Eer de avond half om was, gevoelde Jo zich zoo gedésillusioneerd, dat

zij in een hoekje ging zitten om wat te bekomen. Prof. Bhaer, die ook

eenigszins uit zijn element scheen te zijn, voegde zich spoedig bij

haar, en weldra kwamen verscheiden wijsgeeren, ieder op zijn bizonder

stokpaardje, aandraven, om in dit afgezonderd hoekje een intellectueel

steekspel te houden. Het gesprek ging Jo's begrip mijlen ver te boven;

toch boeide het haar, hoewel Kant en Hegel vrijwel onbekende godheden,

en het Subjective en Objective onverstaanbare termen voor haar waren,

en het eenige, wat uit "haar innerlijk bewustzijn evolveerde", een

vreeselijke hoofdpijn was, toen alles was afgeloopen. Langzamerhand

werd het haar duidelijk, dat het heelal aan stukken was geplukt,

en, volgens de sprekers, naar oneindig beter grondregelen weer in

elkander gezet; dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat godsdienst

niets beteekende, en het verstand de eenige God moest zijn. Jo wist

niets van philosophie of metaphysica, maar zij geraakte in een half

aangename, half pijnlijke opwinding, en had een gevoel alsof zij in

het oneindige rondzweefde, als een losgelaten luchtballonnetje.

Zij keek eens naar den professor, om te zien, hoe het hem beviel en

bemerkte, dat hij haar zoo grimmig aanstaarde, als zij hem nog nooit

had zien kijken. Hij schudde het hoofd, en wenkte haar om met hem mee

te gaan, maar zij was zoo verbaasd over de vrijheid van de speculatieve

philosophie, dat zij bleef zitten, om zoo mogelijk te weten te komen,

waaraan die wijze heeren van plan waren zich vast te houden, nadat

zij al de oude geloofs-overtuigingen hadden weggecijferd.

Nu was mijnheer Bhaer een bescheiden man, die niet spoedig met zijn

eigen meeningen voor den dag kwam; niet omdat hij ze niet bezat, maar

omdat zij hem te ernstig en te heilig waren, om er lichtvaardig over

te spreken. Toen hij zag, hoe Jo en verscheiden andere jongelieden

aangetrokken werden door dit schitterend intellectueel vuurwerk,

fronste hij de wenkbrauwen, brandend van verlangen om te spreken,

in zijn vrees dat de een of andere licht ontvlambare jeugdige ziel

mocht betooverd worden door de vuurpijlen, om eerst, als het feest

was afgeloopen, te ontdekken, dat zij niets overhielden dan een

uitgebranden stok en een geschroeide hand.

Hij verdroeg het, zoolang hij kon, maar toen zijn meening gevraagd

werd, werd hij warm in eerlijke verontwaardiging en verdedigde

den godsdienst met al de welsprekendheid der overtuiging--een

welsprekendheid, die zijn gebroken Engelsch welluidend, en zijn

alledaagsch gelaat schoon maakte. Hij had een harden strijd, want de

wijze heeren redeneerden goed, maar hij liet zich niet afschrikken,

wanneer hij geslagen was, en verdedigde zijn vaandel als een man.

Terwijl hij sprak schoof alles weer op de rechte plaats voor Jo's

geestesoog; en het oude geloof, dat reeds zoolang had stand gehouden,

scheen haar beter toe dan het nieuwe. God was geen blinde kracht,

en onsterfelijkheid geen aardig sprookje, maar een gezegende

werkelijkheid. Het was haar, alsof zij weer vasten grond onder de

voeten kreeg; en toen mijnheer Bhaer eindelijk ophield, tot zwijgen

gebracht, maar geen haarbreed overtuigd, had Jo wel in haar handen

willen klappen en hem bedanken.

Zij deed geen van beide; doch zij onthield het gehoorde, en gevoelde

de diepste achting voor den professor, want zij wist, hoeveel moeite

het hem had gekost daar te spreken, maar dat zijn geweten hem verboden

had te zwijgen. Zij begon in te zien, dat een vast karakter beter

is dan geld, aanzien, verstand of schoonheid; en te gevoelen, dat

indien grootheid, volgens de verklaring van een wijs man, bestaat uit

"oprechtheid, eerbied en welwillendheid"--haar vriend Friedrich Bhaer

niet alleen goed, maar groot was.

En deze overtuiging werd dagelijks sterker. Zij stelde prijs op zijn

achting, wenschte vurig, dat hij een goede opinie van haar mocht

hebben, en verlangde zijn vriendschap waard te worden; doch juist

toen die wensch het toppunt bereikt had, liep Jo gevaar alles te

verliezen. Het was het ongelukkig gevolg van een papieren steek. Op

zekeren avond kwam de professor namelijk binnen om Jo les te geven,

met een papieren soldatenmuts op het hoofd, die Tina hem had opgezet,

en die hij vergeten had af te nemen.

"Het is duidelijk, dat hij niet in den spiegel kijkt, eer hij naar

beneden komt," dacht Jo met een glimlach, terwijl hij "Guten Abend"

zei, en bedaard ging zitten, zonder te weten hoe 'n belachelijk

contrast er was tusschen zijn hoofddeksel en zijn onderwerp, want

hij begon haar "De Dood van Wallenstein" voor te lezen.

Ze zei eerst niets, want zij hoorde hem zoo graag in zijn hartelijken

lach uitbarsten, wanneer er iets grappigs voorviel, daarom wachtte zij,

tot hij het zou bemerken, en dacht er op het laatst zelf niet meer

aan, want een Duitscher Schiller te hooren voordragen is iets, dat

den hoorder geheel boeit. Op het lezen volgde een bizonder levendige

les, want Jo was dien avond in een vroolijke bui, en de papieren

muts deed haar oogen van pret glinsteren. De professor wist niet,

wat hij van haar denken moest, en hield eindelijk op, terwijl hij met

een onweerstaanbaar zachtzinnige verbazing vroeg: "Fräulein March,

waarom lacht gij uwen leeraar in zijn gezicht uit? Hebt gij geen

respect voor mij, dat gij zoo doet?"

"Hoe kan ik respect voor u hebben, mijnheer, als u vergeet uw hoed

af te nemen?" antwoordde Jo.

De afgetrokken professor bracht ernstig de hand naar het hoofd, voelde

den steek en nam dien af, keek Jo een oogenblik verbaasd aan, wierp

toen zijn hoofd achterover, en lachte als een vroolijke bas-viool.

"Ach, ik zie hem nu; dat is die ondeugd, Tina, die mij er zoo gek

doet uitzien met mijn muts. Wel, het is niets, maar ziet gij, als

deze les niet goed gaat, zult _gij_ hem ook dragen."

Maar de les ging gedurende eenige minuten in het geheel niet, want

zijn aandacht werd afgeleid door een plaatje op de muts; en terwijl

hij het papier openvouwde, zei hij met diepen afkeer:

"Ik wenschte, dat deze tijdschriften niet in het huis kwamen; zij

zijn niet goed voor kinderen om te zien, en voor jonge lieden om te

lezen. Het is niet goed, en ik heb geen geduld met hen, die kwaad

veroorzaken."

Jo keek naar het papier en zag een bekoorlijk plaatje van een

waanzinnige, een lijk, een moordenaar en een adder. Ze kon het niet

bewonderen, doch het gevoel, dat haar het blad deed omslaan was geen

afkeer, maar vrees, want voor een oogenblik meende zij, dat het een

exemplaar van "De Vulkaan" was. Gelukkig bleek dit niet het geval,

en haar schrik bedaarde, toen zij zich herinnerde, dat, al had haar

eigen verhaal er ingestaan, het haar toch niet kon verraden, daar

het niet onderteekend was. Maar zij had zichzelve al verraden door

haar schuldig gezicht, want hoewel de professor verstrooid heette,

zag hij meer dan de meeste menschen wel dachten.

Hij wist, dat Jo schreef, en hij was haar meer dan eens tegengekomen

bij de uitgevers-kantoren; maar daar zij er nooit van sprak, vroeg

hij er ook nooit naar, hoewel hij erg verlangend was haar werk eens

te zien. Nu viel het hem in, dat zij er zich mogelijk voor schaamde,

en dat deed hem leed. Hij zei niet tot zichzelf: "Het gaat mij niet

aan; ik heb geen recht er mij mee te bemoeien," zooals vele menschen

zouden gedaan hebben; hij bedacht alleen, dat zij jong en arm was,

ver van de beschermende liefde harer moeder en de zorg haars vaders;

en even snel en spontaan als hij zijn hand uitgestoken zou hebben om

een kind van den rand eener sloot terug te trekken, trachtte hij haar

te hulp te komen. Dit alles vloog door zijn ziel, maar hij verried

het door geen enkelen trek van zijn gelaat; en toen de courant was

omgekeerd, en Jo den draad in haar naald had gestoken, zei hij op

heel natuurlijken toon, maar heel ernstig:

"Ja, u heeft recht, dat u het wegschuift. Ik moet er niet aan denken,

dat goede jonge meisjes zulke dingen lezen. Zij mogen sommigen

bevallen, maar ik zou mijn jongens liever buskruit geven om mede te

spelen dan zulk ontuig."

"Misschien is niet alles slecht--alleen maar dwaas en onbeduidend;

en wanneer er vraag naar is, zie ik er geen kwaad in daaraan te

voldoen. Veel respectabele menschen maken een goed inkomen uit wat

men sensatie-romans noemt," antwoordde Jo, haar inhaalsel zoo stevig

inkrassende, dat haar speld overal kleine sleetjes achterliet.

"Er is ook vraag naar jenever, maar ik denk toch niet, dat u of ik

dien zou willen verkoopen. Als die respectabele menschen wisten,

hoeveel kwaad zij deden, zouden zij hun inkomen niet goed noemen. Zij

hebben geen recht, om vergif in de suikerboonen te doen, en ze door

kinderen te laten opeten. Neen, zij behoorden een oogenblikje er over

te denken, en liever de straat te gaan vegen, eer zij dit deden!"

Mijnheer Bhaer sprak met nadruk, en liep naar de kachel, terwijl hij

de courant in zijn hand verfrommelde. Jo zat onbeweeglijk, maar zag

er uit alsof het vuur uit haar gezicht sprong, en haar wangen gloeiden

nog, lang nadat de papieren muts in rook was opgegaan.

"Ik zou graag al de rest denzelfden weg opjagen," zei de professor,

terugkeerende met een gezicht, alsof hem een pak van het hart was

genomen.

Jo bedacht hoe 'n groote brandstapel gemaakt zou kunnen worden van al

de exemplaren, die zij op haar kamer bewaarde, en haar zuur verdiend

geld woog haar gedurende eenige oogenblikken zwaar op het hart. Toen

troostte zij zich met de gedachte: "Mijn verhalen zijn niet zooals dat;

zij zijn alleen maar onbeduidend, nooit slecht; ik hoef er dus niet

langer over te tobben," en haar boek opnemende vroeg zij heel ijverig:

"Zullen wij voortgaan, mijnheer? Ik zal nu goed oppassen."

"Dat wil ik hopen," was al wat hij antwoordde, maar hij bedoelde

meer dan zij dacht, en de ernstig vriendelijke blik, waarmee hij haar

aankeek, gaf haar een gevoel, alsof de woorden "Wekelijksche Vulkaan"

met groote letters op haar voorhoofd gedrukt stonden.

Zoodra zij in haar kamer kwam, haalde zij de couranten voor den dag

en las zorgvuldig al haar verhalen over. Daar mijnheer Bhaer wat

zwak van gezicht was, gebruikte hij soms een lorgnet. Jo had het

eens geprobeerd en met een glimlach gezien, hoe sterk het den fijnen

druk van haar boek vergrootte; nu scheen zij ook den geestelijken

of den zedelijken bril van den professor opgezet te hebben, want de

gebreken van haar ongelukkige verhalen staarden haar grijnzend aan,

en vervulden haar met verslagenheid.

"Zij _zijn_ 'ontuig' en zij zullen gauw nog iets ergers worden, als

ik er mee voortga, want het een is al schokkender dan het ander. Ik

ben blindelings voortgegaan, en heb, alleen om het geld, mijzelve

en anderen kwaad gedaan;--ik weet, dat het zoo is--want ik kan dat

prulwerk niet in koelen bloede lezen, zonder er mij gruwelijk over

te schamen; en wat zou ik beginnen, als zij ze thuis eens lazen of

mijnheer Bhaer ze in handen kreeg?"

Bij die gedachte werd Jo vuurrood, en stopte het heele pak in den

haard, op gevaar af van door den fellen gloed brand in den schoorsteen

te veroorzaken.

"Ja, dat is de beste plaats voor zulken ontvlambaren onzin! Ik geloof,

dat ik nog beter deed met het huis in brand te steken, dan toe te

laten dat anderen door mijn buskruit in de lucht vliegen," dacht Jo,

terwijl zij "De Demon van den Jura" als een klein zwart hoopje met

vurige oogen zag wegschrompelen.

Maar toen van al haar werk der drie laatste maanden niets was

overgebleven dan een hoop asch en het geld in haar beurs, bleef Jo

met een triest gezicht op den grond zitten, onzeker wat zij met haar

honorarium moest beginnen.

"Ik denk, dat ik _tot nog toe_ niet veel kwaad heb uitgericht, en dat

ik het dus wel mag houden als een vergoeding voor mijn tijdverlies,"

besloot zij na lang nadenken, terwijl zij er ongeduldig bijvoegde:

"Ik zou haast wenschen maar geen geweten te hebben, het is zoo

lastig! Als ik er niet om gaf, of ik goed handelde, en geen spijt had

als ik iets verkeerds deed, zou ik heerlijk vooruit komen. Ik wou soms,

dat Vader en Moeder niet altijd zoo verschrikkelijk precies op zulke

dingen waren geweest."

Jo schreef geen sensatie-verhalen meer, overtuigd dat het geld, wat zij

er mee verdiende, niet opwoog tegen het kwaad, dat zij stichtte; maar

verviel nu, zooals meer het geval is met menschen van haar karakter,

in een ander uiterste. Zij bestudeerde de werken van langdradige,

degelijke ouderwetsche schrijfsters, en schreef toen een verhaal,

dat eigenlijk eerder een verhandeling of een preek mocht heeten,

zoo vreeselijk zedekundig was het. Van het begin af aan was ze er

niet bizonder gerust op; want haar levendig temperament en rijke

phantasie gevoelden zich in dien nieuwen trant even weinig thuis, als

zij zelf zich op een gemaskerd bal thuis zou voelen, in het stijve

en lastige kostuum uit een vorige eeuw. Dit juweel van leerzame

braafheid bracht zij op verscheiden plaatsen ter markt, zonder een

kooper te vinden; zoodat zij er toe neigde, met den heer Dashwood

te verklaren, dat zedepreeken niet verkocht worden. Toen probeerde

zij een kinderverhaal, dat zij had kunnen plaatsen, als zij niet zoo

geldzuchtig was geweest, om er een goede som voor te willen maken. De

eenige uitgever, die haar genoeg bood, om het haar der moeite waard

te doen zijn, in deze richting verder te gaan, was een waardig heer,

die zich geroepen voelde de heele wereld tot zijn bizonder geloof te

bekeeren. Maar hoe graag Jo ook voor kinderen schreef, kon zij er

niet in toestemmen, al haar ondeugende jongens door beren te laten

opeten, of door woedende stieren te laten verscheuren; evenmin om al

de brave Hendrikken te beloonen met allerlei soort van zegeningen;

van vergulde suikerboonen af tot een engelenwacht toe, als zij, met

psalmen of gezangen op hun stamelende lipjes, dit leven verlieten. Deze

proefnemingen liepen dus op niets uit, en Jo schoof haar inktkoker

terzijde, en zei in een aanval van gezonde nederigheid:

"Ik weet niets, ik zal dus dienen te wachten, tot ik een gelukkige

ingeving krijg en onderwijl 'de straat vegen' als ik niets beter

doen kan; dat is in ieder geval 'eerlijk' werk; en dit besluit was

een duidelijk bewijs, dat haar tweede tuimeling van den boonenstaak

haar goed had gedaan."

Terwijl deze innerlijke omwentelingen plaats grepen was haar uitwendig

leven even bezig en kalm als te voren, en wanneer zij soms ernstig en

neerslachtig keek, was er niemand, die het opmerkte, dan professor

Bhaer. Hij deed het zoo stil, dat Jo volstrekt niet gewaar werd,

dat hij haar gadesloeg om te zien, of zij met zijn vermaning haar

voordeel gedaan had; maar zij stond de proef door, en hij was voldaan,

want hoewel er geen woord tusschen hen over gewisseld werd, begreep

hij zeer goed, dat zij het schrijven er aan gegeven had. Hij giste

het niet alleen uit het feit, dat haar rechtermiddenvinger niet

langer een en al inkt was, maar zij bracht haar avonden beneden

door, vertoonde zich niet meer in de buurt der uitgeverskantoren,

en studeerde met een volharding en een geduld, die hem bewezen,

dat zij van plan was haar geest, zij het al niet met aangename,

dan ten minste met nuttige dingen bezig te houden.

Hij hielp haar op allerlei manieren, betoonde zich een waar vriend,

en Jo was gelukkig; want terwijl zij haar pen liet rusten, leerde

zij nog wat anders behalve Duitsch, en legde ze den grondslag tot

den sensatie-roman van haar eigen leven.

Het was een prettige en een lange winter, want zij bleef tot Juni

bij mevrouw Kirke. Iedereen was bedroefd toen die tijd aanbrak;

de kinderen waren ontroostbaar, en al het haar van mijnheer Bhaer

stond recht overeind, daar hij het altoos naar alle kanten opstreek,

wanneer hem iets hinderde.

"Gij gaat nu naar huis? Ach, gij zijt gelukkig, dat gij een tehuis

hebt om heen te gaan," zei hij, toen zij het hem vertelde, en verder

zat hij zwijgend in een hoekje aan zijn baard te plukken, terwijl

zij dien laatsten avond haar kleine receptie hield.

Zij zou vroeg in den morgen vertrekken; daarom nam zij des avonds

van allen afscheid, en toen zijn beurt kwam, zei zij hartelijk:

"Nu, mijnheer Bhaer, vergeet niet, wanneer gij ooit onzen kant uitkomt,

ons te komen bezoeken. Ik zou het u nooit vergeven, als u het niet

deed, want ik hoop, dat allen thuis mijn vriend zullen leeren kennen."

"Waarlijk? zal ik komen?" vroeg hij, terwijl hij haar met een

verlangenden blik aanzag, dien zij echter niet opmerkte.

"Ja, toe, komt u in de volgende maand; dan promoveert Laurie, en

het zou wel aardig voor u zijn, eens een Amerikaansche promotie bij

te wonen."

"Dat is uw beste vriend, van wien gij spreekt?" vroeg hij op

veranderden toon.

"Ja, mijn jongen, Teddy; ik ben heel trotsch op hem, en zou erg graag

willen, dat u hem zag."

Bij deze woorden keek Jo op, zonder aan iets anders te denken dan

aan haar eigen genoegen, wanneer zij hen aan elkander zou voorstellen.

Een zeker iets in de oogen van prof. Bhaer deed haar plotseling

bedenken, dat zij mogelijk in Laurie iets meer dan een besten vriend

zou vinden, en juist omdat zij wenschte niets bizonders te laten

blijken, begon zij te blozen, en hoe meer zij probeerde dit niet te

doen, hoe rooder zij werd. Als zij Tina niet op schoot had gehad,

zou zij niet geweten hebben wat te beginnen. Gelukkig kreeg het kind

den inval om haar te kussen, waardoor zij haar gezicht een oogenblik

verbergen kon, in de hoop, dat de professor het niet zou zien. Maar

hij zag het, en de voorbijgaande uitdrukking van smart op zijn gelaat

maakte weer voor de gewone kalmte plaats, terwijl hij hartelijk zeide:

"Ik vrees, dat ik daarvoor geen tijd zal vinden, maar ik wensch

den vriend veel succes, en u alle mogelijk geluk; God zegene u!" en

hiermee drukte hij haar hartelijk de hand, nam Tina op den schouder,

en ging heen.

Toen de jongens naar bed waren, zat hij nog lang voor het vuur, met een

pijnlijken trek om zijn mond, en een drukkend gevoel van heimwee in het

hart. Eén oogenblik, toen hij zich Jo weer voorstelde zooals zij daar

zat, met het kind op haar schoot, en die ongewoon zachte uitdrukking

in de oogen, verborg hij zijn gezicht in de handen, en dwaalde toen

door de kamer, alsof hij iets zocht, wat hij niet vinden kon.

"Het is niet voor mij; ik moet er niet meer op hopen," zei hij tot

zichzelf met een zucht, die bijna een kreun mocht heeten; toen, alsof

hij zich berispte over het verlangen, dat hij niet kon bedwingen,

ging hij zacht de slaapkamer binnen, kuste de twee krulkopjes, haalde

zijn zelden gebruikten meerschuimer voor den dag, en opende zijn Plato.

Hij deed manmoedig zijn best; maar ik geloof niet, dat hij in een

paar wilde jongens, een pijp, of zelfs in den goddelijken Plato, een

voldoende vergoeding vond voor een vrouw, een kind en een eigen tehuis.

Hoe vroeg het ook was, ging hij den volgenden morgen naar het station

om Jo te zien vertrekken; en aan hem had zij het te danken, dat zij

haar reis begon, met de herinnering aan een vriendelijk gelaat,

dat haar een vaarwel toeknikte, met een bosje viooltjes om haar

gezelschap te houden, en bovenal met de blijde gedachte in het hart:

"Zie zoo, de winter is voorbij; ik heb geen boeken geschreven, geen

fortuin gemaakt, maar ik heb een goed vriend gevonden, en ik zal mijn

best doen hem levenslang te behouden."

HOOFDSTUK XII.

HARTELEED.

Wat Laurie's beweegreden ook mocht geweest zijn, het "pompen" van het

laatste jaar bleek niet tevergeefs, want hij promoveerde met lof,

en sprak zijn Latijnsche oratie uit "met de bevalligheid van een

Philippo en de welsprekendheid van een Demosthenes," zooals zijn

vrienden zeiden. Zij waren allen tegenwoordig--zijn grootvader, zoo

trotsch en gelukkig! mijnheer en mevrouw March, John en Meta, Jo en

Betsy, en allen verheugden zich over hem, met die oprechte bewondering,

waarover jongelui op het oogenblik zelf zoo luchtig denken, maar die

hun bij latere triomfen in de wereld niet licht te beurt valt.

"Ik moet voor dat vervelende souper hier blijven, maar ik kom

morgenavond vroeg thuis. Loopen jullie mij als naar gewoonte tegemoet,

meisjes?" vroeg Laurie, toen hij 's avonds van dien blijden dag de

zusters in het rijtuig hielp.

Hij zei "meisjes" maar hij meende Jo,--want zij was de eenige die

nog aan de oude gewoonte getrouw bleef; zij had het hart niet om haar

knappen, gelauwerden jongen iets te weigeren, en antwoordde hartelijk:

"Ik zal komen, Teddy, weer of geen weer, en voor je uit wandelen om

'Ziet, hij komt, met eer gekroond' te spelen op een Davids-harp."

Laurie dankte haar met een blik, die haar met een plotselingen schrik

deed denken: "O, hemel! Ik vrees, dat hij iets zal zeggen, en wat

moet ik dan beginnen?"

Een avond-overdenking en een drukke morgen deden haar angst wat

bedaren, en na zich onder het oog te hebben gebracht, dat zij niet zoo

ijdel moest zijn te verwachten, dat menschen haar liefdesverklaringen

zouden gaan doen, als zij hun alle reden gegeven had om te begrijpen,

wat haar antwoord zou wezen, ging zij op den bepaalden tijd van

huis, in de hoop, dat Teddy haar niet zou noodzaken zijn ongelukkige

gevoelens te kwetsen. Een bezoek bij Meta en een verkwikkende omhelzing

van Daisy en Demi-John, gaven haar nieuwe kracht voor het tête-à-tête,

maar toen zij een rijzige gedaante in de verte zag aankomen, gevoelde

zij toch een sterke begeerte om terug te keeren en weg te loopen.

"Waar is de Davids-harp, Jo?" riep Laurie haar toe, zoodra hij dicht

genoeg genaderd was om zich te doen verstaan.

"Vergeten!" en Jo schepte nieuwen moed, want die begroeting kon

moeilijk verliefd genoemd worden.

Bij zulke bizondere gelegenheden als deze, nam ze vroeger altijd

heel zusterlijk zijn arm, maar dezen keer deed zij het niet, en

hij maakte er geen aanmerking over--wat een "veeg" teeken was--maar

praatte gejaagd voort over allerlei gezochte onderwerpen, tot zij aan

het smalle paadje kwamen, dat door het boschje naar huis leidde. Toen

begon hij langzamer te loopen, verloor zijn welbespraaktheid, en trad

er nu en dan een drukkende pauze in. Om de conversatie van een nieuwe

bezwijming te redden, begon Jo haastig:

"Nu mag je wel eens een flinke, lange vacantie nemen."

"Dat ben ik ook van plan."

Een zeker iets in zijn beslisten toon deed Jo haastig opzien, en

bemerken dat zijn blik op haar rustte met een uitdrukking, die haar

duidelijk aantoonde, dat het gevreesde oogenblik genaderd was. Zij

hief de handen smeekend op en zei:

"Neen, Teddy, _alsjeblieft_ niet!"

"Ik wil het zeggen, en je _moet_ mij aanhooren. Het geeft niets, Jo;

wij moeten er over spreken, en hoe eerder wij het doen, hoe beter

het voor ons beiden is," antwoordde hij, plotseling aangedaan en

opgewonden wordende.

"Zeg dan maar wat je wilt; ik zal luisteren," zei Jo met wanhopige

onderwerping.

Laurie was nog een jeugdig minnaar, maar hij meende het ernstig,

en hij was vast besloten het nu "uit te maken," al moest hij het

ook met den dood bekoopen; daarom stortte hij zich met de hem eigene

onstuimigheid in zijn onderwerp, en vervolgde met een bevende stem,

die hij te vergeefs met alle macht in bedwang trachtte te houden:

"Ik heb je altijd liefgehad, zoolang ik je gekend heb, Jo--ik kon er

niets tegen doen, je bent zoo goed voor mij geweest; ik heb getracht

het je te toonen, maar je wou het niet toelaten. Maar nu moet je

naar mij luisteren, en mij antwoord geven, want ik _kan_ niet langer

zoo voortleven!"

"Ik had je dit zoo graag willen besparen; ik dacht, dat je wel zou

begrijpen--" begon Jo, die het antwoorden nog moeilijker vond, dan

zij gevreesd had.

"Dat weet ik wel; maar meisjes zijn zoo wonderlijk, dat je nooit recht

kunt weten, wat zij willen. Zij zeggen 'neen,' als zij 'ja' meenen, en

zijn in staat iemand alleen voor de grap buiten zichzelf te brengen,"

antwoordde Laurie, zich achter een onloochenbaar feit verschuilende.

"_Ik_ niet. Ik heb niets gedaan om je zoo van mij te doen houden,

en ik ben weggegaan om dit, zoo mogelijk, te voorkomen."

"Dat dacht ik wel; het was net iets voor jou, maar 't heeft niets

geholpen. Ik kreeg er je des te liever om, en deed al mijn best om 't

je naar den zin te maken; ik gaf er het biljarten aan en alles waar jij

maar iets tegen hadt, en wachtte, en klaagde nooit, omdat ik hoopte,

dat je mij nog wel zou lief krijgen, hoewel ik niet half goed genoeg

ben"--hier volgde een snik, die niet bedwongen had kunnen worden;

daarom sloeg hij boterbloempjes stuk met zijn wandelstok, tot dat

"drommelsche brok" in zijn keel wat gezakt zou wezen.

"Ja, dat ben je wel, je bent veel te goed voor mij, en ik ben je

zoo dankbaar, en zoo trotsch op je, en ik houd zooveel van je! 'k

Begrijp eigenlijk niet, waarom ik je niet zoo lief kan hebben, als

je verlangt. Ik heb mijn best gedaan, maar ik kan mijn gevoel niet

veranderen, en het zou een leugen zijn, als ik zei, dat ik het deed,

terwijl het niet zoo is."

"_Wezenlijk_, Jo?"

Hij stond stil en nam bij deze vraag haar beide handen in de zijne,

met een blik, dien zij niet spoedig zou vergeten.

"_Wezenlijk_, Teddylief."

Op Eigen Wieken · 第 12 / 26 段