te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit,
en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary
kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis
weg, dat ik niet half klaar was. Een _keurigen_ witten hoed met een
veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel
dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen
in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een
halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn
handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?
Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een
hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden,
dat het niet zoo heel _comme il faut_ was voor jonge dames om daar
alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de
houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden,
dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen 't wat kalmer
te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon
hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn
parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op
een halsbrekende manier tusschen den rijtuigdrom voort--en allerlei
hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een
klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er
een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:
"Nou, juffrouw?"
Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een
"Jawel juffrouw" het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn
paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer
en riep "Een beetje harder," en daar gingen we weer heen, in vliegenden
ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.
Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet
ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De
hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten
dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington
is ook niet veraf.
Je weet niet, lieve menschen, wat ik in 't Park gezien heb. Tooneelen
gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames
in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en
fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige
kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien,
mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren,
fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen,
die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen
en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had
willen schetsen.
"Rotten Row" beteekent "Route de Roi" of koningsweg, maar het lijkt
precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen,
vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf
en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens
een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar
zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als
de houten poppetjes uit een Noach's ark.
Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de
jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hun _buttonholes_
omwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen,
en dat vond ik heusch een aardig idee.
Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet
van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven--ik kan alleen
maar zeggen, dat het _meer_ dan prachtig was. Vanavond gaan wij naar
een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van
mijn leven.
Middernacht.
Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan,
zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel,
dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten? Lauries' Engelsche
vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik was _zoo_ verbaasd. Zonder hun
kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange
jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,--Engelsch type--en Frank
is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met
zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie
gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij
hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar
een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar
den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich
aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas' en vroolijks in
't verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons
heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar
gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred
lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn "onderdanige groeten aan
den grooten hoed." Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret,
die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?
Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet
eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik
hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en
mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen
en galante cavaliers, die "Ah" zeggen en hun blonde snorren op de
echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie
allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ik
Uw liefhebbende Amy.
Parijs.
Lieve Zusjes,
In mijn laatsten brief vertelde ik van ons verblijf in Londen,
hoe vriendelijk de Vaughn's waren, en wat prettige uitstapjes
zij met ons maakten. Ik vond de tochtjes naar Hampton-Court en
naar Kensington-Museum de allerheerlijkste--want in Hampton zag
ik teekeningen van Rafaël en in het Museum zalen vol schilderijen
van Turner, Lawrence, Reynolds, Hogarth, en andere beroemdheden. De
dag in Richmond-Park was goddelijk--we hadden er een echt Engelschen
pic-nic--en er waren zulke prachtige eiken en zooveel troepjes herten,
te veel om te teekenen; wij hoorden ook een nachtegaal en zagen
leeuweriken opstijgen. Wij genoten van Londen naar hartelust--dank
zij Fred en Frank--en het speet ons erg weg te moeten, want hoewel
Engelsche menschen niet gauw met iemand ingenomen zijn, als ze zich
er eenmaal toe zetten, kan niemand hen in gastvrijheid overtreffen,
geloof ik. De Vaughns hopen ons aanstaanden winter in Rome weer te
zien, en het zou mij een groote teleurstelling zijn, als het niet
gebeurde, want Grace en ik zijn vriendinnen geworden en de jongens
zijn erg aardig en leuk--vooral Fred.
Stel je voor, nauwelijks waren wij hier, of hij stond weer voor onze
oogen, en zei, dat hij eens een poosje vacantie had genomen om een
uitstapje naar Zwitserland te doen. Tante keek eerst wat strak, maar
hij behandelde alles zoo kalm, dat zij er geen woord tegen zeggen kon;
maar nu is alles in orde, en ik ben heel blij, dat hij gekomen is,
want hij spreekt Fransch als een Franschman, en ik weet niet, wat wij
zonder hem beginnen zouden. Oom weet geen tien woorden bij elkaar te
krijgen en schreeuwt dan maar heel hard in het Engelsch, alsof de
menschen hem daardoor beter begrijpen zouden. Tante's uitspraak is
ouderwetsch, en hoewel Flo en ik ons vleiden, dat wij er nog al goed
in thuis waren, zien wij nu in, dat we ons daar deerlijk in vergist
hebben, en we zijn dikwijls heel blij, dat Fred al dat "geparlefransch"
zooals Oom het noemt, op zich neemt.
't Is gewoon een ideaal leventje! Van den morgen tot den avond
trekken wij er op uit om alles te bezien! nu en daarna zitten wij in
de vroolijke café's om wat te gebruiken, en hebben telkens allerlei
dwaze avonturen. De regenachtige dagen breng ik door in 't Louvre en
haal mijn hart op aan de schilderijen. Jo zou voor een paar van de
mooisten haar neus optrekken, omdat zij geen oog voor kunst heeft;
maar ik heb het wel, en ik ben bezig mijn smaak zooveel mogelijk
te ontwikkelen. Zij zou meer voelen voor de reliquieën van groote
personen, want ik heb Napoleon's steek en overjas, zijn wieg en een oud
tandenborsteltje gezien, ook was er een schoentje van Marie Antoinette,
de ring van St. Denis, het zwaard van Karel den Groote, en een hoop
andere interessante dingen. Ik zal er uren over kunnen praten, als
ik thuis kom, maar ik heb geen tijd om er nu meer van te schrijven.
Het Paleis Royal is _meer_ dan prachtig--zoo vol byouterieën en mooie
dingen, dat het mij bijna hinderde ze niet te kunnen koopen. Fred
wou mij een paar dingen cadeau doen, maar dat mocht ik natuurlijk
niet toestaan.
Dan zijn verder ook het Bois de Boulogne en de Champs Elysées
_très-magnifiques_! en wandelen we dikwijls in de tuinen van
de Tuilerieën, waar 't ook heerlijk is, hoewel de ouderwetsche
Luxembourgtuinen mij _nog_ beter bevallen. Père la Chaise is heel
eigenaardig; verscheiden graven zijn net kleine kamertjes, en als je
'r inkijkt, zie je een tafel met photographieën of schilderijen van
de overledenen, en stoelen voor de achtergeblevenen om op te zitten,
als zij komen treuren. Echt Franschachtig _n'est-ce pas_?
Onze kamers zijn in de Rue de Rivoli, en als wij op het balkon zitten,
kunnen wij die prachtige straat heelemaal afkijken. Dat is zoo prettig,
dat wij onze avonden daar dikwijls blijven verpraten, wanneer wij
te vermoeid zijn van ons "dagwerk" om weer uit te gaan. Fred is
bizonder onderhoudend en over 't geheel de aardigste en geschiktste
jongen, dien ik ooit ontmoet heb--behalve Laurie! Die heeft nog iets
innemenders. Ik wou dat Fred zwart haar had; want ik houd niet van
blonde mannen; maar, de Vaughns zijn heel rijk en stammen van een
voornaam geslacht af, daarom wil ik geen aanmerking maken op hun gele
lokken; de mijne zijn altijd nòg geler.
De volgende week gaan wij naar Duitschland en Zwitserland, en daar
wij elken dag doorreizen, zal ik enkel een paar haastige krabbeltjes
kunnen schrijven. Ik houd mijn dagboek aan, en tracht "al wat ik zie
en bewonder mij duidelijk te herinneren en juist te beschrijven,"
zooals Vader mij aanraadde. Het is een goede oefening voor mij, en
't zal jullie mét mijn schetsboek een beter denkbeeld van mijn reis
geven, dan deze kattebelletjes.
Adieu! ik omhels jullie allen in gedachten.
_Votre Amy_.
Heidelberg.
Mijn lieve Mama,
Daar ik nog een rustig uurtje heb, eer wij naar Bern vertrekken,
zal ik trachten u te vertellen, wat ik verder ondervonden heb: want
er is iets heel belangrijks gebeurd, zooals u zult zien.
De vaart op den Rijn was heerlijk, en ik zat maar stil rond te kijken
en te genieten, nam Vaders oude reisboeken en las daar alles in na. Ik
heb geen woorden om alles te beschrijven. Te Coblentz hadden wij een
aardig avontuurtje, want een troepje studenten uit Bonn, met wie Fred
op de boot kennis had gemaakt, brachten ons een serenade. Het was een
heldere maneschijn, en om één uur 's nachts werden Flo en ik gewekt
door muziek onder onze vensters. Wij sprongen uit bed en verscholen
ons achter de gordijnen, maar nu en dan gluurden wij door een reetje
en zagen, hoe Fred en de studenten beneden stonden te zingen. Het
was zoo romantisch; de rivier, de brug, de bootjes, Ehrenbreistein
aan den overkant, maneschijn overal, en muziek, die een steenen hart
zou doen smelten!
Toen zij ophielden, wierpen wij een paar bloemen naar beneden, en zagen
hen er om grabbelen, de onzichtbare schoonen kushanden toewerpen en
eindelijk lachend verdwijnen--om te gaan rooken en bier te drinken,
zeker! Den volgenden morgen liet Fred mij met een sentimenteel gezicht
een paar verfrommelde bloemen zien, die hij in zijn vestzakje droeg. Ik
lachte hem uit en zei, dat _ik_ ze niet uit het raam gegooid had,
maar Flo--wat hem vreeselijk scheen te ergeren, want hij wierp ze op
straat en werd weer gewoon. Ik vreesde toen al, dat ik last met dat
jongemensch zou krijgen--het begon er naar uit te zien.
De badplaatsen Nassau en Baden-Baden waren heel druk en vroolijk; Fred
verspeelde er wat geld, waarover ik hem een beetje kapittelde. Hij
heeft wel iemand noodig om een oogje op hem te houden, nu Frank niet
bij hem is. Kate zei eens, dat zij hoopte, dat hij gauw zou trouwen,
en ik ben met haar eens, dat het goed voor hem zijn zou. Frankfort
beviel mij bizonder; ik zag Goethe's en Schillers standbeeld en
Dannecker's beroemde Ariadne! het was prachtig mooi, maar ik zou
er meer aan gehad hebben, als ik het verhaal beter gekend had. Ik
durfde er niet naar vragen, omdat iedereen het scheen te weten,
of althans deed, alsof hij het wist. Ik hoop, dat Jo er mij later
alles van vertellen zal. Ik had meer moeten lezen, want ik zie nu,
dat ik heel weinig weet, en dat hindert mij erg.
Nu komt het ernstige gedeelte, want het is hier gebeurd, en Fred
is juist vertrokken. Hij was zoo vriendelijk en prettig, dat wij
allen wezenlijk veel van hem zijn gaan houden; maar ik dacht nooit
aan iets anders dan aan een voorbijgaande vriendschap op reis, tot
op den avond van de serenade. Sedert dien tijd begon ik te voelen,
dat de wandelingen in den maneschijn, de gesprekken op het balkon,
en de dagelijksche avonturen, voor hem meer dan een aardigheid
waren. Ik heb niet met hem gecoquetteerd, Moeder, heusch niet,--maar
ik heb mij telkens herinnerd, wat u mij gezegd hebt, en mijn uiterste
best gedaan. Ik kan het niet helpen, als de menschen van mij houden,
ik doe er geen moeite voor, en het spijt mij, als ik niet evenveel
van hen houden kan, hoewel Jo zegt, dat ik geen hart heb. Nu weet ik,
dat Moeder haar hoofd zal gaan schudden, en de meisjes zullen zeggen:
"O, die kleine geldzuchtige heks," maar ik ben toch vast besloten Fred
te accepteeren, als hij mij vraagt, hoewel ik niet tot over de ooren
verliefd op hem ben. Ik houd van hem, en wij kunnen het best samen
vinden. Hij heeft een gunstig uiterlijk, is jong, nog al ontwikkeld en
heel rijk--veel rijker dan de Laurences. Ik denk niet, dat zijn familie
er iets tegen zou hebben, en ik zou stellig wel gelukkig worden, want
zij zijn allen aardige, beleefde, onbekrompen menschen, en zij houden
van mij. Daar Fred de oudste van de tweelingen is, erft hij zeker het
landgoed, denk ik, en het is zoo prachtig! Zij hebben ook een huis in
de stad in een fashionable straat--het maakt niet zooveel vertooning
als onze groote huizen, maar het is veel gemakkelijker ingericht, en
vol soliede weeldeartikelen, waar de Engelschen zoo mee ophebben. Ik
houd er ook van, want het is zoo echt degelijk. Op hun buitenplaats
heb ik het zilverwerk, de familiejuweelen, de oude bedienden en de
schilderijen gezien, en het park, de mooie tuinen en de prachtige
paarden. O, het zou alles zijn, wat je maar wenschen kon! En ik zou
liever die degelijke weelde hebben dan den een of anderen voornamen
titel, waarmee meisjes soms zoo ingenomen zijn, maar waar dan ook
dikwijls alles mee ophoudt. Misschien ben ik geldzuchtig, ik beken
dat ik een hekel heb aan armoede, en ik wil dan ook geen oogenblik
langer arm zijn, dan ik bepaald hoef. Een van ons _moet_ een goed
huwelijk doen; Meta heeft het niet gedaan. Jo wil het niet doen, en
Betsy kan het op 't oogenblik niet--daarom zal _ik_ het maar doen,
en voor jullie allemaal zorgen. Ik zou geen man nemen aan wien ik een
hekel had, of dien ik verachtte, daar kunt u zeker van zijn; en hoewel
Fred niet precies mijn ideaal is, is hij toch heel goed, en mettertijd
zou ik hem wezenlijk wel kunnen liefhebben, als hij erg veel van mij
hield, en mij in alles mijn zin liet doen. Daarom heb ik deze week
de zaak goed overlegd, want het was onmogelijk niet op te merken,
dat Fred veel van mij houdt. Hij heeft het wel niet gezegd, maar hij
toonde het in kleine dingen; hij wandelde nooit met Flo, zorgt altijd
dat hij in het rijtuig, aan tafel of op straat naast mij komt, kijkt
sentimenteel als wij alleen zijn, en woedend als iemand anders mij
durft aanspreken. Gisteren aan tafel was er een Oostenrijksch officier,
die ons fixeerde, en daarna iets zei tot zijn buurman--een verloopen
soort van baron--over _ein wunderschönes Blöndchen_, en Fred keek zoo
woedend als een leeuw, en sneed zijn vleesch met zoo'n heftigheid,
dat het bijna van zijn bord vloog. Hij is niet zoo'n koele, stijve
Engelschman, maar nog al opvliegend, want hij heeft Schotsch bloed
in zijn aderen, wat je al wel kunt opmaken uit zijn helderblauwe oogen.
Gisteravond gingen wij allemaal naar het slot om de zon te zien
ondergaan, ten minste allen behalve Fred, die ons op den terugweg
tegen zou komen, nadat hij naar het postkantoor was geweest, om te
zien of er ook brieven voor ons waren. Wij dwaalden heerlijk door de
ruïne, zagen de gewelven met het monstervat, en de schilderachtige
tuinen, lang geleden door den keurvorst voor zijn Engelsche vrouw
aangelegd. Mij beviel het terras het best, want het uitzicht is
er goddelijk; dus terwijl de anderen de zalen van binnen gingen
bekijken bleef ik daar zitten, om een grijzen leeuwenkop op den muur,
met overhangende purperen kamperfoelieranken, te schetsen. Het was
net iets uit een roman, zooals ik daar zat, en den Neckar door het
dal zag stroomen, luisterend naar de muziek van het Oostenrijksche
korps beneden, en wachtende op de komst van mijn aanbidder--want als
een echte romanheldin had ik een voorgevoel van wat er gebeuren zou,
en ik was er geheel op geprepareerd. Ik voelde me niets blozerig of
beverig, maar heel kalm, alleen maar een beetje opgewonden.
Na een poosje hoorde ik Fred's stem, en daar kwam hij aandraven
door de groote poort om mij te zoeken. Hij zag er zoo ontdaan uit,
dat ik mijzelf geheel vergat en hem vroeg wat er aan scheelde. Hij
zei, dat hij juist een brief had ontvangen met het verzoek spoedig
thuis te komen, want dat Frank gevaarlijk ziek lag; hij was dus van
plan dadelijk met den nachttrein te gaan, en had alleen maar tijd om
afscheid te nemen. Het speet mij erg voor hem, en ik was teleurgesteld
voor mijzelf--maar dat duurde maar een minuut--omdat hij, terwijl
hij mijn hand drukte, op een toon, die voor geen tweede uitlegging
vatbaar was, zei: "Ik kom gauw terug--zul je mij niet vergeten, Amy?"
Ik beloofde het niet, maar ik keek hem aan, en hij scheen tevreden--er
was geen tijd meer om iets te zeggen dan groeten en afscheidswenschen,
want in minder dan een uur was hij weg, en wij missen hem allen erg. Ik
weet, dat hij graag gesproken zou hebben, maar ik maak uit een vluchtig
gezegde van hem op, dat hij zijn vader beloofd had, vooreerst nog
niets van dien aard te doen--want hij is nog al heet gebakerd, en de
oude heer is bang voor een buitenlandsche schoondochter. Wij zullen
elkander gauw in Rome weerzien; en als ik niet van gedachten verander,
zal ik, als hij vraagt: "Wil je mijn vrouw worden?" antwoorden:
"Ja, met alle genoegen."
Dit alles natuurlijk onder de roos, maar ik verlangde dat u zou weten
wat er aan de hand is. Wees niet ongerust over mij; bedenk, dat ik uw
"voorzichtige Amy" ben, en dat ik niets overijld zal doen. Zend mij
zooveel goeden raad als u wilt; als ik kan, zal ik er gebruik van
maken. O, wat zou ik graag eens een rustig praatje met u hebben,
Moedertje. Heb mij lief en vertrouw mij.
Als altijd
Uw Amy.
HOOFDSTUK IX.
VERBORGEN LEED.
"Jo, ik ben ongerust over Betsy."
"Hé, Moeder, zij heeft er toch bizonder goed uitgezien na de komst
van de kleintjes."
"Ik ben nu niet zoo zeer ongerust over haar gezondheid, als wel over
haar zielstoestand. Ik geloof zeker, dat zij iets op het hart heeft,
en ik wou zoo graag, dat jij probeerde te weten te komen, wat het is."
"Waarom denkt u dat, Moeder?"
"Zij zit zooveel alleen, en praat niet zooveel met Vader als
vroeger. Laatst zat zij met een van de kinderen op schoot te
schreien. Als zij zingt, zijn het altijd treurige liederen, en nu en
dan heeft haar gezicht een uitdrukking, die ik niet begrijp. Dat is
niets voor Bets, en het maakt mij ongerust."
"Hebt u haar er naar gevraagd?"
"Ik heb het een paar maal geprobeerd, maar zij ontweek mijn vragen,
of keek zoo bedroefd, dat ik maar ophield. Ik dring mij nooit in het
vertrouwen van mijn kinderen, en ik hoef er gewoonlijk niet lang op
te wachten."
Mevrouw March sloeg Jo gade terwijl zij sprak, maar het gezicht
tegenover haar scheen geheel onbewust van geheime bekommernis, behalve
over Betsy; en na eenige oogenblikken zwijgend voortgenaaid te hebben,
hervatte Jo:
"Ik denk, dat het komt omdat zij ouder wordt, en natuurlijk begint te
droomen, te hopen, te vreezen, en onrustig te zijn, zonder dat zij
weet waarom, en zonder dat zij het uitleggen kan. Wel, Moeder, Bets
is achttien; maar wij kunnen ons dat niet voorstellen en behandelen
haar nog steeds als een kind, hoewel zij een jonge vrouw is."
"Het is waar, lieve kind, wat groeien jullie allemaal gauw op,"
antwoordde haar moeder met een glimlach en een zucht.
"Er is niets aan te doen, Moedertje; bereid u dus maar op allerlei
tribulaties voor, en laat uw vogeltjes één voor één uit het nest
vliegen. _Ik_ zal nooit ver weg vliegen als u dat kan troosten."
"Dat is me zeker een groote troost, Jo; ik voel mij altijd sterk,
als jij thuis bent, nu Meta weg is. Bets is te zwak en Amy te jong
om op te vertrouwen; maar als het er op aankomt, ben jij altijd klaar."
"Och, u weet dat ik niet veel om een moeilijk karweitje geef, en er
moet toch altijd één sloof in de familie zijn. Amy is onverbeterlijk
voor fijne werkjes, ik lang niet; maar ik ben in mijn element, als al
de kleeden moeten opgenomen worden, of als de heele familie tegelijk
ziek is. Amy maakt zich buitenslands beroemd, maar als er thuis iets
te doen is, dan ben ik uw man."
"Ik laat Betsy dan maar aan jou over; zij zal haar teeder hartje eerder
voor haar Jo, dan voor iemand anders openen. Wees heel vriendelijk
voor haar, en laat haar niet denken, dat iemand op haar let of over
haar spreekt. Als zij maar weer sterk en vroolijk werd, zou ik niets
ter wereld meer te wenschen hebben."
"Gelukkige ziel! Ik wensch zooveel!"
"Wel kind, wat dan?"
"Eerst zal ik Betsy's bezwaren uit den weg zien te ruimen, en dan zal
ik u de mijne vertellen. Zij zijn niet erg dringend, dus kan ik ze
nog wel een poosje voor mij houden;" en Jo naaide voort met een wijs
knikje, dat het hart van haar moeder, voor het oogenblik althans,
volkomen omtrent haar geruststelde.
Oogenschijnlijk in haar eigen bezigheden verdiept, hield Jo een oogje
op Betsy; en na eenige elkander tegensprekende gissingen, kwam zij
eindelijk op iets, dat de verandering volkomen scheen te verklaren.
Een klein voorval gaf haar, naar zij meende, den sleutel van het
geheim; en een levendige verbeelding en een liefhebbend hart deden
het overige. Op zekeren Zaterdagmiddag toen zij en Betsy alleen bij
elkander zaten, deed zij alsof zij geheel verdiept in haar schrijfwerk
was; maar terwijl zij voortpende, lette zij telkens op haar zuster,
die buitengewoon stil scheen te zijn. Zij zat aan het raam; en dikwijls
liet zij haar werk op haar schoot zinken, en leunde in een mismoedige
houding met het hoofd in de hand, terwijl haar oogen over het sombere
herfstlandschap dwaalden. Plotseling ging iemand beneden voorbij onder
het fluiten van een vroolijk operadeuntje, en een stem riep haar toe:
"Alles in orde! Ik kom van avond!"
Betsy schrikte op, leunde uit het venster, glimlachte en knikte,
staarde den voorbijganger na, totdat het geluid van zijn vluggen
voetstap wegstierf, en zei zachtjes, als tot zich zelve:
"Wat ziet die goede jongen er toch sterk en gezond en gelukkig uit!"
"Hm," kwam Jo, nog steeds aandachtig het gezichtje van haar zuster
opnemende, want de blos verdween even spoedig als hij gekomen was,
de glimlach stierf weg en een traan glinsterde op het kozijn. Betsy
veegde hem af en keek schichtig naar Jo, maar deze krabbelde
voort in wanhopige haast, schijnbaar geheel verdiept in "Olympia's
Eed." Zoodra Betsy weer naar buiten staarde, sloeg Jo haar opnieuw
gade, zag meer dan eens haar hand stilletjes naar haar oogen gaan,
en las in haar half afgewend gelaat een onderworpen droefheid, die
haar eigen oogen vol tranen deed schieten. Bevreesd zich te verraden
sloop zij de kamer uit, iets mompelend over papier dat zij noodig had.