"Lieve hemel, Bets is verliefd op Laurie!" zei zij, terwijl zij op een

stoel in haar kamer neerviel, doodsbleek van schrik over de ontdekking,

die zij meende gedaan te hebben. "Dat zou ik nooit gedroomd hebben! Wat

zal Moeder zeggen! Ik wou wel eens weten of hij--" hier hield Jo op,

en werd vuurrood bij een plotseling invallende gedachte. "Als hij

haar eens niet liefhad, wat zou dat vreeselijk zijn. Maar hij _moet_,

ik zal er hem wel toe dwingen," en zij schudde dreigend het hoofd

tegen het portret van den ondeugend glimlachenden jongen aan den

muur. "O heden, wat _schieten_ we in eens op! Meta getrouwd en mama,

Amy aan het coquetteeren in Parijs, en onze Bets verliefd! Ik ben

de eenige, die verstandig genoeg is, om zich niet met die gekheid

in te laten." Jo stond een oogenblik in gedachten verzonken het

portret aan te staren; toen ontplooide zich haar gefronst voorhoofd,

en zei zij met een beslist knikje--"neen, dank u, mijnheer, u bent

heel aardig, maar niet standvastiger dan een weerhaan; schrijf dus

maar geen aandoenlijke briefjes, en glimlach maar niet zoo dierbaar,

want het helpt je niets, en ik wil het niet hebben!"

Ze zuchtte eens diep en verviel in ernstig gepeins, waaruit zij

eerst ontwaakte bij het invallen van de vroege schemering. Toen ging

ze naar beneden om nieuwe opmerkingen te maken, die haar vermoedens

slechts bevestigden. Hoewel Laurie met Amy flirtte, en altijd gekheid

maakte met Jo, was zijn gedrag tegenover Betsy steeds bizonder

vriendelijk en zacht geweest, maar dat was het geval met iedereen;

daarom kwam het in niemand op, dat hij meer om haar zou geven, dan

om de anderen. Integendeel, in den laatsten tijd leefde de heele

familie onder den indruk, dat "onze jongen" meer dan ooit van Jo ging

houden, die evenwel geen woord over dit onderwerp wilde hooren, en

hevig uitvoer tegen ieder, die er van durfde gewagen. Als zij iets

geweten hadden van al de teedere episoden in het afgeloopen jaar,

of liever van de pogingen tot teederheid, die in de kiem verstikt

waren, zouden zij allen met innige voldoening hebben kunnen zeggen:

"Ik heb het wel voorspeld!" Maar Jo had een hekel aan "sentimenteel

gezeur", wilde het niet toestaan, en was altijd klaar met een grap

of een snauw, als zij het minste gevaar van dien kant zag naderen.

Toen Laurie pas aan de academie was, raakte hij zoowat elke maand

verliefd; maar deze kleine vlammetjes waren even kort als hevig,

schaadden niemand, en vermaakten Jo geweldig, die groot belang stelde

in al de afwisselingen van hoop, wanhoop en gelatenheid, die haar in

hun wekelijksche samenkomsten werden toevertrouwd. Maar er kwam een

tijd, dat Laurie ophield met het offeren op verschillende altaren,

geheimzinnige wenken gaf aangaande een verterenden hartstocht, en

aanvallen had van Byroniaansche somberheid. Daarna vermeed hij het

teeder onderwerp geheel en al, schreef wijsgeerige briefjes aan Jo,

werkte hard, en verkondigde dat hij aan 't "pompen" ging, om in een

stralenkrans van roem te promoveeren. Dit beviel de jonge dame beter

dan schemer-avond-confidenties, teedere handdrukken en welsprekende

blikken; want bij Jo was het hoofd eerder ontwikkeld dan het hart en

zij verkoos denkbeeldige helden boven werkelijke, omdat de eerste,

als zij haar verveelden, tot nader order in de blikken poppenkeuken

konden opgesloten worden, en de laatste minder handelbaar waren.

Zoo stonden de zaken, toen de groote ontdekking gedaan werd, en Jo

nam Laurie dien avond oplettender waar, dan ooit tevoren. Wanneer

zij dit nieuwe denkbeeld niet in 't hoofd gekregen had, zou zij niets

bizonders gezien hebben in de omstandigheid, dat Betsy heel stil, en

Laurie heel vriendelijk jegens haar was. Maar daar zij haar levendige

verbeelding den vrijen teugel liet, draafde deze in snellen draf met

haar voort, en daar haar gezond verstand wel wat scheen te lijden

onder het vele romanschrijven kwam dit haar niet te hulp. Bets lag

als naar gewoonte op de sofa; Laurie zat op een laag stoeltje dicht

bij en amuseerde haar met allerlei verhalen. Ze verlangde altijd naar

haar wekelijksch praatje, en Laurie stelde haar nooit te leur. Maar

dien avond verbeeldde Jo zich, dat Betsy's oogen met bizonder

welgevallen op het levendige, donkere gezicht naast haar rustten,

en dat zij met gespannen aandacht luisterde naar een verhaal van een

interessant cricketspel, hoewel de verschillende technische termen

even onverstaanbaar voor haar waren als sanscrit. En, daar zij het

zoo van harte wenschte, verbeeldde Jo zich ook, dat zij een toenemende

innigheid in Laurie's gedrag opmerkte, dat hij nu en dan fluisterde,

minder dan gewoonlijk lachte, een beetje afgetrokken was, en gedurig

den shawl over Betsy's voeten goed legde, met een bezorgdheid, die

werkelijk teeder genoemd kon worden.

"Wie weet! er zijn wel vreemder dingen gebeurd!" dacht Jo, terwijl zij

door de kamer drentelde. "Zij zal een engel van hem maken, en wat kan

hij voor onze Bets het leven gemakkelijk en aangenaam doen zijn, als

zij elkaar liefhebben! Ik zie niet in, hoe hij het zou kunnen laten,

en ik geloof, dat hij haar _zeker_ lief zou krijgen, als wij anderen

maar uit den weg waren."

Daar iedereen uit den weg _was_, behalve zij zelve, begon Jo te

begrijpen, dat zij zich zoo gauw mogelijk uit de voeten moest

maken. Maar waar zou zij heengaan? Brandende van verlangen om zich

op het altaar van zusterlijke liefde te offeren, zette zij zich neer

om dit punt eens ernstig te overdenken.

Nu was de oude sofa een wezenlijke patriarch van een sofa,--lang,

breed, vol kussens en laag. Wel wat vaal en versleten, en geen wonder,

want als zuigelingen hadden de meisjes er op geslapen en rondgekropen,

als kinderen hadden zij over den rug gevischt, op de armen gereden,

en menagerie er onder gespeeld, en als jonge meisjes hadden zij

hun vermoeide hoofdjes er op neergelegd, droomen gedroomd, of naar

teedere woorden geluisterd. Zij hadden allen die oude canapé lief,

want zij was een familie-toevluchtsoord, en éen hoekje was altoos

Jo's geliefkoosd rustplaatsje geweest. Onder de vele kussens, die

de eerwaardige rustbank versierden, was er éen langwerpig rond,

met stekelig paardenhaar bekleed, en versierd met een harden knoop

aan de uiteinden; dit weinig uitlokkend kussen was haar particulier

eigendom en werd door haar gebruikt als verdedigingswapen, barricade,

of streng voorbehoedmiddel tegen al te grooten sluimerlust.

Laurie kende dit kussen maar al te goed, en had reden om het met

bizonderen afkeer te beschouwen, daar hij er in vroeger dagen, toen

stoeien nog geoorloofd was, vaak onbarmhartig mee toegetakeld werd,

en het hem nu dikwijls beroofde van het plaatsje, waarop hij het

meest gesteld was, naast Jo, in het hoekje van de canapé. Als "de

worst", zooals zij het noemden, overeind stond, was dit een teeken,

dat hij mocht naderen en rusten, maar wee over man, vrouw en kind,

die het durfde verleggen, wanneer het dwars over de sofa lag! Dien

avond vergat Jo haar hoekje te barricadeeren, en ze zat nog geen vijf

minuten, of een lange gedaante verscheen naast haar, en met beide

armen uitgespreid over den rug van de canapé en beide lange beenen

voor zich uitgestrekt, riep Laurie, met een zucht van voldoening:

"_Dat_ is een tref."

"Geen nonsens, alstjeblieft!" snauwde Jo, haar kussen zwaaiende. Maar

het was al te laat, er was geen plaats meer voor; het kwam op den

grond te land en verdween op de meest geheimzinnige manier.

"Kom Jo, wees nu niet stekelig! Nadat een mensch zich de heele week

tot een geraamte heeft afgesloofd, verdient hij wel eens een beetje

verwend te worden."

"Betsy zal je wel verwennen, ik heb het te druk!"

"Neen, ik wil haar niet lastig vallen; maar jij houdt van zoo iets, of

je moest er plotseling den smaak voor verloren hebben. Is dat zoo? heb

je een hekel aan me gekregen en begeer je me met kussens te verjagen?"

Iets meer verteederends dan deze treffende vraag kon moeilijk bedacht

worden, maar Jo trachtte "haar jongen" te vernietigen door hem op

het lijf te vallen met de grimmige vraag:

"Hoeveel bouquetten heb je deze week aan juffrouw Randal gezonden?"

"Geen een, op mijn woord. Zij is geëngageerd--dus!"

"Daar ben ik blij om; dat is een van je vele dwaze geldverspillingen,

bloemen en prullen te sturen aan meisjes, om wie je geen zier geeft,"

zei Jo berispend.

"Verstandige meisjes om wie ik _erg_ veel geef, willen niet hebben,

dat ik hen 'bloemen en prullen' stuur, en wat moet ik dan doen? Mijn

gevoelens _moeten_ een uitweg hebben!"

"Moeder houdt niet van flirten, zelfs niet uit gekheid, en jij flirt

vreeselijk, Teddy."

"Ik zou alles willen geven, als ik kon antwoorden: jij ook. Maar nu

ik dit niet kan, wil ik alleen maar zeggen, dat ik niets geen kwaad

zie in dit vermakelijke spelletje, als beide partijen begrijpen,

dat het maar gekheid is."

"Het lijkt wel amusant, maar ik kan het eenvoudig niet leeren. Ik heb

het geprobeerd, omdat het zoo stijf staat in gezelschap, als je niet

doet zooals ieder ander; maar ik heb het er nog niet ver in gebracht,"

bekende Jo, haar rol van mentor vergetende.

"Neem les bij Amy; die heeft er goed slag van!"

"Ja, zij doet het handig, en schijnt het nooit te ver te drijven. Ik

geloof, dat het sommige menschen natuurlijk afgaat en dat zij zonder

eenige moeite kunnen behagen, terwijl andere altijd op verkeerde

plaatsen verkeerde dingen zeggen en doen."

"Ik ben blij, dat jij niet kunt flirten; het is zoo'n verkwikking

eens een verstandig, openhartig meisje te zien, dat vertrouwelijk

en vriendelijk kan zijn, zonder zich gek aan te stellen. Onder ons

gezegd, Jo, een paar van de meisjes, die ik ken, gaan er zoo ver mee,

dat zij zich moesten schamen. Zij meenen niets kwaads, dat geloof

ik wel; maar als zij wisten hoe er later over hen gesproken werd,

zouden zij het stellig laten."

"Zij bepraten jullie evengoed; en daar hun tongen het scherpst zijn,

zijn jullie, jongens, er het ergst aan toe, want jullie zijn precies

even coquet als zij. Wanneer jongelui zich gewoon gedroegen, zouden

zij het ook doen; maar omdat zij weten, dat jullie van dien nonsens

houdt, gaan ze er mee voort; en dan veroordeel je hen er later om!"

"Je weet er nog niet veel van, jongejuffrouw," zei Laurie,

beleerend. "Wij houden niet van die malle coquettes, al nemen wij

er soms den schijn van aan. Over lieve, eenvoudige meisjes wordt

onder jongelui nooit dan met achting gesproken. Heilige onschuld,

als je eens voor een maand in mijn plaats was, zou je dingen hooren,

die je stellig zouden verbazen. Op mijn woord, als ik een van die

aanstellerige wezens zie, zou ik altijd wel willen zeggen, wat in

dat kinderversje staat: 'Schaam u, poedel, schaam u wat!'"

Het was onmogelijk niet te lachen over den potsierlijken strijd

tusschen Laurie's ridderlijken afkeer om iets kwaads van het

vrouwelijke geslacht te zeggen, en zijn zeer natuurlijke antipathie

tegen de onvrouwelijke dwaasheden, waarvan hij in zijn studentenleven

zoo menig voorbeeld aantrof. Jo wist, dat "de jonge Laurence"

door berekenende moeders als een "hoogst verkieselijke partij" werd

beschouwd, dat hun dochters hem toelachten, en dat hij genoeg gevleid

werd door vrouwen van allerlei leeftijd, om een zotskap van hem te

maken; zij hield dus naijverig de wacht over hem, vreezende, dat hij

bedorven zou worden, en zij was nu veel meer verheugd, dan zij wilde

toonen, toen zij hoorde, dat hij nog in eenvoudige, natuurlijke meisjes

geloofde. Plotseling weer in haar vermanenden toon vervallende zei

zij wat zachter: "Als je gevoelens bepaald een uitweg _moeten_ hebben,

Teddy, wijd je dan aan een van die 'lieve, eenvoudige meisjes', voor

wie je achting voelt, en verbeuzel je tijd niet met die laffe wezens."

"Raad je mij dat in ernst aan?" en Laurie keek haar in de oogen met

een dwaze mengeling van onrust en vroolijkheid.

"Ja zeker; maar je zou beter doen met te wachten, tot je gepromoveerd

was, en je onderwijl vast een beetje te verbeteren. Je bent niet

half goed genoeg voor--nu, voor wie dat 'lieve, eenvoudige meisje'

dan ook mag zijn;" en Jo keek ook een beetje eigenaardig want bijna

was haar een naam ontsnapt.

"Neen, dat ben ik ook niet," bekende Laurie, met een voor hem geheel

nieuwe uitdrukking van nederigheid, terwijl hij de banden van Jo's

schortje om zijn vinger wond.

"Lieve hemel, zoo komen wij nooit verder," dacht Jo, en voegde er

overluid bij: "Toe, ga eens wat zingen; ik snak naar wat muziek,

en ik hoor je altijd zoo graag."

"Ik blijf liever hier zitten, dank je."

"Neen, dat kan niet, er is geen plaats. Kom, maak jezelf nu maar eens

verdienstelijk, nu je te groot bent om voor ornament te dienen. Ik

dacht, dat jij er zoo'n hekel aan had om aan den boezelaar van een

vrouw te hangen," prikkelde Jo, een paar van zijn oproerige woorden

aanhalende.

"Dat hangt er heelemaal van af, wie den boezelaar voorheeft;" en

Laurie gaf een brutalen ruk aan de banden.

"Ga je haast?" vroeg Jo naar het kussen duikende.

Laurie vloog op, en zoodra het eerste studentenlied weerklonk, sloop

zij stil weg, en kwam niet terug, voordat de jonge heer in heftige

verontwaardiging verdwenen was.

Jo lag dien nacht lang wakker, en eindelijk, juist op het punt van

in te slapen, deed een gesmoorde snik haar op eens naar Betsy's bed

vliegen, met de bezorgde vraag: "Wat scheelt er aan, Bets?"

"Ik dacht, dat je al sliep," snikte Betsy.

"Is het de oude pijn, lieveling?"

"Neen, het is iets nieuws, maar ik kan het wel dragen," en Betsy

trachtte haar tranen te bedwingen.

"Toe, vertel er mij eens alles van, en laat ik het genezen, zooals

ik de andere pijn heb gedaan."

"Dat kun je niet; hier helpt niets voor." Verder kon Betsy niet

spreken, maar ze klemde zich aan haar zuster vast en schreide zoo

wanhopend, dat Jo er van schrikte.

"Waar zit het? zal ik Moeder gaan roepen?"

Betsy antwoordde niet op de eerste vraag, maar in het donker ging

de eene hand onwillekeurig naar haar hart, alsof zij de pijn daar

voelde; met de andere hield zij Jo stijf vast, en fluisterde driftig:

"Neen, neen, roep Moeder niet, vertel het haar niet! Ik zal wel gauw

beter zijn, kom hier bij mij liggen, en strijk met je hand over

mijn voorhoofd. Dan zal ik stil zijn en gauw gaan slapen; heusch,

ik beloof het je."

Jo gehoorzaamde, maar terwijl haar hand zachtjes heen en weer gleed

over Betsy's gloeiend voorhoofd en vochtige oogleden, was haar hart

overvol, en verlangde ze innig te mogen spreken. Maar, jong als zij

was, zij had geleerd, dat harten, evenmin als bloemen tegen een

ruwe behandeling kunnen, en zich van zelf moeten openen; daarom,

hoewel zij de reden van Betsy's nieuwe droefheid meende te weten,

zei zij enkel op teederen toon: "Is er iets, dat je hindert, Bets?"

"Ja, Jo!" na een lange pauze.

"Zou het je geen troost geven, als je mij vertelde wat het is?"

"Nu niet--nog niet."

"Dan zal ik er niet naar vragen, maar vergeet niet, Betslief, dat

Moeder en Jo altijd klaar zijn om naar je te luisteren en je te helpen,

als zij kunnen."

"Dat weet ik. Ik zal het je later wel vertellen.

"Is de pijn nu beter?"

"O ja, veel beter; je bent zoo'n goede troost Jo."

"Ga dan maar slapen, lieveling, ik zal bij je blijven."

Zoo vielen zij in elkanders armen in slaap, en den volgenden morgen

scheen Betsy weer geheel en al in orde te zijn; want als men achttien

jaar is, duurt de pijn in hoofd noch hart lang, en kan een deelnemend

woord de meeste kwalen genezen.

Maar Jo had een besluit genomen, en na eenige dagen nadenkens deelde

zij het haar moeder mee.

"U vroeg mij laatst, wat mijn wenschen waren," begon zij, toen zij eens

alleen bij elkander zaten. "Ik zal er u een van vertellen', Moeder; ik

zou dezen winter zoo graag eens voor een verandering ergens heen gaan."

"Waarom, Jo?" en haar Moeder keek plotseling op, alsof zij een

verborgen meening in haar woorden zocht.

Met haar oogen op haar werk antwoordde Jo ernstig: "Ik wou eens iets

nieuws hebben; ik voel me zoo rusteloos, en verlang meer te zien,

te doen en te leeren, dan tot nog toe. Ik denk te veel aan mijn eigen

kleine wederwaardigheden, en ik heb een opfrisschinkje noodig; dus nu

ik van den winter wel gemist kan worden, zou ik graag eens uitvliegen

en op eigen wieken drijven."

"En waar wil je heenvliegen?"

"Naar New-York. Ik kreeg gisteren een gelukkigen inval. U herinnert

zich wel, dat mevrouw Kirke u schreef over een beschaafd meisje om de

kinderen te leeren en wat te naaien, 't Is moeilijk iets te vinden,

dat mij in alle opzichten zou bevallen, maar ik denk dat ik dit wel

zou kunnen, als ik mijn best doe."

"Kind, wil je in betrekking gaan in dat groote pension?" en mevrouw

March keek verwonderd, maar niet onvriendelijk.

"Het is niet bepaald in betrekking, want mevrouw Kirke is uw

vriendin--de vriendelijkste ziel, die ooit geleefd heeft--en zij zou

alles zoo aangenaam mogelijk voor mij inrichten. Haar gezin leeft

afgezonderd van die vreemde menschen en niemand kent mij daar. En

daar zou ik toch ook niet om geven; het is eerlijk werk en ik schaam

mij er niet voor."

"Ik ook niet, maar je schrijverij?"

"Daar zal een verandering ook goed voor zijn. Ik zal nieuwe dingen

zien en hooren, en nieuwe denkbeelden opdoen, en al heb ik er daar

niet veel tijd voor, ik zal overvloed van stof voor mijn verhalen

mee naar huis brengen."

"Daar twijfel ik niet aan; maar is dit de eenige reden voor dat

plotselinge plan?"

"Neen, moeder."

"Mag ik de andere reden weten?"

Jo keek naar boven en Jo keek naar beneden, bloosde en antwoordde

toen zachtjes:

"Misschien is het ijdel of verkeerd van mij, dat ik het zeg, maar--ik

ben bang,--dat Laurie te veel van me gaat houden."

"Dus geef jij niet om hem op de manier, waarop hij blijkbaar van jou

houdt?" vroeg mevrouw March met een bezorgde uitdrukking op het gelaat.

"O hemel, neen! ik houd evenveel van hem, als ik altijd gedaan heb,

en ik ben heel trotsch op hem; maar van een dieper gevoel kan geen

sprake zijn."

"Daar ben ik blij om, Jo."

"Waarom?"

"Omdat ik niet geloof, lieve kind, dat jullie bij elkander zoudt

passen. Als vrienden kun je het samen best vinden, en jullie telkens

terugkeerende kibbelpartijtjes zijn gauw genoeg bijgelegd; maar ik

vrees, dat je beiden in opstand zoudt komen als je voor je heele leven

verbonden waart. Jullie zijn te veel van dezelfde natuur en te veel

op je vrijheid gesteld--om niet eens van jullie opvliegendheid en

onbuigzaamheid te spreken--dan dat je tezamen gelukkig zoudt kunnen

zijn in een verhouding, die zoowel oneindig geduld en verdraagzaamheid,

als liefde vordert."

"Dat is juist, wat ik ook voelde, maar ik kon het niet zoo

uitdrukken. Ik ben blij, dat u denkt, dat hij pas begonnen is van mij

te houden. Het zou mij erg aan 't hart gaan hem ongelukkig te maken;

maar ik kan toch niet alleen uit dankbaarheid en medelijden op den

ouwen jongen verliefd worden, wel?"

"Ben je zeker van zijn gevoelens omtrent jou?"

Weer vloog Jo het bloed naar de wangen, en ze antwoordde met een

blik van voldoening, trots en medelijden, eigen aan jonge meisjes,

als zij van hun eersten aanbidder spreken:

"Ik vrees van ja, Moeder; hij heeft wel niets gezegd met woorden,

maar des te meer met zijn oogen. Ik geloof dat het maar beter is heen

te gaan, eer het uitgesproken wordt."

"Dat geloof ik ook, en als het geschikt kan worden, mag je gaan."

Jo scheen verlicht en zei na eenige oogenblikken glimlachend:

"Wat zou mevrouw Moffat versteld staan over uw gebrek aan overleg, als

zij het wist; en wat zal ze blij zijn, dat Annie nu weer kan hopen."

"Och, Jo, moeders mogen verschillen in de soort van overleg, maar hun

begeerte is altijd dezelfde: hun kinderen recht gelukkig te zien. Meta

is gelukkig en ik verheug mij daar innig over. Jij moogt je vrijheid

genieten, totdat je er genoeg van hebt, want eerst dan zul je kunnen

begrijpen, dat er iets nog beters bestaat. Amy veroorzaakt mij op

't oogenblik de meeste zorg, maar haar gezond verstand zal haar wel

helpen. Wat Betsy betreft, voor haar durf ik niets hopen, dan dat

zij gezond mag worden. Maar, zij scheen wat opgewekter in de laatste

dagen. Heb je met haar gesproken?"

"Ja, zij erkende, dat zij iets op het hart had, en beloofde het mij

over een poos te zullen vertellen. Ik vroeg niets meer, want ik geloof,

dat ik het wel weet," en Jo vertelde haar kleine geschiedenis.

Mevrouw March schudde het hoofd, en beschouwde de zaak niet geheel uit

zoo'n romantisch oogpunt, maar zij keek ernstig, en zei nogmaals, dat

Jo, terwille van Laurie, maar voor eenigen tijd van huis moest gaan.

"Laten wij er hem niets van zeggen, voordat het plan vastgesteld is;

en dan zal ik verdwenen zijn, eer hij zijn gedachten bij elkander

heeft en tragisch kan worden. Betsy moet in den waan blijven, dat ik

voor mijn eigen plezier ga, want ik kan met haar niet over Laurie

spreken; maar zij kan hem opbeuren en vertroosten als ik weg ben,

en hem zoodoende die sentimenteele gedachten uit het hoofd jagen. Hij

heeft al verscheiden van die kleine beproevingen achter den rug; hij is

er aan gewoon, en zal zijn 'liefdesmart' dus wel gauw te boven komen."

Jo sprak hoopvol, maar zij kon de vrees niet wegredeneeren, dat

_deze_ "kleine beproeving" zwaarder zou blijken, dan de vorige, en

dat Laurie niet zoo gemakkelijk als tot nog toe zijn "liefdesmart"

te boven zou komen.

Het plan werd in den familieraad besproken en goedgekeurd, want

mevrouw Kirke was zeer ingenomen met Jo's aanbod, en beloofde haar

een aangenaam tehuis.

Haar salaris was voldoende om haar onafhankelijk te doen zijn, en

den vrijen tijd, dien zij over had, kon zij aan schrijven besteden;

bovendien zou de verandering van tooneel en omgeving zoowel nuttig

als aangenaam voor haar wezen. Jo verheugde zich in het vooruitzicht

en verlangde weg te komen, want het ouderlijk huis werd te eng voor

haar rustelooze natuur en avontuurlijken geest. Toen alles bepaald

was, vertelde zij het onder vreezen en beven aan Laurie; maar, tot

haar verwondering, nam hij het heel kalm op. Hij was in den laatsten

tijd ernstiger dan gewoonlijk geweest, maar "heel genoeglijk," vond

Jo, en wanneer ze hem in scherts vroeg of hij een nieuw blaadje had

omgeslagen, antwoordde hij rustig: "Dat heb ik, en ik ben van plan

dit omgeslagen te laten blijven."

Jo was bizonder in haar schik, dat nu juist een zijner deugdzame

buien over hem gekomen was, en maakte haar toebereidselen met een

verruimd gemoed--want Betsy scheen wat vroolijker--en zij hoopte,

dat wat zij ondernam werkelijk voor allen het beste zou blijken.

"Voor één ding hoop ik, dat je bizonder zorg zult dragen, Bets,"

zei zij den avond voor haar vertrek.

"Voor je papieren?" vroeg Betsy.

"Neen--voor mijn jongen. Wees heel lief voor hem--wil je?"

"Natuurlijk, ik zal 't probeeren; maar ik kan jouw plaats niet

vervullen, en hij zal je erg missen."

"Dat zal hem geen kwaad doen; onthoud dus, dat ik hem in jouw speciale

zorg achterlaat, om hem te plagen, te bederven en in 't rechte spoor

te houden."

"Ik zal mijn best doen," beloofde Betsy, verwonderd dat Jo haar zoo

vreemd aankeek.

Toen Laurie afscheid kwam nemen, fluisterde hij veelbeteekenend:

"'t Zal geen zier helpen, Jo. Mijn oog is op jou gevestigd, bedenk

dus wel wat je doet, of ik kom je op een goeien dag naar huis halen."

HOOFDSTUK X.

JO'S DAGBOEK.

New-York, Nov.

_Lieve Moeder en Betsy_.

Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa

te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het

vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor,

was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels

geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen,

die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had;

want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen,

zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.

Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken,

klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.

Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens

thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij

een grappig klein kamertje hoog in de lucht--het eenige, dat zij

had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig

raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik

wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is

een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij

dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet,

is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee

kleine meisjes zijn lieve kinderen--een beetje bedorven, dunkt me,

maar ik stal hun hart door het verhaal van "De zeven Geitjes," en ik

twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.

Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen

eten, en voor 't oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik ben

_heusch_ verlegen, al wil niemand het gelooven.

Op Eigen Wieken · 第 9 / 26 段