woorden met moeite over Jo's lippen waren gekomen, liet Laurie haar
handen los, en keerde zich om, alsof hij verder wilde gaan, maar voor
de eerste maal in zijn leven was een teleurstelling hem te machtig;
hij verborg zijn gezicht tegen den met mos begroeiden paal en stond
zoo stil, dat het Jo angstig om 't hart werd.
"O Teddy, het spijt mij zoo, het spijt mij zoo vrééselijk; ik zou
mij zelf wel willen doodsteken, als dat iets helpen kon. Ik wou,
dat je het niet zoo hoog opnam, ik kan het niet helpen; je weet,
dat liefde zich niet dwingen laat!" riep Jo, bedroefd en berouwvol,
terwijl zij hem zachtjes de hand op den schouder legde en aan dien
lang verleden morgen dacht, toen hij haar zoo vertroost had.
"Soms lukt het, als je 't probeert," klonk een gesmoorde stem van
den paal.
"Ik geloof niet, dat het dan de rechte soort van liefde is, en ik
zou het liever niet probeeren," was het vastbesloten antwoord.
Toen volgde een lange pauze, waarin de distelvink vroolijk zong en
het lange gras in den wind ritselde. Daarna begon Jo zeer ernstig,
terwijl zij ging zitten op een steen bij het hek.
"Laurie, ik moet je iets zeggen."
Hij schrikte, alsof hij door een schot getroffen werd, wierp het
hoofd achterover en riep op woesten toon:
"Vertel me _dat_ niet, Jo; ik zou het niet kunnen verdragen!"
"Wat niet?" vroeg zij verbaasd over zijn heftigheid.
"Dat je dien ouden man liefhebt."
"Welken ouden man?" vroeg Jo, die dacht, dat hij zijn grootvader op
het oog had.
"Dien beroerden professor, waar je altijd over schreef. Als je zegt,
dat je hem liefhebt, doe ik iets wanhopigs," en hij zag er uit, alsof
hij zijn woord zou houden, toen hij met van woede glinsterende oogen
zijn vuist balde.
Jo was op het punt te lachen, maar bedwong zich en zei met warmte,
want zij werd door al die emoties ook opgewonden:
"Vloek niet, Teddy! hij is niet oud, of wat ook; alleen maar goed
en vriendelijk, en de beste vriend, dien ik heb--na jou. Word nu
als'tjeblieft niet driftig; ik wil niets onaardigs zeggen, maar
ik wéét, dat ik boos zal worden, als je iets ten nadeele van mijn
professor zegt. Ik heb niets geen plan om op hem of op iemand anders
verliefd te raken."
"Maar dat zul je na een poosje toch, en wat moet er dan van mij
worden!"
"Jij zult als een verstandige jongen, ook wel van iemand anders gaan
houden, en al deze akeligheid vergeten."
"Ik _kan_ niemand anders liefhebben, en ik zal jou nooit vergeten,
Jo, nooit!" riep hij, op den grond stampend om zijn hartstochtelijke
woorden kracht bij te zetten.
"Wat _moet_ ik met hem beginnen?" zuchtte Jo, ziende dat gevoelszaken
moeilijker te behandelen waren, dan zij gedacht had. "Je hebt nog
niet gehoord, wat ik je wou vertellen. Toe, ga nu eens zitten en
luister naar me, want ik wil werkelijk doen, wat het beste is en je
gelukkig maken," zei zij, in de hoop hem door een verstandig woordje
tot kalmte te brengen,--wat duidelijk bewees, dat zij niet het minste
begrip had van liefde.
Laurie, die een straal van hoop in de laatste toespraak meende te
ontdekken, wierp zich op het gras aan haar voeten, leunde met zijn
hoofd op zijn arm en keek vol verwachting naar haar op. Die schikking
was echter, wat Jo betreft, niet bevorderlijk voor een kalm gesprek
of de helderheid van haar geest; want hoe _kon_ zij harde dingen
zeggen tegen haar jongen, als hij haar zoo met oogen vol liefde
lag aan te kijken, terwijl zijn wimpers nog vochtig waren van de
bittere tranen, die de hardheid haars harten hem ontperst had? Zij
keerde zacht zijn hoofd af en zei, terwijl zij het krulhaar streelde,
dat om harentwil had mogen groeien--wat de aandoenlijkheid van alles
nog verhoogde!--"Ik ben het met Moeder eens, dat jij en ik niet bij
elkander passen, omdat ons opvliegend temperament en onze vaste wil ons
waarschijnlijk diep ongelukkig zouden maken, als wij zoo dwaas waren
van te--" Jo zweeg een oogenblik, eer zij het laatste woord uitsprak,
maar Laurie noemde het met de grootste verrukking: "trouwen,--neen
dat zouden wij niet! Als jij me lief hadt, Jo, zou ik een volmaakte
heilige worden,--want jij kunt van me maken, wat je wilt!"
"Neen, dat kan ik niet. Ik heb het geprobeerd, en het is mislukt, en
ik wil ons geluk niet wagen aan zoo'n ernstige proefneming. Wij passen
niet bij elkaar, en zullen dat wel nooit doen; laat ons levenslang
vrienden blijven, maar geen dwaasheid begaan."
"Jawel, als wij er maar kans toezien," prevelde Laurie,
tegenspartelend.
"Kom, wees nu niet onredelijk, en beschouw de zaak verstandig,"
smeekte Jo, bijna ten einde raad.
"Ik wil onredelijk zijn; ik verlang de zaak niet verstandig te
beschouwen; het kan mij niet helpen en het maakt jou maar kouder. Ik
geloof niet, dat je een hart hebt."
"Ik wou dat het waar was."
Jo's stem beefde, en Laurie, die dit een goed teeken vond, keerde
zich om en wendde al zijn overredingskracht aan, terwijl hij op zijn
vleienden toon (nog nooit had die zoo gevaarlijk vleiend geklonken)
zei:
"Kom, lieveling, stel ons niet te leur: ze verwachten het
allemaal. Grootvader heeft er zijn hart op gezet;--je familie vindt
het goed, en ik kan niet zonder je leven. Zeg nu maar, dat je wilt,
en laat ons gelukkig zijn! Toe, doe het maar!"
Eerst vele maanden later begreep Jo, hoe zij genoeg geestkracht had
gehad om trouw te blijven aan haar besluit, toen zij verklaarde,
dat zij haar jongen niet beminde en het ook nooit zou kunnen. Het
was een zware taak, maar zij volbracht die, wel wetende, dat uitstel
zoowel noodeloos als wreed zou wezen.
"Ik kan niet van harte ja zeggen, daarom zeg ik het ook stellig
niet. Je zult na een poosje wel inzien, dat ik gelijk heb, en er mij
dankbaar voor zijn," begon zij plechtig.
"Dat zal lang duren!" en Laurie vloog overeind, gloeiend van
verontwaardiging bij de enkele gedachte.
"Ja, dat zul je toch wel!" begon Jo weer; "je zult er je na een poosje
mee verzoenen, en een lief knap meisje vinden, dat je zult aanbidden,
en die een mooie châtelaine voor je mooi huis zal zijn. Dat zou ik
toch niet wezen; ik ben alledaagsch en onhandig, en raar en oud,
en je zou je maar over mij schamen, en wij zouden kibbelen. Zelfs
nu kunnen wij het al niet laten, zooals je ziet, en ik zou niet van
deftig gezelschap houden, en jij wel, en jij zou een hekel hebben
aan mijn gekrabbel, en ik zou er niet buiten kunnen, en wij zouden
dood ongelukkig zijn en wenschen dat wij het maar niet gedaan hadden,
en het zou een verschrikkelijk leven worden!"
"Nog meer?" vroeg Laurie, die het moeilijk vond geduldig te luisteren
naar deze profetische uitbarsting.
"Niet meer, behalve dat ik niet geloof, dat ik ooit zal trouwen; ik
ben gelukkig zooals ik ben, en heb mijn vrijheid te lief, dan dat ik
me zou haasten die op te geven voor eenig sterfelijk man!
"Dat weet ik wel beter!" viel Laurie uit. "Nu denk je zoo, maar er zal
een tijd komen, wanneer ie wél van iemand zult houden, en dan zul je
hem geweldig liefhebben en voor hem leven en sterven. Ik weet zeker,
dat het zoo zijn zal, 't is net iets voor je, en dan zal ik mogen
toekijken!" En de ongelukkige minnaar wierp zijn hoed op den grond
met een gebaar, dat comisch zou geweest zijn, als zijn gezicht niet
zoo droevig had gestaan.
"Ja, ik _zal_ voor hem leven en sterven, als hij ooit komt en mij
dwingt hem lief te hebben, tegen wil en dank, en jij moet zien er je
doorheen te slaan!" riep Jo, die haar geduld verloor met den armen
Teddy. "Ik heb gedaan wat ik kon, maar jij _wilt_ niet naar rede
luisteren, en het is zelfzuchtig van je, te blijven vragen om iets,
dat ik niet geven kan. Ik zal altijd veel van je houden, heel veel,
als een vriendin, maar ik kan nooit met je trouwen; en hoe eer je
dat gelooft, hoe beter voor ons beiden--dus--"
Die toespraak werkte als vuur bij buskruit. Laurie keek haar een
oogenblik aan, alsof hij niet recht wist, wat met zichzelven te doen,
keerde zich toen eensklaps om en zei op wanhopigen toon: "Dit zal je
eenmaal spijten, Jo!"
"O, waar ga je heen?" riep zij, want de uitdrukking in zijn oogen
maakte haar angstig.
"Naar den duivel!" was het troostvol antwoord.
Jo's hart stond een oogenblik stil, toen hij met een sprong den
oever der rivier bereikte, maar er is veel dwaasheid, zonde of
ellende noodig om een jongeman tot zelfmoord te brengen, en Laurie
behoorde niet tot de zwakke soort, die zich gewonnen geeft na een
enkele bittere teleurstelling. Hij dacht niet aan een tragische
onderdompeling, maar een blind instinkt dreef hem om hoed en jas
in zijn boot te werpen en uit alle macht weg te roeien, waarbij hij
mooier tijd maakte dan bij menigen wedstrijd. Jo haalde diep adem,
en liet haar armen langs haar lijf vallen, terwijl zij "haar jongen"
nastaarde, die zijn verdriet trachtte te beheerschen.
"Dat zal hem goed doen! Maar hij zal in zoo'n teeder berouwvolle
stemming thuis komen, dat ik hem niet onder de oogen zal durven
komen," voegde zij er bij, terwijl zij langzaam naar huis ging, met
een gevoel, alsof zij een onschuldig wezentje vermoord en onder de
bladeren begraven had.
"Nu moet ik het maar aan mijnheer Laurence gaan zeggen, dan kan hij
wat vriendelijk tegen mijn armen jongen zijn. Ik wou dat hij van Bets
hield; misschien zal hij dat mettertijd wel gaan doen, maar ik geloof,
dat ik mij op dat punt in haar vergist heb. Hoe is het toch mogelijk,
dat meisjes het prettig vinden aanbidders te hebben, en ze dan af te
wijzen? Ik vind het iets verschrikkelijkst."
Overtuigd dat niemand er beter voor geschikt was dan zijzelve,
ging zij regelrecht naar mijnheer Laurence, vertelde manmoedig
de heele geschiedenis, en begon toen zoo wanhopig over haar eigen
ongevoeligheid te schreien, dat de vriendelijke oude heer er niets
tegen in wist te brengen, hoewel hij bitter teleurgesteld was. Hij kon
maar niet begrijpen hoe een meisje laten kon Laurie lief te hebben,
en hoopte, dat zij nog van gedachten veranderen zou, maar hij wist,
zelfs nog beter dan Jo, dat liefde niet gedwongen kan worden; daarom
schudde hij stilbedroefd het hoofd en besloot zijn kleinzoon buiten
gevaar te brengen, want de afscheidswoorden van den jongen driftkop
tegen Jo beangstigden hem meer, dan hij wilde bekennen.
Toen Laurie doodmoe, maar heel bedaard thuis kwam, ontving zijn
grootvader hem, alsof hij van niets wist, en hield gedurende een
paar uren den schijn met goed gevolg op. Maar toen zij samen in
de schemering zaten, dat uurtje, waarvan zij anders zoo genoten,
viel het den ouden man zwaar als naar gewoonte door te praten,
en den jongen man nóg zwaarder, te luisteren naar de loftuitingen
over den goeden uitslag van het laatste studiejaar, dat hem nu een
mislukt liefdewerk toescheen. Hij verdroeg het, zoolang hij kon,
ging toen naar de piano en begon te spelen. De ramen stonden open,
en Jo, die met Betsy in den tuin wandelde, begreep dezen keer de
muziek beter dan haar zuster, want hij speelde de Sonate Pathétique,
en speelde haar, zooals hij nog nooit gedaan had.
"Dat is heel mooi, maar droevig genoeg om iemand aan het schreien te
maken; speel eens iets vroolijkers, jongenlief," verzocht mijnheer
Laurence, wiens vriendelijk oud hart vol was van een medegevoel,
dat hij zoo gaarne wilde toonen, maar niet wist hoe.
Laurie begon iets opgewekters, speelde een poosje woest door, en
zou het er goed afgebracht hebben, indien hij niet in een kleine
pauze mevrouw March had hooren roepen: "Jo, kom even binnen, ik heb
je noodig."
Juist wat Laurie zoo sterk voelde, in een anderen zin. Toen hij
de woorden hoorde, raakte hij in de war, het spel eindigde met een
gebroken akkoord, en de jonge musicus bleef roerloos in de duisternis
zitten.
"Dát is me te machtig!" mompelde de oude heer; hij stond op, zocht
zijn weg naar de piano, legde zijn handen op Laurie's schouders, en
zei, zoo zacht als een vrouw: "Ik weet alles mijn jongen, ik weet
alles." Geen antwoord gedurende een oogenblik; toen vroeg Laurie
scherp: "Wie heeft het u verteld?"
"Jo zelf."
"Dan is alles uit!" en hij schudde de hand van zijn grootvader met
een ongeduldige beweging af; want hoewel hij dankbaar was voor de
sympathie, kon toch zijn mannelijke trots het medelijden van een man
niet verdragen.
"Niet geheel, ik wou je nog iets zeggen, en dan zal alles uit zijn,"
antwoordde de oude heer met ongewone zachtheid. "Je hebt nu zeker
geen lust om hier te blijven?"
"Ik ben niet van plan voor een meisje weg te loopen. Jo kan mij niet
verhinderen haar te zien, en ik zal blijven en dat doen, zoolang ik
verkies," antwoordde Laurie op hoogen toon.
"Dat zul je niet, als je een gentlemen bent, waar ik je voor houd. Ik
ben ook diep teleurgesteld, maar het meisje kan het niet helpen; en
het eenige, wat jou te doen staat, is, voor een poos weg te gaan. Waar
wil je heen?"
"Dat is mij 't zelfde, ik geef er niets om, wat er van mij wordt,"
en Laurie stond op met een onverschilligen lach, die zijn grootvader
akelig in de ooren klonk.
"Draag het als een man, en doe in 's hemels naam geen overijlde
dingen! Ga buitenslands, en tracht het te vergeten."
"Dat kán ik niet!"
"En je verlangde er zoo naar, en ik had je beloofd, dat je gaan zou,
als je promotie achter den rug was."
"O ja! maar ik was niet van plan _alleen_ te gaan!" Laurie liep
met groote stappen de kamer op en neer, met een uitdrukking op zijn
gezicht, die zijn grootvader gelukkig niet zag.
"Ik verg niet van je, dat je alleen gaat; er is wel iemand die met
alle plezier, waarheen dan ook, wil meegaan."
"Wie, Grootvader?" vroeg hij stilstaande.
"Ik zelf."
Laurie keerde zich af, maar draaide even gauw weer om, en zei met een
heesche stem, terwijl hij zijn hand uitstak: "Ik ben een ellendige
egoïst, maar--u weet--Grootvader,--"
"Ja, mijn jongen, ja, ik weet er alles van, want ik heb dat alles
vroeger zelf doorgemaakt in mijne jonge jaren, en later met je
vader. Kom, kerel, ga eens rustig hier zitten, en luister naar mijn
plan. Het is alles in orde en kan dadelijk uitgevoerd worden," zei
de oude heer, zijn kleinzoon vasthoudende, alsof hij bang was, dat
deze zich van hem zou losrukken, zooals zijn vader vóor hem gedaan had.
"Nu, Grootvader, wat wilt u dan?" en Laurie liet zich neervallen,
zonder eenig blijk van belangstelling in gelaat of stem.
"Er zijn in Londen zaken te vereffenen; ik had gedacht, dat jij dat
wel kon doen, maar het is nog beter, dat ik er zelf heen ga, en de
boel hier zal heel goed marcheeren nu Brooke er voor kan zorgen. Mijn
compagnons doen bijna alles, ik blijf er alleen nog maar in, tot jij in
mijn plaats kunt komen, en ik kan er dus ieder oogenblik uittrekken."
"Maar u hebt het land aan reizen, Grootvader; ik kan dat op uw leeftijd
niet van u vergen," begon Laurie, die dankbaar was voor het offer,
maar veel liever alleen ging, als hij dan toch moest gaan.
De oude heer wist dat zeer goed, doch was vast besloten het te
voorkomen, want de stemming waarin zijn kleinzoon verkeerde, bewees
hem, dat het niet verstandig zou zijn den jongen aan zijn lot over te
laten. Hij onderdrukte dus een opkomenden zucht bij de gedachte aan
de huiselijke gemakken, die hij achter moest laten, en zei manmoedig:
"Loop heen, ik ben nog geen oude sukkel! Ik vind het een alleraardigst
plan; het zal mij goed doen, en mijn oude ribbekast zal er niets
door lijden, want het reizen is tegenwoordig bijna even gemakkelijk,
alsof je thuis in je stoel zit."
Een ongeduldige beweging van Laurie gaf te kennen, dat _zijn_ stoel
niet gemakkelijk was, en dat hij het voorstel niets aanlokkelijk vond,
waarom de oude man er haastig bijvoegde:
"Ik ben niet van plan een spelbreker of een lastpost te zijn; ik
ga, omdat ik meen, dat je je gelukkiger zult voelen, dan wanneer je
mij alleen achter laat. Ik zal ook niet overal met je rond zwerven,
maar laat je vrij om te gaan, waarheen je wilt, terwijl ik me op mijn
eigen manier amuseer. Ik heb vrienden in Londen en Parijs, en zou ze
graag eens rustig bezoeken; in dien tusschentijd kun jij naar Indië,
Duitschland of Zwitserland trekken, waarheen je maar wilt, en naar
hartelust genieten van schilderijen, muziek, mooie vergezichten
en avonturen."
Nu had Laurie op dit oogenblik, heel begrijpelijk, een gevoel, alsof
zijn hart gebroken en de heele wereld een troosteloos-eenzame woestijn
was; maar enkele woorden, die de oude man behendig in zijn laatsten zin
wist in te lasschen, deden het gebroken hart onverwachts opspringen,
en plotseling een paar oasen in die woestijn opdoemen. Hij zuchtte
en antwoordde toen op lusteloozen toon:
"Zooals u wilt, Grootvader; het komt er niet op aan, waar ik heen ga,
of wat ik doe."
"Voor mij wel, onthoud dat mijn jongen; ik geef je volkomen vrijheid,
maar ik reken er op, dat je die vrijheid goed zult gebruiken. Beloof
mij dat, Laurie."
"Alles wat u maar verlangt, Grootvader."
"Goed!" dacht de oude heer, "hij geeft er nu niet om, maar de tijd
zal eenmaal komen, dat die belofte hem voor veel kwaad kan bewaren,
tenzij ik mij deerlijk vergis."
Daar mijnheer Laurence een energieke natuur bezat, smeedde hij
het ijzer, terwijl het heet was; en eer de geknakte geest zich in
zooverre hersteld had, dat hij zich tegen iets kon verzetten, waren
zij vertrokken.
Gedurende de dagen, die nog verloopen moesten om de noodige
toebereidselen te maken, gedroeg Laurie zich zooals jonge lieden in
een dergelijk geval gewoonlijk doen. Hij was afwisselend somber,
prikkelbaar en peinzend; verloor zijn eetlust, verwaarloosde zijn
kleeding, en bracht een groot gedeelte van zijn tijd door met
hartstochtelijk piano te spelen. Hij ontliep Jo, maar stelde zich
schadeloos door haar van uit zijn venster te begluren, met zoo'n
tragische uitdrukking op zijn gezicht, dat het haar 's nachts
in haar droomen vervolgde en overdag een drukkend gevoel van
schuld gaf. Anders dan sommige lijders sprak hij nooit over zijn
onbeantwoorden hartstocht, en kon hij niet dulden, dat iemand, zelfs
niet mevrouw March, hem een woordje van troost zocht toe te voegen of
medegevoel toonde. Dit was in sommige opzichten een verlichting voor
zijn vrienden, maar de weken voor zijn vertrek waren buitengewoon
pijnlijk, en allen verblijdden zich, dat de "beste jongen" wegging
om zijn verdriet te vergeten, en weer gelukkig thuis te komen. Hij
glimlachte natuurlijk bitter over hun waan, maar liet dien voor wat
hij was, met de droevige ongeloovigheid van een, die wist, dat zijn
trouw even onveranderlijk was als zijn liefde.
Toen het uur van scheiden aanbrak, wendde hij groote opgewektheid voor
om sommige lastige gemoedsbewegingen te verbergen, die geneigd schenen
zich te doen gelden. Zijn opgeschroefde vroolijkheid leidde niemand
om den tuin, maar zij deden, alsof zij zich lieten verschalken, en
hij bracht het er vrij goed af, totdat mevrouw March hem een kus gaf,
en hem heel moederlijk iets toefluisterde. Toen voelde hij, dat het
uit was met alle zelfbeheersching, en na een haastig afscheid van de
anderen, de bedroefde Hanna niet te vergeten, rende hij de trappen af,
alsof het zijn leven gold. Jo volgde hem een oogenblik later, om hem
nog eens toe te wuiven, als hij soms om mocht kijken. Hij kéék om,
kwam terug, sloeg de armen om haar heen, hoewel zij een trede hooger
stond dan hij, en zag haar aan met een gezicht, dat zijn korte vraag
even welsprekend als aandoenlijk maakte.
"O, Jo, _kun_ je niet?"
"Mijn beste Teddy, ik wou, dat ik kon!"
Dat was alles, behalve een kleine pauze; toen richtte Laurie zich
op en zei: "'t Is goed, denk er verder maar niet over," en ging,
zonder nog een enkel woord te spreken. Maar het was _niet_ goed,
en Jo dacht er wél verder over, want toen, na haar hard antwoord,
de krullebol een oogenblik op haar arm rustte, kreeg zij een gevoel,
alsof zij haar liefsten vriend doorboord had, en toen hij haar verliet,
zonder nog eenmaal naar haar om te zien, wist zij, dat de oude Laurie
nooit terug zou komen.
HOOFDSTUK XIII.
Betsy's Geheim.
Toen Jo in 't voorjaar terugkwam, was zij getroffen door de
verandering, die er met Betsy was voorgevallen. Niemand sprak er over,
of scheen er acht op te slaan, want het was zoo trapsgewijze gekomen,
dat diegenen die haar dagelijks zagen, er niet door verontrust werden;
maar voor oogen, door afwezigheid gescherpt, was het duidelijk te zien,
en een zware last viel op Jo's hart, toen zij het gezichtje van haar
zuster waarnam. Het was niet bleeker en maar weinig magerder dan in
den herfst; maar er lag een vreemd, doorzichtig waas over verspreid,
alsof het sterfelijke zachtkens werd afgeschud, en het onsterfelijke
zich met een onbeschrijfelijk roerende schoonheid in het zwakke
lichaam openbaarde. Jo zag en gevoelde het, maar zei nog niets,
en weldra verloor de eerste indruk zijn kracht, want Bets scheen
gelukkig,--niemand scheen er aan te twijfelen, of zij wel beter
was--en weldra vergat Jo, te midden van andere zorgen, tenminste voor
een tijd haar vrees.
Maar toen Laurie vertrokken, en de rust hersteld was, keerde die
onbestemde angst terug en vervolgde haar onophoudelijk. Ze had
haar zonden gebiecht en vergeving ontvangen; doch toen zij haar
spaarpenningen voor den dag haalde, en voorstelde een uitstapje
in de bergen te doen, bedankte Betsy haar hartelijk, maar verzocht
vriendelijk niet zoo ver van huis te moeten gaan. Nog eens een poosje
rustig aan zee zou haar beter bevallen, en daar "Oma" niet te bewegen
was de kleintjes te verlaten, nam Jo Bets met zich naar een rustig
plekje, waar zij veel in de open lucht kon zijn, en de frissche
zeewind een blos kon tooveren op haar bleeke wangen.
Het was geen mode-badplaats, maar zelfs onder de vriendelijke,
eenvoudige bewoners maakten de meisjes slechts weinig kennissen;
ze gaven er de voorkeur aan, alleen voor elkander te leven. Bets
was te verlegen om veel van gezelschap te houden, en Jo te veel in
de zorg voor haar verdiept, dan dat zij om iemand anders zou geven;
zij waren dus alles voor elkander, en kwamen en gingen, onbewust van de
belangstelling, welke zij aan de personen uit hun omgeving inboezemden,
die met medelijden de oogen lieten rusten op de krachtige zoowel als op
de zwakke zuster, zoo altijd samen, alsof zij instinctmatig gevoelden,
dat een lange scheiding op handen was.
En werkelijk voelden zij dat, hoewel zij er nooit over spraken;
want er bestaat dikwijls tusschen ons en hen, die ons het naast
en het liefst zijn, een zekere terughoudendheid, die moeilijk te
overwinnen is. Jo had een gevoel, alsof er een sluier was neergelaten
tusschen haar hart en dat van Betsy; maar als zij haar hand uitstak
om dien op te lichten was het haar, alsof de stilte heilig was, en
liet zij het aan Betsy over, het eerst het zwijgen te verbreken. Met
dankbaarheid verbaasde zij zich, dat haar ouders niet schenen te zien,
wat zij zag; en gedurende die rustige weken, toen de sombere schaduw
haar steeds duidelijker werd, schreef zij er niets van naar huis,
overtuigd, dat zij het zelf wel zouden begrijpen, als Betsy niet
aangesterkt thuis kwam. Telkens vroeg ze zich af, of haar zuster
de harde waarheid wel besefte, en welke gedachten haar vervulden,
gedurende de lange uren, als zij, met het hoofd op Jo's schoot, op
een warm plekje lag, terwijl de wind haar verfrisschend tegenwoei,
en de zee haar lied zong aan den voet der rotsen.
Op zekeren dag vertelde Betsy het haar. Jo dacht dat zij sliep; zij
lag zoo stil, en haar boek wegschuivend beschouwde Jo haar lang en
aandachtig, om een straal van hoop te vinden in het flauwe blosje
op Betsy's wangen. Maar zij vond niet genoeg om gerust te zijn,
want de wangen waren verontrustend ingevallen, en de handen schenen
te zwak om ook maar de kleine rose schelpjes, die zij gezocht had,
vast te houden. Toen kwam het bitterder dan ooit over haar, dat
Betsy langzamerhand wegkwijnde, en haar armen omknelden instinctmatig
inniger en vaster den liefsten schat, dien zij bezat. Gedurende een
paar minuten werden haar oogen te veel door tranen beneveld om te
kunnen zien, en toen zij opgeklaard waren, keek Betsy haar zoo teeder
aan, dat haar: "Jo-lief, ik ben toch zóó blij, dat je 't weet; ik heb
geprobeerd het je te zeggen, maar ik kón niet," bijna overbodig was.
Er volgde geen ander antwoord, dan dat Jo haar hoofd tegen dat van
haar zusje leunde; er kwamen zelfs geen tranen, want als Jo zeer
aangedaan was, schreide zij niet. Nu was zij de zwakkere, en Betsy
zocht haar te troosten en te ondersteunen, door haar armen om haar
heen te slaan, en haar vriendelijke woordjes toe te fluisteren.