John, die vast geloofde dat "mijn vrouw" alles kon en niet weinig

trotsch was op haar handigheid, bleek onmiddellijk bereid haar verzoek

in te willigen, zoodat hun eenige vruchtenoogst op de aangenaamste

manier voor wintergebruik zou kunnen bewaard worden. Hij bezorgde haar

dus vier dozijn "allergezelligste" potjes, tien kilo suiker en een

kleinen jongen om bessen te plukken. Met een mutsje over haar haar,

opgestroopte mouwen en een groot keukenschort voor, dat ondanks alles

iets coquets had, ging de jonge huisvrouw, vol vertrouwen in haar

succes, aan den arbeid, want--had zij het Hanna niet honderdmaal

zien doen? Het groote aantal potjes deed haar op het eerste gezicht

ontstellen, maar John hield zooveel van gelei, en de nette glazen

potjes zouden zoo aardig staan op de bovenste plank, dat Meta besloot

ze alle te vullen, en zij bracht een ganschen langen dag door met

plukken, koken, filtreeren en tobben over haar inmaak. Ze deed haar

best. Ze raadpleegde het kookboek, zij spande zich in om te bedenken

wat Hanna toch deed, dat zij niet gedaan had; zij kookte alles nog

eens over, deed er nog eens weer suiker bij, liet het nog eens door

de zeef loopen, te vergeefs, het akelige goed wilde niet stijf worden.

't Liefst zou ze met boezelaar en al naar huis zijn geloopen om haar

moeder om hulp te vragen, maar John en zij waren overeengekomen,

dat zij nooit iemand met hun huiselijke moeilijkheden, proefnemingen

of twisten zouden lastig vallen. Over dat laatste woord hadden ze

gelachen, alsof de gedachte daaraan de grootste absurditeit was; maar

zij hadden hun besluit volgehouden, en wanneer zij er maar eenigszins

buiten konden, vroegen ze niet om hulp; dus bemoeide zich niemand met

hun zaken, want mevrouw March had dit plan bizonder goedgekeurd. Zoo

worstelde Meta op dien snikheeten zomerdag geheel alleen met haar

weerspannige lekkernij, en om vijf uur viel zij moedeloos neer op

een stoel in haar rommelige keuken, wrong haar kleverige handen en

barstte in snikken uit.

Nu had zij in de eerste weken van haar nieuwe leven dikwijls gezegd:

"Mijn man zal altijd, wanneer hij maar wil, een vriend mee naar huis

kunnen brengen. Ik zal er altijd op voorbereid zijn, zoodat er geen

verwarring, gevlieg of gebrom behoeft te wezen, waar hij een net huis,

een vroolijke vrouw en een goed middagmaal zal vinden. Johnlief,

vraag maar nooit mijn goedkeuring, inviteer gerust wien je wilt,

en wees er zeker van, dat hij welkom zal zijn."

Dat klonk veelbelovend! John straalde van voldoening, toen hij haar

dat hoorde zeggen, en voelde opnieuw, hoe 'n zegen het toch was zoo'n

lief, verstandig vrouwtje te bezitten. Maar hoewel zij nu en dan

wel gasten hadden ontvangen, was het nog nooit onverwachts gebeurd,

en dus had Meta tot nog toe geen gelegenheid gevonden om zich in

dat opzicht te onderscheiden. Zoo gaat het altijd in dit tranendal;

er schijnt aan zulke dingen een zeker noodlot verbonden, waarover

wij ons kunnen verwonderen, dat wij kunnen betreuren, doch waarin

wij ons zoo goed mogelijk moeten zien te schikken.

Als John niet alles omtrent de gelei vergeten had, zou het

onvergeeflijk van hem geweest zijn, om op dien dag, uit al de dagen

van het jaar, onverwachts een vriend mee ten eten te brengen. In de

blijde bewustheid dat hij dien morgen een goed middagmaal besteld had,

vast overtuigd dat het op de minuut af gereed zou zijn, en vervuld

met aangename voorgevoelens over het bekoorlijk effect, dat zijn oog

zou streelen, wanneer zijn mooi vrouwtje naar buiten kwam loopen

om hem tegemoet te gaan, voerde hij zijn vriend naar zijn woning,

met al de opgewektheid van een jong gastheer en echtgenoot.

Maar de wereld is vol teleurstellingen, dat ondervond John, toen hij

zijn "duiventil" naderde. De voordeur stond gewoonlijk heel gastvrij

open; nu was zij niet alleen dicht, maar op slot, en de modder van

den vorigen dag ontsierde nog de stoep. De gordijnen van de voorkamer

waren neergelaten, zoodat er niets te zien was van het liefelijk

tafereel, dat hij zich had voorgesteld: een mooi in 't wit gekleed

huisvrouwtje dat, met een bloem in haar ceintuur, onder de veranda

zat te naaien, of een helderoogige gastvrouw, die haar gast met een

vriendelijk beschroomd lachje welkom heette. Niets van dien aard;

geen levende ziel verscheen, alleen een jongen met bloedrooden mond

en vingers lag tusschen de bessestruiken te slapen.

"Ik vrees, dat er iets gebeurd is; ga zoolang in den tuin, Scott,

terwijl ik mijn vrouw ga opzoeken," zei John, wien de stilte en

eenzaamheid begon te benauwen.

Hij haastte zich naar de achterzijde van het huis, geleid door een

afschuwelijken reuk van aangebrande suiker, en Scott drentelde hem

achterna met een spotachtige uitdrukking op het gezicht. Hij bleef,

toen Brooke verdween, bescheiden op een afstand staan, maar toch kon

hij alles hooren en zien en genoot hij, als vrijgezel, bizonder van

het tooneel.

In de keuken heerschte wanhoop en verwarring; één editie van de gelei

was van potje tot potje overgezeefd; een tweede lag op den grond,

en een derde stond lustig op het vuur aan te branden. Lotty zat

met Teutonisch flegma kalm te genieten van brood met bessensap,

want de gelei was nog steeds in een hopeloos vloeibaren staat,

terwijl mevrouw Brooke, met het gezicht in haar boezelaar verborgen,

wanhopig zat te snikken.

"Mijn liefste meisje, wat scheelt er aan?" riep John naar binnen

stormende, met verschrikkelijke visioenen van verbrande handen,

plotselinge noodlottige tijdingen, en een heimelijken schrik, bij de

gedachte aan den gast in den tuin.

"O, John, ik ben zoo moe, en warm, en boos, en ellendig. O, o! help

me toch, want ik ben doodop!" en de uitgeputte huisvrouw wierp zich

in zijn armen en gaf hem een in alle opzichten zoete ontvangst,

want haar boezelaar had ruimschoots gedeeld in de morspartij.

"Wat maakt je ellendig, lieveling? Is er iets verschrikkelijks

gebeurd?" vroeg de bezorgde John, terwijl hij teeder de kruin van

het kleine mutsje kuste, dat geheel op één oor was gezakt.

"Ja," snikte Meta wanhopig.

"Vertel het mij dan gauw; schrei niet zoo; ik kan alles beter dragen

dan dat. Voor den dag er mee, kind."

"De--de gelei wil niet stijf worden, en ik weet niet wat ik beginnen

moet."

Toen barstte John uit in zoo'n vroolijk gelach, als hij later nooit

weer bij een dergelijke gelegenheid durfde aanheffen, en de spotachtige

Scott glimlachte onwillekeurig, toen hij het hartelijke geschater

vernam, dat Meta's ellende de kroon opzette.

"Is dat alles? Smijt den boel het raam uit en tob er niet langer

over! Ik zal wel zooveel potten van dat goed voor je bestellen, als

je noodig hebt, maar krijg het in 's hemelsnaam niet op je zenuwen,

want ik heb Jack Scott mee ten eten gebracht, en--" John kon niet

verder gaan, want Meta stiet hem terug, sloeg de handen tragisch inéén,

terwijl zij op een stoel neerzonk, en op een toon van verontwaardiging,

verwijt en wanhoop uitriep:

"Een man ten eten, en alles in de war! John hoe _kon_ je zoo iets

doen?"

"Stil, hij is in den tuin; ik vergat die heele ongelukkige gelei,

maar er is nu niets aan te veranderen," zei John, met klimmende onrust

de naaste toekomst inziende.

"Je had het mij moeten laten weten, of het mij van morgen moeten

zeggen, en je had moeten bedenken, hoe wanhopig druk ik het had," ging

Meta heftig voort; want zelfs tortelduiven pikken, als zij boos worden.

"Ik wist het van morgen nog niet, en er was geen tijd om het je te

laten weten, want ik ontmoette hem op mijn terugweg. Ik heb er ook

geen oogenblik aan gedacht, je toestemming te vragen, omdat je me

altijd gezegd hebt, dat ik doen kon, zooals ik wou. Ik heb het nog

nooit geprobeerd, maar dit is voor 't eerst en voor 't laatst,"

antwoordde John op een beleedigden toon.

"Dat hoop ik! Stuur hem dadelijk weg. Ik kan hem niet ontvangen,

en er is niets meer te eten."

"Onzin! Waar is het rundvleesch dan en de groenten die ik bestelde,

en de pudding, die je van plan was te maken?" vroeg John, op de

glazenkast toesnellende.

"Ik had geen tijd iets klaar te maken, ik was van plan met je bij

Moeder te gaan eten. Het spijt mij erg, maar ik had het zoo druk--"

en Meta's tranen begonnen opnieuw te vloeien.

John was een zachtzinnig man, maar hij was menschelijk; en om, na

een langen dag op het kantoor, vermoeid, hongerig en vol verwachting

thuis te komen, en dan een ontredderd huis, een leege tafel en een

knorrige vrouw te vinden, is niet bepaald geschikt om iemand kalm van

humeur en manieren te maken. Hij bedwong zich evenwel, en de kleine

kibbelarij zou afgedreven zijn, als hij maar niet één ongelukkig

woord gebruikt had.

"Het is een gek geval, dat beken ik, maar als je een handje helpen

wilt, dan zullen wij het toch wel klaarspelen en nog een aardigen

avond hebben. Schrei niet meer, best kind, maar span je een beetje in

en scharrel wat bij elkaar om te eten. Wij zijn allebei zoo hongerig

als wolven, en zullen er niet op zien, wat het is. Geef ons het koude

vleesch maar, en wat brood en kaas; we zullen niet om gelei vragen."

Hij bedoelde het als eene goedhartige grap, maar dit ééne woord

besliste over zijn lot. Meta vond, dat het al te wreed was, nog met

haar droevig ongeval den draak te steken, en haar laatste greintje

geduld verdween terwijl hij sprak.

"Je moet er je zelf maar zien uit te redden; ik ben veel te moe, om

mij nog voor iemand 'in te spannen.' Echt iets voor een man, een gast

koud vleesch en niets dan brood en kaas te willen voorzetten. Maar

dat zal in mijn huis niet gebeuren! Neem Scott dan mee naar Moeder,

en zeg hem, dat ik weg ben--ziek, dood, of wat je maar wilt. Ik wil

hem niet zien, en jullie kunt met je beiden over mij en mijn gelei

lachen, zooveel je maar wilt, maar hier krijg je niets anders," en

nadat zij er deze uitdaging in één adem had uitgegooid, trok Meta

haar boezelaar af, en verliet overhaast het veld, om haar droevig

lot in haar kamer te gaan beweenen.

Wat de twee mannen in haar afwezigheid uitvoerden, kwam zij nooit

te weten, maar Scott werd "niet mee naar Moeder genomen," en toen

Meta beneden verscheen, nadat zij samen weggewandeld waren, vond

zij overblijfsels van een zeer gemengd maal, die haar met afgrijzen

vervulden. Lotty verhaalde, dat zij "een heele boel" gegeten en erg

gelachen hadden; en dat mijnheer haar gezegd had, dat zij al het

zoete goed moest weggooien, en de potjes verstoppen.

Meta verlangde vurig naar haar moeder te gaan en haar alles te

vertellen; maar een gevoel van schaamte over haar eigen tekortkomingen

en van eerlijkheid en trouw ten opzichte van John, (hij mocht dan

wreed zijn, maar _niemand_ zou het ooit te weten komen) weerhield haar;

en na een voorloopige opruiming kleedde zij zich netjes aan, en ging

zitten wachten tot John thuis zou komen om alles weer goed te maken.

Ongelukkigerwijze kwam John echter niet, en beschouwde hij de zaak

ook niet in dat licht. Hij had het heele geval met Scott als een

grap behandeld, zijn vrouw zoo goed mogelijk verontschuldigd, en

was zoo'n gul en aangenaam gastheer geweest, dat zijn vriend het

geïmproviseerd diner voor lief nam en beloofde eens gauw terug te

zullen komen. Maar John was boos, al toonde hij het niet; hij voelde,

hoe Meta hem eerst in een moeilijkheid had gebracht, en daarna in

den steek gelaten had. "Wat een manier, iemand eerst te zeggen,

dat hij volkomen vrij was, zijn vrienden mee thuis te brengen, en,

zoodra je haar aan haar woord hield, op te stuiven, verwijten te

doen, je een gek figuur te laten slaan en je er aan bloot te stellen

uitgelachen of beklaagd te worden? 't Was gewoon onredelijk, en

dat zou hij Meta ook wel eens aan haar verstand brengen!" Onder den

maaltijd had hij inwendig gekookt; maar toen alles voorbij was, en

hij langzaam huiswaarts keerde, nadat hij Scott had weggebracht, kwam

hij in een zachtere stemming. "Arm klein ding! Het was toch ook wel

verdrietig voor haar, terwijl zij zoo haar best deed om hem genoegen

te geven. Zij had natuurlijk ongelijk, maar zij was nog zoo jong. Ik

moet geduldig zijn en haar een beetje leiden." Hij hoopte maar, dat

zij niet naar huis zou gegaan zijn; hij had het land aan veel heen

en weer praten en bemoeiingen van anderen. Voor een oogenblik stoof

hij weer op bij de enkele gedachte daaraan; maar toen verzachtte de

vrees, dat Meta zich ziek zou schreien, zijn hart, en deed hem met

versnelden pas huiswaarts keeren, vast besloten kalm en vriendelijk,

maar ferm, héél ferm te zijn, en haar aan te toonen, in welk opzicht

zij in haar plicht jegens haar Heer Gemaal was te kort geschoten.

Meta besloot eveneens "kalm en vriendelijk, maar _ferm_" te zijn en

John op zijn plicht te wijzen. Zij verlangde niets liever dan hem te

gemoet te vliegen, hem vergeving te vragen, en gekust en vertroost

te worden, zooals zij zeker wist, dat hij doen zou; maar natuurlijk

deed zij niets van dien aard, en toen zij John zag aankomen, begon

zij heel natuurlijk te neuriën, terwijl zij, als een dame, die niets

omhanden had, in de voorkamer in haar schommelstoel zat te borduren.

John was wel wat teleurgesteld geen teedere Niobe te vinden; maar

gevoelende dat het zijn waardigheid te kort zou doen, wanneer hij begon

met verontschuldigingen te maken, zei hij niets, kwam bedaard binnen,

en strekte zich op de sofa uit met de zeldzaam belangrijke opmerking:

"'t Is van avond nieuwe maan."

"Mij best," was Meta's even interessant antwoord.

Een paar andere onderwerpen van algemeen belang werden door mijnheer

Brooke op het tapijt gebracht, doch doodgezwegen door mevrouw Brooke,

en dus kwijnde het gesprek. John ging naar het eene raam, nam de

courant, en begroef zich daarin, figuurlijk gesproken. Meta ging

naar het andere en werkte, alsof mooie letters voor haar zakdoeken

onder de eerste levensbehoeften behoorden. Geen van beiden sprak,

maar beiden zagen er buitengewoon "kalm en ferm" uit, en beiden

gevoelden zich dood-ongelukkig.

"O hemel!" dacht Meta, "het huwelijksleven is toch wèl heel moeilijk en

vereischt, zooals Moeder zegt, een _oneindig_ geduld zoowel als eene

_oneindige_ liefde." Het woord "moeder" bracht haar andere moederlijke

raadgevingen voor den geest, die indertijd met ongeloovige ooren

waren aangehoord.

"John is een beste man, maar hij heeft zijn gebreken, en je moet die

leeren verdragen, door aan je eigene te denken. Hij is zeer beslist,

maar zal nooit stijfhoofdig zijn, wanneer je vriendelijk met hem

redeneert, en je niet ongeduldig verzet. Hij is erg accuraat, en

eischt de stipte waarheid in alles--een uitstekende hoedanigheid,

al noem jij hem 'wat al te precies'. Bedrieg hem nooit door blik of

woord, Meta, en hij zal je het vertrouwen schenken dat je verdient,

en al de teedere zorg, waaraan je behoefte hebt. Hij heeft een ander

temperament dan het onze--bij ons is na een uitbarsting alles weer

voorbij--maar is John's toorn, die zelden ontbrandt, eenmaal opgewekt,

dan is die heel moeilijk tot bedaren te brengen. Draag vooral zorg dien

toorn niet jegens jezelf gaande te maken, want je vrede en geluk zijn

verloren, als hij zijn achting voor je verliest. Wees dus voorzichtig;

vraag het eerst om vergeving, als jullie beiden gedwaald hebt, en

wacht je voor kleine grieven, misverstanden en driftige woorden,

die dikwijls den weg banen tot diepe droefheid en lang naberouw."

Deze woorden kwamen Meta te binnen, terwijl zij in het schijnsel

van de ondergaande zon zat te borduren, 't Was hun eerste ernstige

oneenigheid; haar eigen heftige uitval scheen haar nu laf en onredelijk

toe, nu zij zich dien weer voor den geest riep; haar boosheid leek

opeens zoo kinderachtig, en de gedachte aan den armen John, die

bij zijn thuiskomst met zoo'n scène verwelkomd werd, verteederde

haar geheel. Met tranen in de oogen gluurde ze naar hem, maar hij

zag het niet; toen legde zij haar werk neer en stond op, denkende:

"Ik _zal_ de eerste zijn om te zeggen 'vergeef mij,'" maar hij scheen

haar niet te hooren; zij liep langzaam de kamer door--want het viel

haar heel moeilijk haar trots te onderdrukken--en bleef bij hem staan,

maar hij keerde zijn hoofd niet om. Een minuut lang meende ze, dat ze

het _onmogelijk_ doen kon; toen drong de gedachte naar boven: "Dit is

het begin; ik zal het mijne doen, dan heb ik mij niets te verwijten,"

en zich bukkende kuste zij haar man op het voorhoofd. Dit besliste de

zaak natuurlijk; de berouwvolle kus was beter dan een zee van woorden,

en in een oogenblik had John haar op zijn knie, terwijl hij teeder zei:

"Het was ook onhebbelijk van me, om over die ongelukkige geleipotjes

te lachen; vergeef mij, lieveling, ik zal het nooit weer doen."

Maar hij deed het wel weer, o ja, wel honderdmaal en Meta ook, doch

beiden waren 't er over eens, dat dit de beste gelei was, die zij

ooit gemaakt hadden, want huiselijke vrede werd geboren uit dien

kleinen huiselijken twist.

Eenigen tijd daarna had Meta John's vriend op een speciale uitnoodiging

ten eten, en zorgde ze voor een keurig dinertje, zonder een gekookte

huisvrouw als eerste gerecht; en bij deze gelegenheid was zij zoo

vroolijk en vriendelijk, en wist alles zoo aardig te regelen, dat

Scott Brooke een overgelukkigen kerel noemde, en den heelen weg

naar huis zijn hoofd liep te schudden over de ontberingen van het

vrijgezellen-leven.

In den herfst deed Meta nieuwe ondervindingen op. Sallie Moffat

knoopte de vriendschap weer aan, en liep gedurig eens over om een

praatje te maken in het kleine huisje, of "die arme lieve Meta" over

te halen, den dag in het groote huis te komen doorbrengen. Dat was

heel gezellig, want met somber weer voelde Meta zich dikwijls eenzaam;

thuis waren allen bezig. John bleef tot den avond weg, en zij had niets

te doen dan te handwerken, te lezen en wat rond te scharrelen. Het

was dus niet meer dan natuurlijk, dat Meta in de gewoonte verviel,

met haar vriendin uit te loopen en wat te babbelen. Het zien van

Sallie's dingen deed haar verlangen ze ook zoo te bezitten, en zich

zelve beklagen, omdat zij ze niet kon bekostigen. Sallie was heel

vriendelijk, en bood haar dikwijls de begeerde kleinigheden aan,

maar Meta sloeg ze af, overtuigd dat John 't niet graag zou hebben;

en toch kwam dat dwaze ijdele schepseltje langzamerhand tot dingen,

die John nog oneindig meer ergernis gaven.

Zij wist precies hoeveel inkomen haar man had, en vond het een

heerlijke gedachte dat hij haar niet alleen zijn geluk, maar

ook, wat veel mannen nog hooger schijnen te schatten, zijn geld

toevertrouwde. Zij wist, waar het lag, en zij kon te allen tijde nemen,

zooveel zij wilde; al wat hij verlangde was, dat zij alles nauwkeurig

zou opschrijven, eens in de maand haar rekeningen zou betalen, en in

't oog houden, dat zij de vrouw van een onbemiddeld man was. Tot nog

toe had zij goed opgepast, was voorzichtig en nauwkeurig geweest,

had haar huishoudboek netjes bijgehouden en het hem elke maand

onbeschroomd laten zien.

Maar in 't najaar sloop de slang in Meta's paradijs en verleidde

haar, als zoo menige Eva uit den lateren tijd, niet met appels, maar

met opschik. Meta vond het onuitstaanbaar beklaagd te worden en zich

arm te voelen; het maakte haar knorrig; maar zij was te beschaamd om

dat te erkennen, en trachtte zich te troosten, door nu en dan iets

moois te koopen; zoodat Sallie niet hoefde te denken, dat zij zich

moest bekrimpen. Zij gevoelde zich daarna altijd een beetje zondig,

want de mooie dingen waren zelden noodig, maar ze waren immers toch

zoo goedkoop! 't Was de moeite niet waard er over te tobben! Dus

groeiden de kleinigheden onmerkbaar aan, en bij 't winkelen bleef

Meta niet langer een werkeloos toeschouwster.

Modesnufjes kosten evenwel meer, dan men zoo oppervlakkig zou denken,

en toen Meta aan het einde der maand haar kasboek opmaakte, stond

zij versteld over het bedrag. John had het die maand extra druk,

en liet de rekeningen aan haar over; de volgende maand was hij van

huis, maar de daarop volgende hield hij een groote driemaandelijksche

afrekening, die Meta nooit weer vergat. Een paar dagen geleden had ze

iets vreeslijks gedaan, dat als lood op haar geweten drukte. Sallie

had pas een nieuwe zijden japon gekocht, waar Meta ook juist zoo

naar smachtte--een mooi licht zijdje om in uit te gaan! Haar zwarte

zijden stond zoo stemmig, en een dun stofje als avondtoilet was alleen

goed voor jonge meisjes. Tante March gaf gewoonlijk ieder der zusters

vijfentwintig dollar als Nieuwjaarsgift, daarop behoefde zij dus nog

maar een maand te wachten, en nu was er juist een koopje van beeldige

lila zijde, en zij had het geld er voor in handen. Als zij het er maar

voor durfde gebruiken! John zei altijd wel, dat het zijne het hare was,

maar zou hij het goed vinden, dat zij niet alleen die vijfentwintig

dollar, die nog komen moesten, maar ook vijfentwintig dollar van

het huishoudgeld gebruikte? Dat was de vraag. Sallie had haar erg

gedrongen om het te doen, haar aangeboden het geld voor te schieten,

en met de beste bedoelingen ter wereld Meta in een onweerstaanbare

verzoeking gebracht. In een zwak oogenblik spreidde de winkelbediende

de verleidelijke, glanzige stof uit, en zei: "Een koopje, mevrouw,

dat verzeker ik u." Toen was Meta bezweken en had gezegd: "Ik neem

het!" en het werd afgesneden en betaald, en Sallie had in de handen

geklapt en Meta had gelachen, alsof het iets van geen beteekenis was,

maar zij reed naar huis met een gevoel, alsof zij iets had gestolen

en de politie haar op de hielen zat.

Toen zij thuis kwam, trachtte zij haar gewetenswroegingen te stillen

door de glanzige zijde uit te spreiden, maar zij leek nu niet half

zoo zilverachtig en kleurde haar toch volstrekt niet zoo bizonder,

en de woorden "vijftig dollar" schenen als een patroon op elken

meter gedrukt te zijn. Zij borg het goed weg, maar de gedachte er

aan vervolgde haar: niet op aangename wijze, zooals een nieuwe japon

anders zou doen, maar benauwend als een spooksel. Toen John dien

avond zijn boeken voor den dag haalde, ontzonk haar de moed, en voor

de eerste maal sedert haar huwelijk was zij bang voor haar man. De

vriendelijke bruine oogen zagen er uit, of zij streng konden zijn,

en hoewel hij buitengewoon vroolijk leek, verbeeldde zij zich, dat

hij haar misdaad op het spoor gekomen was, maar dit niet wilde laten

merken. De huishoudelijke rekeningen waren alle betaald en alle posten

in orde; John had haar geprezen, en wilde nu het oude zakboek, dat zij

"de bank" noemden, openleggen, toen Meta, die wist, dat er niets op

de creditzijde stond, zijn hand vast hield en op gejaagden toon zei:

"Je hebt mijn kleedgeldboekje nog niet gezien." John vroeg daar nooit

naar, maar zij stond er altijd op, dat hij het door zou kijken, en

vermaakte zich dan met zijn mannelijke verbazing over de wonderlijke

dingen die vrouwen noodig hadden, liet hem gissen wat een "pleureuse"

was of zich verwonderen, hoe een klein prul, bestaande uit drie rozen,

een beetje stroo en een paar el lint, bij mogelijkheid een hoed kon

zijn, en vijf of zes dollar kostte. Dien avond zag hij er uit, alsof

hij met het grootste plezier haar om haar cijfers zou uitlachen,

of voorwenden dat hij versteld stond over haar buitensporigheid,

hoewel hij bizonder trotsch was op zijn overlegzaam vrouwtje.

Het kleine boekje werd langzaam voor den dag gehaald en voor hem

neergelegd. Meta ging achter zijn stoel staan, onder voorwendsel,

de rimpels van zijn vermoeid voorhoofd glad te strijken, en zoo als

zij daar stond, zei zij, terwijl haar angst met ieder woord toenam:

"John, beste man, ik schaam mij eigenlijk om je mijn boek te laten

zien, want ik ben in den laatsten tijd zoo verkwistend geweest. Ik ga

zooveel uit, en daarom begrijp je wel, dat ik allerlei dingen noodig

heb. Sally raadde mij dikwijls aan iets te koopen, en dat deed ik

dan wel eens meer dan verstandig was. Met mijn nieuwjaarsgeld kan ik

er een gedeelte van betalen; maar het spijt mij toch erg, dat ik het

gedaan heb, want ik wist, dat je het verkeerd van mij zou vinden."

John lachte en trok haar naast zich, terwijl hij vriendelijk zei:

"Wind er maar geen doekjes om; ik zal je geen pak slaag geven, als je

een paar nuffige laarsjes gekocht hebt! Ik ben wel een beetje trotsch

op de voetjes van mijn vrouw, en 't kan mij niet schelen, of zij drie

of vier dollar voor haar laarzen betaalt, als het maar goede zijn."

Dit was een van haar laatste "kleinigheden" geweest, en John's oog

was er onder het spreken op gevallen.

"O, wat _zal_ hij zeggen, als hij aan die vreeselijke vijftig dollar

komt," dacht Meta met een rilling.

"'t Is erger dan een paar laarzen--'t is een zijden japon," zei zij met

de kalmte der wanhoop, want zij verlangde nu maar het ergste te hooren.

"Wel kind, 'wat is het drommelsche totaal,' zooals mijnheer Mantalini

[3] het noemde."

Dit klonk in 't geheel niet als een gezegde van John en zij wist,

dat hij haar aankeek met dien openhartigen blik, dien zij tot nu toe

altijd even vrijmoedig had durven beantwoorden. Zij sloeg het blad

om en wendde het hoofd af, terwijl ze op de som wees, die zonder

de vijftig dollar al hoog genoeg geweest zou zijn, maar die mèt dat

bijvoegsel eenvoudig verpletterend scheen. Gedurende een oogenblik

was het doodstil in de kamer; toen zei John langzaam--maar zij voelde,

dat het hem moeite kostte geen ongenoegen te toonen:

"Ik weet natuurlijk niet, of vijftig dollar veel is voor een japon,

met al de kanten en tirlantijnen, die er tegenwoordig bij noodig zijn."

"Hij is nog niet gemaakt of gegarneerd," fluisterde Meta bijna

onhoorbaar, want de plotselinge gedachte aan de onkosten, die dat

nog met zich zou slepen, benam haar het laatste greintje moed.

Op Eigen Wieken · 第 4 / 26 段