Daarop maakte de toovenaar een draagbed en vier dragers, van

was. Hij sprak een tooverspreuk over hen uit, blies hun leven in en

verzocht hen, den koning van de Negers voor den Pharaoh te brengen,

om vijfhonderd slagen te ondergaan en vervolgens weer naar zijn land

teruggebracht te worden. De figuren van was beloofden alles, wat de

toovenaar hen bevolen had."

Wederom hield Se-Osiris op en wederom vroeg hij den Aethiopiër, of

zijn woorden niet die van den verzegelden brief waren. De Aethiopiër

boog zich diep ter aarde en zei, dat het inderdaad de woorden van

den brief waren.

Se-Osiris begon thans opnieuw de verborgen woorden op te lezen.

"Zooals het den Pharaoh overkomen was, zoo was ook het noodlot van den

koning der Negers; deze ontwaakte eveneens den volgenden morgen met

gekneusde ledematen. Luid riep hij zijn hovelingen en toen dezen den

toestand, waarin hun koning zich bevond, zagen, begonnen zij heftig

te schreeuwen. Nogmaals riep hij en beval, dat Horus, de zoon van

Tnahsit, voor hem gebracht zou worden.

Toen deze gekomen was, dreigde hij hem en beval hem, naar Egypte

te gaan en daar te leeren, hoe hij van de tooverkunsten van den

oppertoovenaar van den Pharaoh, bevrijd zou kunnen worden.

Geen tooverformule echter, door den Aethiopiër bedacht, kon den koning

tegen de tooverkunsten der Egyptenaren beschermen en driemaal werd

hij naar dat land gebracht en vernederd, terwijl zijn lichaam hevig

pijn deed, zoo vreeselijk was het gekneusd.

Daarop vervloekte hij Horus en dreigde hem met een langzamen en

vreeselijken dood, als hij hem niet tegen Pharaoh's wraak beschermen

kon.

Horus, in vrees en angst, ging thans naar zijn moeder, Tnahsit en

vertelde haar alles en zei, dat hij naar Egypte gaan moest, om hem te

zien, die deze krachtige betoovering bewerkt had en hij moest trachten,

hem op passende wijze te straffen.

Toen zijn moeder, Tnahsit, dit hoorde, waarschuwde zij hem er voor,

in de tegenwoordigheid van den oppertoovenaar van den Pharaoh te

komen; tegen hem toch zou hij nooit opgewassen zijn, doch steeds de

nederlaag lijden.

Hij antwoordde echter, dat hij gaan moest. Zij spraken daarop met

elkaar af, dat hij, door middel van teekens, haar zou laten weten, hoe

het hem ging en indien hij in gevaar verkeerde, zou zij trachten, hem

te redden. Aldus beloofde hij en zei, dat als hij overwonnen werd, dat,

wat zij at en dronk en de lucht boven haar, in bloed veranderen zou.

De Strijd in Betoovering.

Hierna reisde hij naar Egypte en spoorde hem, wiens tooverkunsten de

zijne overwonnen hadden, op. Hij drong door naar de audiëntie-zaal

van den koning, ging voor den Pharaoh staan en riep met luide stem:

"Wie onder u spreekt tooverspreuken over mij uit?"

De oppertoovenaar van den Pharaoh riep van zijn kant uit: "Ha, zijt

gij de Aethiopiër, die kwaad verzon tegen den Pharaoh? En Horus, de

zoon Tnahsit, begon in zijn angst teschreeuwen en deed in het midden

van de hal een groote vlam opstijgen, door middel van een tooverspreuk;

hierop riepen de Pharaoh en de Egyptenaren hun toovenaar luide toe, hun

te hulp te komen. Deze liet daarop door zijn tooverkracht een regenbui

neervallen, zoodat de vlam gedoofd werd. Ook de Aethiopiër echter,

liet zijn tooverkunst werken en hierdoor bewerkte hij, dat een groote

duisternis op hen allen neerviel, zoodat zij elkaar niet konden zien,

doch ook deze werd door den Egyptenaar weggevaagd. Daarop volgden nog

meer machinaties van Horus, den zoon van Tnahsit; telkens echter werd

hij overwonnen. Ten slotte vroeg hij vergiffenis en beloofde plechtig,

dat hij nooit meer Egypte, of den Pharaoh verontrusten zou. Zij gaven

hem daarop een boot en zonden hem naar zijn eigen land terug. Zoo

werden de tooverkunsten der Aethiopiërs tot niets teruggebracht".

Hiermede eindigde Se-Osiris het lezen van den verzegelden brief. Daarop

begon hij aan allen, die daar aanwezig waren, den Pharaoh, de

prinsen en de edelen, te openbaren, dat de Aethiopiër, dien zij voor

zich zagen, niemand anders was dan Horus, de zoon van Tnahsit, na

vijfhonderd jaar teruggekeerd, om Egypte en den Egyptischen koning,

nogmaals te verontrusten.

Hij zelf echter, Se-Osiris, was voor dezen dag geboren, want hij was

de vroegere oppertoovenaar van den Pharaoh Manakhpre, die nog eenmaal

teruggekomen was, om den Pharaoh tegen de listen der Aethiopiërs

te beschermen.

Tegelijk, dat hij deze woorden sprak, deed hij een groote vlam

opstijgen, om den Aethiopiër te verteren, daar, in het midden van de

audiëntie-zaal, zoodat er geen spoor meer van hem overbleef.

Toen zij echter hierop naar Se-Osiris omkeken, was hij, als een

schaduw, voor de oogen van den Pharaoh en zijn vader Setne verdwenen

en nooit heeft men hem weergezien.

Ieder was ten hoogste verbaasd over hetgeen gebeurd was en Pharaoh zei,

dat Se-Osiris de wijste en de verwonderlijkste van alle toovenaars

was en dat de wereld zijns gelijke nooit zien zou.

De harten van Setne en zijn vrouw waren echter bedroefd over het

verlies van hun zoon, Se-Osiris. Hierna echter werden zij wederom

getroost, want de vrouw van Setne baarde een zoon en dezen noemden

zij Ousimanthor. Zoo werd het hart van Setne weer verheugd en hij

bracht offers aan de nagedachtenis van Se-Osiris.

Hoe Setnau de Assyriërs overwon.

Na de regeering van Amasis, besteeg een priester van "Vulcanus",

Setnau genaamd, den troon. Deze koning nu behandelde het leger met

minachting, want hij dacht, dat hij het niet noodig had. Onder andere

onrechtvaardige daden, eigende hij zich 't land toe, dat vroegere

koningen aan het leger gegeven hadden.

Het geschiedde nu, dat, toen Sennacherib, koning der Arabieren en

Assyriërs, zijn strijders tegen Egypte voerde, de Egyptische soldaten

weigerden te strijden, om hen af te weren.

Setnau, aldus tot moedeloosheid gebracht, ging naar den tempel en bad

tot de goden, hem in zijn groote verlegenheid te helpen. Terwijl hij

aldus verontrust was, overviel hem de slaap en in een droom scheen

het hem toe, dat de god zelf hem verscheen en hem aanspoorde, goeden

moed te houden, terwijl hij zei, dat alles in den strijd tegen de

Assyriërs goed zou afloopen.

Door dezen droom ten zeerste versterkt, deed hij een beroep op hen

van het leger, die hem volgen wilden en dezen kampeerden bij Pelusium,

den voornaamsten toegangsweg naar Egypte. Niet alleen soldaten volgden

hem, doch ook kooplieden, kunstenaars en de eerste de beste personen.

Toen nu de Assyriërs de stad belegerden en zij in het veld gekampeerd

waren, knaagde des nachts een leger van ratten alle pijlkokers,

bogen en monteeringen der schilden door en verslond dezen, zoodat,

toen zij den volgenden morgen strijden wilden, zij zonder wapens waren.

Aldus weerloos, vluchtten vele der vijanden en verscheidene kwamen om.

Nu nog bevindt zich in den tempel van Vulcanus een steenen beeltenis

van dien god, die een rol in de hand houdt, en het opschrift daarop

luidt: "Wie mij ziet, ziet God".

De Boer en de Werkman.

Een verhaal uit de 9e dynastie, dat, naar men uit het groot aantal,

nog bestaande copieën, kan opmaken, zeer populair geweest schijnt te

zijn, verhaalt ons, hoe een boer, die beroofd was, er in slaagde,

recht te krijgen. Gerechtigheid kon men in Egypte niet gemakkelijk

verkrijgen in die tijden, want het schijnt een vereischte geweest

te zijn, dat een boer, door bijzondere middelen, de aandacht van den

rechter trok, om kans te hebben, dat zijn zaak verhoord werd.

De geschiedenis nu luidt aldus:

In het Zoute Land woonde een sekhti (boer) met zijn familie. Hij

leefde van handel met Henenseten in zout, natron, bier en andere

producten van zijn land en op zijn reis daarheen, moest hij door de

landen van het huis van Fefa gaan.

Nu woonde daar, bij het kanaal, een man, Tehuti-nekht genaamd, de

zoon van Asri, een lijfeigene van den hoogen rentmeester Meruitensa.

Tehuti-nekht had zoo'n groot stuk van den weg in beslag genomen (immers

in Egypte worden de wegen en paden niet, zooals in andere landen,

door de wet beschermd), dat er slechts een smalle strook overgelaten

werd, met het kanaal aan de eene, en een korenveld aan de andere zijde.

Toen Tehuti-nekht den boer, met zijn beladen ezels, naderen zag,

begeerde zijn boos hart de dieren en de waren, welke zij droegen, te

bezitten en hij riep de hulp der goden in, om hem een weg te openen,

de bezittingen van den sekhti te stelen.

Het volgende listige plan bedacht hij thans. "Ik zal een doek nemen,

aldus redeneerde hij bij zichzelf en dezen op het pad uitspreiden. Als

de sekhti nu zijn ezels daarover drijft (en een andere weg is er

niet), zal ik gemakkelijk twist met hem kunnen zoeken". Zoo gezegd,

zoo gedaan. Een dienaar nam, op Tehuti-nekht's verzoek, een doek,

en spreidde dezen over het pad, zoodat het ééne einde daarvan in het

water en het andere in het koren hing.

Toen de sekhti naderbij kwam, dreef hij zijn ezels over den doek,

immers, hij had geen andere keus.

"Houd op, riep Tehuti-nekht met goed geveinsde woede, je bent toch

niet van plan, je dieren over mijn doek te drijven?"

"Ik zal trachten dit te vermijden," zei de grootmoedige boer en hij

liet zijn volgende ezels, meer zijwaarts, door het koren, gaan.

"Ben je van plan, je ezels door mijn koren te drijven?" zei

Tehuti-nekht, nog boozer dan zoo even.

"Er is toch geen andere weg", zei de boer in zijn verwarring. "Je

hebt den weg door je doek versperd en op jouw bevel moet ik dit

pad verlaten".

Terwijl de twee hierover twistten, nam één van de ezels zijn bek vol

koren; hierop braken Tehuti-nekht's klachten opnieuw uit.

"Zie eens", schreeuwde hij, "je ezel eet mijn koren op; ik zal hem

in beslag nemen en hij zal voor den diefstal betalen".

"Moet ik, in de landen van den rentmeester Meruitensa, mij laten

berooven, hij, die roovers zoo streng straft? Kom, ik zal naar hem

gaan. Hij zal deze misdaad van jou niet dulden".

"Denk je, dat hij naar jouw klachten zal luisteren", snauwde

Tehuti-nekht. "Wie zal op jouw ongeluk, arm als je bent, letten? Kijk,

ik ben de rentmeester" en terwijl hij dit zeide, sloeg hij den sekhti

hevig, nam al zijn ezels en dreef dezen de weide in.

Tevergeefs weende de sekhti en smeekte hem, zijn eigendom

terug te geven. Tehuti-nekht beval hem, zich stil te houden en

dreigde, hem naar den Demon der Stilte te zenden, indien hij met

klagen voortging. Desniettemin verzocht de sekhti hem een dag

uitstel. Tenslotte zag hij in, dat hij zijn tijd verspilde en nam

zijn toevlucht tot Henen-ni-sut en legde den rentmeester Meruitensa

zijn zaak bloot.

Toen hij aankwam vond hij, dat deze zich gereedmaakte, zich in te

schepen in zijn schip, dat hem naar de rechtszaal brengen zou. De

sekhti maakte een diepe buiging en vertelde den rentmeester, dat hij

hem een grief voor te leggen had en verzocht, één van zijn gevolg te

zenden, om dien het verhaal mede te deelen.

De rentmeester willigde het verzoek van den smeekeling in en zond

hem iemand uit zijn gevolg. Den bode vertelde de sekhti alles, wat op

zijn reis had plaats gevonden, de wijze, waarop Tehuti-nekht het pad

afgesloten had, om hem te dwingen, door het koren te gaan en de wreede

wijze, waarop hij hem geslagen en zijn eigendom afgenomen had. Op

den bepaalden tijd werden deze zaken aan den rentmeester verteld en

deze legde ze aan de edelen, die met hem in de gerechtszaal vereenigd

waren, voor.

"Laat deze sekhti een getuige voorbrengen", zeiden zij "en als hij

deze zaak bevestigt, zal het noodig zijn Tehuti-nekht een pak slaag

te laten geven, of misschien zal hij een schadevergoeding voor het

zout en den natron, welke hij gestolen heeft, kunnen betalen".

De rentmeester zei echter niets en de sekhti zelf kwam bij hem en

prees hem als den grootsten onder de grooten, den vader der weezen,

den echtgenoot der weduwen, den gids van de behoeftigen en zoo voorts.

De sekhti was zeer welsprekend en in zijn gloeiende toespraak

verbond hij op behendige wijze zijn lofuitingen met zijn pleit voor

rechtvaardigheid, zoodat de rentmeester vanzelf belangstellend en

gevleid werd.

In dien tijd zat koning Nep-ka-n-ra op den Egyptischen troon; tot

hem kwam de rentmeester Meruitensa en sprak:

"Heer, zie, ik ben door een sekhti, wiens goed men gestolen heeft,

bezocht. Hij is de welsprekendste van alle stervelingen. Wat wil mijn

Heer, dat ik voor hem doe?"

"Antwoord niets op zijn toespraken", sprak de koning, doch laat

zijn woorden opschrijven en breng ze mij. Zie toe, dat zijn vrouw en

kinderen van eten en drinken voorzien worden, maar laat hem niet weten,

wie het geeft".

De rentmeester deed daarop, zooals de koning bevolen had. Hij liet

den boer een dagelijksche portie brood en bier geven en aan diens

vrouw voldoende koren, om haar en haar kinderen te voeden. De sekhti

echter wist niet, van wien het voedsel kwam.

De boer begaf zich voor de tweede maal naar de gerechtszaal en stortte

zijn klachten voor den rentmeester uit; voor den derden keer kwam

hij en de rentmeester liet hem zeggen, dat hij met stokken geslagen

zou worden, om te zien, of hij met zijn bezoeken op zou houden.

Doch neen, de sekhti kwam een vierde, vijfde en zesde maal en

poogde, door aangename toespraken, de ooren van den rechter te

openen. Meruitensa luisterde in 't geheel niet naar hem, doch de

sekhti wanhoopte niet, doch kwam nog eens voor den negenden keer.

Toen hij voor de negende maal kwam, zond de rentmeester twee uit

zijn gevolg naar den sekhti; de boer werd thans zeer bevreesd,

want hij vermoedde, dat hij nog eens op ellendige wijze geslagen zou

worden. De boodschap was echter een zeer aangename. Meruitensa liet

zeggen, dat hij over de welsprekendheid van den boer zeer verheugd

was en dat hij trachten wilde, hem voldoening te schenken.

Daarop liet hij de verzoeken van den sekhti op helder witte papyri

schrijven en aan den koning zenden, zooals deze hem opgedragen

had. Neb-ka-n-ra schepte eveneens zeer veel behagen in de toespraken,

doch liet de beslissing geheel aan den rentmeester over.

Meruitensa beroofde Tehuti-nekht daarop van al zijn ambten en

eigendommen, gaf hem aan den sekhti over en deze woonde daarna, met

zijn geheele familie, in het paleis van den koning. De sekhti werd

de hoofdopzichter van Neb-ka-n-ra en werd door hem zeer geliefd.

Geschiedenis van de twee broeders.

Het manuscript van dit verhaal, uit de negentiende dynastie, werd, in

Italië, door Mevrouw Elizabeth d'Orbiney gekocht en wordt de d'Orbiney

Papyrus genoemd. In 1857 kwam het in bezit van het Britsch Museum en

werd gecopieerd. Herhaalde malen is het vertaald.

Het manuscript bestaat uit negentien pagina's, ieder van tien regels,

terwijl de vijf eerste vrij gescheurd zijn. Verschillende hiaten

zijn door de moderne bezitters van het manuscript aangevuld en de

herstellingen worden aangewezen.

Het oorspronkelijke manuscript is op twee plaatsen met den naam

van den oorspronkelijken eigenaar, Sety Merenptah, dien wij onder

den naam van Sety II kennen, gemerkt. Het werd door Anena, een

schrijver, die gedurende de regeeringen van Ramses II, Merenptah en

Sety II leefde, gemaakt en is meer dan drieduizend jaar oud. Bitou,

de held der geschiedenis, een herder en huisvader, is misschien met

den Griekschen god Bitys identisch.

Anapou en Bitou waren twee broers, die langen tijd geleden leefden. Aan

Anapou, als oudsten, behoorde het huis, het vee en de velden; Bitou,

de jongste, werkte voor zijn broer.

Bitou was in zijn zorg voor het vee en alles, wat op den landbouw

betrekking had, zeer kundig, hij kon zelfs vertellen, wat de koe tot

hem en ieder ander zei. Toen de broers op zekeren dag op het veld

werkten, zond Anapou Bitou naar huis, om een groote hoeveelheid zaad

te halen, want hij had gezien, dat het tijd werd te zaaien.

Bitou ging het zaad halen en na hun dagelijkschen arbeid keerden de

twee terug en vonden de vrouw van Anapou jammeren; zij zeide, dat zij

door Bitou hevig afgeranseld was, omdat zij hem, toen hij het zaad

was komen halen, iets niet had willen geven, wat hij haar gevraagd had.

Anapou trachtte daarop Bitou heimelijk te dooden, maar deze, door de

koe gewaarschuwd, vluchtte.

Zijn broer haalde hem in, doch de god Phra-Harmakhis deed een breede

stroom, vol krokodillen tusschen hen oprijzen en Bitou vroeg zijn

broer tot het aanbreken van den dag te wachten; dan zou hij alles,

wat geschied was, uitleggen.

Toen nu de dag aangebroken was, vertelde Bitou aan Anapou de waarheid

en weigerde tevens, ooit naar het huis, waar zich Anapou's vrouw

bevond, terug te keeren.

"Ik zal"; zeide hij, "naar de vallei der acacia's gaan. Luister nu,

wat gebeuren zal. Ik zal, door tooverkunst, mijn hart uitrukken, zoodat

het op de bovenste tak van den acacia gelegd wordt. Indien de acacia

afgesneden wordt en mijn hart op den grond valt, moet gij komen en het

zoeken. Als gij zeven jaren gezocht hebt, word dan niet ontmoedigd,

doch berg het in een vat met koud water, dat zal mij weer tot het leven

terugbrengen. Ik zal zeker weer leven en mij op mijn vijanden wreken.

Gij zult kunnen weten, dat er iets gewichtigs met mij zal gebeuren,

indien u een kruik bier gegeven wordt en het schuim er over heen zal

loopen. Daarna zal men u een kruik wijn geven, waarvan het bezinksel

naar boven zal komen. Rust niet, wanneer deze dingen gebeuren".

Hij ging naar de vallei, zijn broer keerde naar huis terug, doodde

zijn vrouw en treurde over zijn broer.

Bitou bracht zijn dagen, in de vallei, met jagen door en 's nachts

sliep hij onder den acacia; op den top van dezen bevond zich zijn

hart. Op zekeren dag ontmoette hij de negen goden en dezen gaven hem

de dochter van de goden tot vrouw; de zeven Hathors echter zwoeren,

dat zij door het zwaard sterven zou. Hij vertelde haar het geheim

van den acacia en tevens, dat ieder, die den acacia zou vinden,

met hem zou moeten vechten.

Het verraad van Bitou's Vrouw.

Toen de Pharaoh over deze schoone vrouw hoorde vertellen, wenschte

hij haar te bezitten en zond gewapende mannen naar de vallei, doch

Bitou doodde hen allen. Pharaoh ontvoerde haar ten slotte door list en

maakte haar tot zijn gunstelinge. Zij vertelde hem het geheim van haar

man en verzocht hem, den acacia om te hakken; dit werd overeenkomstig

haar wensch volvoerd en Bitou viel op hetzelfde oogenblik dood neer.

Daarop geschiedde, wat Bitou zijn broer voorspeld had. Schuimend bier

werd hem gebracht en daarbij werd wijn troebel, terwijl hij den beker

vasthield. Door deze teekenen wist hij, dat de tijd om te handelen,

gekomen was. Hij nam zijn kleeren, wapens en sandalen op en begaf

zich op weg naar de vallei.

Daar aangekomen, vond hij zijn broer dood neerliggen op zijn bed. Hij

begaf zich daarop naar den acacia, om het hart van zijn broer te

zoeken, doch kon slechts een bes vinden, deze echter was het hart. Hij

legde deze in koud water en Bitou werd aan het leven teruggegeven.

Zij omarmden elkander en Bitou sprak tot zijn broer: "Ik zal nu een

heilige stier (Apis) worden. Leid mij dan voor het aangezicht van

den Pharaoh, deze zal je rijkelijk met goud en zilver begiftigen, om

je te beloonen, dat je mij bij hem gebracht hebt. Ik zal de middelen

uitvinden, om mijn vrouw voor haar verraad te straffen".

Anapou deed, zooals Bitou aangaf en toen de zon den volgenden

morgen opkwam en Bitou de gedaante van een stier aangenomen had,

leidde Anapou hem naar het hof. Er heerschte groote vreugde over den

prachtigen stier en Pharaoh beloonde Anapou rijkelijk en onderscheidde

hem boven alle andere mannen.

Eenige dagen later trad de stier den harem binnen en sprak zijn

vroegere vrouw aldus aan: "Gij ziet, ik ben toch nog in leven". "Wie

zijt gij", vroeg zij. Hij antwoordde: "Ik ben Bitou. Gij wist heel

goed, wat gij deedt, toen gij Pharaoh verzocht, den acacia om te

hakken".

De vrouw was hierover zeer verschrikt en verzocht den Pharaoh,

haar ieder verzoek, wat zij doen zou, in te willigen. De Pharaoh

beminde haar zoo zeer, dat hij haar niets weigeren kon en gaf haar

reeds bij voorbaat zijn inwilliging: "Geef mij dan", zoo sprak zij,

"de lever van den heiligen stier, om die op te eten, want niets anders

zal mij voldoen".

Pharaoh was zeer bedroefd, toen hij dit hoorde; hij had echter gezworen

en op zekeren dag, toen het volk aan den stier offers bracht, zond

hij zijn slagers, om het dier de keel af te snijden. Terwijl de stier

geslacht werd, vielen er twee dikke bloeddroppels van zijn nek en

terwijl zij verder vlogen, totdat zij de deuropening van het paleis

bereikt hadden, schoten zij daar in de gestalte van twee groote boomen

op, een aan iedere zijde van het portaal.

Het volk verheugde zich wederom over dit tweede wonder en bracht aan

de twee boomen offers.

Langen tijd hierna werd de Pharaoh in zijn stoel van electrum,

getooid met de kroon van lapis-lazuli en een krans van bloemen om zijn

hals, naar buiten gedragen, om de twee boomen te bezichtigen. Zijn

gunstelinge, Bitou's vrouw, werd achter hem gedragen en zij werden,

ieder onder een boom, neergezet. Daarop fluisterde de boom, waaronder

de vrouw zat, tot haar: "Trouwelooze vrouw! Ik ben Bitou en nog steeds

ben ik in leven. Gij maaktet, dat de Pharaoh den boom omhakte en mij

doodde. Daarop werd ik een stier en wederom hebt gij mij laten dooden".

Later, toen zij met den Pharaoh aan tafel zat, liet zij hem een anderen

eed zweren, om, wat zij ook vragen zou, uit te voeren en de Pharaoh

zwoer wederom. Daarop zeide zij: "Laat deze twee boomen omhakken en

maak er twee balken uit".

Haar verzoek werd ingewilligd, doch toen de twee boomen omgehakt

werden, vloog een splinter in haar mond. Na een tijd bracht zij een

kind, van het mannelijk geslacht, voort, dat de Pharaoh buitengewoon

liefhad en Prins van den Boven-Nijl maakte; toen Pharaoh stierf,

volgde Bitou, want hij was dit kind, hem op. Daarna riep hij alle

hooge ambtenaren op, liet zijn vrouw voor zich brengen en vertelde

hun alles, wat geschied was. Daarna werd zij ter dood gebracht.

Bitou regeerde nog twintig jaren; daarop regeerde zijn broer Anapou,

dien hij tot zijn opvolger aangesteld had, in zijn plaats.

De vervloekte Prins.

Deze geschiedenis kan men in den Harris Papyrus, in het Britsch Museum,

vinden. Toen zij voor het eerst ontdekt werd, was zij compleet, doch

een ongelukkig toeval vernietigde haar gedeeltelijk, zoodat het eind

der geschiedenis verloren gegaan is. Men vermoedt, dat zij uit het

einde der 18e dynastie dateert.

Er leefde eens een koning, die bedroefd in zijn hart was, omdat

hem geen zoon geboren was. Hij bad tot de goden, hem zijn wensch te

vervullen en zooals hij gebeden had, besloten zij, hem ter wille te

zijn. Zijn vrouw bracht een zoon ter wereld.

Toen de Hathors over zijn lot beslissen zouden, zeiden zij: "Zijn dood

zal door een krokodil, een slang, of een hond plaats hebben." Zij,

die rondom stonden, haastten zich, toen zij dit hoorden, het aan den

koning te vertellen; deze was hierover zeer bedroefd en bevreesd.

Met het oog op hetgeen hij gehoord had, liet hij een huis op de bergen

bouwen, richtte het rijkelijk in, met alles, wat men begeeren kon,

opdat het kind nooit op reis zou behoeven te gaan.

Toen de knaap grooter geworden was, ging hij op zekeren dag naar

het dak en van hieruit zag hij op den weg een hond, welke een man

volgde. Daarop richtte hij zich tot zijn bediende en zei: "Wat is dat,

wat dien man op den weg volgt?" Men vertelde hem, dat dit een hond was.

Terstond begeerde het kind een hond te hebben en toen men den koning

zijn verlangen vertelde, kon hij hem dit niet weigeren, uit vrees,

dat zijn hart bedroefd zou zijn.

Terwijl de tijd voortsnelde en het kind tot een man opgroeide, werd

hij weerspannig en toen men hem het besluit der Hathors vertelde, zond

hij terstond een boodschap naar zijn vader en zei: "Komaan, waarom

word ik als een gevangene behandeld? Hoewel ik tot drie ongelukken

veroordeeld ben, laat mij toch aan mijn verlangens toegeven. Laat

God zijn wil vervullen".

Na dezen tijd was hij vrij en deed hetzelfde als de andere

menschen. Men gaf hem wapens en men stond toe, dat zijn hond hem

volgde; zij brachten hem naar het Oostelijke land en zeiden tot hem:

"Zie, gij zijt vrij om te gaan, waarheen gij wilt".

Hij richtte zich daarop naar het Noorden, terwijl zijn hond hem

volgde en zijn ingeving bepaalde zijn weg. Zij leefden van het

uitgezochtste wild der woestijn. Daarop kwamen zij bij den vorst

van Nahairana. Deze had slechts één kind, een dochter. Voor haar

had hij een huis met zeventig vensters, welke zeventig el van den

grond verwijderd waren, laten bouwen. Hier had de vorst alle zonen

van de vorsten uit het land Khalu laten brengen en tot hen gezegd:

"Hij die één van de vensters bereiken kan van het paleis van mijn

dochter, zal haar tot vrouw krijgen".

Eenigen tijd, nadat de vorst dit bekend had laten maken, was de prins

aangekomen en het volk van den vorst van Nahairana nam den jongeling

op en behandelde hem met groote onderscheiding en vriendelijkheid.

Toen hij van hun voedsel genuttigd had, vroegen zij hem, vanwaar hij

gekomen was. Hij antwoordde hun: "Ik kom uit Egypte; ik ben de zoon van

een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft

een tweede vrouw gehuwd, doch deze begon, toen zij zelf kinderen kreeg,

mij te haten. Daarom ben ik haar tegenwoordigheid ontvlucht". Toen

zij dit hoorden, waren zij bedroefd over hem en omhelsden hem.

Op zekeren dag vroeg hij de jongelingen, die aan het klimmen waren,

wat zij daar uitvoerden. En toen zij hem vertelden, dat zij één der

vensters trachtten te bereiken, om aldus de prinses tot vrouw te

krijgen, besloot hij, het waagstuk eveneens te beproeven, want uit

de verte had hij het gezicht van de prinses, die vanuit haar venster

naar hem gekeken had, gezien.

Hij klom werkelijk naar boven en bereikte het venster. De prinses

was zoo verheugd, dat zij hem omhelsde en kuste. Zij zond ook, in de

meening, het hart van haar vader te verblijden, een boodschap naar

dezen en liet hem het volgende berichten: "Eén van de jongelingen heeft

het venster bereikt". De vorst liet vragen, wie van de jongelingen

dit volvoerd had en men vertelde hem, dat het de vluchteling uit

Egypte was.

Op dit bericht werd de vorst toornig en beweerde, dat zijn dochter

voor een Egyptisch vluchteling geen partij was. "Laat hem daarheen

gaan, vanwaar hij komt", riep hij uit.

Een dienaar haastte zich den jongeling te waarschuwen, doch het

meisje hield hem vast en wilde hem niet laten gaan. Zij zwoer bij de

goden en zei: "Bij Ra Harakhti, indien hij van mij weggenomen wordt,

zal ik noch eten, noch drinken en dan zal ik sterven".

Men vertelde den vader haar gelofte en toen deze dit hoorde, zond

hij iemand om den jongeling te dooden, wanneer hij zich in zijn huis

bevinden zou. De prinses echter, had hiervan een voorgevoel en zei

wederom: "Bij den grooten god Ra, indien hij gedood wordt, zal ik,

voor het ondergaan der zon, sterven. Indien ik van hem gescheiden

word, wil ik niet langer leven".

Wederom bracht men haar woorden aan den vorst over. Hij liet daarop

zijn dochter en den jongeling voor zich brengen; in den beginne was

deze bevreesd, doch de vorst omhelsde hem hartelijk en sprak: "Vertel

mij, wie gij zijt, want nu zijt ge even goed als een zoon van mij".

Hij antwoordde: "Ik kom uit Egypte, ik ben de zoon van een officier

uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede

vrouw gehuwd; deze begon mij, toen zij kinderen kreeg, te haten. Daarom

ben ik voor haar aangezicht gevlucht".

Daarop gaf de vorst hem zijn dochter tot vrouw; hij gaf hem een huis,

slaven, land, vee en alle andere goede gaven.

Er verliep een tijd. Op zekeren dag vertelde de prins zijn vrouw

over zijn noodlot en zeide: "Drie kwade dingen zijn mij beschoren,

namelijk te sterven door een krokodil, een slang, of een hond". Haar

hart vervulde zich, op het hooren van deze woorden, met groote

vrees. Zij sprak daarop tot hem: "Laat dan iemand den hond, welke u

volgt, dooden".

Hij vertelde haar echter, dat dit onmogelijk was, want hij had dezen

zelf grootgebracht.

Ten laatste wenschte de jongeling naar Egypte te reizen en zijn vrouw,

voor hem bezorgd, wilde hem niet alleen laten gaan, en daarom ging

zij met hem mede.

Zij kwamen bij een stad en daar was de krokodil der rivier. Nu leefde

er in die stad een groot en machtig man en deze bond den krokodil vast

en liet niet toe, dat deze ontsnapte. Wanneer hij vastgebonden was,

voelde de machtige man zich rustig en wandelde naar buiten. Als de

zon opkwam, ging de man weer naar zijn huis terug en dit deed hij

iederen dag, twee maanden lang.

Hierna, toen de tijd voorbijging, zat de jonge man op zijn gemak, in

zijn huis. Toen de nacht inviel, legde hij zich op zijn legerstede en

de slaap overviel hem. Zijn vrouw vulde hierop een beker met melk en

zette dezen naast hem. Daar kwam een slang uit een hol te voorschijn

en beproefde den man te bijten, doch zijn vrouw zat naast hem en

hield de wacht.

Toen de bedienden de slang zagen, gaven ze haar melk te drinken en

zij dronk deze op en legde zich op haar rug. Toen de vrouw dit zag,

doorboorde zij de slang met haar dolk. Hierna ontwaakte haar echtgenoot

en was zeer verbaasd, toen hij dit alles hoorde. "Zie", zei zij tot

hem, "uw god heeft u een van uw kwaden in uw hand gegeven. Zonder

twijfel zal hij u ook de twee andere geven".

De jonge man bracht daarop offers aan de goden en prees hen

voortdurend.

Op zekeren dag, na deze gebeurtenis, wandelde de jonge man buiten in

zijn landerijen en zijn hond volgde hem. Deze zat wild achterna en hij

volgde den hond, welke zich in de rivier stortte. Hij ging eveneens

in de rivier, doch daar kwam de krokodil plotseling te voorschijn

en deze nam hem mee naar de plaats, waar de machtige man leefde. En

terwijl de krokodil hem voortsleurde, zei hij tot den jongen man:

"Zie, ik ben uw kwaad, dat u volgt"....

Hier is de papyrus zoo buitengewoon verminkt, dat wij waarschijnlijk

nooit te weten zullen komen, wat er met den prins gebeurde. Werd hij

ten slotte door den krokodil verslonden? Of bracht zijn trouwe hond

hem in nog ernstiger gevaren? Laat ieder gerust het einde aan het

verhaal maken, dat hij wenscht!

Het Bezoek van Ounamounou aan de kust.

Op den 16en dag van de 13e maand, de oogstmaand, ging Ounamounou,

de opperpriester van den tempel van Ra, op reis, om hout te koopen

voor het vervaardigen van de heilige boot van de goden.

"Toen ik in Tanis kwam", zegt hij, "vaardigde ik de edicten van Ra

uit; dezen lazen zij en besloten, hieraan te gehoorzamen. Ik bleef

tot de 14e maand, Shomou, te Tanis; toen ging ik scheep naar de

Syrische zee. Toen het schip te Dora, een stad van Zakkala aankwam,

zond de vorst van de plaats, Badil, mij brood, vleesch en wijn.

In deze plaats deserteerde een van van het vaartuig en nam veel goud

en zilver met zich mede. Hierna ging ik naar den vorst en deed hem

mijn beklag en zei, dat het geld aan Amen-Ra toebehoorde.

De vorst antwoordde, dat hij niets daarvan af wist, doch indien

de roover in zijn land was, zou hij mij uit zijn eigen schatkist

schadeloos stellen; indien, in het andere geval, de roover tot mijn

gezelschap behooren zou, moest ik daar eenige dagen blijven en in

dien tijd zou hij naar den dief een onderzoek instellen.

Negen dagen bleef ik in die haven. Daarop begaf ik mij wederom

naar den vorst en zei tot hem: "Gij hebt het gestolen geld nog niet

gevonden. Ik moet echter vertrekken. Indien gij, in mijn afwezigheid,

het geld vinden zult, bewaar het dan tot mijn terugkomst". Dit werd

tusschen ons aldus afgesproken.

Daarop scheepte ik mij weer in en bereikte Tyrus; aan den vorst van

die stad, vertelde ik wederom mijn verlies, doch daar hij een vriend

van Badil was, wilde hij niet naar mij luisteren en bedreigde mij. Bij

het aanbreken van den dag, zetten wij koers in de richting van Byblos

en op weg daarheen, haalde ons een schip van Zakkala, dat een kist

aan boord had, in.

Toen ik de kist opende, ontdekte ik geld en nam dit in bezit. Ik

zei tot hen, dat ik het nemen en bewaren wilde, totdat mijn gestolen

geld mij teruggegeven was. Toen zij zagen, dat ik vastbesloten was,

schikten zij zich in den toestand en verlieten mij; ten slotte

bereikten wij Byblos.

Daar ging ik uit het schip en nam den naos, welke het beeld van

Amen-Ra bevatte en ik had den schat daarin gedaan. De vorst van

Byblos echter, verzocht mij, weg te gaan. Ik zei tot hem: "Is dit,

omdat de mannen van Zakkala u verteld hebben, dat ik hun geld genomen

heb? Dat geld is het mijne, want in hun haven werd het goud van Amen-Ra

gestolen". Gedurende negentien dagen bleef ik in hun haven en iederen

dag zond de vorst mij een boodschap, met het verzoek, te vertrekken.

Op zekeren avond, toen de vorst van Byblos aan zijn goden offerde

en één voor hem danste, bespotte hij mij en verzocht mij, mijn god

levend te maken.

Dien nacht ontmoette ik een man, wiens schip voor Egypte bestemd was

en ik belastte hem met alles, wat op mij betrekking had. Ik zei tot

hem, dat ik mij in wilde schepen en, zonder dat iemand het merkte,

vertrekken wilde en dat ik niet twijfelde, of de goden zouden over

mij waken.

Terwijl ik aldus redeneerde, kwam de havenmeester bij mij en zei:

"Blijf, het is de wil van den vorst". Ik antwoordde hem: "Zijt gij het

niet, die mij iederen dag de boodschap bracht, te vertrekken en mij

nooit verzocht te blijven? Hoe komt het, dat gij dit thans wel doet?"

Hij keerde zich om, liet mij staan en ging naar den vorst, die daarna

een boodschap zond aan den kapitein van het schip en hem verzocht

tot morgen te blijven.

Den volgenden morgen verzocht hij mij, naar het paleis te komen,

waar hij zich ophield en dat dicht bij de zee gelegen was. Ik werd

naar zijn kamer gebracht en daar vroeg hij mij, hoe lang ik op reis

geweest was. Ik antwoordde: vijf maanden, doch hij wantrouwde mij

en vroeg, waar de voorschriften van Amen-Ra waren, welke ik in mijn

hand behoorde te hebben en waar de brief van den hoogepriester was.

Ik vertelde hem, dat ik dezen aan de andere vorsten gegeven had. Hij

werd boos en zei, dat ik zonder bewijzen kwam; wat belette hem, den

kapitein van het schip te bevelen, mij te dooden? Wederom antwoordde

ik, dat ik uit Egypte gekomen was, om hout voor de heilige bark te

koopen. Daarop vertelde hij, dat men vroeger uit Egypte gekomen was,

in alle statie, om de stad te bezoeken.

Na een lang twistgesprek met den prins en nadat ik hem verteld had,

dat, als hij de bevelen van Amen-Ra volbracht had, vele goede dingen

hem geworden zouden, aarzelde hij nog. Daarop vroeg ik, of ik een

bode naar de andere vorsten, Smendes en Tantamounou, zenden mocht; hij

zou dan zien, hoe zij mijn verzoek beantwoorden zouden en mij helpen.

Het scheen, dat de vorst van gedachte veranderde, want nadat hij

mijn brief aan zijn bode gegeven had, beval hij, een schip met hout

te bevrachten, zeven stukken in het geheel en het mede te nemen

naar Egypte.

Zijn bode ging naar Egypte en keerde in de eerste maand van den

winter terug. Spoedig zonden de vorsten, Smendes en Tantamounou,

mij schepen, met verschillende giften beladen. Toen de vorst dit zag,

was hij verheugd en spoedig daarop liet hij veel hout voor mij hakken.

Toen dit geschied was, zei hij, dat hij dat, wat zijn voorvaderen

gedaan hadden, eveneens verricht had en hij bevel gegeven had, het

hout in een schip te laden. Hij zei tevens, dat ik niet behandeld was

als de gezanten van Khamois, die 17 jaar in het land geleefd hadden

en daar gestorven waren. Terwijl hij zich tot een hoveling wendde,

verzocht hij hem, mij hun graf te toonen. Ik koesterde echter volstrekt

geen verlangen, dit te zien en sprak dit ook uit. Ik sprak daarbij:

"De boden van Khamois behoorden slechts tot zijn huishouding, ik

echter kwam als bode van den grooten god Amen-Ra".

Hier verzocht ik hem, een zuil op te richten en het volgende opschrift

daarop te laten graveeren:

"Amen-Ra, de groote god der goden, zond mij een goddelijken bode,

tezamen met Ounamounou, als zijn menschelijken gezant, om hout te

halen voor de heilige bark. Ik liet hiervoor drie boomen omhakken en

verschafte de vaartuigen, om het daarop naar Egypte te brengen. Ik deed

dit om de onsterfelijkheid van den grooten god Amen te verkrijgen".

"En", vervolgde ik, "een bode zal uit het Egyptische land komen,

die uw naam op den zuil lezen zal en gij zult het water van Amenti,

evenals de goden, ontvangen".

Hij zei daarop: "Dat is iets wonderlijks, wat gij mij vertelt". Daarop

verhaalde ik hem, dat ik, als ik teruggekeerd was, den hoogepriester

van Amen in kennis zou stellen, dat hij, de vorst, alles gedaan had,

wat hem bevolen was en dat hij ongetwijfeld de giften ontvangen zou.

Toen ik mij naar de kust begaf, waar het hout ingeladen werd, zag ik

elf vaartuigen, welke uit Zakkala gezonden waren, om mij gevangen

te nemen en mij te verhinderen, Egypte te bereiken. Daarop was ik

bedroefd en protesteerde en een bode van den vorst naderde mij en

sprak: "Wat hindert u?"

Ik legde hem uit, wat mij bedreigde en hij ging naar den vorst en

vertelde het en deze was zeer bedroefd. Om mij moed te geven, zond

hij mij giften, bestaande uit voedsel en wijn en tevens een zanger,

Tantnouit, want hij dacht, dat zijn gezangen mijn verdriet zouden

kunnen verjagen. De boodschap, welke hij mij brengen liet, luidde:

"Eet, drink en wees niet verdrietig. Gij zult morgen mijn plannen

hooren."

Toen de dag aangebroken was, riep de vorst zijn mannen bijeen; dezen

gingen naar de mannen van Zakkala, spraken met hen en vroegen hen naar

het doel van hun komst. Zij antwoordden, dat zij gekomen waren, om de

vaartuigen en hun schelmachtige bemanningen, in bezit te nemen. Hij

antwoordde: "Ik heb geen macht, den bode van Amen-Ra in mijn land

gevangen te nemen. Ik zal hem laten gaan en daarna kunt gij met hem

naar goeddunken handelen."

Ik scheepte mij in en verliet de haven en de wind deed mij koers

zetten naar het land Alasia. Daar kwam het volk van de stad op mij

af, om mij te dooden en sleepte mij naar Hatibi, de vorstin van

de stad. Ik keek naar de menschen rondom mij en vroeg of er niet

één was, die Egyptisch verstond. Eén trad daarop naar voren en zei,

dat hij het verstond. Ik zei nu, dat ik gehoord had, dat, zoo ergens,

men in Alasia gerechtigheid kon vinden en zij thans op het punt waren,

een onrecht te plegen. De vorstin liet vragen, wat ik gezegd had.

Wederom sprak ik en verdedigde mij, dat zij mij niet mochten dooden,

daar de wind mij naar hun land gedreven had, want ik was in waarheid

een bode van god Amen-Ra. Daarop trachtte ik hun duidelijk te maken,

dat, indien mij eenig letsel zou overkomen, men mij zou wreken. Terwijl

de vorstin haar mannen riep en hen trachtte over te halen, hun booze

plannen te laten varen en tot mij zei: "Wees niet bevreesd"....

Hier eindigt de papyrus. Het is zeer te bejammeren, dat wij niet

te weten komen, hoe Ounamounou het inrichtte, naar Egypte terug

te keeren, doch wij kunnen er verzekerd van zijn, dat iemand van

zulk een vindingrijkheid en vastberadenheid, om niet te zeggen

uithoudingsvermogen, in alles, wat hij wenschte, geslaagd is.

De Geschiedenis van Rhampsinites.

De oudste vorm van deze legende is ons door Herodotus overgeleverd. Zij

komt in de oude folklore, zoowel van Oostelijke als Westelijke volken,

voor en over haar oorsprong heeft men dikwijls geredetwist.

Al is zij ook niet werkelijk Egyptisch van oorsprong, dan is zij toch

zeker ver-Egyptischt, toen Herodotus haar ontdekte.

De legende dan vertelt, dat koning Rhampsinites zooveel schatten bezat,

dat geen enkele van zijn opvolgers hem overtrof, of nabij kwam.

Om deze schatten veilig te bewaren, had hij een oogenschijnlijk

onneembaar steenen huis laten bouwen en hierin had hij zijn geheelen

rijkdom laten opbergen. De architect echter, die het huis gebouwd

had, wist, door een slim plan, zich toegang tot het gebouw te

verschaffen. Hij deelde een van de steenen in twee stukken, zoodat

een deel van zijn plaats genomen kon worden; de twee stukken waren

echter zoo kunstig tegen elkaar geplaatst, dat zij een geheel effen

oppervlak vertoonden, alsof zij een enkelen steen vormden.

Voor zijn dood stelde de bouwmeester zijn twee zonen met het geheim

van de schatkamer op de hoogte en na zijn dood talmden zij niet

lang, hun wetenschap in praktijk te brengen. 's Nachts gingen zij

naar het gebouw, vonden den steen zonder veel moeite, draaide dezen

om, stalen een groote som gelds en brachten den steen weer in zijn

vroegeren toestand.

Toen de koning bemerkte, dat dieven een bezoek aan zijn schatkamer

gebracht hadden, stelde hij een val op. In zekeren nacht kwamen de

broers, als gewoonlijk en één van hen raakte in den val vast. Toen

hij het gevaar, waarin hij verkeerde, bemerkte, riep hij zijn broer

en sprak tot hem: "Wij beiden zullen omkomen en de schat zal voor

ons verloren zijn, als jij niet mijn hoofd afsnijdt en het medeneemt,

zoodat niemand ons als de dieven herkennen zal.

Toen de koning nu den romp zonder hoofd vond, was hij nog meer met

de zaak verlegen, want er was geen spoor van in- of uitgang uit

de schatkamer te ontdekken; daarom bedacht hij het volgende: hij

liet het lijk op den muur van de stad plaatsen, zette er een wacht

bij en gaf aan deze de opdracht, goed acht te geven, of een van de

voorbijgangers eenige sporen van verdriet vertoonde, wanneer hij langs

het lijk ging. Deze handelwijze was niet in overeenstemming met de

gewoonte der Egyptenaren, daar zij gewoonlijk te veel eerbied voor

de dooden hadden, om dit toe te staan. Zelfs in geval een misdadiger

terecht gesteld werd, gaf men het lijk aan de verwanten terug, om

het te laten balsemen.

Desniettemin achtte Rhampsinites zichzelf gerechtigd, een dergelijken

maatregel te nemen. Het lijk werd tentoongesteld en de moeder, hoewel

zij geen enkel teeken van droefheid gegeven had, toen zij voorbij het

lijk ging, drong toch bij haar anderen zoon aan, het lijk van zijn

broer bij haar te brengen; zoo niet, dreigde zij hem, het geheim aan

den koning te zullen openbaren.

Daar de zoon zag, dat hij zijn moeder gehoorzamen moest, bedacht

hij een krijgslist. Hij zadelde eenige ezels en belaadde hen met

eenige geitenleeren zakken, met wijn gevuld (leeren zakken gebruikte

men in Egypte meestal voor water alleen, terwijl men wijn in kleine

kruiken bewaarde). Daarop dreef hij zijn ezels langs de wachters en

toen hij voorbijging, maakte hij ongemerkt een van de zakken los;

toen de wijn over den grond stroomde, begon hij zich op het hoofd te

slaan en groot misbaar te maken.

De wachters kwamen snel met emmers aanloopen, om het kostbare vocht te

redden; zij kwamen zelfs op vertrouwelijken voet met den dief en gaven

hem voedsel; in ruil hiervoor offerde hij hun een van zijn zakken wijn.

Allen zetten zich daarop bij elkaar, om wijn te drinken en toen zij

door den wijn in een vroolijke stemming kwamen, gaf hij hun ook nog

den overigen wijn; ten slotte werden zij allen dronken.

Het is onnoodig te zeggen, dat de dief zich alle moeite gegeven had,

nuchter te blijven. Toen de wachters in diepen slaap gedompeld waren,

wachtte hij, totdat de nacht ingevallen was, maakte het lijk van

zijn broer los en nam het op de ezels mee naar het huis van zijn

moeder. Bovendien had hij, nadat hij de wachters verliet, al het haar

aan de eene zijde van hun gezicht afgeschoren.

Toen de koning van deze schelmenstreek hoorde, was hij buiten zichzelf

van woede en vastbesloten, op alle mogelijke manieren den bewerker te

ontdekken, verzon hij het volgende plan. Hij beval aan zijn dochter,

de prinses, ieder man uit het land, zonder onderscheid, bij zich te

ontvangen en hem iedere gunst toe te staan, welke hij van haar vroeg,

doch eerst moest hij haar vertellen, wat het slimste en behendigste

was, dat hij ooit gedaan had. Indien de dief dan zijn slim plan

vertellen zou, moest zij hem vasthouden, voordat hij ontsnappen kon.

De prinses was bereid te doen, wat haar vader haar vroeg, doch de

dief, die heel goed begreep, wat de koning in zijn schild voerde,

besloot hem voor den derden keer in list te overtreffen.

Hij sneed een arm van zijn dooden broer af, verborg dezen onder zijn

kleeren en vroeg, bij de prinses toegelaten te worden. Toen zij daarop

tot hem dezelfde vraag richtte als tot alle andere bezoekers, vertelde

hij haar eerst, dat hij het hoofd van zijn broer afgesneden had,

toen deze zich in den val bevond en daarop vertelde hij haar verder,

dat hij de wachters dronken gemaakt had en het lijk van zijn broer

medegenomen had.

Toen zij dit hoorde, gaf zij een schreeuw en trachtte hem te grijpen;

hij echter legde de hand van den doode in haar hand, deze greep zij

stevig vast, in de meening dat het die van den dief was en op deze

wijze kon hij ongemerkt uit de kamer, welke donker was, ontsnappen.

De koning gaf thans toe, dat hij geslagen was; hij liet bekend maken,

dat hij den dief kwijtschelding van straf schonk en groote belooningen

wilde schenken aan den man, die hem op zoo'n brutale wijze verschalkt

had. De dief vertrouwde op dit woord van den koning, meldde zich

bij dezen aan en ontving niet alleen, wat Rhampsinites beloofd had,

doch tevens de hand der prinses, omdat hij den dief voor den slimsten

aller menschen hield, daar hij de Egyptenaren, die op hun slimheid

prat gingen, daarin nog overtroffen had.

Burgeroorlog in Egypte. Het gestolen Harnas.

Onder de regeering van den Pharaoh Petoubastis waren de Delta en een

groot gedeelte van Beneden-Egypte, in twee partijen verdeeld; de eene

werd door Kamenophis, vorst van Mendes, aangevoerd en de andere door

den koning-priester van Heliopolis, Ierharerou en zijn bondgenoot,

Pakrourou, den grooten bevelhebber van het Oosten.

Slechts vier nomen van Midden-Egypte waren aan Kamenophis onderworpen,

terwijl Ierharerou er in geslaagd was, of zijn kinderen, of zijn

verwanten, in de meeste andere nomen te vestigen.

Nu bezat Ierharerou een harnas, waaraan hij groote waarde hechtte en

dat over het algemeen als een talisman beschouwd werd. Bij zijn dood

maakte Kamenophis van den algemeenen rouw en verwarring, in Heliopolis,

gebruik, nam het harnas en plaatste het in een van zijn vestingen.

Prins Pimoni "de kleine" ("Pimoni met de sterke vuist", zooals hij

somtijds in het verhaal genoemd wordt), de opvolger van Ierharerou,

wenschte het harnas terug te hebben. Kamenophis echter weigerde dit en

hierdoor ontstond een strijd, waarin alle provincies gewikkeld werden.

Pimoni en Pakrourou wendden zich beiden tot koning Petoubastis

en verzochten zijn toestemming, zich op Kamenophis te wreken; de

Pharaoh echter, die begreep, dat dit den burgeroorlog ontketenen

zou, deed zijn best, Pimoni af te raden, stappen tegen Kamenophis

te ondernemen en verbood hem zelfs, zijn plannen uit te voeren; als

vergoeding beloofde hij een schitterende begrafenis voor Ierharerou.

Onwillig gehoorzaamde Pimoni voor het oogenblik, doch toen de

begrafenisplechtigheden achter den rug waren, woedde de haat in

zijn binnenste voort en hij en Pakrourou, "de groote aanvoerder van

het Oosten", richtten zich nogmaals naar het hof van Petoubastis,

in Tanis. Hij ontving hen thans onwillig en vroeg hen, waarom zij

hem voor de tweede maal lastig vielen en verklaarde, dat hij niet

zou toelaten, dat er gedurende zijn regeering een burgeroorlog uitbrak.

Zij namen hiermede echter geen genoegen en zeiden, dat zij niet met het

feest, dat op de begrafenisplechtigheden van Ierharerou moest volgen,

door konden gaan, indien het harnas niet aan den rechtmatigen eigenaar

teruggegeven was.

Phaoraoh zond hierop een bode naar Kamenophis en verzocht hem dringend,

het harnas terug te geven, doch hij weigerde dit hardnekkig.

Daarop sprak Pimoni: "Bij Tem, den heerscher van Heliopolis, den

grooten god, mijn god, indien het niet uit eerbied voor het besluit

van den Pharaoh was, zou ik u op staanden voet dooden".

Kamenophis antwoordde: "Bij het leven van Mendes, den grooten god,

de oorlog, welke in de nomen uit zal breken, de strijd, welke uit zal

barsten in de stad, zal den eenen stam tegen den anderen en den eenen

man tegen den anderen aanzetten, voordat het harnas uit de vesting,

waar ik het gelegd heb, te voorschijn zal gebracht worden.

Oorlogsverschrikkingen.

Pakrourou sprak daarop tot den koning: "Is het rechtvaardig, wat

Kamenophis gedaan heeft en worden de woorden, welke hij zooeven

gesproken heeft, niet geuit, om ons toornig te maken, zoodat wij onze

krachten met de zijne meten moeten? Ik zal maken, dat Kamenophis en

de nomen van Mendes, zich over deze woorden, welke uitgesproken zijn,

om den burgeroorlog uit te lokken, welken de Pharaoh verboden heeft,

zullen schamen; ik zal hen met oorlog verzadigen. Ik zei niets,

omdat ik wist, dat de koning den oorlog niet wenschte; indien de

koning echter neutraal blijft, zal ik mij niet langer stil houden en

de koning zal alle verschrikkingen van den burgeroorlog zien".

De Pharaoh antwoordde: "Wees noch pralend, noch bevreesd, Pakrourou,

groote aanvoerder van het Oosten; laat nu ieder uwer naar zijn nomen

en steden in vrede gaan; geef mij slechts 5 dagen en ik zweer bij

Amen-Ra, dat ik zal maken, dat het harnas op de plaats, vanwaar het

genomen werd, terugkomt".

Pimoni zei daarop, dat, als het harnas op zijn plaats werd gebracht,

er niet meer over gesproken zou worden en er geen oorlog zou zijn;

indien het echter gehouden werd, zou hij er voor strijden, zoo noodig

tegen geheel Egypte.

Kamenophis vroeg daarop eerbiedig toestemming aan den Pharaoh, zijn

mannen te wapenen en met hen naar het Gazellenmeer te gaan, om zich

gereed te maken te strijden. Dit werd hem toegestaan.

Daarop zond Pimoni, die door Pakrourou moed gevat had, boodschappen

van gelijk gewicht naar al zijn nomen en steden. Pakrourou raadde

hem daarop, zich naar het Gazellenmeer te haasten en daar te zijn,

voordat Kamenophis al zijn mannen verzameld had; Pimoni volgde zijn

raad op en was met slechts een kleinen troep het eerst in het veld

met de bedoeling te wachten tot zijn broers, aan het hoofd van hun

respectievelijke troepen, zich met hem vereenigen zouden.

Het bericht hierover bereikte Kamenophis en haastig wapende hij

zijn vier nomen Tanis, Mendes, Tahait en Sebennytos. Bij het meer

gekomen, daagde hij Pimoni terstond tot den strijd uit en Pimoni nam

de uitdaging terstond aan, hoewel zijn overige strijdkrachten nog

niet aangekomen waren.

Pimoni trok daarop een hemd van byssus aan, met zilver en goud

geborduurd, hierover een tweede hemd van goudlaken; eveneens trok

hij zijn koperen borstharnas aan en droeg twee gouden zwaarden;

daarna zette hij zijn helm op en trok op, om Kamenophis te ontmoeten.

Terwijl zij aan het strijden waren, rende Zinonfi, de jonge dienaar

van Pimoni, weg, om naar de strijdkrachten uit te zien, welke op komst

waren, om Pimoni te helpen; spoedig ontdekte hij een zoo groote vloot,

dat de rivier ternauwernood alle schepen kon bevatten.

Het was het volk van Heliopolis, dat zijn aanvoerder te hulp

kwam. Zoodra zij op gehoorsafstand gekomen waren, schreeuwde Zinonfi

hen toe zich te haasten, daar Pimoni door Kamenophis in het nauw

gebracht werd. Dit was inderdaad waar, want zijn paard was onder

hem gedood.

Kamenophis verdubbelde zijn krachtsinspanning, toen hij zag, dat er

versche troepen aankwamen, en Petekhousou, de broer van Pimoni, daagde

Anoukhoron, den zoon van den koning, tot een tweegevecht uit. In eigen

persoon ging hij naar het slagveld en verbood de strijders vooruit

te gaan, en kondigde een wapenstilstand af, totdat alle strijdmachten

verzameld zouden zijn.

Petoubastis en al de aanvoerders namen hooggelegen posities in, zoodat

zij in het oog konden houden, wat geschiedde; de mannen waren even

ontelbaar als het zand van de kust, en de woede tegen elkander was

niet te bedwingen. De troepen der vier nomen werden achter Kamenophis

opgesteld en die van de nomen van Heliopolis achter Pimoni den kleinen.

Daarop gaf Petoubastis een teeken aan Pakrourou, wapende zich zelf en

begaf zich onder de strijdkrachten, terwijl hij hen allen tot dappere

daden aanzette; hij vuurde den eenen man tegen den anderen aan,

en groot was de strijdwoede, welke hij onder hen opwekte.

Hulp van Pakrourou.

Nadat Pakrourou het strijdgewoel verlaten had, ontmoette hij een

man, machtig in de wapenen, die veertig galeien en 8000 soldaten

aanvoerde. Het was Moutoubaal, een Syrisch vorst, in een droom

gewaarschuwd, zich naar het Gazellenmeer te begeven, om mede te helpen

het gestolen harnas te hernemen.

Pakrourou gaf hem nog geen plaats, ofschoon alle strijdkrachten nu

opgesteld werden; hij beval hem zich niet in het gevecht te begeven,

voordat zijn tegenstanders--de mannen van Kamenophis--hun vaartuigen

aan zouden vallen.

Moutoubaal bleef daarna in zijn schip en Pakrourou ging naar zijn

gunstig gelegen positie, om den loop van het gevecht te volgen. De

twee partijen vochten vanaf vier uur in den morgen tot negen uur 's

avonds. Tenslotte zwichtte Anoukhoron, de zoon van den koning, onder

den druk van de benden van Sebennytos en dezen renden naar de booten.

Daarop maakte Moutoubaal van de gunstige gelegenheid gebruik, trok

tegen de benden van Sebennytos op en haalde hen in. Hij ging door,

de strijdkrachten van Kamenophis te vernietigen, totdat Pharaoh hem

beval op te houden. Daarna ging hij met Pakrourou naar Moutoubaal en

verzocht hem, op te houden en beloofde hem, dat hij er voor zorgen zou,

dat het schild teruggegeven werd.

Moutoubaal hield daarna op, nadat hij onder de mannen van Kamenophis

groote verwoesting aangericht had. Daarop gingen de Pharaoh en

Pakrourou naar de plaats, waar men Pimoni in een strijd op leven en

dood met Kamenophis gewikkeld vond. Pimoni had de overhand en was op

het punt zijn tegenstander neer te slaan, toen zij hem tegenhielden

en Pharaoh beval Kamenophis, op te houden met den strijd.

Hierop werd Anoukhoron, de koninklijke prins, door Petekhousou, den

broer van Pimoni, ingehaald; de Pharaoh echter kwam tusschenbeide

en overreedde Petekhousou, zijn zoon te sparen en aldus kon de jonge

man ongedeerd ontkomen.

De koning sprak thans: "Bij Amen-Ra, de scepter is aan de handen van

Kamenophis, den vorst van Mendes, ontvallen. Petekhousou heeft mijn

zoon overwonnen en de troepen van de vier sterkste nomen in Egypte

zijn overwonnen.

Het Schild wordt teruggegeven.

Daarop naderde Minnemai, de vorst van Eupuantine, de zoon van

Ierharerou, den priesterkoning, aan wien het schild toebehoord had, uit

Thebe, met al zijn strijdkrachten. Zij wezen hem een plaats naast het

schip van Takhos, den hoofdman van Mendes aan en het trof toevallig,

dat in de galei van Takhos het harnas zelf lag.

Minnemai riep de goden aan hem te helpen het harnas van zijn vader

terug te krijgen, en dit zelf te bewerkstelligen. Hij wapende zich

zelf, ging naar de galei van Takhos en stiet daar op negen duizend

soldaten, die het harnas van Ierharerou, den zoon van Osiris,

bewaakten.

Minnemai plaatste 34 wachters bij de voetbrug van de galei om te

beletten, dat iemand daaraf ging, en hij viel de soldaten, die

het harnas bewaakten, aan. Takhos vocht dapper, en doodde 54 man;

ten slotte echter moest hij den strijd opgeven en trok zich naar

zijn vaartuig terug, hier volgde Minnemai hem met zijn Aethiopische

strijders. De kinderen van Ierharerou ondersteunden hem en zij namen

het harnas van Ierharerou.

Aldus werd de wapenrusting genomen en naar haar vroegere plaats

teruggebracht. Er heerschte onder de kinderen van Ierharerou en de

troepen van Heliopolis groote vreugde. Zij begaven zich naar den

Pharaoh en zeiden: "Groote meester, laat de geschiedenis van den

strijd om het harnas opschrijven en daarbij de namen van de strijders,

opdat de nakomelingen mogen weten, dat er in Egypte om een harnas

een oorlog ontstaan is, zoowel in de nomen, als in de steden. Laat

de geschiedenis op een steenen zuil in den tempel van Heliopolis

graveeren". Koning Petoubastis deed, zooals hem verzocht werd.

De geboorte van Hatshepsut.

De volgende geschiedenis over de geboorte van Hatshepsut, de groote

koningin, de lievelinge van de goden, de heerscheres over alle landen

onder de zon, is niet een letterlijke vertaling van den ouden papyrus,

welke deze geschiedenis bevat, doch wordt met de eigen woorden van

den schrijver weergegeven. De geschiedenis luidt aldus:

In het land der goden hield Amen-Ra zitting. Amen-Ra was koning van

de goden en de schepper der menschen. Aan zijn rechterhand bevond

zich Osiris, met de tweelinggodinnen Isis en Nephthys, Hathor, de

godin der liefde, Horus en Anubis. Aan zijn linkerzijde bevond zich

Mentu, de oorlogsgod, met Geb, den god der aarde en Nut, de godin

van de lucht, verder de goden Atmu en Shu en de godin Tefnut. Tot de

verzamelde goden sprak Amen-Ra als volgt:

"Ik wil een groote koningin, die over Egypte en Syrië, Nubië en Punt

heerschen zal, aanstellen, zoodat alle landen onder haar scepter

vereenigd zullen zijn. De vrouw moet haar groote bezittingen waardig

zijn, want zij zal de geheele wereld beheerschen".

Terwijl hij sprak, trad de god Thoth binnen, hij, die de gestalte

van een ibis had, zoodat hij sneller dan de snelste vogels kon

vliegen. Stilzwijgend luisterde hij naar de woorden van Amen-Ra,

den machtigsten onder de goden, den schepper der menschen. Daarop

sprak hij:

"O Amen-Ra, er bevindt zich in het Egyptisch land een meisje van

buitengewone schoonheid. De zon verlicht in haar loop geen schooner

wezen. Het is voorzeker gepast, dat zij de moeder van de koningin

zal zijn, over wie gij spreekt".

"Gij spreekt juist", antwoordde Amen-Ra. "Waar moeten wij echter die

schoone prinses vinden? Wat is haar naam".

"Haar naam is Aahmes", antwoordde Thoth, "zij is de vrouw van den

koning van Egypte en woont in zijn paleis. Ik zal haar tot u geleiden".

"Het is goed", sprak Amen-Ra.

Daarop vloog Thoth, in de gestalte van een ibis, naar het Egyptische

land en met hem ging Amen-Ra, in de gestalte van den Egyptischen

koning, en alle goden en godinnen met hem, onder welke Neith, de godin

van Sais en de schorpioen-godin Selk; op haar hoofd bevond zich een

schorpioen, welke in iedere klauw het levenssymbool droeg.

Stilzwijgend traden de goden en godinnen het paleis binnen, dat in

slaap verzonken was; door Thoth werden zij naar de kamer van koningin

Aahmes geleid.

De koningin sliep op een legerstede, in den vorm van een leeuw

vervaardigd en toen zij haar aanschouwden, zagen zij, dat Thoth

de waarheid gesproken had; zij was inderdaad de schoonste van alle

sterfelijke vrouwen en zij stonden sprakeloos door bewondering over

haar schoonheid.

De heerlijke reuk echter, welke zij uit het land Punt medegebracht

hadden, deed het meisje ontwaken en vol verbazing keek zij naar de

bovennatuurlijke wezens. Schitterend was de aanblik van Amen-Ra,

den koning der goden, den schepper der menschen, toen hij voor de

koningin stond. Kostbare edelgesteenten versierden zijn persoon en

zijn schoonheid was aan die van de zon gelijk, zoodat het hart van

het meisje verrukt werd.

Amen-Ra legde in haar hand het levensteeken en het embleem der kracht,

en de godinnen lichtten haar legerstede op, opdat zij zich boven de

aarde zou bevinden, terwijl zij zich met de goden onderhield.

Ten slotte keerden de goden naar het land Punt terug, en Amen-Ra, liet

Khnum, den schepper, den maker van de lichamen der menschen, roepen.

"Maak voor mij", sprak Amen-Ra, "het lichaam van mijn dochter en

het lichaam van haar ka. Ik zal van haar een groote koningin maken,

en eer en kracht zullen haar deel zijn, al haar levensdagen".

"O Amen-Ra", antwoordde Khnum, de schepper, "het zal geschieden,

zooals gij gesproken hebt. De schoonheid van Uw dochter zal alle

goden overtreffen, en zij zal haar aanzien en roem waardig zijn".

Aldus vormde Khnum het lichaam van Amen-Ra's dochter en dat van haar

ka, terwijl de twee gestalten volkomen aan elkander gelijk waren en

schooner dan de dochters van menschen. Hij maakte haar uit leem,

aan zijn pottebakkerswiel en Hekt, de godin der geboorte, knielde

aan zijn zijde, terwijl zij het levenssymbool bij het leem hield,

opdat de lichamen van Hatshepsut en haar ka met den levensadem gevuld

zouden worden.

Daarop lieten de goden de lichamen naar het paleis van den Egyptischen

koning brengen. Khnum, de schepper en Hekt, de godin der geboorte,

Isis, de groote moeder en haar tweelingzuster Nephthys, Bes, de

beschermer, der kinderen, Meskhent en Ta-urt, allen waren tegenwoordig

om de geboorte van Hatshepsut, de groote koningin, de dochter van

Amen-Ra en koningin Aahmes te begroeten.

Groot was de vreugde, toen het kind geboren werd, en luide klonken

de liederen, welke te harer eere aangeheven werden. Na verloop van

tijd werd zij heerscheres over alle landen, rijk en machtig, bemind

door Amen-Ra, de groote koningin, die door den koning der goden

geschetst was.

In het Nijldal werd een tempel ter eere van koningin Hatshepsut

opgericht. De tempel staat daar nog heden ten dage en is thans bekend

onder den naam van Deir-el-Bahari, het Noordelijk klooster.

Hoe Thoutii de stad Joppe nam.

De fragmenten van deze geschiedenis zijn in den Harris Papyrus

vervat. Evenals de geschiedenis van den prins, wiens lot voorbeschikt

was, werden zij in 1874 door Goodwin ontdekt; deze ontdekte hen in de

overblijfselen van een historisch verhaal en stelde de Archaeological

Society met zijn vondst in kennis. Het begin is echter verloren gegaan.

Bij het punt, waarop het verhaal begint, zien wij drie hoofdpersonen:

een Egyptisch officier, Thoutii genaamd, den vorst van een stad in

Syrië en zijn stalmeester. Het verhaal behandelt de inname van Joppe

(een stad in Palestina, welke in den Bijbel vermeld wordt) en wel

door een krijgslist van Thoutii. De toegepaste list vertoont eenige

gelijkenis met die, welke wij in de geschiedenis van den rooverhoofdman

in de Duizend en een Nacht verhalen vinden. Het verhaal luidt aldus:

Onder de regeering van Thothmes III, koning van Egypte (18e

dynastie), stond de vorst van Joppe op en doodde alle Egyptische

soldaten, die zich in zijn stad bevonden.

De tijding hiervan wekte begrijpelijkerwijs de woede van den Pharaoh

op, hij riep zijn edelen, generaals en schrijvers bijeen, om te

overleggen, wat er gedaan kon worden. Niemand van hen echter wist raad,

behalve Thoutii, een schitterend, jong officier van het voetvolk.

"Geef mij", zoo sprak hij, "een tooverstok, mijn koning, en een troep

voetknechten en voerlieden en ik neem op mij, den vorst van Joppe te

dooden en de stad te nemen".

Pharaoh, die den officier hoogachtte en op zijn woorden vertrouwde,

stond alles toe, wat hij vroeg, hoewel het niet gering was; de stok

toch was een talisman, van wien men dacht, dat hij iedereen, die hem

in bezit kreeg, onzichtbaar maken kon.

Thoutii trok daarop met zijn mannen naar Palestina. Daar aangekomen,

liet hij een grooten leeren zak maken, groot genoeg om een man

te bevatten; tevens had hij ijzeren hand- en voetboeien laten

vervaardigen, terwijl één paar bijzonder groot en sterk was; verder

jukken van hout en vierhonderd kisten.

Daarop zond hij de volgende boodschap naar den vorst van Joppe:

"Ik ben Thoutii, de Egyptische generaal der infanterie. Koning

Thothmes was ijverzuchtig op mij, vanwege mijn dapperheid en zocht

mij te dooden; ik ben echter ontsnapt en heb zijn tooverstok gestolen;

deze is in mijn bagage verborgen en, als gij er niets op tegen hebt,

zal ik dezen aan U geven en mijn strijdkrachten, welke het puikje

van het Egyptische leger vormen, met de Uwe vereenigen.

Het is te begrijpen, dat de vorst van Joppe dat bericht zeer aangenaam

vond, want hij kende den roep, welken van Thoutii uitging, en wist,

dat hij in geheel Egypte zijns gelijken niet had.

Hij zond een bericht naar Thoutii, dat hij zijn aanbod aannam en

beloofde hem een stuk van zijn gebied. Daarop verliet hij Joppe, nam

zijn ruiterij, vrouwen en kinderen met zich, om den man te begroeten,

dien hij als een nieuwen bondgenoot aan wilde nemen. Hij verwelkomde

hem hartelijk en noodigde hem in zijn kamp, om met hem het middagmaal

te gebruiken. In den loop van het onderhoud, terwijl zij aan het

eten en drinken waren, vroeg hij Thoutii over den tooverstok. Thoutii

antwoordde, dat deze in de bagage, waarmede zijn paarden beladen waren,

verzegeld was. Hij verzocht daarop, dat zijn mannen en paarden naar het

kamp gebracht zouden worden, om verfrischt te worden en uit te rusten.

Aldus geschiedde; zijn paarden werden gevoerd, de bagage werd

onderzocht en de tooverstok werd gevonden.

De List.

Toen de vorst dit hoorde, was hij zeer begeerig, den tooverstok te

zien. Thoutii ging dezen daarop halen; plotseling pakte hij daarop

den vorst bij diens kleeren vast en sprak: "Ziehier den tooverstok

van koning Thothmes" en met dezen hief hij zijn hand op en sloeg

den vorst zoo hevig op zijn voorhoofd, dat hij bewusteloos voor hem

neer viel. Daarop deed hij hem in den grooten leeren zak, maakte de

handboeien aan zijn polsen vast en de voetboeien aan zijn voeten.

Daar het gelaat van den doode onzichtbaar was, was het Thoutii's doel,

het lijk voor het zijne te laten doorgaan. Hij had de tweehonderd

soldaten in een even groot aantal van de 400 kisten gelegd, welke hij

met zich mede gebracht had en vulde de overblijvenden met de touwen

en houten boeien; daarop verzegelde hij dezen, omwond hen met touwen,

gaf hen aan verscheidene sterke soldaten en zei het volgende: "Gaat

vlug en vertel aan de ruiterij uit Joppe, dat ik gedood ben. Laat de

aanvoerder gaan en aan zijn meesteres, de vorstin van Joppe, zeggen,

dat Thoutii overwonnen is en dat zij de poorten der stad opent, om

het lijk van den overwonnene en de buitgemaakte kisten, welke men

van hem afgenomen heeft, in ontvangst te nemen.

De aanvoerder van de ruiterij ontving deze boodschap en vertelde

dit bericht ijlings aan zijn meesteres. De poorten der stad werden

geopend en Thoutii's mannen brachten de kisten, welke zijn overige

mannen bevatten, in de stad. Daarop bevrijdden zij de inzittenden,

de Egyptische strijdkrachten overvielen de inwoners der stad, namen

hen gevangen en bonden hen.

Nadat hij tot rust gekomen was, zond Thoutii een bericht naar den

Pharaoh en liet zeggen: "Ik heb den vorst van Joppe gedood en alle

bewoners van Joppe zijn krijgsgevangen gemaakt. Laat hen naar Egypte

vervoeren, opdat uw huis met mannelijke en vrouwelijke slaven, die

u steeds zullen toebehooren, gevuld wordt. Laat Amen-Ra, uw vader,

de god der goden, verheerlijkt worden."

Mythen en Legenden van Egypte · 第 14 / 18 题