moederlijke manier, "ik ben van den morgen tot den avond op de been,
zooals je kunt denken met zoo'n huishouden; maar het zal een pak
van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij
jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal
ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar
heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt,
en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd
gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel,
ik moet gauw een andere japon aanschieten!" en weg draafde zij,
en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.
Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte
goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik
op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje
naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van
heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand
nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten,
en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd
accent zei:
"Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware
vrachten."
Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals
Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan
mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:
"Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort
van dingen."
Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel
geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier
lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen,
de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was
geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden
opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij
interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke
hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les
te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer,
en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe
hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad,
Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met
de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig
avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven,
en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.
Dinsdagavond.
Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken
wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust
om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede
engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik
hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te
mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen,
en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.
Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes
knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en
dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg
"Kennst du das Land".
begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar
ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn
voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was
professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik
hem eens goed op. Een echte Duitscher--nog al gezet, met bruin haar,
een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen,
die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands
hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn
kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen
echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi;
toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen
was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook
twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek
heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging,
de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als
een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de
deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:
"Herein!"
Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein
dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog
even wachten.
"Ik zoek mijn Beertje," zei het alikruikje, haar boek met een slag
op den grond gooiend en op hem toeloopende.
"Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens
hartelijk pakken, mijn Tina," zei de professor, haar met een
hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende,
dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.
"Nou moet Tina les leeren," ging het kleine, grappige ding voort;
hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die
zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde
ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar
klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord
opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden
lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde
en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was,
hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.
Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot
mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks
al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang
was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens
op coquetten toon: "Neen, maar professor!" en de andere sprak haar
Duitsch met zoo'n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben
er ernstig onder te blijven.
Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer
dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: "Neen, neen, zoo
is het _niet_, u luistert niet half naar wat ik zeg." En eens klonk er
een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door
den wanhopigen uitroep: "Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!"
De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren,
nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij
scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met
gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op,
stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven,
en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn
armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een
zwaar leven heeft.
Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde
dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht,
misschien zal 't mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met
mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte
achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is,
en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast
haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek
eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel
aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut
af schenen te eten, want zij _schrokten_ in den vollen zin van 't
woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui,
verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder
jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun
kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet,
dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve
met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij
iets meer dan alledaagsch is.
Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant
zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer
weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman
een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was,
zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige
waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar
binnen op een manier, die "Hare Hoogheid" ten zeerste geërgerd zou
hebben. Het hinderde mij niets, want "ik zie graag menschen smakelijk
eten," zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel
noodig, na zoo'n heelen dag lesgeven aan idioten.
Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun
bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde
den een tot den ander fluisteren: "Wie was die nieuweling?"
"Een gouvernante of zooiets."
"Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?"
"Een vriendin van de oude vrouw."
"Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie."
"Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen."
Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af,
want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik
dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan
sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van
die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik
heb een hekel aan alledaagsche menschen!
Donderdag.
De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien,
en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder
gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den
professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een
Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.
Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren,
en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel
genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van
kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en
vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes,
die hij meebrengt, en de _prachtige_ verhalen, die hij kan doen. De
jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem "ouwe Frits",
"de groote Beer", en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar
mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert,
en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden,
ondanks zijn wonderlijke manieren.
De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk,
beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan,
(ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te
zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij
heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt
vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus "aangenaam zien te maken,"
want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik
daaronder iets anders dan Amy.
Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam
met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie,
die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor:
"Dit is mama's vriendin, juffrouw March."
"Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar," voegde
Kitty, een echt "enfant terrible" er bij.
Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling
en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.
"Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein
March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom," zei hij met een
dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.
Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlot te
zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging
en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn
parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde
chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een
stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee,
want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met
sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:
"Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage,
mademoiselle."
Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk,
dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens
gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen
is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.
Zaterdag.
Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij
juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft,
en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten,
en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar
lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in
had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed,
maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft,
en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo
trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke
menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.
Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo'n lawaai in de
voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op
handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een
springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van
stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.
"Wij spelen _menazerie_," legde Kitty uit.
"Dit is mijn olevant," voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het
haar van den professor vast hield.
"Als Franz en Emil 's Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij
willen, is 't niet, mijnheer Bhaer?" vroeg Minnie.
De "olevant", die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam
overeind en zei:
"Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken,
zegt gij slechts 'st!' tot ons, en wij gaan zachter."
Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot
niet minder van de pret dan zij--want vroolijker spel heb ik nooit
bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en
zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zich allen
rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes
vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds,
die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen
net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!
Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen
gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik
dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als
ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze
lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy's brieven, zoodra u ze gelezen
hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar
heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is
Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan
zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets,
en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk van
Uw ouwe trouwe
Jo.
P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg "Bhaerachtig" voor,
maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk
niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!
Dec.
_Mijn allerliefste Bets_,
Daar dit een krabbel-brief zal worden, adresseer ik hem aan jou,
omdat hij je denkelijk amuseeren zal, en je een denkbeeld kan geven
van mijn leventje hier; want al is het rustig, het is toch nog
al amusant--en daarom, o, verheug je met mij! Na, wat Amy vroeger
"Herculanumsche" pogingen noemde, op 't gebied van geestelijke en
zedelijke "agricultuur", beginnen mijn paedagogische begrippen zich
te ontwikkelen, en mijn kleine pleegkinderen zich naar mijn wensch te
buigen. Ik stel niet zooveel belang in hen als in Tina en de jongens,
maar ik doe mijn plicht jegens hen, en zij houden van mij. Franz en
Emil zijn aardige kleine guiten, jongens naar mijn hart; de vermenging
van den Duitschen en Amerikaanschen geest houdt hen in een toestand
van voortdurende beweeglijkheid. De Zaterdagmiddagen zijn tijden
van oproer, hetzij binnen- of buitenshuis, want op mooie dagen gaan
ze allen als een kostschool uit wandelen, met den professor en mij,
om de orde te bewaren; je weet niet, hoe 'n pret we dan hebben!
Wij zijn nu groote vrienden, en ik ben begonnen les bij hem te
nemen. Ik kon er heusch niets tegen doen, en het kwam op zoo'n
grappige manier, dat ik het je even vertellen moet. Ik zal bij het
begin beginnen. Op een morgen riep mevrouw Kirke mij, toen ik mijnheer
Bhaer's kamer voorbijging, waar zij aan het rondscharrelen was.
"Heb je ooit zoo'n hol gezien, kindlief? Help me eens even deze boeken
op hun plaats zetten, want ik heb alles ondersteboven gehaald om te
weten te komen, wat hij met die zes nieuwe zakdoeken gedaan heeft,
die ik hem niet lang geleden gegeven heb."
Ik ging naar binnen, en terwijl wij bezig waren, keek ik eens
rond, want het was wezenlijk een "hol." Overal boeken en papier;
een gebroken meerschuim pijp en een oude fluit, beiden afgedankt
en op den schoorsteenmantel geworpen; een oud dier van een vogel,
zonder staart, tjilpte in de eene vensterbank, de andere was versierd
met een stolp met witte muizen; half voltooide bootjes en eindjes
touw lagen tusschen de papieren, vuile kinderlaarsjes stonden voor
't vuur te drogen, en sporen van de hartelijk geliefde jongens waren
overal in de kamer te zien. Na een eindeloos geschommel kwamen drie
van de verloren schapen voor den dag--één hing over de vogelkooi,
één zat vol inkt en één vol geschroeide plekken, blijkbaar gebruikt
om er een gloeiende pook mee aan te vatten.
"Wat een man!" lachte de goedhartige mevrouw K., terwijl zij de
overblijfselen in de prullemand stopte.
"Ik denk, dat de andere verscheurd zijn voor zeilen van booten,
verbanden voor gewonde vingers, en staarten voor vliegers. Het is
verschrikkelijk, maar ik kan er hem niet hard over vallen; hij is zoo
verstrooid en goedhartig, hij laat die jongens heelemaal den baas over
hem spelen. Ik ben met hem overeengekomen, dat ik voor zijn wasch en
verstelgoed zou zorgen, maar hij vergeet zijn dingen te geven, en ik
vergeet ze na te zien, en zoo raakt hij soms geducht in verlegenheid."
"Laat ik het verstelwerk maar op me nemen," stelde ik voor, "ik geef er
niet om, en hij hoeft het niet te weten. Ik zou het met plezier doen;
hij is altijd zoo vriendelijk voor mij om mijn brieven weg te brengen,
en mij boeken te leenen."
Zoo heb ik dan zijn goed in orde gebracht en in twee paar sokken hielen
gebreid, want zij waren heelemaal uit het fatsoen geraakt door zijn
wonderlijke stoppen. Er werd geen woord van gerept, en ik hoopte, dat
hij het niet zou gewaar worden, maar verleden week betrapte hij mij
op zekeren dag. Daar ik hem altijd zijn lessen hoorde geven, begon ik
er plezier in te krijgen, en besloot mijn best te doen mee te leeren;
want Tina loopt in en uit, en laat de deur open, zoodat ik alles kon
verstaan. Ik was dicht bij de deur gaan zitten, en bezig de laatste
sok af te maken, terwijl ik mijn best deed te verstaan, wat hij tot
een nieuwe leerling zei, die even dom is in 't Duitsch als ik. Het
meisje was weg en ik dacht dat hij ook weg was, want ik hoorde niets
meer, en begon hardop een werkwoord op te zeggen, waarbij ik als een
dwaas heen en weer zat te wiegelen, toen een zacht gegrinnik mij deed
schrikken, en daar stond Herr Bhaer bedaard te kijken en te lachen,
terwijl hij Tina wenkte hem niet te verraden.
"Zoo," zei hij, terwijl ik ophield en hem als een gans aanstaarde. "U
begluurt mij en ik begluur u, maar dat kan geen kwaad; maar zie,
ik maak geen grap, als ik zeg: hebt gij lust Duitsch te leeren?"
"Ja, maar u hebt het veel te druk, en ik ben te dom om te leeren,"
stamelde ik, zoo rood als een pioen.
"Wij zullen den tijd maken en het verstand wel vinden. In den avond
zal ik u gaarne een klein uur geven, want zie, Fräulein March, ik
heb deze rekening te betalen," terwijl hij op mijn werk wees. "Ja,
zij zeggen tot een ander, deze lieve dames: hij is een domme oude
kerel, hij zal niet zien, wat wij doen, hij zal nooit merken,
dat zijn sokken niet meer zoo kapot gaan; hij zal denken, dat zijn
knoopen weer aangroeien, als zij afgevallen zijn, en gelooven, dat
banden zich zelf vastnaaien. Ach, maar ik heb een oog, en ik zie
veel. Ik heb een hart, en ik voel den dank. Kom nu en dan een uur,
of geen goede fee mag meer aan 't werk voor mij en het mijne."
Natuurlijk kon ik niets meer zeggen, en daar het werkelijk een
pracht-gelegenheid is, nam ik het aanbod aan, en wij begonnen. Ik
kreeg vier lessen en bleef toen in een grammaticale moeilijkheid
steken. De professor was uiterst geduldig met mij, maar het moet
een ware kwelling voor hem geweest zijn, want hij keek mij met zoo'n
uitdrukking van kalme wanhoop aan, dat ik niet wist of ik zou lachen
of schreien. Ik viel van het eene uiterste in het andere, en toen
het kwam tot een zacht gesnuf van schaamte en wanhoop, smeet hij
de spraakkunst op den grond en stormde de kamer uit. Ik voelde mij
voor altijd onteerd en verlaten, maar gaf hem volkomen gelijk, en
was juist bezig om mijn paperassen bij elkaar te grabbelen met het
plan naar boven te vluchten en mij zelf eens duchtig onder handen
te nemen, toen hij naar binnen stapte, zoo vroolijk en vriendelijk,
alsof ik mijn naam met roem had overladen.
"Nu zullen wij een andere manier probeeren. Gij en ik zullen te zamen
deze aardige Märchen lezen en niet meer in dat droge boek graven,
dat in den hoek gaat, omdat het ons treurig en boos gemaakt heeft."
Hij sprak zoo vriendelijk en sloeg Andersen's sprookjes zoo uitlokkend
voor mij open, dat ik meer dan ooit beschaamd was, en aan het werk
toog met een gevoel van "overwinnen of sterven," dat hem ontzaglijk
scheen te amuseeren. Ik vergat mijn heele verlegenheid en viel er
uit alle macht op aan, strompelde over lange woorden, sprak ze maar
uit volgens de inspiratie van het oogenblik, en deed mijn uiterste
best. Toen ik aan het einde van de eerste bladzijde was gekomen, en
ophield om adem te scheppen, klapte hij in de handen, en riep op zijn
hartelijke manier uit: "Das ist gut! Nu gaan wij goed!--Mijn beurt. Ik
doe hem in Duitsch, geef mij uw oor!" En daar ging hij, terwijl hij
met zijn heldere stem de lange woorden met zoo'n genot uitgalmde,
dat het iemand goed deed hem te zien en te hooren. Gelukkig lazen
wij de geschiedenis van het "Tinnen Soldaatje," die, zooals je weet,
grappig is, zoodat ik lachen kon, wat ik ook telkens deed, hoewel ik
de helft niet begreep van wat hij las; maar ik kon het niet helpen,
hij was zoo in heiligen ernst, ik zoo opgewonden, en het geheel zoo
onweerstaanbaar komisch.
Naderhand schoten wij harder op, en nu lees ik mijn Duitsch al redelijk
goed; want zijn manier van les geven bevalt mij best, en ik zie wel,
dat hij de spraakkunst in de sprookjes en verzen verstopt, net als
pillen in gelei. Ik vind het erg prettig, en het schijnt hem nog
niet te vervelen; erg goedig van hem, hè? Ik ben van plan hem met
Kerstmis iets te geven, want geld durf ik hem niet aanbieden. Doe
mij eens iets aardigs aan de hand, Moeder!
Wat ben ik blij, dat Laurie zoo opgewekt en druk aan 't werk schijnt
te zijn, en dat hij niet meer rookt, en zijn hart laat groeien. Je
ziet, Bets, dat jij beter met hem kunt omspringen dan ik. Ik ben niet
jaloersch, hoor; ga je gang maar, als je maar geen heilige van hem
maakt. Ik geloof, dat ik niet meer van hem zou houden, als hij geen
greintje menschelijke zondigheid meer in zich had. Lees hem eindjes
uit mijn brieven voor. Ik heb geen tijd om veel te schrijven, en dat
is maar goed ook. Goddank, Betslief, dat je zoo wel blijft.
Jan.