"Twintig el zij schijnt nog al veel om zoo'n slank persoontje

te kleeden, maar ik twijfel niet, of mijn vrouw zal, als zij die

japon aanheeft, even mooi zijn als mevrouw Ned Moffat," merkte John

droogjes op.

"Ik weet dat je boos bent, John, maar ik kan het heusch niet helpen;

ik was niet van plan je geld zoo te verspillen, en ik dacht niet, dat

al die kleinigheden zoo zouden oploopen. Ik kán het niet laten als ik

Sallie, al wat zij noodig heeft, zie koopen, en als zij mij beklaagt,

dat ik het niet doen kan! 'k Doe werkelijk mijn best tevreden te

blijven, maar 't is zoo moeilijk, en het verveelt mij soms vreeselijk

arm te zijn."

De laatste woorden zei ze zóó zachtjes, dat zij meende, dat John ze

niet verstaan kon, maar hij verstond ze wél, en ze kwetsten hem diep,

daar hij zich om Meta's wil menig genoegen ontzegd had. Zij zou haar

tong wel hebben willen afbijten, zoodra zij het geuit had, want John

stond op, schoof de boeken van zich af, en zei met een eenigszins

onvaste stem: "Daar ben ik wel bang voor geweest; ik doe mijn best,

Meta." Als hij tegen haar was uitgevaren, of haar zelfs verwoed door

elkaar had geschud, zou 't haar niet zóó getroffen hebben als die paar

woorden. Zij liep op hem toe, sloot hem vast in haar armen, en riep

onder berouwvolle tranen: "O, John! mijn lieve, goeie, ijverige jongen,

ik meende het niet! Het was zoo slecht, zoo onwaar en zoo schandelijk

ondankbaar! Hoe kon ik zoo iets zeggen! O, hoe kón ik zoo iets zeggen!"

John was heel vriendelijk, vergaf het haar dadelijk en uitte geen enkel

verwijt, maar Meta wist, dat zij iets had gedaan en gezegd, wat hij

niet spoedig zou vergeten, hoewel hij er misschien nooit op terugkomen

zou. Zij had beloofd hem in voor- en tegenspoed te zullen liefhebben,

en nu verweet zij, zijn vrouw, hem zijn armoede, nadat zij zijn

verdiend geld lichtzinnig had verspild! Hoe vreeselijk! en het ergste

was nog, dat John daarna voortging, alsof er niets was gebeurd. Hij

bleef alleen nog langer op zijn kantoor, en werkte tot in den nacht,

nadat Meta zich al lang in slaap had geschreid. Een week van wroeging

maakte haar bijna ziek, en de ontdekking, dat John zijn nieuwe overjas

had afbesteld, bracht haar in een toestand van wanhoop, die tragisch

was om aan te zien. In antwoord op haar verwonderde vraag naar de

reden hiervan, zei hij enkel: "Ik kan het niet bekostigen, lieveling."

Meta zei niets meer, maar even later vond hij haar in de gang, met

haar gezicht in de oude overjas verborgen, schreiende, alsof haar

hart zou breken. Zij hadden dien avond een lang gesprek, en Meta begon

haar echtgenoot nog meer lief te krijgen, juist om zijn armoede, want

die had hem een man gemaakt--had hem de kracht en den moed gegeven

zich een eigen weg te banen--en hem dat vriendelijk geduld geleerd,

waarmee hij al de natuurlijke verlangens en tekortkomingen van hen,

die hij liefhad, wist te bevredigen en te verdragen.

Den volgenden dag zette zij al haar hoogmoed op zij, ging naar Sallie,

vertelde haar de volle waarheid, en verzocht haar als een gunst de

zijde te willen overnemen.

Het goedhartige mevrouwtje Moffat was hier dadelijk toe bereid,

en had gelukkig zooveel fijn gevoel, dat zij ze haar vriendin niet

dadelijk daarna cadeau deed. Toen liet Meta de overjas bezorgen en

tegen dat John thuis kwam, trok zij die aan en vroeg hem, hoe hij

haar nieuwe zijden japon vond. Iedereen begrijpt welk antwoord zij

kreeg, hoe John het geschenk aannam, en hoe innig gelukkig zij daarna

waren. John kwam weer vroeg thuis, Meta liep niet meer uit, en de

overjas werd elken morgen door een zeer gelukkige echtgenoot aan-

en elken avond door een zeer liefhebbende vrouw uitgetrokken. Zoo

ging het jaar voorbij, en den volgenden zomer deed Meta een nieuwe

ondervinding op, de diepste en teederste in het leven eener vrouw.

Laurie kwam op zekeren Zaterdag met een geheimzinnig gezicht de keuken

van "de duiventil" binnen sluipen en werd met cymbaalgeschal ontvangen,

want Hanna klapte in de handen, met een pan in de eene en het deksel

in de andere hand.

"Hoe gaat het de jonge mama? Waar is iedereen? Waarom hebben ze het

mij niet geschreven, voordat ik thuis kwam," vroeg Laurie op luid

fluisterenden toon.

"Zoo gelukkig als een koningin, de lieve engel! Zij zijn allemaal

boven aan 't aanbidden, en we hadden geen wervelwinden noodig. Ga

maar in de voorkamer en ik zal wel iemand bij u sturen," en na dit

eenigszins ingewikkeld antwoord, verdween Hanna, vergenoegd grinnekend.

Een oogenblik daarna verscheen Jo, met een klein flanellen pakje op

een groot kussen. Jo's gezicht stond heel ernstig, maar haar oogen

schitterden en aan haar stem kon men hooren, dat zij een aandoening

trachtte te bedwingen.

"Doe je oogen toe, en steek je armen uit," commandeerde zij.

Laurie trok zich overhaast in een hoek terug, en hield zijn handen

met een smeekend gebaar achter zich--"Neen, dankje, liever niet. Ik

zal het zoo zeker als iets laten vallen of verpletteren."

"Dan krijg je je neefje niet te zien," zei Jo, zich omkeerend om heen

te gaan.

"Neen, neen, ik zal het aannemen, maar jij bent verantwoordelijk

voor alle ongelukken," en gehoorzaam aan de ontvangen bevelen,

sloot Laurie heldhaftig de oogen, terwijl iets in zijn armen werd

gelegd. Een luid gelach van Jo, Amy, mevrouw March, Hanna en John,

deed hem een minuut later opzien, en daar zag hij in zijn armen twee

zuigelingen in plaats van één.

Geen wonder dat zij lachten, want de uitdrukking van zijn gezicht

was dwaas genoeg om den ergsten druiloor te doen schateren, zooals

hij daar stond en met zoo'n hulpelooze verslagenheid beurtelings de

onschuldige schapen en de lachende toeschouwers aanstaarde, dat Jo

op den grond neerviel, en het uitgilde.

"Tweelingen, bij Jupiter!" was al, wat hij in de eerste oogenblikken

kon uitbrengen; toen keerde hij zich tot de vrouwen met een smeekenden

blik, die waarlijk treffend was, en voegde er bij: "Laat iemand ze

overnemen, gauw! Ik moet lachen, en ik zal ze nog laten vallen!"

John redde zijn kleintjes, en wandelde toen de kamer op en neer,

met een kind in elken arm, alsof hij het zijn heele leven gewend

was geweest, terwijl Laurie lachte, totdat hem de tranen langs de

wangen rolden.

"Dat is de beste grap, die wij in lang gehad hebben, is 't niet? Ik

wou niet, dat iemand het je schreef; want ik wou je eens verrassen,

en me dunkt, het is gelukt!" zei Jo, toen zij weer op adem gekomen was.

"Ik ben nog nooit in mijn heele leven zóó geschrikt! Wat een

toestand! Zijn het jongens? Hoe zullen ze heeten? Laat ze nog eens

zien! Houd me vast, Jo, want op mijn woord, 't is één te veel voor

mij," antwoordde Laurie en bekeek de kleintjes, zooals een goedige

groote Newfoundlander een paar kleine poesjes zou bekijken.

"Een jongen en een meisje. Zijn het geen prachtexemplaren?" vroeg de

trotsche vader, de kleine roode, wringende schepseltjes zoo bewonderend

aanstarende, alsof het vleugellooze engeltjes waren.

"De merkwaardigste kinderen die ik ooit gezien heb! Maar hoe hou je

ze uit elkander?"

"Amy heeft het jongetje een blauw en het meisje een rose lint omgedaan,

volgens de Fransche mode, dus daaraan kun je 't altijd zien. Bovendien

heeft het eene blauwe en het andere bruine oogen. Geef ze een kus,

Oom Teddy," zei de ondeugende Jo.

"Ik vrees, dat ze het niet prettig zullen vinden," begon Laurie,

met ongewone beschroomdheid op dit punt.

"Natuurlijk wel; zij zijn er nu al aan gewend; doe het oogenblikkelijk,

jongmensch," beval Jo, vreezend, dat hij een uitstel mocht voorslaan.

Laurie trok zijn neus op, en gehoorzaamde door op ieder klein wangetje

een behoedzaam pikje te geven, dat een nieuwe lachbui veroorzaakte

en de kinderen aan het huilen maakte.

"Daar nou! ik wist wel, dat zij het niet graag zouden hebben. Dat

is de jongen natuurlijk! Kijk hem eens schoppen! hij steekt zijn

vuisten al uit als een flinke bokser. Nu, hoor eens, jonge Brooke,

val iemand van je eigen grootte aan, wil je?" riep Laurie uit, zeer

in zijn schik met een duw in zijn gezicht van het kleine vuistje,

dat doelloos rondschermde.

"Hij zal John Laurence heeten, en het meisje Margaretha, naar haar

moeder en grootmoeder. Wij zullen haar Daisy noemen, om geen twee

Meta's in de familie te hebben, en ik denk, dat dit kleine baasje wel

Jack zal heeten, of wij moesten nog een beteren naam voor hem vinden,"

vertelde Amy, met tantelijke belangstelling.

"Noem hem Demi-John, en bij verkorting Demi," stelde Laurie voor.

"Daisy en Demy--_prachtig_! Ik _wist_ wel, dat Teddy er iets op zou

vinden," riep Jo, in de handen klappende.

Teddy had er dezen keer zeker iets op gevonden, want de kinderen bleven

"Daisy en Demy" tot het eind van hun levensdagen.

HOOFDSTUK VI.

VISITES MAKEN.

"Kom Jo, het is tijd."

"Waarvoor?"

"Je meent toch niet, dat je je belofte vergeten hebt, om vandaag een

stuk of zes visites met mij te gaan maken!"

"Ik heb heel wat dolle dingen in mijn leven gedaan, maar ik geloof

niet, dat ik ooit zoo gek geweest ben van te beloven, dat ik op één

dag zes visites zou maken, terwijl één visite me al voor een heele

week van de wijs brengt."

"Je hebt het tóch beloofd. We hadden afgesproken dat ik die

potloodschets van Bets zou afmaken, en jij dan behoorlijk met mij

zou mee gaan, om de buurvisites te beantwoorden."

"Als het mooi weer was; dat stond in het contract en ik houd mij aan

de letter van het verdrag, Shylock. [4] Er zijn donderwolken in het

oosten; het is géén mooi weer, en ik ga dus _niet_."

"Dát is flauw van je! 't Is prachtig weer; geen kwestie van regen,

en jij die er een eer in stelt altijd je beloften te houden, moest

je nu ook eerlijk aan de afspraak houden. Toe, Jo, doe je plicht,

dan zal ik je weer voor een half jaar met rust laten."

Jo was juist op dat oogenblik zeer verdiept in haar naaiwerk, want

zij was de japonnenmaakster voor de heele familie, en bizonder over

zichzelve voldaan, dat zij de naald even goed hanteeren kon als de

pen. Het was meer dan vervelend nu gestoord te worden, nu zij er

juist aan toe was voor het eerst te passen. En dan in je beste plunje

op een heeten Julidag uitgesleept te worden om visites te maken! Zij

vond die plechtstatige bezoeken een gruwel, en deed ze nooit, zonder

door Amy in de engte gedreven te zijn door een verdrag, een omkooping

of een belofte. In dit bepaalde geval was geen uitvlucht mogelijk;

en nadat zij knorrig haar schaar had neergegooid met de opmerking,

dat zij een donderbui "rook", gaf zij toe, borg haar werk weg,

nam met een onderworpen gezicht haar hoed en haar handschoenen op,

en deelde Amy mee, dat het slachtoffer gereed was.

"Jo March, jij zou een heilige uit zijn vel doen springen! Je bent

toch niet van plan in dat costuum visites te gaan maken, hoop ik,"

riep Amy, haar met verbazing aanstarend.

"Waarom niet? Ik ben netjes en luchtig en op mijn gemak; juist goed

voor een stoffige wandeling op een warmen dag. Als de menschen meer

om mijn kleeren dan om mijzelf geven, begeer ik ze niet te zien. Jij

kunt voor ons beiden toilet maken, en er zoo elegant uitzien als je

maar wilt; jij hebt er eer van als je je mooi maakt; ik niet, en al

die prullen vind ik maar last."

"O, hemel!" zuchtte Amy, "nu is zij in de contramine, en zal me half

dol maken, eer ik haar ordentelijk klaar kan krijgen.--'t Is voor

mij ook geen plezier vandaag te gaan, maar het is een plicht, dien we

aan de samenleving verschuldigd zijn, en jij en ik zijn de eenigen,

die daarvoor op kunnen komen. Ik wil alles voor je doen, Jo, als je

je netjes wilt aankleeden, en beleefd zijn. Je weet altijd zooveel

te praten, en je kunt er zoo gedistingeerd uitzien, als je je beste

mantelpak aan hebt; en als je maar wilt, weet je je zoo goed voor te

doen, dat ik dikwijls trotsch op je ben. Ik ben te verlegen om alleen

te gaan; toe, ga dus maar mee om mij te helpen!"

"Je bent een slim poesje om je knorrige ouwe zuster op die manier te

vleien en te bepraten. Verbeeld je! _Ik_ gedistingeerd en welgemanierd,

en jij te verlegen om ergens alleen heen te gaan! Ik weet niet, wat

belachelijker is. Nu, maar ik zal gaan, als het dan zoo wezen moet,

en mijn best doen. Jij moet de aanvoerder van de expeditie zijn, en

ik zal blindelings gehoorzamen: is het dan goed?" vroeg Jo, plotseling

van weerbarstigheid tot de meest volmaakte onderwerping overslaande.

"Je bent een engel! Trek nu al je netste dingen aan, en ik zal je

zeggen, hoe je je bij iedere familie moet gedragen, om den besten

indruk achter te laten. Ik wou zoo graag, dat de menschen van

je hielden, en zij zouden het zeker doen, als je je maar wat wou

inspannen en een beetje toeschietelijk zijn. Doe je haar op die

aardige manier van laatst en steek een roode roos in je manteltje;

die kleurt je goed, en je ziet er anders in je donkere pak wat al

te stemmig uit. Krijg nu je lichte handschoenen en dat geborduurde

zakdoekje. Wij zullen even bij Meta aangaan, om haar witte parasol

te leen te vragen; dan kun jij mijn lichtgrijze gebruiken."

Terwijl Amy zich kleedde, gaf zij haar bevelen, en Jo bracht ze

ten uitvoer; evenwel niet zonder gedurig protest, want zij zuchtte

onder het aantrekken van haar nieuwe pak, fronste haar wenkbrauwen,

en worstelde wanhopig met spelden, toen zij haar nieuwe tulen jabot

vóórdeed, trok een leelijk gezicht, terwijl zij het zakdoekje uit de

plooien schudde, en vond het borduursel even onaangenaam voor haar

neus, als de aanstaande expeditie voor haar gevoelens; en toen zij, als

toppunt van élégance haar handen gewrongen had in nieuwe handschoenen,

keerde zij zich met een onnoozel gezicht tot Amy en zei onderdanig:

"Ik voel mij diep ellendig; maar als jij vindt, dat ik presentable ben,

sterf ik gelukkig!"

"Ik ben bizonder tevreden; draai je nu eens langzaam rond, en laat

ik je eens goed opnemen."

Jo draaide rond, en Amy trok eens hier en daar, en ging toen achteruit

met het hoofd op zij, terwijl zij welgevallig aanmerkte:

"Jo, 't is goed, je hoofd is perfect in orde, want die witte hoed

staat je best. Trek je schouders wat naar achteren, en houd je handen

niet zoo stijf; wat doet het er toe, of je handschoenen wat knellen,

ik ben blij dat tante March je zulke mooie gegeven heeft. Zit mijn

mantel recht, en heb ik mijn japon gelijk opgenomen? Ik laat graag

mijn laarzen zien, want mijn voeten zijn mooi, al is mijn neus het

dan ook niet."

"Je bent een juweeltje, en het is een artistiek genot je te

aanschouwen," verzekerde Jo, terwijl zij met het air van een kenner

door haar hand het effect van den blauwen hoed tegen het goudblonde

haar opnam. "Moet ik mijn besten rok door het stof slepen, of mag ik

hem opnemen, mejuffrouw?"

"Houd hem op onder het loopen; maar laat hem als je binnen komt

vooral _onmiddellijk_ los, want dat vergat je laatst! Je hebt je

eenen handschoen maar half toegeknoopt, doe het dadelijk even. Je

kunt er nooit netjes uitzien, als je niet op de kleine détails let,

want zij maken het nette geheel uit."

Jo zuchtte, en had de voldoening, dat, onder het vastmaken van

haar eenen handschoen, de knoopjes van den anderen lossprongen,

maar eindelijk waren zij beiden gereed, en stevenden weg. "Net een

paar schilderijtjes," vond Hanna, die boven uit het raam lag, om ze

na te kijken.

"Nu Jo, de Chesters zijn nogal aristocratisch, dus bij hen moet je je

bizonder goed gedragen. Maak nu niet zulke wonderlijke opmerkingen en

doen niets raars, hoor! Wees alleen maar kalm, gewoon en bedaard, dat

is altijd veilig en lady-like, en dat kun je toch wel een kwartiertje

uithouden," zei Amy, toen zij het eerste huis naderden, nadat zij de

witte parasol hadden afgehaald, en door Meta, met een kind op elken

arm, waren geïnspecteerd.

"Laat eens kijken: kalm, gewoon en bedaard,--ja, dat kan ik wel op mij

nemen. Ik heb eens de rol van een stemmige jonge dame moeten spelen,

en die zal ik nu vertoonen. Mijn talent is groot, zooals je zult zien;

wees dus volkomen gerust, mijn kind."

Amy glimlachte tevreden, maar de ondeugende Jo hield haar aan haar

woord; want gedurende het eerste bezoek zat zij daar in een keurige

houding, met onberispelijke kleeren, kalm en effen als de zomerzee,

koel als een ijsschots, en stom als een sphinx. Tevergeefs sprak

mevrouw Chester over haar "interessanten roman"; tevergeefs brachten

de jonge dames Chester partijen, pic-nics, de opera en de modes op het

tapijt; alles werd beantwoord met een glimlach, een hoofdbuiging en

een stemmig "ja" of "neen." Tevergeefs telegrafeerde Amy het woord

"práát", tevergeefs trachtte zij haar in 't gesprek te mengen, of

stootte ze haar ongemerkt met haar voet aan; Jo keek zoo onschuldig,

alsof zij de beschrijving van Maud's [5] gelaat: "IJskoude schoonheid,

prachtige nul," plastisch wilde voorstellen.

"Wat een trotsch, onbehaaglijk wezen is die oudste juffrouw March," was

de ongelukkig nog hoorbare opmerking van een der dames, toen de deur

zich achter de bezoeksters sloot. Jo lachte stilletjes de heele gang

door, maar Amy keek kwaad over de mislukking van haar raadgevingen,

en gaf, zeer natuurlijk, de schuld aan Jo.

"Hoe kón je me nu zóó verkeerd begrijpen? Ik meende alleen maar,

dat je behoorlijk waardig en bedaard moest zijn, en nu doe je net

of je een stok of een steen bent. Doe nu in vredesnaam je best om

gezellig te wezen bij de Lambs; praat zooals de andere meisjes doen,

en stel belang in modes en hofmakerijen, en welke nonsens er ook op

het tapijt komt. Zij gaan in de beste kringen uit, en het is voor

ons veel waard dat wij ze kennen, daarom zou ik hier niet graag een

verkeerden indruk maken."

"Ik zal voorkomend zijn, praten en grinneken en over elke kleinigheid

gieren of mijn afschuw toonen, al naar je maar wilt. Ik vind het heusch

nogal grappig, en zal nu voorstellen, wat men een '_allerliefst_

meisje' noemt. Ik kan het best doen, want ik heb May Chester voor

model, en dat zal ik nog wat uitwerken. Pas maar eens op, of de

Lambs niet zullen zeggen: 'Wat een levendig, aardig schepseltje is

die Jo March!'"

Amy werd meer en meer ongerust, en dat mocht zij ook wel, want

als Jo eens begon met haar dwaasheden, wist men niet waar zij zou

ophouden. Het was de moeite waard Amy's gezicht te zien, toen zij

haar zuster het volgend salon zag binnenwippen, al de jonge dames

met de grootste hartelijkheid zag omhelzen, de jongeheeren minzaam

toelachen, en zich zoo levendig in het gesprek mengen, dat ze er van

versteld stond. Amy werd in beslag genomen door mevrouw Lamb, van wie

zij een lievelingetje was, en moest een lang verslag aanhooren van

Lucy's laatste ziekte, terwijl drie uitgaande jongelui om haar heen

zweefden, en slechts op een pauze wachtten, om haar aan te spreken

en te bevrijden. In deze positie was het haar volstrekt onmogelijk

Jo te stuiten, die door een boozen geest bezeten scheen, en even

levendig doorrammelde als de oude dame. Er vormde zich een kringetje

rondom haar, en Amy spitste de ooren om te hooren, wat er verhandeld

werd, want verbaasde uitroepen vervulden haar met angst, opengesperde

oogen en opgeheven handen deden haar vergaan van nieuwsgierigheid en

herhaalde uitbarstingen van lachen haar branden van verlangen om aan

de vroolijkheid deel te nemen. Men kan zich een denkbeeld maken van

haar lijden, daar zij fragmenten opving als:

"Zij rijdt keurig--van wien heeft zij het geleerd?"

"Van niemand; zij oefende zich in het opstijgen, het houden van den

teugel en het rechtop zitten, op een oud zadel in een boom. Nu kan

zij alle paarden berijden; ze kent geen angst, en de verhuurder

geeft haar de paarden goedkoop, omdat zij ze zoo goed voor dames

dresseert. Zij is er zoo'n hartstochtelijke liefhebster van, dat zij

in tijd van nood een uitstekende paardentemster zou kunnen worden,

en zoo den kost verdienen."

Bij dit vreeselijke verhaal kon Amy zich slechts met moeite

bedwingen. Het moest immers wel den indruk maken, alsof zij een

bizonder mannelijke jonge dame was, iets waarvan zij juist den

grootsten afkeer had! Maar wat kon zij er aan doen? De oude dame

was in het midden van haar verhaal, en lang voordat dit uit was,

zat Jo al weer op haar praatstoel, deed nog meer dwaze onthullingen

en beging nog vreeselijker misslagen.

"Ja, Amy was dien dag wanhopig, want al de goede paarden waren

verhuurd, en van de drie, die er nog overbleven, was het eene lam,

het andere blind en het derde zoo koppig, dat men zand in zijn mond

moest stoppen, om hem voort te krijgen. Een aardig beest voor een

plezierritje, hè?"

"En welk nam zij?" vroeg een der lachende heeren, die zeer veel belang

in dit onderwerp stelden.

"Geen van de drie. Zij hoorde van een jong paard op een boerderij aan

den overkant van de rivier, en hoewel er nooit een dame op gereden had,

besloot zij het te probeeren, omdat het zoo mooi en dartel was. U weet

niet hoeveel moeite ze zich getroostte! Er was niemand om het paard bij

het zadel te brengen, en dus bracht zij het zadel bij het paard. Ja

heusch, zij roeide het over de rivier, nam het op haar hoofd en liep

er mee naar de schuur, tot groote verbazing van den ouden boer!"

"En bereed zij dat paard?"

"Natuurlijk, en zij had een heerlijken rit. Ik was bang, dat ik haar

aan stukken naar huis zou zien brengen, maar zij wist het perfect in

toom te houden, en was de ziel van de partij."

"Nou, dat noem ik kranig!" en de jonge Lamb wierp een goedkeurenden

blik op Amy, en begreep niet wat zijn moeder toch kon zeggen, dat

haar zoo rood en verlegen maakte.

Zij werd nog rooder en verlegener, toen door een plotselinge wending

in het gesprek het toilet op het tapijt kwam. Een der jonge dames

vroeg Jo, waar zij toch dien mooien grijzen hoed vandaan had, dien

zij op den pic-nic ophad; en die domme Jo, in plaats van den winkel

te noemen, waar hij twee jaar geleden gekocht was, antwoordde met

geheel onnoodige openhartigheid: "O, Amy had hem geverfd; die zachte

kleuren kun je dikwijls niet koopen, daarom verven wij onze hoeden

in elke tint, die wij verlangen. Ja 't is een groot gemak als je een

kunstenares tot zuster hebt!"

"Hoe origineel!" riep juffrouw Lamb uit, die Jo erg grappig vond.

"Sommige van haar meesterstukken zijn onvergelijkelijk. Er is niets,

wat dat kind niet doen kan. Zoo had ze een paar blauwe schoentjes

noodig voor Sallie's partij, en toen verfde zij eenvoudig haar vuile

witte met het allerliefste hemelsblauw dat je ooit gezien hebt,

en ze zagen er net uit, of zij nieuw waren," voegde Jo er bij, met

een soort van trots op de handigheid van haar zuster, die Amy zoo

radeloos maakte, dat het haar goed zou gedaan hebben, als zij Jo haar

visiteboekje naar het hoofd had kunnen gooien.

"Eenigen tijd geleden hebben wij met groot genoegen een verhaal van

u gelezen," merkte de oudste juffrouw Lamb aan, om een compliment te

maken aan de literarische jonge dame, die er, om de waarheid te zeggen,

op dit oogenblik niet erg naar uitzag. Maar de minste vermelding van

haar "werken" had altijd een slecht effect op Jo, die altijd òf stijf

werd en beleedigd keek, òf, zooals nu, met een onvriendelijke opmerking

van onderwerp veranderde. "Het spijt mij, dat u niets beters te lezen

had. Ik schrijf die dingen, omdat zij goed betaald worden, en sommige

menschen vinden ze mooi. Gaat u dezen winter weer naar New-York?"

Daar juffrouw Lamb het verhaal "met groot genoegen" gelezen had,

was dit gezegde niet bizonder aardig of complimenteus. Jo bemerkte

haar misslag, zoodra zij de woorden uitgesproken had; maar uit vrees,

dat zij de zaak nog verergeren zou, herinnerde zij zich plotseling,

dat het aan haar was, het eerste sein tot vertrek te geven, en dit

deed ze dan ook zoo overhaast, dat drie personen in een halven volzin

bleven steken.

"Amy, wij moeten _heusch_ gaan, dag Lucy, kom ons toch vooral eens

_gauw_ opzoeken; wij verlangen _vreeselijk_ naar een bezoekje! Ik

durf _u_ niet animeeren mijnheer Lamb, maar als u soms komen _mocht_,

zult u _hartelijk_ welkom zijn!"

Jo zei dit alles met zoo'n dwaze nabootsing van Mary Chester's

overdreven spreekmanier, dat Amy zoo gauw mogelijk de kamer uitsnelde,

niet wetende of zij lachen of huilen zou.

"Heb ik mij nu niet goed gehouden?" vroeg Jo voldaan, onder het

wegwandelen.

"Het kón niet erger," was Amy's verpletterend antwoord. "Wat heeft

je toch bezeten, om al die verhalen over mijn zadel en dien hoed en

die schoenen en al die dingen te vertellen?"

"Och, de menschen vinden het grappig, en lachen er om. Zij weten best,

dat wij niet rijk zijn, dus hoeven wij niet te doen, of wij er een

stalknecht op na houden, elk seizoen drie of vier hoeden koopen,

en even gemakkelijk als zij aan mooie dingen kunnen komen."

Op Eigen Wieken · 第 5 / 26 段