te zeggen, maar zij voltooide haar zin niet, want Amy's stem riep
opgewekt van den anderen kant der zaal:
"Je kunt ze met alle plezier krijgen, Mary, zonder er zelfs om te
vragen, als je ze noodig hebt! Ik was juist van plan je voor te
stellen ze weer op jouw tafel te zetten, want ze passen beter op de
jouwe dan op de mijne. Hier zijn ze, neem ze maar terug; 't was niet
aardig van me, dat ik ze gisterenavond zoo gauw meenam."
Onderwijl had Amy haar bijdragen weer met een vriendelijken glimlach
op de tafel gezet en liep toen haastig weg met het gevoel, dat het
gemakkelijker is een goede daad te verrichten, dan er dank voor aan
te nemen.
"Dat is echt aardig van haar, vind je niet?" riep een der meisjes. Het
antwoord van Mary was onverstaanbaar, maar een ander meisje, wier
taak het geweest was, limonade te maken, en wier humeur daardoor
misschien wat verzuurd was, antwoordde met een onaangenamen lach:
"O, ja _echt_ aardig! ze wist natuurlijk wel, dat zij ze op haar
eigen tafel toch niet zou kunnen verkoopen."
Dat was wreed; wanneer we ons een opoffering getroosten, zien wij
die tenminste graag gewaardeerd; en voor een oogenblik speet het Amy,
dat zij zoo gehandeld had, maar haar ergernis week heel gauw voor een
gevoel van voldoening. Haar werk begon beter te vlotten; de meisjes
waren allen even vriendelijk, en de kleine daad van zelfverloochening
scheen de lucht rondom haar eensklaps gezuiverd te hebben.
De dag was lang en vervelend voor Amy; zij zat bijna den heelen tijd
alleen achter haar tafel, want de kinderen lieten haar spoedig in
den steek; slechts weinige bezoekers hadden geld over voor bloemen in
den zomer en haar bouquetten begonnen lang voor den avond te verwelken.
De kunsttafel oefende voortdurend de grootste aantrekkingskracht in de
zaal; den geheelen dag verdrong men er zich, en de verkoopsters waren
gedurig in de weer, en liepen af en aan met gewichtige gezichten en
rammelende geldtaschjes, Amy keek ze dikwijls met droevige oogen na;
ze verlangde ook te zijn, waar zij zich thuis gevoelde, in plaats van
in een hoek, waar zij niets te doen had, en de gedachte, dat haar
heele familie en Laurie en zijn vrienden haar 's avonds zoo zouden
zien zitten, was een ware marteling voor haar.
Zij ging eerst tegen den avond naar huis, zag toen zoo bleek en was zoo
stil, dat allen begrepen, hoe 'n moeilijke dag het voor haar geweest
was, ofschoon zij nergens over klaagde en zelfs niet vertelde, wat
zij gedaan had. Haar moeder schonk haar een extra lekker kopje thee,
Bets hielp haar zich kleeden, en maakte een beelderig bouquetje voor
haar, terwijl Jo de familie verbaasde door zich met bizondere zorg
op te sieren, terwijl zij allerlei geheimzinnige wenken gaf, dat het
blaadje wel gauw zou omgekeerd worden.
"Jo, ik bid je, doe niets onmogelijks; ik wil er volstrekt geen drukte
over gemaakt hebben; laat dus alles over je kant gaan en gedraag je
ordentelijk," smeekte Amy, die vroeg van huis ging, in de hoop een
frisschen voorraad bloemen te vinden om haar ongelukkige tafel een
beetje op te kunnen sieren.
"Ik ben alleen van plan zoo betooverend mogelijk te zijn, tegen ieder
dien ik ken, en ze zoo lang mogelijk in jouw hoekje te houden. Teddy
en zijn club zullen ons wel een handje helpen, en je zult zien dat we
nog plezier hebben!" antwoordde Jo, terwijl zij over het hek leunde
om op Laurie te wachten. Na eenige oogenblikken hoorde zij in den
schemer den welbekenden stap naderen, en liep hem tegemoet.
"Is dat mijn jongen?"
"Zoo zeker als dat mijn meisje is," en Laurie trok haar hand in zijn
arm, met het genoeglijke gezicht van iemand, wiens hoogste wenschen
vervuld zijn.
"O, Teddy, je moet eens hooren wat er gebeurd is!" en Jo vertelde al
Amy's grieven met zusterlijke warmte.
"Verscheiden van mijn kennissen zijn van plan er heen te gaan,
en ik laat mij hangen, als ik ze niet al Amy's bloemen zal laten
opkoopen, en daarna post vatten voor haar tafel," riep Laurie, de
zaak onmiddellijk met warmte omhelzende.
"Amy zegt, dat haar bloemen in 't geheel niet mooi meer zijn, en de
nieuwe zullen misschien niet bijtijds komen. Ik wil niet onrechtvaardig
of ergdenkend wezen, maar 't zou mij toch niet verbazen, als zij in 't
geheel niet kwamen. Als menschen tot één laagheid in staat zijn, kunnen
zij ook wel eene tweede begaan," zei Jo op een toon vol verachting.
"Heeft Hayes haar dan niet de mooiste bloemen uit onzen tuin
gebracht? Ik had het hem toch gezegd."
"Dat wist ik niet, hij heeft het zeker vergeten; en nu je grootvader
niet heel wel is, wou ik hem niet lastig vallen met er om te vragen."
"Hè, Jo, hoe kon je nu denken, dat je er om vragen moest? Zij
zijn immers even goed van jou als van mij; wij deelen immers alles
samen?" begon Laurie op een toon, die Jo al dadelijk "stekelig" maakte.
"Goeie Hemel! Dat hoop ik niet! In sommige van jouw dingen zou ik in
het geheel niet graag deelen. Maar wij moeten hier niet staan zeuren;
ik moet Amy nog helpen; verdwijn dus maar gauw, en maak je netjes; en
als je dan zoo goed wilt zijn om Hayes nog een mand met mooie bloemen
naar de zaal te laten brengen, zal ik je mijn leven lang zegenen."
"Zou je dat nu maar niet vast doen?" verzocht Laurie, zoo smeekend,
dat Jo met alles behalve beleefden haast het hek voor zijn neus
dichtgooide, en hem door de tralies toeriep: "Ga _alstjeblieft_ heen,
Teddy, ik heb het druk."
En het blaadje _werd_ dien avond omgekeerd, dank zij de samenzweerders,
want Hayes bracht een massa bloemen, met een keurig mandje, dat hij
naar zijn beste vermogen geschikt had, voor een middenstuk; en toen
verscheen de familie March in haar geheel, en Jo deed niet tevergeefs
haar best, want de menschen kwamen niet alleen, maar bleven ook,
lachten om haar grappen, bewonderden Amy's smaak, en schenen zich
bizonder goed te amuseeren. Daarna sprongen Laurie en zijn vrienden
beleefd in de bres; zij kochten al de bouquetten, schaarden zich
om de tafel, en maakten Amy's hoekje tot het vroolijkste plekje in
de zaal. Amy raakte nu volkomen in haar element, en was, al ware het
alleen maar uit dankbaarheid, zoo vroolijk en vriendelijk mogelijk, tot
de conclusie komende, dat de deugd toch soms zich zelve wel eens loont.
Jo gedroeg zich voorbeeldig; en toen Amy gelukkig door haar eerewacht
omgeven was, drentelde haar zuster door de zaal, en ving hier en
daar een paar gezegden op, die haar licht gaven omtrent het veranderd
gedrag der Chesters. Zij betreurde haar aandeel in de onaangenaamheid,
en besloot Amy zoo spoedig mogelijk vrij te pleiten; zij ontdekte ook
wat Amy 's morgens met haar bijdragen gedaan had, en vond haar een
toonbeeld van zelfverloochening. Toen zij de kunsttafel voorbijging,
keek zij eens rond naar de bijdragen van haar zuster, maar kon er geen
spoor van ontdekken. "Zeker ergens in een hoek gestopt," dacht Jo,
die, verongelijkingen haar zelf aangedaan, kon vergeven, maar vuur
en vlam was, als iemand haar familie beleedigde.
"Dag juffrouw March, hoe gaat het Amy met het verkoopen?" vroeg
Mary op verzoenenden toon--want zij verlangde te toonen, dat zij ook
edelmoedig kon wezen.
"Zij heeft alles verkocht wat de moeite waard was, en amuseert zich
nu. De bloementafel heeft zooals u weet, altijd veel aantrekkelijks,
_vooral_ voor heeren."
Jo _kon_ zich niet weerhouden om haar dien kleinen steek te geven,
maar Mary nam het zoo zachtzinnig op, dat zij er een oogenblik later
spijt van had, en de groote vazen die nog steeds onverkocht stonden,
begon te prijzen.
"Is dat boekje met geïllustreerde teksten van Amy nog ergens hier? Ik
zou dat graag voor Vader koopen," zei Jo, brandend van verlangen om
te hooren, hoe het met het werk van haar zuster gegaan was.
"O, alles van Amy is al láng verkocht; ik zorgde dat de rechte
menschen het te zien kregen, en ze hebben ons een aardig sommetje
opgebracht," antwoordde Mary, die, even goed als Amy, dien dag haar
kleine verzoekingen had overwonnen.
Zeer bevredigd snelde Jo terug om de goede tijding over te brengen,
en Amy was zoowel getroffen als verwonderd over het verhaal aangaande
Mary's woorden en toon.
"Nu hoop ik, dat jullie even edelmoedig je plicht zult doen bij de
andere tafels, als je het bij de mijne gedaan hebt, vooral bij de
kunsttafel," verzocht Amy, die "Teddy's bende," zooals de meisjes de
academievrienden noemden, graag een beetje commandeerde.
"Val aan, Chester, val aan! is het motto voor die tafel. Doe manmoedig
je plicht, en jullie zult de waarde van je geld aan _kunst_ in elke
beteekenis van het woord ontvangen," riep de onbedwingbare Jo, toen
de gehoorzame phalanx gereed stond om te velde te trekken.
"Ik haast mij naar de bron der kunst, doch _enkel_ om te komen in _uw_
gunst!" zei de kleine Parker met een wanhopige poging om tegelijk
teeder en dichterlijk te zijn, maar hij werd onmiddellijk tot zwijgen
gebracht door Laurie, met een: "Zeer verdienstelijk, mijn zoon, voor
zoo'n kleinen jongen," terwijl hij hem vaderlijk op het hoofd tikte,
en met hem weg stapte.
"Koop de vazen," fluisterde Amy Laurie toe, als een laatste vurige
kool op het hoofd harer vijandin.
Tot Mary's groote vreugde kocht "de jonge Laurence" niet alleen de
vazen, maar wandelde hij zelfs de zaal door met een prachtstuk onder
elken arm. De andere jongelui vielen even begeerig aan op allerlei
broze ornamenten, en dwaalden daarna hulpeloos rond, beladen met
theewarmers, lucifers-doosjes, beschilderde waaiers, linialen en
thermometers van houtsnijwerk en andere nuttige en gepaste aankoopen.
Tante Carrol was er ook, hoorde het verhaal, keek heel vergenoegd,
en fluisterde in een hoekje mevrouw March iets in het oor, dat de
oogen van die dame van blijdschap deed schitteren, en haar Amy deed
gadeslaan met een mengeling van trots en bezorgdheid, hoewel zij de
oorzaak harer voldoening eerst eenige dagen later openhaarde.
De bazaar was bizonder goed geslaagd, en toen Mary Amy goeden nacht
wenschte, maakte zij niet zooveel beweging als anders, maar gaf haar
een hartelijken kus met een blik, waarin "wil vergeven en vergeten"
te lezen stond. Hiermee was Amy voldaan, en toen zij thuis kwam,
vond zij de vazen met groote bouquetten er in te pronk staan op den
schoorsteenmantel in de zitkamer. "Een belooning voor de verdiensten
van een edelmoedige March," zooals Laurie met een buiging aankondigde.
"Je bent veel vaster van karakter en opofferender en liever dan ik
ooit gedacht had, Amy. Je hebt je kranig gehouden, en ik bewonder je
met mijn heele hart," zei Jo gul, toen zij dien avond laat te zamen
hun haar stonden te borstelen.
"Ja, dat doen wij allemaal, het was verbazend aardig van je haar
zoo gauw te vergeven, 't Leek me heel moeilijk nu je 'r zoo lang
voor gewerkt en er je hart op gezet had zelf je mooie dingetjes
te verkoopen. Ik geloof niet, dat _ik_ zoo vriendelijk zou geweest
zijn!" riep Betsy van haar kussen.
"Och, jullie hoeft mij niet zoo te prijzen. Ik deed alleen maar,
wat ik graag zou willen dat anderen voor mij deden. Jullie lacht mij
altijd uit, als ik zeg, dat ik een echte dame hoop te worden, maar
daarmee meen ik een _echte_ beschaafde vrouw, en daar doe ik mijn best
voor. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik zou zoo graag verheven
zijn boven al die kleine streken en bekrompenheden die vrouwen vaak
onverdraaglijk maken. Ik ben er nog wel mijlen ver vandaan, maar ik
doe mijn best, en ik hoop eenmaal te worden, zooals Moeder is."
Amy sprak heel ernstig, en Jo zei met een hartelijken kus:
"Nu begrijp ik, wat je meent, en ik zal je nooit weer uitlachen,
hoor! Je maakt meer vorderingen dan je denkt, en ik zal van jou een
lesje nemen in ware beleefdheid, want je hebt het geheim afgekeken,
geloof ik. Doe je best maar, kindlief, den een of anderen dag zul je
er wel voor beloond worden, en niemand zal er zich hartelijker over
verblijden dan ik," eindigde ze moederlijk.
Een week later _werd_ Amy er voor beloond, maar de arme Jo vond het
heel moeilijk blij te zijn. Er kwam een brief van Tante Carrol, en het
gezicht van mevrouw March straalde zoo onder het lezen, dat Jo en Bets,
die er bij zaten, verlangend vroegen welk heugelijk nieuws er was.
"Tante Carrol gaat de volgende week op reis, en vraagt...."
"Of ik met haar mee wil gaan!" viel Jo haar in de rede, in blijde
verrukking uit haar stoel opvliegende.
"Neen, kindlief, jij niet, maar Amy."
"O, Moeder, zij is nog zoo jong, ik kom het eerst aan de beurt; ik
heb er zoo lang naar verlangd ... het zou mij zoo veel goed doen,
en het zou zoo heerlijk zijn ... ik moet gaan!"
"Ik vrees, dat het onmogelijk is, Jo. Tante spreekt bepaald van Amy,
en wij kunnen haar de wet niet stellen, als zij ons zoo'n aanbod doet."
"Zoo is het altijd; Amy heeft al de pret, en ik al het werk. Het is
niet eerlijk, o, het is niet eerlijk!" riep Jo hartstochtelijk.
"Ik vrees, dat het gedeeltelijk je eigen schuld is, kindlief. Toen
ik Tante laatst sprak, klaagde zij over je onverschillige manieren
en al te onafhankelijken geest, en hier schrijft zij, alsof zij
iets, wat jij gezegd hebt, aanhaalt. Eerst meende ik Jo te vragen,
maar daar 'gunstbewijzen haar drukken' en zij 'een afschuw heeft van
vreemde talen,' durfde ik de invitatie niet wagen. Amy is zachter,
zij zal prettig gezelschap voor Flo wezen, en dankbaar voor het nut,
dat zij wellicht van deze reis trekken kan."
"O, mijn tong, mijn afschuwelijke tong! O, waarom kan ik toch niet
leeren zwijgen?" kreunde Jo, toen zij zich de woorden te binnen bracht,
die over haar lot hadden beslist.
Toen mevrouw March den uitleg van de aangehaalde woorden vernomen had,
zei zij deelnemend:
"Ik wou, dat jij had kunnen gaan, maar er is dezen keer geen kans op;
tracht het dus blijmoedig te dragen, en bederf Amy's genot niet door
verwijten en klachten."
"Ik zal mijn best doen," beloofde Jo, met de oogen knippende, terwijl
zij neerknielde om den inhoud van een werkmandje, dat zij in haar
blijdschap had omgegooid, weer op te rapen. "Ik zal niet alleen
trachten blij te schijnen, maar het ook werkelijk te zijn, en haar
geen minuutje geluk te misgunnen, maar het zal mij niet gemakkelijk
vallen, want het is een afschuwelijke teleurstelling," en de arme Jo
besproeide het mollige speldenkussentje, dat zij in de hand hield,
met vele bittere tranen.
"Lieve Jo, 't is wel heel zelfzuchtig, maar ik zou je niet kunnen
missen, en ik ben zoo blij, dat jij dezen keer nog niet gaat,"
fluisterde Betsy, terwijl zij haar, met mandje en al, zoo hartelijk
en met zoo'n liefdevol gezichtje omhelsde, dat Jo zich getroost
voelde, niettegenstaande het knagend berouw, dat haar den lust gaf
om zich zelve een stevige oorvijg te geven, en Tante Carrol nederig
te smeeken haar met dit gunstbewijs te willen bezwaren, om te zien,
hoe dankbaar zij het zou dragen.
Tegen dat Amy thuis kwam, was Jo in staat haar aandeel in de
familievreugde te nemen; misschien niet zóó hartelijk als gewoonlijk,
maar toch zonder Amy haar geluk te benijden. De jonge dame zelve
ontving de heerlijke tijding met innige blijdschap, liep in stille
verrukking door het huis, en begon dienzelfden avond haar verf te
sorteeren en haar penseelen in te pakken, terwijl zij de bezorging
van zulke kleinigheden als kleeren, geld enz. overliet aan hen,
die niet zoozeer als zij in kunstvisioenen verdiept waren.
"Het is niet alleen een plezierreis voor mij, kinderen!" zei zij
nadrukkelijk, terwijl zij haar beste palet afschrapte. "Deze reis
zal over mijn loopbaan beslissen, want als ik eenig genie bezit,
zal dat in Rome blijken, en dan zal ik iets doen om het te bewijzen."
"En als je het niet bezit?" vroeg Jo, met roode oogen doorbordurend
aan de nieuwe zakdoekjes, die Amy moest meenemen.
"Dan kom ik weer naar huis, en ga teekenlessen geven," verklaarde
de jeugdige artiste met wijsgeerige kalmte, maar zij trok een zuur
gezicht bij het vooruitzicht, en schrapte haar palet, alsof zij
van plan was krachtige pogingen in 't werk te stellen, eer zij haar
aspiraties opgaf.
"Neen, dat doe je toch niet; je houdt niet van hard werken, en je zult
met een rijken man trouwen, en naar huis komen om je heele verdere
leven in den schoot der weelde te zitten," voorspelde Jo.
"Je voorspellingen komen wel eens uit, maar ik geloof niet, dat deze
uit zal komen. Ik zou het wel willen, want als ik zelf geen kunstenares
kan zijn, zou ik toch graag anderen voorthelpen, die het wel zijn,"
antwoordde Amy glimlachend, alsof de rol van genadige beschermvrouwe
haar veel meer toelachte dan die van teekenleerares.
"Hm!" kwam Jo met een zucht, "als jij 't hoopt, dan zal het wel
gebeuren ook, want jouw wenschen komen altijd uit--de mijne nooit."
"Zou jij graag gaan?" vroeg Amy, nadenkend haar neus met haar mes
platdrukkend.
"Nou!"
"Dan zal ik over een paar jaar om je schrijven, en zullen we in
het Forum naar antiquiteiten zoeken, en al de plannen, die wij zoo
dikwijls gemaakt hebben, ten uitvoer brengen."
"Dank je, ik zal je aan je belofte herinneren, zoodra die blijde dag
dáár is--als hij ten minste ooit komt," antwoordde Jo, dit nevelachtig
maar schitterend aanbod zoo dankbaar mogelijk aannemend.
Er was niet veel tijd voor toebereidselen, en het heele huis stond
op stelten, totdat Amy vertrokken was. Jo hield zich goed, tot
de laatste glimp van Amy's blauwen hoed verdween, toen vloog zij
naar haar schuilplaats, den zolder, en schreide, tot zij niet meer
kon. Amy was ook heel dapper, eer de boot van wal stak, maar juist
toen de loopplank zou weggenomen worden, kwam het haar plotseling in
de gedachte, dat weldra de wijde oceaan zou golven tusschen haar en
allen, die zij het meest liefhad, en zij klemde zich vast aan Laurie,
die het laatst bij haar was achtergebleven, en smeekte snikkend:
"O, zorg toch goed voor hen, als er iets mocht gebeuren"--
"Ja, ja, Amy, en _als_ er iets mocht gebeuren, dan zal ik overkomen
om je te troosten," fluisterde Laurie, weinig denkende, hoe spoedig
hij geroepen zou worden, deze belofte gestand te doen.
Zoo stoomde Amy weg naar de oude wereld, die altijd nieuw en schoon
is voor jonge oogen, terwijl haar vader en haar vriend haar van den
oever natuurden, vurig hopende, dat niets dan geluk het deel mocht
zijn van het blijmoedige kind, dat hen bleef toewuiven, tot zij niets
meer zagen dan het glinsteren van den zomer-zonneschijn op de golven.
HOOFDSTUK VIII.
ONZE BUITENLANDSCHE CORRESPONDENTE.
Londen.
_Liefste Allemaal!_
Hier zit ik nu werkelijk voor het raam van een kamer in Bath-Hotel,
Piccadilly. Het is geen voornaam hotel, maar Oom logeerde er jaren
geleden, en wou nergens anders heen. Wij blijven hier niet lang, dus
komt het er ook weinig op aan. O, ik weet niet waar ik zal beginnen
met jullie te vertellen _hoe_ heerlijk alles is! 't Is eenvoudig
onmogelijk; ik zal dus maar eindjes uit mijn aanteekeningboekje
zenden, want ik heb niets gedaan dan schetsen en krabbelen, sedert
ik van huis ging.
Ik schreef al een paar regeltjes uit Halifax, toen ik mij zoo
ellendig voelde, maar daarna genoot ik verder; 'k was bijna nooit
ziek, en haast den heelen tijd op het dek, met allerlei aardige
menschen om mee te praten. Iedereen was zoo vriendelijk voor mij,
vooral de officieren! Lach maar niet, Jo; heeren zijn heusch heel
nuttig aan boord, om je te helpen door kleine diensten te bewijzen,
en daar zij niets te doen hebben, is het heel heilzaam, als je hun
wat te doen geeft, anders zouden zij zich nog dood rooken, geloof ik.
Tante en Flo waren de heele reis over ziek en liefst alleen, dus
wanneer ik, al wat ik kon voor hen gedaan had, ging ik mij maar boven
amuseeren. _Heerlijk_ waren die wandelingen op het dek, en dan die
goddelijke zons-ondergangen, en die prachtige luchten en golven! Het
was bijna even heerlijk als paardrijden, als wij zoo door de golven
schoten. Ik wou dat Bets had kunnen meegaan, het zou haar zooveel goed
gedaan hebben! Jo zou stellig dadelijk in den top van de fokkemast,
of hoe dat hooge ding heeten mag, gevlogen zijn, zich bevriend gemaakt
hebben met de machinisten, en getoeterd hebben op de spreektrompet
van den kapitein, om lucht te geven aan haar opgewondenheid.
Het was alles meer dan verrukkelijk! Maar toch was ik blij, toen ik
de Iersche kust zag; alles zag er zoo lief en groen en zonnig uit,
met bruine huisjes hier en daar, ruïnen op sommige heuveltoppen,
en buitenplaatsen in de valleien, met herten die in de parken
graasden. Het was nog heel vroeg in den morgen, maar ik had niets geen
spijt, dat ik er voor was opgestaan, want de baai was vol bootjes,
de kust zeldzaam schilderachtig, en de lucht vol rooskleurige wolkjes;
ik zal het nooit vergeten!
Te Queenstown ging een van mijn nieuwe kennissen, mijnheer Lennox,
van boord en toen ik iets zei over de meren van Killarney, zuchtte hij,
en neuriede, terwijl hij mij sentimenteel aankeek:
"Wie kent haar niet, Kate Kearny?
Zij woont aan het meer van Killarney;
Voor haar blik, vol van glans,
Taant de zon aan den trans;
Maar noodlottig is 't oog van Kate Kearny."
Belachelijk, hè?
Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige
drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan
gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van
hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor
alle dingen liet hij zich scheren "à la cotelette". Hij vleide zich
toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten
keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser,
dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: "Klaar mijnheer,
ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!" Oom moest er vreeselijk om
lachen.--O, maar ik _moet_ u vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij
liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen,
en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die
beelderige bloemen en een kaartje met "Robert Lennox' hartelijke
groeten." Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!
Ik zal _nooit_ met mijn beschrijving tot Londen komen, als ik
niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door
een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt
over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren,
openslaande vensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor
de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals
zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen
kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals
Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het
gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen
zoo donker--ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook,
en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te
zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur
voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn
reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy
vliegt op: "O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de
boomen!" Flo schiet naar het raampje: "O, ja, wat romantisch! Daar gaan
we eens heen, is 't niet, Vader?" Oom bewondert kalm zijn laarzen en
antwoordt onverstoorbaar: "Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt;
het is een bierbrouwerij."
Een pauze--dan roept Flo uit: "O, _kijk_ eens; daar staat een galg,
er wordt een man opgehangen!"
"Waar? Waar?" gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een
dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. "Een mijn," merkt Oom
op, met een ondeugend knipoogje.--"'k Zie een heele kudde lammetjes;
zij liggen allemaal in 't gras," waarschuwt Amy. "O, kijk toch eens,
Vader, zijn zij niet snoezig?" vraagt Flo sentimenteel. "Ganzen,
jonge dames," zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert,
zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen
van het natuurschoon kan genieten.