"Je hoeft hun niet al onze kleine hulpmiddelen te verklappen en onze

armoede zoo noodeloos ten toon te stellen. Je hebt geen zier gepast

gevoel van trots, en zult nooit leeren, wanneer je moet spreken of

je mond houden," klaagde Amy wanhopig.

De arme Jo keek verlegen, en wreef zwijgend met den stijven zakdoek

langs haar neus, alsof zij op deze manier boete wilde doen voor

haar wangedrag.

"Hoe moet ik mij hier gedragen?" vroeg zij, toen zij de derde woning

naderden.

"Zooals je wilt; ik trek mijn handen van je af," antwoordde Amy kort.

"Dan zal ik mijn eigen zin doen. De jongens zijn thuis, daar zal ik

wel mee opschieten. De hemel weet, dat ik een variatie noodig heb, want

deftigheid heeft altijd een slecht effect op mijn gemoedsgesteldheid,"

antwoordde Jo barsch, teleurgesteld over de mislukking van haar

pogingen om te behagen.

Een opgewonden welkom van drie groote jongens en verscheiden

aardige kinderen verzachtte spoedig haar gekwetste gevoelens, en

de vrouw des huizes en den jongen Tudor, die daar juist een bezoek

bracht, aan Amy overlatende, wijdde Jo zich aan de jeugd en vond de

verandering zeer opwekkend. Zij luisterde met echte belangstelling

naar schoolverhalen, streelde zonder tegenzin poedels en jachthonden,

stemde van harte toe, dat "Tom Brown een bar leuke jongen was,"

zonder op de eigenaardige lofspraak te letten; en toen een der knapen

een bezoek aan de schildpaddenkom voorstelde, sprong zij met zooveel

bereidwilligheid op, dat de mama haar toelachte, en tegelijk haar

kapsel in orde bracht, dat in een wanhopigen toestand was geraakt

door al de hartelijke maar wel wat beerachtige omhelzingen, waarmee

haar kinderen bizonder gul waren. Amy liet haar zuster aan zichzelf

over en genoot naar hartelust. De oom van Tudor was getrouwd met

een Engelsche dame, die een achternicht was van een levenden lord,

en Amy beschouwde de heele familie met diep ontzag. Want, in spijt

van haar Amerikaansche geboorte en opvoeding, bezat zij dien eerbied

voor titels, die de meesten onzer aangeboren is en hield ze in stilte

vast aan het oude geloof in koningen, dat de meest democratische

natie onder de zon nog steeds in rep en roer brengt bij de komst van

een vorstelijken spruit,--waarschijnlijk nog een overblijfsel van de

liefde, die het jonge land het moederland toedraagt. Maar zelfs de

voldoening van met een verren bloedverwant van den Britschen adel te

spreken, deed Amy den tijd niet vergeten, en toen het gepast aantal

minuten was verstreken, rukte zij zich haars ondanks los uit dit

aristocratisch gezelschap, en keek rond naar Jo,--vurig hopend, dat

ze haar onverbeterlijke zuster niet in een toestand mocht aantreffen,

die schande zou brengen over den naam der familie March.

Het kon erger geweest zijn, maar Amy vond het al erg genoeg: want

daar zat Jo in het gras, met een bende jongens om zich heen, en een

hond met vuile pooten in rustigen sluimer op haar besten rok, terwijl

zij een van Laurie's studentenstreken aan het bewonderend gehoor

meedeelde. Een klein kind pikte de schildpadden met Amy's parasol, een

ander knabbelde koekjes boven Jo's gekleeden hoed, en een derde had

een bal gemaakt van haar handschoenen, en gooide er mee. Maar allen

genoten, en toen Jo haar beschadigde bezittingen opzamelde om heen

te gaan, deed het geheele gezelschap haar uitgeleide, en smeekte haar

terug te komen.--Het was zoo éénig haar van Laurie te hooren vertellen!

"Aardige jongens, hè? Nu ben ik weer opgefrischt!" zei Jo,

voortstappend met de handen op den rug, gedeeltelijk om de bespatte

parasol te verbergen.

"Waarom ontwijk je Tudor altijd?" vroeg Amy, wijselijk geen

aanmerkingen makende op Jo's ontredderd voorkomen.

"Ik houd niet van hem; hij neemt airs aan, snauwt zijn zusters af, doet

zijn vader verdriet en spreekt oneerbiedig over zijn moeder. Laurie

zegt, dat hij een doordraaier is, en _ik_ verlang zijn kennismaking

niet; dus houd ik mij op een afstand."

"Je kon tenminste beleefd tegen hem zijn. Je gaf hem een opvallend

koel knikje, en daarnet maakte je met den vriendelijksten glimlach

ter wereld een buiging voor Tommy Chamberlain--zijn vader heeft een

kruidenierswinkel. Als je het knikje en de buiging juist andersom

had toegedeeld, zou het goed geweest zijn," zei Amy berispend.

"Neen, dat zou het niet," antwoordde de weerbarstige Jo, "want ik

bemin, bewonder, noch acht Tudor, ofschoon de nicht van den neef van

den oom van zijn grootvader een achternicht van een Lord was. Tommy

is arm en verlegen maar een brave jongen en heel knap; ik heb een

hoogen dunk van hem, en dat verlang ik hem te toonen, want hij is

een gentleman, ondanks zijn vaders bruin papieren zakjes."

"Het geeft niets, of men jou al iets aan 't verstand zoekt te brengen,"

begon Amy.

"Neen, volstrekt niets, kindlief," viel Jo haar in de rede; "laten wij

dus maar een vriendelijk gezicht zetten, en hier een kaartje afgeven,

want de Kings zijn uit, waarvoor ik meer dan dankbaar ben."

Nadat het visiteboekje zijn plicht had gedaan, wandelden de meisjes

voort, en Jo uitte eene tweede dankzegging, toen zij het vijfde huis

bereikten, en vernamen, dat de jonge dames belet hadden.

"Laten we nu naar huis gaan, en ons vandaag niet nog met tante March

ook plagen. Wij kunnen daar altijd wel eens aanloopen, en ik vind het

een bezoeking ons nog langer in onze beste plunje voort te sleepen,

nu wij al knorrig en moe zijn."

"Spreek alleen voor jezelf, als 't jeblieft. Tante heeft graag,

dat wij haar in statie een formeel bezoek komen brengen. 't Is maar

een kleinigheid, maar het doet haar genoegen, en ik geloof niet,

dat je kleeren er half zooveel door zullen lijden, als wanneer je

ze door vuile honden en ruwe jongens laat bederven. Buk maar eens,

dan zal ik de kruimels van je hoed afslaan."

"Wat ben je toch een geduldig lam, Amy," zei Jo, met een berouwvollen

blik van haar eigen beschadigd costuum naar dat van haar zuster,

dat er nog zoo frisch en keurig uitzag. "Ik wou, dat het mij ook zoo

gemakkelijk afging als jou, om met kleinigheden menschen plezier te

doen. Ik denk er wel aan, maar het neemt mij te veel tijd, om ze te

doen, ik wacht dan liever op een gelegenheid om ze een grooten dienst

te bewijzen, en laat de kleine na; en toch kom je daar tenslotte nog

verder mee, geloof ik."

Amy glimlachte, was dadelijk verteederd, en zei op moederlijken toon:

"Vrouwen moeten leeren zich aangenaam te maken, vooral wanneer

zij niet rijk zijn, want zij kunnen dan op geen andere manier de

vriendelijkheden, die men hen bewijst, vergelden. Als je dat in 't

oog houdt en daarnaar handelt, zullen de menschen veel meer van jou

houden dan van mij, omdat jij veel meer een persoonlijkheid bent."

"Ik ben een knorrige ouwe zeurkous, en dat zal ik wel altijd blijven;

maar ik moet erkennen, dat je gelijk hebt. 't Valt mij alleen maar

gemakkelijker mijn leven voor iemand te wagen, dan vriendelijk

jegens hem te zijn, wanneer ik er niet toe gestemd ben. 't Is heel

lastig, wanneer je zulke sterke sympathieën en antipathieën hebt,

vind je niet?"

"'t Is nog lastiger, wanneer je ze niet kunt verbergen. Ik moet

bekennen, dat ik geen greintje beter over Tudor denk, dan jij; maar

ik ben niet geroepen hem dat te zeggen, en jij ook niet; en het is

geen reden voor jou onaangenaam te zijn, omdat hij het is."

"Maar ik vind, dat meisjes het moeten toonen, wanneer zij 't gedrag

van jongelui afkeuren; en hoe kunnen zij dat doen, behalve door hun

manieren. Preeken helpt niets, zooals ik tot mijn spijt ondervonden

heb, sedert ik Teddy onder handen heb; maar door allerlei kleine

manieren kan ik, zonder een enkel woord, invloed op hem uitoefenen; en

ik vind, dat wij dat ook op anderen behooren te doen, als wij kunnen."

"Teddy is een heel bizondere jongen, en kan niet als een voorbeeld van

andere jongens aangehaald worden," zei Amy op een toon van stellige

overtuiging, die den "zeer bizonderen jongen" zeker zou hebben doen

schaterlachen, als hij 't gehoord had. "Wanneer we schoonheden waren,

of rijk, of van hoogen rang, zouden wij misschien iets kunnen doen;

maar of wij al onvriendelijk zijn tegen het eene clubje jongelui,

omdat wij hun gedrag niet goedkeuren, en een ander clubje toelachen,

omdat wij het hunne wel goedkeuren, zal geen zier invloed hebben,

en ons maar den naam van 'raar' of 'preutsch' op den hals halen."

"Dus moeten wij dingen en menschen, die wij verachten, goedkeuren,

omdat wij geen belles of millionnaires zijn, vind-je? Een mooie soort

van zedeleer!"

"Ik kan daar niet over redeneeren, ik weet alleen maar, dat het zoo in

de wereld toegaat, en dat de menschen, die zich er tegen verzetten,

voor al hun moeite maar worden uitgelachen. Ik houd niet van

hervormers, en ik hoop dat jij nooit zult probeeren er een te worden."

"Ik houd wèl van ze, en ik hoop er wél een te worden, als 't mij

mogelijk is; want niettegenstaande haar spottend gelach, kan de

wereld het toch niet buiten hen stellen. Wij zullen het daar wel nooit

over eens worden, want jij behoort tot het oude slag, en ik tot het

nieuwe; jij zult het best vooruitkomen, maar ik zal meer van mijn

leven genieten. Ik zou juist plezier hebben in die schermutselingen

en dat uitlachen, denk ik."

"Nou, wees nu maar bedaard, en erger Tante niet met je nieuwe

denkbeelden."

"Ik zal mijn best doen; maar een zeker iets dringt mij altijd, om bij

haar met een bizonder kortaf gezegde of een revolutionair gevoelen voor

den dag te komen; dat is mijn noodlot; ik kan er niets tegen doen!"

Zij vonden Tante Carrol bij de oude dame, beiden naar het scheen

verdiept in een zeer belangrijk gesprek; doch zij hielden plotseling

op, toen de meisjes binnen kwamen, met een schuldigen blik, die

verried, dat zij over hun nichtjes gesproken hadden. Jo was niet

in een bijster goed humeur, en de weerbarstige bui kwam nu in volle

kracht terug, maar Amy, die deugdzaam haar plicht betracht, iedereen

genoegen gegeven en haar humeur in bedwang gehouden had, was in de

engelachtigste stemming. Deze beminnelijke gemoedsgesteldheid deed

zich dadelijk gevoelen, en beide tantes wedijverden in lieve woordjes

om haar te verwelkomen, en gaven door hun blikken te kennen, wat zij

later met zooveel woorden tot elkander zeiden: "Dat kind wordt met

den dag liever."

"Zul jij ook meedoen met den bazaar, lieve kind?" vroeg mevrouw

Carrol, toen Amy zich naast haar zette met die vertrouwelijkheid,

die oude menschen zoo graag in jongeren zien.

"Ja, Tante, mevrouw Chester heeft me gevraagd, of ik wou helpen, en

toen heb ik aangeboden een tafel te bedienen, omdat ik niets anders

geven kan dan mijn tijd."

"Ik doe niet mee," viel Jo op beslisten toon in, "ik kan dat

gepatroniseerd-worden niet uitstaan, en de Chesters denken, dat het

een heele eer voor ons is met hun aristocratischen bazaar te mogen

meedoen. Ik begrijp niet, dat je het aangenomen hebt, Amy--het is

alleen maar om je aan het werk te zetten."

"Nu, ik wil wel werken--'t is even goed voor 't goede doel als voor

de Chesters, en ik vind het heel vriendelijk van hen, dat zij mij

in het werk en in de aardigheid willen laten deelen. Wanneer dat

patroniseeren, zooals jij het noemt, vriendelijk gemeend is, heb ik

er niets tegen."

"Je hebt volkomen gelijk; ik hoor met blijdschap, dat je er zoo

verstandig over denkt; het is een genoegen menschen te ontmoeten, die

onze welgemeende pogingen waardeeren. Niet allen doen dat, en dat is

heel treurig," merkte tante March op, terwijl zij over haar bril heen

naar Jo keek, die zich, naast de sofa, met een knorrig gezicht op een

schommelstoel zat te wiegelen. Als Jo geweten had welk een groot geluk

op dat oogenblik voor een van hen beiden in de weegschaal lag, zou zij

misschien plotseling in een lammetje veranderd zijn; maar ongelukkig

hebben wij geen vensters in onze borst, en kunnen niet zien, wat er in

het hart van onze vrienden omgaat. Door haar volgend gezegde beroofde

Jo zich van een paar genotvolle jaren, en haalde zij zich een duchtige

les op den hals--een les in de kunst om haar tong in toom te houden.

"Ik houd niet van gunstbewijzen; zij drukken mij en geven me een

gevoel, of ik een slavin ben; ik heb liever alles aan mezelf te danken,

en wil volkomen onafhankelijk zijn."

"Hm!" kuchte Tante Carrol zachtjes, met een blik naar tante March.

"Ik heb het je wel gezegd," gaf deze door een gedecideerd knikje Tante

Carrol ten antwoord. In gelukkige onbewustheid van wat zij misdreven

had, zat Jo met een opgetrokken neus en een strijdlustig voorkomen,

dat alles behalve innemend was, voor zich uit te kijken.

"Spreek je Fransch, kindlief?" informeerde mevrouw Carrol, haar hand

op die van Amy leggende.

"Wel een beetje, dank zij Tante March, die mij zoo dikwijls als ik wil,

gelegenheid geeft om met Esther te praten," antwoordde Amy, met een

dankbaren blik, die de oude dame een vriendelijken glimlach ontlokte.

"Hoe staat het in dit opzicht met jou?" vroeg mevrouw Carrol aan Jo.

"Ik weet er geen woord van; ik ben heel dom in 't leeren; en Fransch

kan ik niet uitstaan; het is zoo'n glibberige, onmogelijke taal,"

was het ruwe antwoord.

Opnieuw wisselden de tantes een blik, en Tante March hervatte tot Amy:

"Je bent nu volkomen gezond en sterk, niet waar, kindlief? Je hebt

geen last meer van je oogen, wel?"

"Neen, dank u, Tante, volstrekt niet, ik voel me heel goed, en ben

van plan dezen winter flink aan 't werk te gaan, om klaar te zijn

voor Rome, wanneer die gelukkige tijd eens aanbreekt."

"Je verdient er heen te gaan, beste meid, en ik ben er zeker van

dat het wel eens gebeuren zal," zei Tante March, met een goedkeurend

tikje op Amy's wang, terwijl deze haar zakdoek voor haar opraapte.

"Knorrepot, sliep uit!" riep Polly, die als naar gewoonte op den rug

van tante's stoel zat, en zich voorover boog om Jo aan te kijken,

met zoo'n uitdrukking van onbeschaamde nieuwsgierigheid, dat het

onmogelijk was niet te lachen.

"Een zeldzaam schrander dier," vond de oude dame.

"Uitgaan, liefje?" riep Polly, naar het buffet wippend, alsof hij

een klontje suiker hoopte te krijgen.

"Ja, dankje, dat is mijn plan. Kom, Amy," en Jo maakte een einde aan

het bezoek, meer dan ooit gevoelende, dat visites een slechten invloed

op haar humeur oefenden. Zij schudde haar tantes op mannelijke manier

de hand, terwijl Amy beiden kuste, en toen de meisjes vertrokken waren,

lieten zij een indruk achter van zonneschijn en schaduw, welke indruk

Tante March de volgende woorden in den mond gaf:

"Volg mijn raad, Maria; ik zal wel voor 't geld zorgen," waarop Tante

Carrol vast besloten antwoordde: "Ik zal 't stellig doen, als haar

vader en moeder het goed vinden."

HOOFDSTUK VII.

GEVOLGEN.

De bazaar van mevrouw Chester was zoo chic en aristocratisch, dat de

jonge dames uit den omtrek het een eer rekenden een uitnoodiging als

verkoopster te ontvangen, en groot was aller belangstelling in de

zaak. Amy was gevraagd, maar Jo niet, een geluk voor alle partijen,

daar zij gedurende dit tijdperk van haar leven bepaald "met de

armen in de zij" de wereld trachtte door te gaan, wat haar menigen

onzachten stoot berokkende. Het "trotsche, oninteressante schepsel"

werd aan haar lot overgelaten, maar het talent en de smaak van Amy

werden erkend en vereerd door de aanbieding van de kunsttafel, en

zij beijverde zich, daarvoor geschikte en kostbare voorwerpen te

vervaardigen en te verzamelen.

Alles ging voor den wind, tot er, den dag voor de opening van den

bazaar, een van die schermutselingen plaats had, bijna onmogelijk te

vermijden, wanneer omtrent vijf en twintig vrouwen, oude en jonge,

met al hun bizondere antipathieën en vooroordeelen, gezamenlijk iets

trachten tot stand te brengen. Mary Chester was eigenlijk jaloersch

op Amy, omdat deze meer gefêteerd werd dan zij, en juist omtrent dezen

tijd vielen er enkele kleinigheden voor, die dit gevoel versterkten. De

fijne penteekeningen van Amy stelden de geschilderde vazen van Mary

in de schaduw: dat was doorn nommer één; de alverwinnende Tudor had

vier maal met Amy gedanst op de laatste partij en maar eens met Mary,

dat was doorn nommer twee; maar wat haar het meest hinderde en een

verontschuldiging kon zijn voor haar onvriendelijk gedrag was het

gerucht, haar door een welmeenende babbelkous overgebracht, dat de

meisjes March zich bij de Lambs over haar hadden vroolijk gemaakt. De

blaam hiervan had op Jo moeten vallen, want haar ondeugende nabootsing

was te getrouw geweest om niet ontdekt te worden, en de vroolijke

Lambs hadden de aardigheid niet kunnen verzwijgen. De schuldigen hadden

hiervan evenwel niets gemerkt, en men kan zich de teleurstelling van

Amy begrijpen, toen mevrouw Chester--die natuurlijk boos was over

de vermeende bespotting van haar dochter--op den laatsten avond,

terwijl Amy bezig was de laatste hand te leggen aan haar mooie tafel,

op vriendelijken maar koelen toon tot haar zei:

"Ik merk, lieve kind, dat verscheiden jonge dames het niet goed van

mij vinden, dat ik deze tafel aan iemand anders geef dan aan mijn

dochters, omdat dit de voornaamste en volgens sommigen de mooiste

tafel is, en daar mijn meisjes zich de meeste moeite hebben gegeven

om den bazaar tot stand te brengen, is het feitelijk ook niet meer

dan billijk dat zij deze plaats innemen. Het spijt mij, maar ik weet,

dat je te veel belang stelt in het doel, dan dat je je een kleine

persoonlijke teleurstelling zou aantrekken, en je kunt natuurlijk

een van de andere tafels nemen."

Mevrouw Chester had eerst gedacht, dat het haar gemakkelijk zou

vallen deze kleine toespraak te houden; maar toen het moment daar was,

vond zij het tamelijk moeilijk het op een natuurlijken toon te doen,

terwijl Amy's oprechte oogen haar vol verbazing en droefheid aanzagen.

Amy giste dat hier meer achter stak, maar kon niet raden wat, en

antwoordde bedaard, hoewel zij zich gekrenkt voelde en dat ook toonde:

"Misschien hebt u liever, dat ik in 't geheel geen tafel neem?"

"Mijn lieve kind, wees maar niet boos, ik doe het alleen maar voor den

vorm; mijn dochters moeten natuurlijk de hoofdrol spelen, en deze tafel

wordt beschouwd als de plaats, die haar volgens recht en billijkheid

toekomt. Ik zou je hier graag willen laten, en dank je zeer voor

alles wat je hebt gedaan om ze zoo mooi te maken; maar wij moeten

natuurlijk onze eigen wenschen opgeven, en ik zal er voor zorgen,

dat je een ander goed plaatsje krijgt. Zou je de bloementafel willen

hebben? De kleine meisjes hadden op zich genomen die te schikken, maar

zij hebben den moed laten zakken. Jij zou er iets heel liefs van kunnen

maken, en je weet, een bloementafel heeft altijd veel aantrekkelijks."

"Voorál voor de heeren." voegde Mary er bij met een blik, waaruit

Amy tenminste één oorzaak kon opmaken, waarom zij in ongenade was

gevallen. Zij bloosde van drift, maar nam verder geen notitie van

dien steek onder water, en antwoordde met onverwachte vriendelijkheid:

"Zooals u wilt, mevrouw, ik zal mijn plaats hier dadelijk opgeven en

die bij de bloemen nemen, als u dat beter vindt."

"Je mag al wat van je zelf is, op je eigen tafel zetten, als je

dat soms wilt," bood Mary aan, wier geweten haar wel wat begon te

kwellen, toen zij de mooie étagère, de geschilderde potjes en de

aardige teekeningen zag, die Amy met zooveel zorg gemaakt en met

zooveel smaak gerangschikt had. Zij bedoelde het vriendelijk, maar

Amy vatte haar gezegde verkeerd op, en antwoordde haastig:

"O zeker, als het je in den weg staat," en nadat zij haar bijdragen

bij elkaar had gepakt, verwijderde zij zich, met het gevoel, dat zij

en haar kunstwerk onvergeeflijk beleedigd waren geworden.

"Nu is zij voor altijd boos. O hemel! had ik u maar niet gevraagd

er over te spreken, Mama," zei Mary, met een treurig gezicht naar de

ledige plaatsen op de tafel ziende.

"Meisjesgekibbel duurt nooit lang," antwoordde haar moeder, die met

recht min of meer beschaamd was over het aandeel, dat zij in den

twist had genomen.

De kinderen ontvingen Amy en haar schatten met vreugde, en deze

hartelijke ontvangst kalmeerde eenigszins haar geschokt gemoed;

zij zette zich aan het werk, vast besloten den prijs weg te dragen

met haar bloementafel, nu de kunsttafel haar ontnomen was. Maar

alles scheen wel tegen te loopen; het werd laat en zij was moe;

ieder had het te druk met eigen zaken om haar een handje te helpen,

en de kleine meisjes maakten 't haar nog moeilijker en de verwarring

nog grooter door hun luidruchtig gebabbel en hun onhandige pogingen

om alles te regelen en te schikken.

De boog van klimop wilde maar niet stevig blijven staan, toen zij

was opgezet, maar waggelde bij 't minste stootje en dreigde op Amy's

hoofd te vallen, toen de bloemenmandjes er aan gehangen waren; op

haar mooiste teekening viel een waterdroppel, die een bruinen traan

achterliet op de wang van een cupido; zij bezeerde haar handen aan

den hamer, en vatte kou in den tocht, welke laatste tegenspoed haar

met onrust vervulde voor den volgenden dag.

Thuis heerschte groote verontwaardiging, toen Amy dien avond haar

geschiedenis verhaalde. Haar moeder zei, dat het schande was, maar

vond dat zij goed had gehandeld. Betsy verklaarde, dat zij in 't

geheel niet naar dien gekken bazaar wilde gaan kijken, en Jo vroeg

waarom zij al haar mooie dingen niet wegnam, en die kleingeestige

menschen alleen voor den boel liet zitten.

"Al zijn zij kleingeestig, dat is nog geen reden, waarom ik het ook

zou zijn. Ik vind zoo'n manier van doen echt onbeschaafd, maar al

meen ik reden te hebben om mij gegriefd te voelen, wil ik het niet

toonen. Zij zullen dat dieper voelen, dan kleinzielige antwoorden en

wraaknemingen, denkt u ook niet, Moeder?"

"Zeker, kindlief! kwaad met goed vergelden is altijd het beste ofschoon

het soms niet heel makkelijk is," zei haar moeder, met een uitdrukking

op haar gelaat, die duidelijk deed zien, dat zij het verschil had

leeren verstaan tusschen zeggen en doen.

Hoewel Amy herhaaldelijk de natuurlijke verzoeking voelde opkomen,

om zich gekrenkt te toonen en zich te wreken, volhardde zij den heelen

volgenden dag in haar voornemen om haar vijanden door vriendelijkheid

te winnen. Zij maakte een goed begin, dank zij een stilzwijgende

vermaning, die zij ongezocht maar zeer van pas ontving. Toen zij

dien morgen bezig was met het schikken van haar tafel, terwijl de

kinderen in een zijkamer de mandjes vulden, nam zij een klein boekje

met een antiek bandje op, dat haar vader onder zijn schatten had

gevonden, en waarin zij op velijnpapier verschillende teksten had

geïllustreerd. Terwijl zij met vergeeflijk zelfbehagen de blaadjes

omsloeg, viel haar oog op een vers, dat haar tot nadenken bracht. Gevat

in een smaakvol randje, las zij deze woorden: "Gij zult uwen naaste

liefhebben als uzelven." "Ik moest het doen, maar ik doe het niet,"

dacht Amy, terwijl haar oog dwaalde van de leerrijke bladzijde naar

het ontevreden gezicht van Mary achter de groote vazen, die de leegten

niet konden verbergen, door het wegnemen van Amy's "kunstvoorwerpen"

ontstaan. Amy bleef een oogenblik nadenkend de bladzijden omslaan,

waarin zij achtereenvolgens menig zacht verwijt las over elke opwelling

van wrevel en onverdraagzaamheid. Vele verstandige en goede preeken

worden ons dagelijks door allerlei onbewuste predikers op straat, op

school, in het bureau, of thuis gehouden, zelfs een bazaarkraampje kan

een preekstoel worden, als zij ons de woorden in 't hart zendt, waaraan

wij juist behoefte hebben. Amy's geweten hield haar daar een klein

betoog over dien tekst, en zij deed, wat velen van ons niet altijd

doen, zij nam de les ter harte, en bracht haar dadelijk in praktijk.

Een groep meisjes stond rondom Mary's tafel; zij bewonderden haar

mooie voorwerpen en praatten over de verwisseling der verkoopsters. Al

fluisterden zij, toch wist Amy heel goed dat zij over haar spraken,

slechts één kant van de zaak hoorden en haar daarnaar beoordeelden. Het

was niet aangenaam, maar een beter gevoel was in haar ontwaakt, en de

gelegendheid bood zich weldra aan om daarvan een bewijs te geven. Zij

hoorde Mary op teleurgestelden toon zeggen:

"'t Is jammer, want de tijd is te kort om andere dingen te maken,

en ik kan de leegten niet vullen met lorren en prullen. De tafel was

zoo goed in orde, en nu is zij letterlijk bedorven."

"Misschien zou Amy ze wel terug willen geven, als je 't haar vroeg,"

deed een der meisjes aan de hand.

Op Eigen Wieken · 第 6 / 26 段