de gedachte gewend ben, is het niet zoo hard meer om het te
dragen. Probeer het ook zoo in te zien, en kwel je niet om mij,
want het is zóó het beste--werkelijk!"
"Was dat het, wat je in 't najaar al zoo ongelukkig maakte, Bets? Je
voelde het toen toch niet al en hield het voor jezelf, wel?" vroeg
Jo, die niet toe kon geven, dat het zoo het beste was, maar zich toch
verlicht voelde, dat Laurie geen deel had gehad aan Betsy's verdriet.
"Ja, ik gaf toen de hoop al op, maar ik wou er liever niet voor
uitkomen; ik deed mijn best het voor een ziekelijke inbeelding te
houden, en wou niet, dat iemand er verdriet van zou hebben. Maar toen
ik jullie allemaal zoo gezond en sterk en zoo vol vroolijke plannen
zag, viel het mij hard te moeten denken, dat ik nooit meer kon zijn
zooals jullie, en toen voelde ik mij wanhopig, Jo."
"O, Bets, en je hebt het mij niet verteld, heb je niet door mij laten
troosten en helpen! Hoe kon je mij zoo buitensluiten en alles zoo
alleen dragen?"
Jo's stem klonk teeder verwijtend, en het deed haar hart pijn, toen
zij dacht aan den eenzamen strijd, dien Betsy moest hebben gestreden,
eer zij had geleerd afstand te doen van gezondheid, liefde en leven,
en haar kruis zoo blijmoedig op te nemen.
"Het was misschien verkeerd van me, maar ik trachtte goed te doen;
ik was er immers ook niet zeker van; niemand zei iets, en ik hoopte,
dat ik mij vergiste. Het zou zoo zelfzuchtig geweest zijn jullie
allen zoo'n schrik aan te jagen, vooral daar Moeder zoo bezorgd was
over Meta, en Amy weg, en jij zoo gelukkig met Laurie,--ten minste,
dat dacht ik toen."
"En ik dacht, dat jij van hem hield, Bets, en ik ging weg, omdat ik
hem niet kon liefhebben!" riep Jo, blij, dat zij de geheele waarheid
eens kon uitspreken.
Betsy keek zoo verbaasd bij dat denkbeeld, dat Jo in weerwil van haar
verdriet moest glimlachen en er zachtjes bijvoegde:
"Dat was dus niet zoo, lieveling? Ik had er zoo'n zorg om en dacht,
dat je arm hartje al dien tijd van onbeantwoorde liefde versmachtte."
"Maar Jo, hoe kon dat, terwijl hij zooveel van jou hield?" vroeg
Betsy, zoo onschuldig als een kind. "Ik houd heel veel van hem, hij
is zoo goed voor mij, dus hoe zou ik het kunnen laten? Maar hij zou
nooit iets anders voor mij kunnen zijn dan mijn broer. En ik hoop,
dat hij het mettertijd wezenlijk zal worden."
"Niet door mij," zei Jo beslist. "Amy is voor hem weggelegd, en zij
zouden heel goed bij elkander passen,--maar ik heb nu geen hart voor
zulke dingen. Ik geef er niet om, wat er van iemand wordt, behalve
van jou, Bets. Jij _moet_ beter worden."
"Dat zou ik wel willen,--o, Jo zoo graag! Ik doe, wat ik kan, maar ik
word elken dag een beetje minder, en voel meer en meer, dat ik mijn
krachten nooit terugkrijg. Het is als het getij, wanneer het eb is,
Jo, 't gaat langzaam, maar kan niet tegengehouden worden."
"Het _moet_ tegengehouden worden,--jouw getij mág niet zoo gauw
verloopen,--negentien is te jong. Bets, ik kan je niet laten gaan! Ik
zal werken en bidden en er tegen strijden. Ik zal je behouden, ondanks
alles; er moet nog een mogelijkheid zijn,--het kan nog niet te laat
wezen! God zal niet zoo wreed zijn om je van mij weg te nemen!" riep
de arme Jo weerbarstig,--want haar gemoed was veel minder onderworpen
dan dat van Betsy. Eenvoudige, oprechte menschen spreken zelden veel
over hun vroomheid; zij openbaart zich in daden meer dan in woorden,
en heeft meer invloed dan preeken of betuigingen. Betsy kon geen
rekenschap geven van, of veel spreken over het geloof, dat haar
moed en geduld gaf om afstand te doen van het leven, en blijmoedig
op den dood te wachten. Als een vertrouwend kind, vroeg zij niets,
maar liet alles over aan God en de natuur, ons aller vader en moeder,
in het vaste geloof, dat zij, en zij alleen, hart en geest konden
onderrichten en sterken voor dit leven en het leven hiernamaals. Zij
troostte Jo niet met vrome overwegingen, maar had haar des te liever
om haar hartstochtelijke genegenheid, en klemde zich des te vaster
aan die menschelijke liefde, waarvan onze Vader ons nooit verlangt
te spenen, maar waardoor Hij ons dichter tot zichzelf zoekt te
brengen. Zij kon niet zeggen: "Ik ben blij, dat ik sterven mag,"
want het leven scheen haar zoo liefelijk toe; zij kon alleen maar
snikkend uitroepen: "Ik zal mijn best doen het goed te vinden,"
terwijl zij Jo vaster omhelsde, toen de eerste bittere golf van deze
groote smart over hen beiden heensloeg.
Toen Betsy na een poos haar bedaardheid herkregen had, vroeg zij:
"Wil jij 't hun zeggen, als we weer thuis zijn?"
"Ik denk, dat zij het wel zonder woorden zullen zien," zuchtte Jo;
want nu scheen het haar toe, dat Betsy, met den dag verminderde.
"Misschien niet; ik heb wel eens gehoord, dat de menschen, die
iemand het meest liefhebben, dikwijls het blindst zijn voor zulke
dingen. Als zij het niet zelf zien, zul jij het hun voor mij zeggen,
is 't niet? Ik wil er geen geheim van maken, en het is beter hen
voor te bereiden. Meta heeft John en de kinderen om haar te troosten,
maar jij moet Vader en Moeder helpen, hè Jo?"
"Als ik kan;--maar Bets, ik geef de hoop nog niet op; ik ben van plan
te gaan gelooven, dat het werkelijk maar een ziekelijke inbeelding
is, en er je van af zien te brengen," zei Jo, haar best doende om
opgeruimd te spreken.
Betsy lag een oogenblik stil in gedachten verzonken, en begon toen
op haar gewone, kalme manier:
"Ik weet mij niet goed uit te drukken, en zou het ook anders niet
probeeren, dan tegen jou, omdat ik mij nooit tegen iemand kon uiten,
behalve tegen mijn eigen Jo. Ik wou alleen maar zeggen, dat ik een
gevoel heb, alsof ik nooit bestemd was om lang te leven. Ik ben nooit
heelemaal geweest zooals jullie; ik heb nooit plannen gemaakt over wat
ik doen zou, als ik groot was; ik heb nooit over trouwen gedacht. 't
Was net alsof ik mij zelf nooit anders kon voorstellen dan als de
onbeteekenende kleine Bets, die thuis zoowat heen en weer dribbelde,
en ook nergens anders op haar plaats was. Ik heb ook nooit verlangd
op reis te gaan, en wat mij nu zoo zwaar valt is, dat ik van jullie
allen weg moet. Ik ben niet bang, maar ik geloof, dat ik zelfs in
den hemel heimwee naar jullie zal hebben."
Jo kon niet spreken; en gedurende verscheiden minuten werd er geen
ander geluid gehoord dan het zuchten van den wind en het kabbelen van
de golfjes. Een witgevleugelde zeemeeuw vloog voorbij--de zonnestralen
beschenen haar zilverige borst; Betsy keek haar na, tot zij uit het
gezicht was, en haar oogen namen een droevige uitdrukking aan. Toen
kwam een klein grijs vogeltje langzaam aantrippelen, zachtkens
tjilpende, alsof het genoot van den zonneschijn en de zee; het wipte
tot vlak bij Betsy, keek haar met zijn vriendelijke oogjes aan, zette
zich op een warmen steen neer, streek zijn veertjes glad, en kende
blijkbaar geen schuwheid. Betsy glimlachte, en voelde zich getroost,
want het kleine diertje scheen haar zijn nietige vriendschap aan te
bieden, en bracht haar in herinnering, dat er nog veel goeds op de
wereld te genieten viel.
"Aardig diertje! kijk eens Jo, hoe mak het is. Ik houd nog meer van die
kleine beestjes dan van meeuwen; zij zijn wel niet zoo wild en mooi,
maar het lijken zulke vriendelijke, vertrouwelijke diertjes. Verleden
zomer noemde ik ze altijd 'mijn vogels'; en Moeder zei, dat zij haar
aan mij deden denken--bezige, kwakerachtige schepseltjes, altijd dicht
aan de kust, en altijd hun tevreden liedje kweelend. Jij bent een
meeuw, Jo, sterk en wild; storm en wind is je element, ver uitvliegen
over de zee, en gelukkig in de eenzaamheid. Meta is een tortelduif,
en Amy een leeuwerik, die altijd tracht tot in de wolken door te
dringen, maar telkens weer in haar nest terug komt. Lieve, beste
Amy! Zij is wel eerzuchtig, maar haar hart is goed en zacht, en hoe
hoog zij ook vliegen mag, zij zal haar thuis nooit vergeten. Ik hoop,
dat ik haar nog terug zal zien, maar zij lijkt me _zoo_ ver weg."
"Zij komt in 't voorjaar thuis, en ik heb mij voorgenomen, dat jij in
staat zult zijn haar te zien en van haar te genieten. Ik zal zorgen dat
je tegen dien tijd gezond en frisch bent," begon Jo, met een gevoel,
alsof van al de veranderingen in Betsy, haar spraakzaamheid de grootste
was, want het praten scheen haar nu geen moeite te kosten, en zij dacht
hardop, op een manier die heel buitengewoon was voor de verlegen Bets.
"Lieve Jo, hoop niet langer; dat dient tot niets, daar ben ik zeker
van. Laten we ons niet van streek maken, maar van elkanders bijzijn
genieten en kalm afwachten. Dan kunnen we nog gelukkige dagen hebben,
want ik lijd niet veel, en ik geloof, dat het getij zachtjes verloopen
zal, als jij mij helpen wilt."
Jo bukte zich om een kus te drukken op het vreedzame gezichtje; en
met dien stillen kus wijdde zij zich met ziel en lichaam aan Betsy toe.
Zij had gelijk--toen zij thuis kwamen, waren er geen woorden noodig,
want Vader en Moeder zagen nu duidelijk, wat zij zoo gehoopt en
gebeden hadden, dat hun bespaard mocht worden. Betsy ging, vermoeid
door haar korte reis, dadelijk naar bed en zei telkens, dat zij
toch zoo blij was weer thuis te zijn; en toen Jo beneden kwam, zag
zij, dat de zware taak om Betsy's geheim te vertellen haar bespaard
bleef. Haar vader stond met het hoofd tegen den schoorsteen geleund en
keerde zich niet om toen zij binnenkwam; maar haar moeder strekte de
armen uit naar haar, als om hulp smeekend, en Jo ging haar troosten,
zonder een enkel woord te spreken.
HOOFDSTUK XIV.
NIEUWE INDRUKKEN.
Des namiddags vertoont zich heel de groote wereld te Nice op de
Promenade des Anglais--een prachtige, ruime wandelplaats, omzoomd met
palmen, bloemen en tropische gewassen, aan de eene zijde door de zee
omgeven en aan den anderen kant door den grooten rijweg met hotels
en villa's, terwijl men op den achtergrond boomgaarden en heuvelen
ziet. Vele natiën zijn daar vertegenwoordigd, vele talen worden er
gesproken, de grootste verscheidenheid van toiletten kan men er zien,
en op een zonnigen dag is het tooneel, dat zich daar aan het oog
vertoont, vroolijk en schitterend als een carnaval. Hooghartige
Engelschen, levendige Franschen, eenvoudige Duitschers, knappe
Spanjaarden, leelijke Russen, onderdanige Joden, vrije en losse
Amerikanen,--allen rijden, zitten of wandelen hier en critiseeren
de laatst aangekomen celebriteiten: tooneelspelers of schrijvers,
Indische en Europeesche vorsten. De equipages zijn even afwisselend
als het gezelschap, en trekken evenzeer de aandacht, vooral die, welke
door dames bestuurd worden, met een paar vurige paarden bespannen,
en met een onberispelijken kleinen groom achterop!
Eersten Kerstdag wandelde een lang jongmensch deze promenade af,
de handen op den rug en met een gezicht, alsof zijn gedachten ver
weggedwaald waren. Hij had het donkere type van een Italiaan, was
gekleed als een Engelschman, doch had die zekere onafhankelijkheid
over zich, waardoor de Amerikaan zich kenmerkt--een combinatie,
die de oorzaak was, dat menig vrouwenoog hem bewonderend nakeek,
en menige dandy met fijne das, modieuse handschoenen en een kostbare
bloem in zijn knoopsgat, noopte de schouders op te trekken, om hem
daarna van harte zijn flinke gestalte te benijden. Er waren genoeg
lieve gezichtjes te bewonderen, maar de jonge man lette er niet op,
tenzij om nu en dan naar een slank blond meisje in 't blauw rond te
kijken. Na een poos verliet hij de file en stond een oogenblik bij een
kruispunt stil, alsof hij niet besluiten kon wat te doen--luisteren
naar de muziek in den Jardin Publique of langs het strand wandelen naar
Castle Hill. Het snelle geklikklak van ponyhoeven deed hem omzien naar
een klein rijtuigje dat in volle vaart de straat af kwam. Er zat een
dame in; zij was jong, blond en in 't blauw. Hij tuurde een oogenblik
met alle aandacht; toen leefde zijn gezicht heelemaal op, en als een
jongen zijn hoed zwaaiend, stoof hij op haar af om haar te begroeten.
"O, Laurie, ben je 't heusch? Ik dacht, dat je _nooit_ komen zou!" riep
Amy, en terwijl ze de teugels losliet, strekte ze beide handen uit,
tot groote verontwaardiging van een Fransche mama, die haar stap
verhaastte, ter wille van haar dochter, uit vrees, dat deze de
ergerlijk vrije manieren zou zien van die "onmogelijke Engelschen."
"Ik werd opgehouden, maar ik beloofde de Kerstdagen bij je door te
brengen, en--hier ben ik."
"Hoe gaat het met je grootvader? Wanneer ben je gekomen? Waar
logeer je?"
"Heel goed--gisterenavond--bij Chauvain. Ik trachtte je in je hotel
op te zoeken, maar jullie waren allemaal uit."
"Mon Dieu! Ik heb zooveel te zeggen, dat ik niet weet, waarmee te
beginnen. Rijd mee, dan kunnen wij op ons gemak praten; ik had zoo'n
lust om wat te gaan rijden, en verlangde juist naar gezelschap. Flo
spaart zich voor vanavond."
"Wat is er dan--een bal?"
"Een kerstpartij in ons hôtel. Daar zijn verscheiden Amerikanen
gelogeerd, en zij geven het feest ter eere van den dag. Je gaat zeker
wel met ons mee, is 't niet? Tante zou het heel prettig vinden."
"'t Is goed; waar gaan we nu heen?" vroeg Laurie, en leunde achterover
met de armen over elkander, een houding, die zeer in Amy's smaak
viel, daar zij liefst zelve mende, want haar parasol-zweep en blauwe
leidsels kwamen tot haar groote voldoening zoo bizonder mooi uit
tegen de witte ponies.
"Ik ga eerst even naar het postkantoor om te kijken of er ook brieven
zijn, en dan naar Castle Hill; het uitzicht is er zoo mooi, en ik
voer de pauwen zoo graag. Ben je er wel eens geweest?"
"Dikwijls, maar dat is al jaren geleden; ik heb er dus niets tegen
om er nog eens heen te gaan."
"Vertel mij nu eens alles van jezelf. Het laatste wat ik van je
gehoord heb, is uit een brief van je grootvader, waarin hij schreef,
dat hij je uit Berlijn terug verwachtte."
"Ja, daar ben ik een maand geweest, en toen een poosje bij hem in
Parijs, waar hij dezen winter denkt te blijven. Hij heeft daar nog
al heel veel vrienden, en overvloed van dingen, waarmee hij zich
kan bezighouden. Intusschen reis ik heen en weer, en dat gaat zoo
uitstekend."
"Prachtig bedacht," zei Amy, die Laurie anders vond dan gewoonlijk,
hoewel zij niet kon zeggen, wat er precies aan scheelde.
"Och, zie je, hij houdt niet van reizen, en ik heb een hekel aan
stil zitten; we doen dus allebei waar we zin in hebben, en leven zoo
in vrede. Ik ben dikwijls bij hem, en hij geniet van mijn avonturen,
terwijl ik het een prettig gevoel vind, dat er iemand is, die blij is
mij te zien, als ik van mijn zwerftochten terugkeer. Een smerig, oud
hol, vind je niet?" voegde hij er met een gebaar van afschuw bij, toen
zij langs de boulevard naar de Place Napoleon in de oude stad reden.
"Dat smerige is schilderachtig, en daarom hindert het mij niet. De
rivier en de heuvels zijn heerlijk, en die kijkjes in de nauwe
dwarsstraatjes vind ik alleraardigst. Nu zullen we even moeten
ophouden om die processie te laten passeeren; ze gaat naar de kerk
van St. Jean."
Terwijl Laurie met een overschillig gezicht naar den optocht keek
van priesters onder hun troonhemels, nonnen met witte sluiers en
brandende kaarsen in de hand, en van de een of andere monniksorde
in blauwe gewaden, die al voortwandelend plechtig zongen, nam Amy
hem eens goed op en gevoelde ze, dat een ongekende verlegenheid zich
van haar meester maakte, want haar jeugdvriend was veranderd, en zij
kon den vroolijken jongen dien zij verlaten had, niet terugvinden
in den somber starenden man naast haar. Hij was veel knapper dan
vroeger en er bizonder op vooruitgegaan, vond ze; maar nu de blos
van genoegen door de ontmoeting gewekt, weer verdwenen was, zag hij
er vermoeid en droefgeestig uit--niet ziek, niet bepaald ongelukkig,
maar ouder en ernstiger dan een paar voorspoedige jaren hem moesten
gemaakt hebben. Zij begreep het niet en durfde geen vragen doen;
hoofdschuddend trok ze dus de teugels aan, daar de processie de
Paglionibrug overtrok en in de kerk verdween.
"_Que pensez-vous?_" vroeg zij, haar Fransch eens luchtende, dat
sinds haar verblijf in het buitenland veel gewonnen had in quantiteit,
al was 't misschien niet in qualiteit.
"Dat mademoiselle een goed gebruik heeft gemaakt van haar tijd, en de
uitslag betooverend is," antwoordde Laurie, terwijl hij met de hand
op het hart en een bewonderenden blik, een buiging voor haar maakte.
Zij bloosde van genoegen, maar toch voldeed het compliment haar niet
zoo goed als de onbewimpelde loftuitingen, die hij haar thuis wel eens
gaf, als hij bij feestelijke gelegenheden haar van alle kanten bekeek
en zei, dat zij er "kranig" uitzag, met een hartelijken glimlach en
een goedkeurend tikje op het hoofd. De nieuwe toon beviel haar niet;
want hoewel deze niet bepaald _blasé_ klonk, was er toch, in weerwil
van den bewonderenden blik, iets onverschilligs in.
"Als hij zóó'n soort van man wordt, wou ik maar, dat hij een jongen
bleef," dacht zij, met een vreemd gevoel van teleurstelling en spijt,
hoewel zij haar best deed op haar gemak en vroolijk te schijnen.
Aan het postkantoor vond zij de kostbare brieven van huis, en
de teugels aan Laurie gevende, las zij ze met innig genot, op een
schaduwrijken weg tusschen groene hagen, waar de theerozen zoo frisch
bloeiden, alsof het Juni was.
"Bets is heel zwak, schrijft Moeder. Ik denk dikwijls, dat ik eigenlijk
liever naar huis zou gaan, maar zij roepen allemaal 'Blijf toch,'
en dus blijf ik maar, omdat ik nooit weer zoo'n gelegenheid zal
hebben als deze," zei Amy, en herlas toen de bladzijde nog eens met
een ernstig gezicht.
"Ik geloof, dat je gelijk hebt; je kunt thuis toch niets doen, en
het geeft hun een rustig gevoel, dat jij hier zoo gelukkig bent,
en zooveel geniet, kleintje."
Hij schoof wat naderbij, en was weer volkomen de oude, toen hij
dat zei; en de vrees, die nu en dan Amy's hart bezwaarde, werd
veel minder, want de blik, de daad, het broederlijk "kleintje",
gaven haar de verzekering, dat zij _indien_ er iets mocht gebeuren,
niet alleen zou staan in het vreemde land. Een oogenblik later begon
zij hartelijk te lachen, en liet hem een klein teekeningetje zien,
dat Jo moest voorstellen in haar schrijftoilet met een roset recht
overeind op haar muts, terwijl uit haar mond de woorden kwamen:
"Het goddelijk vuur brandt!"
Laurie glimlachte, nam het papiertje, stak het in zijn vestzakje
"het mocht eens wegwaaien" en luisterde met belangstelling naar den
levendigen brief, dien Amy hem voorlas.
"Dit zal werkelijk een heerlijk Kerstfeest voor mij zijn; 's morgens
cadeaux, 's middags jou en de brieven, en 's avonds een partij," zei
Amy, toen zij bij de overblijfselen van het oude fort uitstapten,
en er verscheiden prachtige pauwen naar hen toekwamen, geduldig
wachtende tot zij gevoerd zouden worden.
Terwijl Amy lachend stukjes brood kruimelde voor de schitterende
vogels, nam Laurie haar ongeveer op dezelfde manier op, als zij hem
gedaan had, met een zeer verklaarbare nieuwsgierigheid, om te zien
welke veranderingen tijd en afwezigheid hadden teweeggebracht. Hij
ontdekte niets bedroevends of teleurstellends, maar integendeel
veel aantrekkelijks en bevredigends, want behalve enkele kleine
gemaaktheidjes in spreekwijze en manieren, was Amy even levendig en
bevallig als altijd, terwijl zij zich dat zeker onbeschrijfelijk
iets in kleeding en houding had eigen gemaakt, dat wij "elegance"
noemen. Zij was altijd oud geweest voor haar jaren, en had een zeker
_aplomb_ in haar optreden gekregen, dat haar, meer dan zij was, een
vrouw van de wereld deed schijnen; maar haar oude lichtgeraaktheid
kwam nu en dan nog weer eens boven, haar krachtige wil uitte zich
telkens even, en haar aangeboren oprechtheid had niets geleden door
het buitenlandsch vernisje.
Dat alles werd echter niet zoo onmiddellijk door Laurie opgemerkt,
terwijl zij de pauwen voerde, maar hij zag genoeg wat hem bevredigde en
belang inboezemde, en hij behield de herinnering aan een vriendelijk
lachend meisje dat in den zonneschijn, die de teere tint van haar
toiletje, den fijnen blos van haar wangen, en den gouden glans van
haar lokken te beter deed uitkomen, de hoofdfiguur vormde in een
alleraardigst tafreeltje.
Toen zij het steenen plateau op den top van den heuvel bereikt hadden,
heette Amy hem met een vriendelijke handbeweging welkom op haar
lievelingsplekje, en vroeg, hem hier en daar enkele punten aanwijzend:
"Herinner je je alles nog? de Kathedraal en het Corso, de visschers,
die hun netten de baai insleepen, en den schilderachtigen weg naar
Villa Franca; Schubert's toren, daar juist beneden ons, en niet te
vergeten, dat stipje ver in zee, dat Corsica moet wezen?"
"Ik herinner het mij best, het is hier niet veel veranderd," antwoordde
Laurie, zonder de minste opgewektheid.
"Wat zou Jo niet geven voor een kijkje op dat beroemde stipje!" zei
Amy, die echt in haar schik was en hem ook zoo graag vroolijk wilde
zien.
"Ja," was het eenig antwoord, maar hij keerde zich om en tuurde strak
naar het eiland, dat hem nu, ter wille van een nog grooter overweldiger
dan zelfs Napoleon geweest was, belangrijk toescheen.
"Neem het vooral eens goed op om het Jo te kunnen beschrijven en
vertel mij dan eens, wat je den laatsten tijd al zoo gedaan hebt,"
verzocht Amy, en ze ging zitten om een gezellig praatje te houden.
Maar dat lukte niet, want hoewel hij naast haar neerviel en al haar
vragen uitvoerig beantwoordde, kwam zij niet veel meer te weten, dan
dat hij het vasteland rondgereisd had en naar Griekenland geweest
was. Nadat zij zoo een uurtje hadden zoek gebracht, reden zij weer
naar huis, en na zijn opwachting gemaakt te hebben bij mevrouw Carrol,
verliet Laurie haar, met de belofte, 's avonds terug te zullen komen.
IJdele Amy maakte dien avond bizonder veel werk van haar toilet.
Tijd en afwezigheid hadden hun invloed op de beide jongelieden doen
gelden; zij had haar ouden vriend in een nieuw licht gezien,--niet
als "onze Laurie", maar als een knappe, aantrekkelijke jonge man,
en zij voelde de zeer natuurlijke begeerte in zich opkomen, genade
te mogen vinden in zijn oogen. Amy verstond de kunst, door smaak en
handigheid zooveel mogelijk partij te trekken van haar uiterlijke
gaven; een gelukkig talentje voor een onbemiddeld jong meisje.
Dunne stofjes waren goedkoop te Nice, dus maakte zij daar bij zulke
gelegenheden gebruik van, en door de verstandige Engelsche mode te
volgen, die jonge meisjes eenvoud in kleeding voorschrijft, wist zij
bekoorlijke toiletjes samen te flansen met als eenige garneering
een paar frissche bloemen, een enkel kostbaar versiersel, of een
paar aardige kleinigheden, die goedkoop waren en toch veel effect
maakten. 't Is waar, soms overheerschte de kunstenares de vrouw en
liet zij zich verleiden tot antieke _coiffures_, statige houdingen
en klassieke draperieën. Maar och, wij hebben allen onze kleine
zwakjes, en kunnen ze de jeugd gemakkelijk vergeven, daar zij ons hart
vervroolijkt door haar onschuldige ijdelheid en haar frissche bekoring.
"Ik wou zoo graag dat hij mij knap vond en dat thuis vertelde,"
dacht Amy, toen zij een oud wit zijdje van Flo als onderjapon aandeed
en daarover heen een wolk van voile liet glijden, die haar blanke
schouders en goudlokkig hoofdje heel bevallig deed uitkomen. Zij was
zoo wijs haar haar te laten zooals het was, en vergenoegde zich de
blonde krullen in een dikken toet vast te steken à la Hebe.
"Het is wel niet modieus, maar 't staat mij goed, en ik kan mijzelf
niet leelijk maken," was gewoonlijk haar antwoord, als men haar
aanraadde, haar haar te branden of rollen te dragen, zooals de laatste
smaak voorschreef.
Daar zij geen sieraden had, die mooi genoeg waren voor dezen
gewichtigen avond, tooide Amy zich enkel met een paar rozeroode
azalia's, bekeek met een blik van meisjesachtigen trots haar
wit satijnen schoentjes (gedachtig aan de geverfde van vroeger),
ruischte toen de kamer eens op en neer en bewonderde in haar eentje
haar aristocratische voetjes.