een jongeling, met name Teddy, niet te vergeten! Ik kan u niet
zeggen, hoe blij ik was met uw Kerstmispak, want ik kreeg het laat
in den avond, en had de hoop al opgegeven. Uw brief kwam 's morgens,
maar meldde niets van een pakje om de verrassing niet te bederven;
ik was dus wel een beetje teleurgesteld, want ik had een soort van
"gevoel" gehad, dat u mij niet zoudt vergeten. Toen ik na de thee
alleen in de kamer zat, was ik diep in den put, en toen het groote,
vochtige pak bij mij werd gebracht, drukte ik het aan mijn hart en
maakte een luchtsprong. Het was zoo _thuis-achtig_ en heerlijk, dat
ik er bij op den grond ging zitten en begon te lezen, te bekijken,
te eten, te lachen en te schreien, op mijn gewone malle manier alles
door elkaar. Het waren juist allemaal dingen, die ik noodig had,
en zij leken mij zooveel beter, nu zij gemaakt waren in plaats van
gekocht. Betsy's nieuwe "inktboezelaar" was kapitaal, en Hanna's
trommeltje met zandkoekjes is een heerlijke traktatie. Zeker zal
ik die mooie flanelletjes dragen, Moeder, die u mij gestuurd heeft,
en heel zorgvuldig de boeken lezen, die Vader aangeschrapt heeft. Ik
dank u allen duizend en duizendmaal!
Van boeken gesproken; in dat opzicht werd ik rijk, want op
Nieuwjaarsdag gaf mijnheer Bhaer mij een mooien Shakespeare. Het is
een exemplaar dat hij zeer op prijs stelt, en ik heb het dikwijls
bewonderd, zooals het daar op de eereplaats stond met zijn Duitschen
bijbel, Plato, Homerus en Milton; u kunt dus denken, wat ik voelde,
toen hij het zonder den omslag bij mij bracht, en mij mijn naam op
het titelblad wees, met daaronder: "Van mijn vriend Friedrich Bhaer."
"Gij zegt dikwijls, gij wenscht een bibliotheek; hier geef ik u een:
want tusschen deze twee wanden (hij meende den band) zijn vele boeken
in éen. Lees hem wel, en hij zal u veel helpen; want de karakterstudie
in dit boek zal u leeren de levende karakters om u heen te verstaan,
en ze met uw pen te teekenen."
Ik dankte hem zoo hartelijk als ik kon, en spreek nu over mijn
bibliotheek, alsof ik honderd boeken bezit. Ik heb vroeger nooit
geweten, dat er zooveel in Shakespeare stak, maar ik had ook vroeger
geen Bhaer om hem mij uit te leggen. Neen, lach nu niet om zijn
leelijken naam, het is niet Baar en ook niet Beer, zooals de menschen
het altijd willen zeggen, maar iets, tusschen beide in, dat alleen
Duitschers kunnen weergeven. Ik ben blij, dat wat ik van hem schrijf
u bevalt, en ik hoop, dat u hem eens zult leeren kennen; Moeder zou
zijn warm hart, en Vader zijn verstandig hoofd bewonderen. Ik bewonder
beide, en voel mij heel rijk met mijn nieuwen "vriend Friedrich Bhaer."
Omdat ik niet veel geld had, en niet wist, wat hij graag zou hebben,
gaf ik hem een paar kleinigheden, die ik hier en daar in zijn kamer
neerzette, waar hij ze onverwachts zou vinden. Zij zijn nuttig, mooi,
of grappig: een nieuw kaartenbakje op zijn tafel, een vaasje voor
zijn bloem--want hij heeft altijd een bloem of een takje groen in een
glas, om hem frisch te houden, zooals hij zegt--en een "aanpakkertje"
voor zijn pook, zoodat hij niet meer zijn "mouchoirs" zooals Amy
ze noemt, behoeft te verbranden. Ik had het gemaakt volgens Betsy's
model--een groote kapel, met een dik lichaam, zwarte en gele vleugels,
paardenharen voelsprieten, en glazen oogen. Hij vond het beest erg
mooi, en heeft het als een ornament op den schoorsteen gezet, zoodat
het per slot van rekening toch nutteloos is. Zoo arm als hij is,
vergat hij toch geen enkele dienstbode of geen enkel kind in huis;
en geen ziel, van de Fransche strijkster af, tot juffrouw Norton toe,
vergat hém. Daar was ik zoo blij om!
Op oudejaarsavond was er een maskerade, en hadden we echt plezier. Ik
was eerst niet van plan naar beneden te gaan, omdat ik geen costuum
had; maar op het laatste oogenblik bedacht mevrouw Kirke, dat zij nog
een ouderwetsche zijden japon had liggen, en juffrouw Norton leende
mij kant en veeren; ik tuigde mij dus op als mevrouw Malaprop [6],
en zeilde naar binnen met mijn masker voor. Niemand herkende mij,
want ik veranderde mijn stem, en niemand droomde, dat die stille,
trotsche juffrouw March (want bijna allen denken, dat ik erg stijf
en koel ben, en dat ben ik ook tegen uilskuikens) kon dansen, zich
verkleeden, of losbarsten in een stortvloed van onzin en dwaasheden. Ik
had dolle pret, en toen wij ons ontmaskerden, was het grappig te zien,
hoe zij mij aanstaarden. Ik hoorde een van de jongelui tegen een ander
zeggen, dat hij altijd wel gedacht had, dat ik een actrice was geweest;
en dat hij zich nu wel meende te herinneren, mij in een van de mindere
schouwburgen gezien te hebben. Meta zal zich met deze grap kostelijk
amuseeren. Herr Bhaer was Nick Bottom [7], en Tina was Titania, in
zijn armen werkelijk een allerliefste kleine fee. Hem te zien dansen
was "een landschap", om een Teddyisme te gebruiken.
Over 't geheel had ik dus een heel gelukkig Nieuwjaar, en toen ik
in mijn kamertje alles nog eens overdacht, voelde ik, dat ik toch
vooruitging, in weerwil van al mijn struikelingen, want ik ben
nu altijd opgeruimd, werk met lust, en stel meer belang in andere
menschen, dan ik vroeger deed, wat toch zeker bevredigend mag genoemd
worden. God zegene u allen. Steeds uw liefhebbende
Jo.
HOOFDSTUK XI.
EEN VRIEND.
Hoewel Jo heel gelukkig was in haar gezellige omgeving, en druk met
haar dagelijkschen arbeid, waardoor ze haar brood verdiende en kruidde,
vond zij toch tijd voor haar letterkundige werkzaamheden. Het doel
dat zij najoeg, lag voor de hand voor een arm en eerzuchtig meisje;
maar de middelen, die zij in het werk stelde om het te bereiken, waren
juist niet de beste. Zij zag, dat geld macht verschaft, en daarom
besloot zij geld en macht te verwerven; niet alleen voor zichzelve,
maar vooral voor hen, die zij meer dan zichzelve liefhad. De hoop,
alles thuis aangenaam en gemakkelijk in te kunnen richten, Betsy
alles te geven, wat zij verlangde, van aardbeien in den winter af,
tot een serafineorgel in haar kamer toe; zelve op reis te gaan; en
altijd _meer_ dan genoeg te hebben, zoodat zij zich het genot van
_geven_ kon veroorloven, was jarenlang Jo's geliefkoosd ideaal geweest.
De ondervinding, opgedaan met de bekroonde novelle, scheen haar een weg
te hebben geopend, die, na een lange reis en het beklimmen van steile
bergen, haar naar dit verrukkelijk luchtkasteel zou voeren. Maar de
kwellingen van de roman-critiek hadden haar moed voor een tijdlang
gefnuikt, want de publieke opinie is een reus, die wel moediger Jacks
op hooger boonenstaken dan de hare, heeft afgeschrikt. Evenals die
onsterfelijke held rustte zij wat uit na haar eerste poging, die in
een nederploffing, en den minst begeerlijken van des reuzen schatten
eindigde, als ik mij wel herinner. Maar de geest van opstaan en opnieuw
beproeven, was even sterk in Jo als in Jack; zij klauterde dus dezen
keer tegen den schaduwkant op, en behaalde meer buit, maar verloor
bijna datgene, wat kostelijker is dan zakken vol goud.
Zij begon sensatie-verhalen te schrijven--want in die duistere
tijden las zelfs het volmaakte Amerika bombast. Zij sprak er met
niemand over, maar stelde een "treffende geschiedenis" op, en bracht
die stoutmoedig zelve naar den heer Dashwood, den uitgever van "De
Wekelijksche Vulkaan". Zij had wel nooit Sartor Resartus [8] gelezen,
maar haar vrouwelijk instinct leerde haar, dat kleederen dikwijls
grooter invloed uitoefenen dan karakterdeugden of de toovermacht van
goede manieren. Zij trok dus haar beste pakje aan, en terwijl zij zich
trachtte wijs te maken, dat zij noch opgewonden, noch zenuwachtig
was, klom zij moedig twee donkere vuile trappen op, en kwam in een
wanordelijke kamer vol tabaksrook, en in tegenwoordigheid van drie
heeren, wier hielen zich in hooger luchtstreken bevonden dan hun
hoeden, welke laatste kleedingstukken door geen van allen bij haar
verschijning werden afgenomen. Eenigszins afgeschrikt door deze
ontvangst aarzelde Jo op den drempel, en fluisterde erg verlegen:
"Neem me niet kwalijk, ik zocht naar het kantoor van 'De Wekelijksche
Vulkaan'; ik wou mijnheer Dashwood graag spreken."
Omlaag kwam het hoogste paar hielen, overeind rees de rookerigste
heer, en zorvuldig en liefkoozend zijn sigaar in de hand houdende,
naderde hij met een knikje en een gezicht, waarop niets dan slaap te
lezen stond. Gevoelende dat zij op de een of andere manier de zaak
ten einde moest brengen, haalde Jo haar manuscript voor den dag,
en met wangen, die met elken zin rooder en rooder werden, stamelde
zij brokstukken van de kleine toespraak, die zij zoo zorgvuldig voor
deze gelegenheid had bedacht.
"Een van mijn vriendinnen verzocht mij--u dit verhaal--alleen als een
proefneming--aan te bieden--zij wilde graag uw oordeel weten--en als
u dit beviel, zou zij wel meer willen schrijven."
Terwijl zij bloosde en stamelde, had de heer Dashwood het manuscript
ter hand genomen, en, het met een paar vuile vingers doorbladerend,
een critischen blik over de net beschreven bladzijden laten dwalen.
"Dit is geen eerste proefneming, denk ik?" vroeg de uitgever,
bemerkende dat de pagina's genommerd, slechts aan éen zijde beschreven
en niet met een lint (dat zeker teeken van een eerstbeginnende)
waren samengebonden.
"Neen, mijnheer; zij heeft eenige ondervinding, en behaalde al een
prijs met een verhaal in de 'Blarneystone Banier.'"
"Ah, zoo?" en de heer Dashwood wierp een haastigen blik langs Jo,
die haar, met al wat zij aan had, van het lint op haar hoed, tot de
knoopen van haar laarzen toe, scheen op te nemen. "U kunt het hier
laten, als u wilt; wij hebben op 't oogenblik meer van dit soort
van dingen liggen dan wij kunnen gebruiken, maar ik zal het eens
doorloopen, en u de volgende week antwoord geven."
Jo was volstrekt niet geneigd het achter te laten, want mijnheer
Dashwood beviel haar in 't geheel niet; maar onder deze omstandigheden
kon zij niet anders doen dan buigen en wegwandelen, waarbij zij
bizonder lang en statig scheen, zooals gewoonlijk wanneer zij
geraakt of verbluft was. Op dit oogenblik was zij beide; want
de veelbeteekenende blikken, die de heeren wisselden, hadden haar
duidelijk getoond, dat haar kleine draaierij van "de vriendin" als een
uitmuntende grap beschouwd werd; en een gelach, veroorzaakt door een
onverstaanbare opmerking van den uitgever, terwijl hij de deur sloot,
voltooide haar nederlaag. Half besloten hier nooit terug te keeren
ging zij naar huis, en joeg haar boosheid op de vlucht, door uit
alle macht boezelaars te naaien; en na een paar uur was zij genoeg
gekalmeerd, om over het heele tooneel te lachen, en naar de volgende
week te verlangen.
Toen zij voor de tweede maal ging, was de heer Dashwood tot haar groote
vreugde alleen. Hij scheen ook nu niet zóo verdiept in zijn sigaar,
dat hij zijn manieren vergat--zoodat de tweede ontmoeting Jo veel
minder zwaar viel dan de eerste.
"Wij zullen het verhaal opnemen (uitgevers spreken nooit van 'ik')
als u geen bezwaar hebt tegen eenige veranderingen. Het is te lang,
maar wanneer u de plaatsen die ik gemerkt heb, schrapt, zal het juist
de vereischte lengte krijgen," zei hij op drogen toon.
Jo herkende nauwelijks haar eigen manuscript, zoo verkreukeld en
vol teekentjes waren de bladzijden en volzinnen; maar met een gevoel
als van een teedere moeder, die men voorstelt de beentjes van haar
zuigeling af te snijden, opdat hij in de nieuwe wieg moge passen, zag
ze de aangestreepte passages na, en bemerkte met verbazing, dat al de
zedekundige overwegingen, die zij er zoo zorgvuldig--als een tegenwicht
voor het al te romantische--tusschen verspreid had, geschrapt waren.
"Maar mijnheer, ik dacht dat ieder verhaal een soort van moreele
strekking moest hebben, en daarom zorgde ik, dat ten minste een paar
van mijn zondaren berouw kregen."
De ernst, die den uitgever paste, maakte plaats voor een glimlach,
want Jo had haar "vriendin" vergeten, en sprak zooals alleen een
schrijfster zou kunnen spreken.
"Ja, maar de menschen verlangen geamuseerd, niet bepreekt te worden,
weet u. Zedeleer wordt tegenwoordig niet verkocht," hetgeen, tusschen
twee haakjes, geen volkomen juiste opmerking was.
"U meent dus, dat het met deze veranderingen bruikbaar zou zijn?"
"Ja, de intrige is nieuw, en vrij aardig uitgewerkt--de stijl en dat
is goed," antwoordde mijnheer Dashwood minzaam.
"Wat is--ik meen, wat geeft u--" begon Jo, niet wetende, hoe zij zich
't best zou uitdrukken.
"O, ja,--wel, wij geven van vijf en twintig tot dertig dollar voor
dingen van dien aard, en betalen bij verschijning," antwoordde de
heer Dashwood, alsof dit punt hem ontgaan was; men zegt, dat zulke
kleinigheden dikwijls de aandacht van uitgevers ontsnappen.
"Heel goed, u kunt het plaatsen," zei Jo, voldaan het verhaal
teruggevende, want na al haar geschrijf voor een dollar de kolom,
scheen zelfs vijf en twintig haar een mooi honorarium toe.
"Mag ik mijn vriendin vertellen, dat u een volgend verhaal ook wel
plaatsen wilt, als het beter is dan dit?" vroeg Jo, die haar kleine
vergissing niet had bemerkt en stoutmoediger was geworden door
haar succes.
"Wel, wij zullen zien; kunnen het niet vast beloven. Zeg haar,
dat zij het kort en piquant moet maken, en zich niet om de moraal
bekommeren. Welken naam zou uw vriendin er onder willen plaatsen?" Dit
laatste op achteloozen toon.
"Geen naam, als 't u blieft; zij verlangt haar eigen naam niet bekend
te maken, en zij heeft geen pseudoniem," antwoordde Jo, ondanks zich
zelve blozende.
"Zooals zij verkiest natuurlijk. Het verhaal zal de volgende week
verschijnen; komt u het geld halen, of zal ik het zenden?" vroeg de
uitgever, nieuwsgierig wie zijn nieuwe medewerkster was.
"Ik zal er om komen; goeien morgen, mijnheer."
Toen zij vertrokken was, stak de heer Dashwood de beenen in de lucht,
met de vriendelijke opmerking: "arm en trotsch als naar gewoonte,
maar zij is bruikbaar."
Volgens de aanwijzingen van haar uitgever stortte Jo zich hals over
kop in de troebele zee van sensatieromans, maar dank zij het reddend
touw, dat haar door een vriend werd toegeworpen, kwam zij weer boven,
en de duikeling deed haar geen kwaad.
Evenals de meeste jonge schrijfsters zocht zij buitenslands naar
karakters en tooneelen; bandieten, graven, zigeuners, nonnen en
hertoginnen verschenen op haar tooneel, en speelden hun rollen
met zooveel durf en bezieling, als de verslinders maar konden
verlangen. Op zulke kleinigheden als taal, stijl, interpunctie, en
waarschijnlijkheid, letten haar lezers al heel weinig, en mijnheer
Dashwood vergunde haar genadig zijn kolommen tegen den laagsten
prijs te vullen, het niet noodig keurende haar te vertellen, dat
de ware reden van deze gastvrijheid het feit was, dat een zijner
gewone werkpaarden, elders beter salaris gevonden en hem in den steek
gelaten had.
Weldra begon zij belang in het werk te stellen, want haar plat
beursje werd dik en rond, en de kleine schat, die Betsy in staat zou
stellen den volgenden zomer naar buiten te gaan, groeide langzaam
maar zeker aan.
Slechts één ding belette haar volkomen tevreden te zijn, en wel,
dat zij het niet naar huis schreef. Zij vreesde, dat haar vader en
moeder het niet zouden goedkeuren--en zij wilde maar liever eerst haar
eigen gang gaan, en daarna vergeving vragen. Het was heel gemakkelijk
haar geheim te bewaren, want haar verhalen verschenen naamloos;
de uitgever had natuurlijk spoedig uitgevonden, wie zij was, maar
beloofde te zwijgen; en o wonder, hij hield zijn woord.
Zij meende, dat het haar geen kwaad zou doen, want zij nam zich ernstig
voor, niets te schrijven, waarover zij zich zou moeten schamen, en
zij stilde al de kloppingen van haar geweten door voorstellingen van
het gelukkig oogenblik, waarop zij met haar verdiende schatten voor
den dag komen en over haar welbewaard geheim lachen zou.
Maar mijnheer Dashwood keurde alle verhalen af, die niet spannend
en sensationeel waren; en daar die sensaties niet veroorzaakt konden
worden, zonder de zielen van de lezers zooveel mogelijk te pijnigen,
moesten geschiedenis en verdichting, land en zee, wetenschap en kunst,
gerechtshoven en krankzinnigen-gestichten, voor dat doel geplunderd
worden. Jo bemerkte spoedig, dat haar jeugdige ervaring haar slechts
zelden een blik vergund had in de tragische wereld, die de maatschappij
ondermijnt; en de zaak uit een materieel oogpunt beschouwende, zette
zij zich met den haar eigen ijver aan het werk, om haar tekortkomingen
in dezen aan te vullen. In haar vurig verlangen om onderwerpen voor
haar verhalen te vinden, en ten minste de intriges oorspronkelijk
te doen zijn, al liet dan ook de uitvoering wat te wenschen over,
doorsnuffelde zij de dagbladen om ongelukken, wonderlijk-toevallige
gebeurtenissen en misdaden op te zoeken; zij wekte de achterdocht op
van houders van leesbibliotheken, door daar boeken over vergiften
te vragen; zij bestudeerde aandachtig de boevengezichten, die zij
op straat tegenkwam, en alle karakters, goede of slechte, die haar
omringden; zij dolf van onder het stof der tijden, zulke oude verhalen
en feiten op, dat zij even goed als nieuw waren, en zocht, voor zoover
haar beperkte gelegenheden het toelieten, aanraking met dwaasheid,
zonde en ellende. Hoewel Jo zich verbeeldde het zoo een heel eind te
brengen, begon ze onbewust eenige van de meest teedere eigenaardigheden
van het vrouwelijk karakter te ontheiligen. Al schrijvende leefde
ze in slecht gezelschap, en hoewel dit slechts in haar verbeelding
bestond, oefende het toch invloed op haar uit, want zij voedde hart
en geest met schadelijk voedsel, en liep gevaar iets van haar reine
natuur te verspelen, door een voorbarige kennismaking met de donkere
zijde des levens, die maar al te vroeg ons aller deel wordt.
Zij begon dit wel eenigszins te gevoelen zonder het nog helder
in te zien, want het veelvuldig beschrijven van de hartstochten
en gevoelens van anderen, deed haar haar eigene bestudeeren en
ontleden--een ziekelijke gewoonte, waaraan gezonde jonge menschen
zich niet licht overgeven. Maar het kwaad straft altijd zich zelf,
en Jo's straf kwam juist op het rechte oogenblik.
Ik weet niet, of het de studie van Shakespeare was, die haar een
beter inzicht in het menschelijk karakter verschafte, of wel haar
natuurlijk vrouwelijk instinct voor wat eerlijk, moedig en krachtig is,
maar terwijl Jo haar denkbeeldige helden met alle mogelijke deugden
en ondeugden toerustte, begon zij een levenden held te ontdekken,
die haar, in weerwil van veel menschelijke onvolmaaktheden, sterk
interesseerde.
Mijnheer Bhaer had haar in een hunner gesprekken aangeraden,
eenvoudige, ware en aantrekkelijke karakters te bestudeeren, als de
beste oefening voor een schrijfster; Jo hield hem aan zijn woord door
hemzelf tot het voorwerp van haar studie te maken--een handelwijze
die hem ten hoogste verbaasd zou hebben, als hij het geweten had, want
de waardige professor dacht zeer nederig over zijn eigen verdiensten.
De vraag, waarom ieder van hem hield, trok eerst Jo's aandacht. Noch
rijk, noch aanzienlijk, noch jong, noch knap van uiterlijk--volstrekt
niet wat men begaafd, indrukwekkend, of schitterend noemt, bezat hij
het aantrekkelijke van een helder brandend vuur, en het scheen even
natuurlijk, dat de menschen zich om hem verzamelden als om een warmte
uitstralenden haard. Hij was arm, maar scheen toch altijd iets te
kunnen weggeven; hij was een vreemdeling, maar ieders vriend; hij was
niet jong meer, maar zoo vroolijk als een schooljongen; niet knap en
wat vreemd van uiterlijk,--en toch scheen zijn gelaat velen schoon toe,
en vergaf ieder hem gaarne zijn eigenaardigheden. Jo sloeg hem dikwijls
gade, om uit te vinden wàt het toch was, dat allen zoo aantrok, en ten
laatste kwam zij tot het besluit, dat zijn groote welwillendheid dit
wonder teweegbracht. Indien hij eenig verdriet mocht hebben, dat hem
drukte, dan hield hij dit zorvuldig verborgen, en keerde hij de wereld
alleen zijn zonnigen kant toe. Er waren rimpels op zijn voorhoofd;
maar de Tijd scheen hem vriendelijk te behandelen, gedachtig aan zijn
vriendelijkheid jegens anderen. De welwillende lijnen rondom zijn
mond waren de sporen van vele vriendschappelijke woorden en opwekkende
glimlachjes, zijn oogen keken nooit koud of ongevoelig, en zijn groote
hand gaf een stevigen, warmen druk, die welsprekender was dan woorden.
Zelfs zijn kleederen schenen iets van de gastvrije natuur van hun
eigenaar te hebben overgenomen. Zij zagen er uit, alsof zij op
hun gemak waren en hem gaarne op zijn gemak deden zijn; zijn wijd
vest deed denken aan het ruime hart, dat er onder klopte; zijn oude
jas had iets gezelligs, en de diepe zakken toonden duidelijk aan,
dat kleine handjes er dikwijls ledig ingingen en vol weer uitkwamen;
zelfs zijn laarzen waren rond goedhartig, en zijn boorden nooit stijf
en schrijnend, zooals die van anderen dikwijls.
"Dat is het," zei Jo tot zichzelf, toen zij ten laatste ontdekte,
dat hartelijke welwillendheid jegens zijn medemenschen, zelfs een
gezetten Duitschen leeraar, die zijn middagmaal gretig verorberde,
zelf zijn kousen stopte, en den afschuwelijken naam van Bhaer droeg,
in elks oogen schoon en waardig kon doen schijnen.
Jo stelde goedheid wel op hoogen prijs, maar ze bezat ook een echt
vrouwelijken eerbied voor kennis, en een kleine ontdekking die zij
omtrent den professor deed, verhoogde sterk haar achting voor hem.
Hij sprak nooit over zich zelf, en niemand wist, dat hij in zijn
geboortestad algemeen geacht en geëerd was om zijn geleerdheid
en rechtschapenheid, totdat een zijner landslieden hem eens kwam
opzoeken en in een gesprek met juffrouw Norton dit feit aan den dag
bracht. Jo vernam het van haar, en was er des te meer mee ingenomen,
omdat mijnheer Bhaer er nimmer van gesproken had. Zij was er trotsch
op, dat hij, hoewel in Amerika slechts een arm taalonderwijzer,
in Berlijn een geacht professor was, en zijn nederig werkzaam leven
ontleende aan deze ontdekking een lichtglans van schoonheid en poëzie.
En nog een betere gave dan intellect openbaarde zich op de meest
onverwachte wijze. Juffrouw Norton was lid van een letterkundigen
kring, waar Jo zonder haar nooit toegang zou hebben gehad. Zij stelde
belang in het werkzame jonge meisje, en overlaadde Jo, zoowel als den
professor, met vele gunstbewijzen van dien aard. Op zekeren avond nam
zij beiden mee naar een deftig diner, dat ter eere van verscheiden
beroemde geleerden gegeven werd.
Jo ging er heen in een stemming van nederig ontzag en aanbidding voor
de sterren, die zij met jeugdig vuur van verre vereerd had. Maar
haar eerbied voor het genie onderging dien avond een gevoeligen
schok, en eerst na langen tijd kon zij bekomen van de ontdekking,
dat die verheven schepselen bij slot van rekening toch slechts gewone
stervelingen waren. Toen zij het waagde een beschroomd bewonderenden
blik te werpen op den dichter, wiens regelen deden denken aan een
wezen, gevoed met hemelsch vuur, dauw en ambrozijn, zag zij hem,
o bittere ontgoocheling! de verschillende gerechten verslinden
met een gretigheid en haast, die zijn intellectuëele wangen deden
gloeien. Gegriefd wendde ze zich van hem af als van een gevallen
godheid, om weldra tot andere ontdekkingen te komen, die haar
romantische illusies in rook deden opgaan. De groote romanschrijver
bewoog zich tusschen twee wijnflesschen, met de regelmatigheid van
een slinger; de beroemde godgeleerde maakte openlijk het hof aan
een der madame de Staëls van die dagen, die met oogen als messen
een tweede Corinne gadesloeg, welke haar op de lieftalligste manier
bespotte, nadat zij haar de loef had afgestoken in het betooveren van
den diepzinnigen philosoof, die nu wijsgeerig thee zat te drinken,
en naar allen schijn begon te dommelen--daar de spraakzaamheid der
dame hem het antwoorden onmogelijk maakte. De wetenschappelijke
celebriteiten vergaten hun schelpdieren en ijsperioden, en spraken
over kunst, terwijl zij zich van ganscher harte wijdden aan oesters en
ijsdranken; de jonge musicus, die als een tweede Orpheus de gansche
stad in verrukking bracht, praatte over paarden, en de eenige daar
aanwezige vertegenwoordiger van den Britschen adel was bij ongeluk
de meest alledaagsche persoonlijkheid van de geheele partij.