet. Mag ik eens vrij uit tot je spreken, en wil

je dan bedenken, dat _Moeder_ iets in je afkeurt, evenals _Moeder_

medelijden met je heeft?"

"Graag! zeg mij maar alles, alsof ik weer uw kleine Meta was. Ik heb

dikwijls een gevoel of ik meer dan ooit zelf onderricht noodig heb,

sinds de kindertjes om alles tot mij moeten opzien."

Meta trok haar lagen stoel dichter bij dien van haar moeder, en de

beide vrouwen zaten gezellig en vertrouwelijk met elkander te praten,

ieder met een kleinen rustverstoorder op den schoot, en met een gevoel,

alsof de band van het moederschap hen nauwer dan ooit vereenigde.

"Je hebt de fout begaan, die de meeste jonge vrouwen begaan: je

plicht jegens je man vergeten door je liefde voor je kinderen. Een

heel natuurlijke en vergeeflijke fout, Meta, maar een die hersteld

moet worden, eer jullie beiden een verschillenden weg opgaat; want

de kinderen moesten jullie juist nader tot elkander brengen, maar

je niet scheiden, alsof ze enkel en alleen van jou waren, en John er

niets anders mee te maken had, dan ze te onderhouden. Ik heb het al

sinds verscheiden weken opgemerkt, maar niets gezegd, omdat ik vast

geloofde, dat het wel weer in orde zou komen."

"Ik vrees van neen. Als ik hem vraag, of hij bij me blijven wil, zal

hij denken, dat ik jaloersch ben, en ik wil hem door zoo'n gedachte

niet beleedigen. Hij ziet niet, dat ik naar hem verlang, en ik weet

niet hoe ik hem dat zonder woorden moet laten gevoelen."

"Maak het zoo gezellig, dat hij niet begeert weg te gaan. Geloof me,

kind, hij smacht naar zijn eigen thuis, maar thuis is geen thuis

zonder jou, en jij bent altijd in de kinderkamer."

"Moet ik daar dan niet zijn?"

"Niet altijd; te veel thuiszitten maakt je zenuwachtig, en daardoor

ongeschikt voor alles. Daarenboven, je bent toch zoowel aan John

als aan de kinderen iets verschuldigd; verwaarloos niet je man om

de kinderen,--sluit hem niet buiten de kinderkamer, maar leer hem,

hoe hij daar kan helpen. Hij heeft daar, evengoed als jij, een plaats,

en de kleintjes hebben hem noodig; laat hem gevoelen, dat hij ook zijn

deel aan de opvoeding moet hebben, en hij zal zijn plicht vroolijk

en getrouw vervullen, tot voordeel van jullie allen."

"Denkt u dat heusch, Moeder?"

Op Eigen Wieken · 第 15 / 26 段