Magie.
Aan de volken der oudheid scheen het toe, dat Egypte de moeder der
magie was. In het geheimzinnige Nijldal vonden zij een magisch stelsel,
dat veel meer ontwikkeld was, dan eenig ander in hun eigen omgeving en
het scheen, dat de doodenvereering, waarmede de Egyptische godsdienst
zoo nauw verbonden was, een magischen bijsmaak bezat. Afgezien van
het materiaal der tooverpapyri, zijn de berichten, welke wij over
de Egyptische magie bezitten, bijna alle uit den vreemde afkomstig,
zoodat het verstandiger is, onze gegevens dienaangaande van de
oorspronkelijke bronnen af te leiden, indien wij tot een begrijpen
van de Egyptische toovenarij wenschen te geraken.
Het meerendeel van datgene, wat door Egyptologen over Egyptische
magie geschreven is, steunt op de veronderstelling, dat magie, of
een vorm van godsdienst is, of de grondslag daarvan. Dit is een van
de resultaten van den archaeloog, die een terrein betreedt (n.l. dat
van de anthropologie), waarin hij gewoonlijk in verlegenheid geraakt.
Wij vinden b.v. dat Maspero beweert, dat: "de oude magie de werkelijke
grondslag van den godsdienst vormde. De geloovige, die van een god
een gunst wenschte te ontvangen, had geen kans van slagen, tenzij hij
zijn handen op den god legde en dit beslag kon alleen door middel van
een bepaald aantal riten, offers, gebeden en gezangen plaats vinden,
welke de god zelf ontsluierd had en welke hem verplichtte te doen,
wat men hem vroeg." [34]
Vervolgens hooren wij, dat Dr. Budge beweert, dat wij uit de
godsdienstige teksten en werken zien kunnen, dat de magie de helpster
der godsdienst geworden is en dat, terwijl niet-Egyptische rassen hun
kunstgrepen tegen de machten der duisternis richtten en een klasse van
gunstig gezinde wezens aanriepen, de Egyptenaren er naar streefden,
de algeheele controle over hun goden te verkrijgen.
Laat ons voor een oogenblik de kwestie van den oorsprong der magie
beschouwen. Onder de tegenwoordige anthropologisten bestaat er op
dit punt een groote verscheidenheid van opvatting en de werken van
Frazer, Marett, Hubert, Mauss e.a., hebben veel licht over een tot
dusver duister probleem doen opgaan, hoewel zij over den oorsprong
wijd uiteenloopende gezichtspunten hebben.
Alle schrijvers echter over dit onderwerp, schijnen een belangrijk
punt over het hoofd gezien te hebben en wel het element van wonderen,
dat inderdaad de oorsprong en bron van de magie is. In overeenstemming
met alle verschillende scholen der anthropologie, is bijna alle magie
van nature medevoelend, of nabootsend.
Om een voorbeeld te noemen: Wanneer een barbaarsch geneesheer wenscht,
dat er regen komt, klimt hij in een boom en sprenkelt water op de
verschroeide aarde onder zich, in de hoop, dat de godheid, welke voor
het weer verantwoordelijk is, hetzelfde zal doen; indien de onwetende
zeeman wind wenscht, bootst hij het gieren van den wind na.
Dit systeem is algemeen geldend, doch indien onze conclusies juist
gebaseerd zijn, steunen deze handelingen niet op een magische
basis. Het moet in het oog vallen, zooals Frazer aangetoond heeft,
dat, wanneer de wilde een handeling van medevoelende magie tot
stand brengt, hij deze niet als werkelijk magisch beschouwt, dat
wil zeggen, zij bevat in het geheel geen wonderlijk element in zijn
wijze van denken. Hij beschouwt zijn handeling als een aanleiding,
welke het verlangde effect te weeg zal brengen, juist zooals de man
der wetenschap van onze dagen gelooft, dat hij resultaat zal hebben,
indien hij zich aan bepaalde formules houdt. Nu redeneert de werkelijke
magie van wonderen van uitwerking tot oorzaak; zoo kan het schijnen,
dat, evenals medevoelende magie zuiver een soort van proto-wetenschap
is, te wijten aan geestelijke processen, geheel gelijk aan die,
waardoor wetenschappelijke wetten gevormd worden en wetenschappelijke
handelingen verricht worden, er een geest van zekerheid bestaat,
welke men b.v. niet in de magie der bezweringen vindt.
Het zou echter te overijld zijn, medevoelende magie geheel en al te
scheiden van die, welke ik magie van wonderen zou willen noemen;
onze kennis van de grondwetten der magie is inderdaad te gering,
om een dergelijke handelwijze te rechtvaardigen.
Wij vinden tusschen de stelsels belangrijke aanknoopingspunten. Een van
de manieren b.v. waarop boosgezinde menschen zichzelf in weerwolven
veranderen kunnen, bestaat hierin, dat zij zich omgorden met een
gordel van wolfsvel.
Wij zien dus, dat bij dit voorbeeld de werkelijke wonder-magie, om zich
in een dier te veranderen, in zekere mate met het medevoelende proces
verbonden is, daar het denkbeeld bestaat, dat het aantrekken van een
wolfsvel, of zelfs het ombinden van een stuk van de huid van het dier,
voldoende is de natuur van het dier op den drager zelf over te brengen.
In het voorbijgaan zou ik nog volledigheidshalve op willen merken,
dat de magie der wonderen bijna geheel en al spiritistisch van natuur
is en dat zij uit bezweringen en dergelijke handelingen bestaat.
Men zou in dit verband tegen mijn redeneering kunnen aanvoeren,
dat bepaalde reukwerken, teekens der planeten en andere middelen,
van welke men meent te weten, dat zij voor zekere bovennatuurlijke
wezens aantrekkingskracht hebben, aangewend worden op het oogenblik,
dat zij opgeroepen worden. Nog eens geef ik toe, dat de twee stelsels
aanknoopingspunten hebben; dat echter zal mij niet overtuigen, dat
zij in wezen dezelfde zijn [35].
Oudheid der Egyptische magie.
Evenals alle magie, was die der Egyptenaren van prae-historischen
oorsprong. Evenals de onbeschaafde volken van onzen tijd van het
medevoelende proces gebruik maken, zoo deden de wilden uit het
Egyptisch Steenen Tijdperk eveneens. Dat zij eveneens bekend waren
met de spiritistische zijde der magie is zeker. Animisme is de moeder
van het spiritisme.
De opvatting over de ziel was op een betrekkelijk laat tijdstip
bij den mensch opgekomen. Het verschijnsel van den slaap was hem
een raadsel. Waarheen begaf de mensch zich, gedurende de uren van
den slaap?
De mensch uit het Palaeolitisch tijdperk keek naar zijn slapenden
broeder en het scheen hem toe, dat deze eigenlijk dood was, ten minste
met het oog op waarneming en het werkelijke leven. Iets scheen den
slaper ontsnapt te zijn, het werkelijk levende en levenmakende element
had hem tijdelijk verlaten.
Uit zijn eigen ervaring nu wist de wilde, dat het leven met den slaap
niet ophoudt, want in een meer schaduwachtige en onwezenlijke spheer
ziet hij de tooneelen van zijn dagelijksch bestaan weer voor oogen.
Indien de mensch, gedurende den slaap, in droomenland, of in ver
afgelegen gedeelten, gewaarwordingen had, was de eenige aannemelijke
uitlegging van dit feit, dat zijn tweede ik tijdelijk het lichaam
verlaten had. Dit toegegeven zijnde, hebt gij twee, van elkander
afgescheiden, wezens, lichaam en ziel, in voorkomen gelijk, omdat de
laatste in de sfeer der droomen functies verrichtte, welke met die
van de eerste in de lichamelijke spheer identisch waren.
De wandelende Geest.
De logica der prae-historische tijden echter stelde zich hiermede niet
tevreden. Dit alles vooropstellende, strekte zij haar zielentheorie
tot alle levende wezens uit en zelfs tot de onbezielde. Waar gingen
b.v. de zielen der menschen, na den dood, heen? Hun lichamen vergingen,
daarom was het alleen aannemelijk, dat zij naar andere lichamelijke
media voor de ziel zochten. Daar zij niet in staat was, het lichaam van
een pasgeboren kind binnen te gaan, nam zij, volgens hun opvatting,
haar intrek in een boom, een rots, of een ander passend voorwerp der
natuur en de angstige, onbeschaafde mensch meende haar stemmen in het
geloei van den wind te ontdekken, of in het ruischen van de bladeren
van het woud, terwijl zij waarschijnlijk schreeuwde, of smeekte,
om dat voedsel en die beschutting, welke zij in haar onlichamelijken
toestand niet verkrijgen kon.
De geheele natuur werd dus voor de eerste menschen bezield en niet
alleen voor deze Egyptenaren, maar voor alle prae-historische
menschen. Hun leven, voornamelijk aan de jacht gewijd, had hen
echter buitengewoon slim en vindingrijk gemaakt en spoedig kwam het
bij hen op (op welke manier kunnen wij niet zeggen, daar dit punt
nog grootelijks opheldering vereischt), dat zij wellicht van die
wandelende en onbeheerde geesten, van welke zij meenden, dat zij op
zijn roepen gehoor gaven, gebruik konden maken.
In dit verlangen schijnt het mij toe, (indien de bewering
niet oppervlakkig is), dat wij een van de oorsprongen van de
magie der wonderen hebben en zeer zeker den oorsprong van het
spiritisme. Speculeerende op den wensch van den geest zonder lichaam,
om zich te materialiseeren, maakte de prae-historische mensch een
fetisch, hetzij in de gestalte van een mensch, of van een dier, of
in eenige bovennatuurlijke voorstelling, welke met zijn ideeën over
een geestesbestuur overeen kwam.
Gewoonlijk maakte hij dezen fetisch van niet groote afmeting,
daar hij niet geloofde, dat zijn tweede ik, of ziel, van een groot
formaat was. Door bedreigingen, of vleierijen, had hij de overhand
op den wandelenden geest; dezen stelde hij zich, evenals de dooden,
koud, hongerig en zonder woning voor; hij dwong hem het kleine beeld
binnen te gaan en dit werd zijn lichamelijke woning, terwijl de lippen
hiervan op vrome wijze met het bloed van dieren, op de jacht gedood,
besmeerd werden en het zelf zorgvuldig vereerd werd. Aan den anderen
kant verwachtte men, dat de ziel in den fetisch, door de kracht
van haar bovennatuurlijke kennis, haar meester, of helper, op alle
mogelijke manieren bij zou staan.
Het bedwingen der Goden.
De Egyptische magie verschilde van de meeste andere stelsels door de
omstandigheid, dat de inheemsche toovenaar sommige goden trachtte te
dwingen tot een daad ten zijne behoeve.
Voorbeelden hiervan zijn elders zeer zeldzaam en misschien hebben
de Egyptische goden, in verschillende gevallen, zich uit zuiver
animistische opvattingen ontwikkeld. Dit is inderdaad het geval
bij alle godheden, doch de meeste goden komen op een zeker punt
in hun geschiedenis tot zulk een hoogte, dat zij zich ver boven de
mogelijkheid verheffen, ooit door een toovenaar als ruimer werktuig
voor hun persoonlijke doeleinden gebruikt te worden. Dikwijls echter
vinden wij de gebroken, of verlaten, godheid door den toovenaar
beheerscht.
Beëlzebub kan men als een passend voorbeeld voor deze soort nemen. Een
groote reputatie is een hard ding om te verliezen en het is mogelijk,
dat de toovenaar in den verlaten en daarom ijdelen, god een passend
medium voor zijn doel ontdekt.
Wij vinden echter, dat de Egyptische godheden, door schrikaanjagen,
gedwongen zijn hun macht te gebruiken ten behoeve van een nederig
tovenaar, zelfs toen zij op het toppunt van hun roem stonden.
Eén ding is natuurlijk onontbeerlijk voor een compleet stelsel van
toovenarij en wel het bestaan van een aantal geesten, de overblijfselen
van een verdwenen, of in het niet gezonken, godsdienst. Zooals wij
weten, waren er verschillende lagen in den Egyptischen godsdienst--meer
dan één geloof heeft op de oevers van den Nijl geheerscht--en het kan
zijn, dat de vereerders van de godheden van één stelsel, die van een
ander als magisch beschouwden, bij de invoering van een nieuw stelsel;
dezen kunnen inderdaad afwisselend geweest zijn, en het is mogelijk,
dat zij langzamerhand deel kregen aan de gewoonte, welke zoo algemeen
was geworden, dat zij onmogelijk in onbruik geraken kon.
Indien onze conclusies juist zijn, is waarschijnlijk de bewering van
Maspero, dat de magie de grondslag van den godsdienst is, moeilijk
hiermede in overeenstemming te brengen. Wij hebben gezien, dat het
grootste deel van de zoogenaamde magie bij de onbeschaafde volken
(d.w.z. medevoelende magie) waarschijnlijk in het geheel niet tot de
natuur der magie behoort, zoodat de gezichtskring van deze bewering
tamelijk verkleind wordt.
Budge's gezegde, dat de magie van ieder ander volk van het Oude
Oosten, behalve die van de Egyptenaren, geheel en al tegen de krachten
der duisternis gericht was, en uitgevonden om hun booze plannen te
verijdelen, door een klasse van welgezinde wezens aan te roepen,
is in zooverre een dwaling, dat de volken uit het Oude Oosten op
gelijke wijze kwade en goede wezens aanriepen.
Tevens moet men toegeven, dat de Egyptische magie meer dingen met
godsdienst gemeen heeft, dan de meeste andere magische stelsels en
dit komt door de buitengewone omstandigheden, waaronder de godsdienst
op den Egyptischen bodem zich ontwikkeld heeft.
Krachtnamen.
Een van de meest treffende eigenaardigheden der Egyptische magie
was het gebruik van die namen, welke men "krachtnamen" zou kunnen
noemen. De wilde stelt zich voor, dat er een zeer groote band tusschen
een mensch en diens naam bestaat, dat men inderdaad even gemakkelijk
tooverkunst op den man kan uitoefenen door zijn naam, als door het
bezit van zijn haar, of zijn nagels.
De primitieve mensch beschouwt inderdaad zijn naam als een edel deel
van zichzelf. Sir John Rhys heeft aangetoond, dat er onder de oude
Kelten algemeen het geloof heerschte niet alleen, dat de naam een deel
van den mensch uitmaakte, doch het 't deel van hem was, dat de ziel
genoemd wordt en vele barbaarsche stammen uit onze dagen beschouwen
hun namen als edele deelen van zichzelf en nemen de zorgvuldigste
voorzorgsmaatregelen, hun ware namen te verbergen uit vrees, dat deze
aan een heks gelegenheid geeft hun eigenaar leed te doen.
Howitt heeft, in een beschrijving van de Australische medicijnmeesters,
aangetoond, dat de inboorling uit Australië gelooft, dat, indien
een vijand zijn naam heeft, hij iets heeft, dat hij bij betoovering
gebruiken kan ten zijnen nadeele. De Australische neger is er altijd
huiverig voor, zijn naam aan iemand te openbaren.
Daarom geeft een man onder verscheidene Australische stammen zijn
naam voor goed op, wanneer hij in de plechtigheden ingewijd wordt,
welke hem de voorrechten van den mannelijken leeftijd schenken. Dit
blijkt uit het gebruik van titels onder de leden der stammen, welke
broeder, of neef, beteekenen.
Waarschijnlijk geeft men dus nieuwe namen bij de inwijding en
zorgvuldig houdt men dezen geheim, uit vrees voor toovenarij. Sporen
van hetzelfde bijgeloof vinden wij in Abessinië, Chili, Senegambië,
Noord-Amerika en ontelbaar andere landen.
Doch om tot Egypte terug te keeren, wij vinden, dat verscheidene
Egyptenaren twee namen ontvingen, den grooten en den kleinen naam,
of den waren en goeden naam; de laatste was die, welke bekend
gemaakt werd, doch de ware, of groote naam werd zorgvuldig geheim
gehouden. [36]
Wij vinden het gebruik van deze krachtnamen zeer algemeen verspreid,
over het geheele Oosten. Zelfs heden ten dage vertalen de Joden den
naam Jahveh, als ze dezen lezen met: Adonai, doch nergens was dit
zoo zeer in zwang als in Egypte.
Een zeer goed voorbeeld voor de macht, welke men aan iemand, die
een naam in zijn bezit heeft, toekent, kan men vinden in de legende,
waarin verteld wordt, op welke wijze Isis er in slaagde, den geheimen
naam van Ra te weten te komen.
Daar Isis genoeg had van de wereld der stervelingen, besloot zij, die
van de goden binnen te treden en om dit doel te bereiken, vatte zij
het plan op, den geheimen naam van den almachtigen Ra op slinksche
wijze te weten te komen. Deze naam was aan geen enkel sterveling
bekend en zelfs aan geen god, behalve hem zelf.
In dezen tijd was Ra oud geworden en evenals verschillende andere
eerwaardige personen, liet hij dikwijls het speeksel uit zijn
mondhoeken vliegen. Een gedeelte hiervan viel op den grond; Isis mengde
dit met aarde, kneedde het in de gedaante van een slang en legde het op
slimme wijze op den weg, welken de groote god iederen dag bewandelde.
Terwijl hij zich, in al zijn pracht, aan de wereld vertoonde en door
het geheele pantheon vergezeld werd, was hij ontzettend om aan te zien,
toen de slang zich uit zijn kronkelingen verhief en hem stak. Luid
schreeuwde hij van pijn en antwoordde niet op de angstige vragen van
zijn lagere goden. Het vergif verbreidde zich snel en hevige koorts
beving hem.
Hij riep alle goden op bij hem te komen, opdat hun genezende woorden
hem weer gezond mochten maken en onder hen kwam Isis, welke hem listig
vroeg, wat hem kwelde.
Hij vertelde hun de geschiedenis van de slang en voegde er bij,
dat hij hevige pijn leed.
"Zeg mij dan", sprak Isis, "Uw naam, Goddelijke vader, want de man, die
bij zijn naam genoemd wordt, moet leven." Ra beproefde een vergelijk
tot stand te brengen, terwijl hij zei, dat hij Khepera des morgens,
Ra des middags en Atem des avonds was; het vergif echter werkte
heviger in hem, dan tevoren en hij kon niet langer loopen.
Isis bezwoer hem thans zijn naam te zeggen, opdat hij in leven
blijven mocht; terwijl hij zich daarop van de andere goden afzonderde,
maakte hij haar zijn verborgen naam bekend. Toen deze ontsluierd was,
verbande Isis terstond het gif uit zijn aderen en hij werd weer geheel
en al gezond.
De schrijver draagt er groote zorg voor den heiligen naam aan zijn
lezers niet bekend te maken en het is waarschijnlijk, dat hij, al
kende hij de legende, den naam zelf niet kende; deze was waarschijnlijk
aan de toovenaars van Egypte niet bekend.
De woorden van Ra: "Ik stem toe, dat Isis in mij zoekt en dat mijn
naam uit mijn borst in de hare overgaat", schijnen aan te wijzen, dat
niet alleen de macht van den god onverbiddelijk met zijn werkelijken
naam verbonden was, doch tevens, dat men veronderstelde, dat deze in
een gedeelte van het lichaam, ergens in zijn borst, huisde; van hier
uit kan deze met al zijn bovennatuurlijke krachten in de borst van
een ander overgebracht worden.
Waartoe Isis nu in staat was, daarop legde zich ieder Egyptisch
toovenaar toe en hij liet niets na, zijn doel te bereiken. Wij
vinden, dat toovenaars Osiris dreigen, dat, als hij de wenschen van
den toovenaar niet vervult, zijn naam luid in de haven van Busiris
zal uitgesproken worden.
Deze handelwijze is in Egypte niet geheel en al verdwenen, want wij
zien in Lane's Manners and Customs of the Ancient Egyptians, dat de
man, die den grootsten naam van God kent, alleen door het uitspreken
daarvan in staat is den levende te dooden, den doode te doen herrijzen
en andere wonderlijke dingen te volbrengen, en indien dit waar is van
de Egyptenaren van 60 jaar geleden, kunnen wij er van verzekerd zijn,
dat dit evenzoo is met het Egypte van heden ten dage.
Soms openbaarden de goden zelf aan de menschen het geheim van
hun namen en maakten de formules bekend, waardoor zij opgeroepen
konden worden. Wij vinden hiervan een parallel in de mythologie van
sommige Noord-Amerikaansche Indianen-stammen, waar de geheimen van
inwijdingsplechtigheden en geneeskunde door goden aan de menschen
geopenbaard worden.
De juiste uitspraak.
Er bestaat geen overtuigend bewijs, dat men veronderstelde, dat
magische kracht uit een groot centraal reservoir afkomstig was, evenals
de orenda van de Noord-Amerikaansche Indianen, de kramat der Maleiërs
en de mana der Melanesiërs. Het is echter waarschijnlijk, dat een
onderzoek der teksten, dat zich de ontdekking van het geloof in zulk
een kracht ten doel stelt, goed resultaat zou opleveren. Toovenarij had
haar erkende vertegenwoordigers; dat waren de z.g. kheri-heb-priesters
en gedurende het Oude Rijk werden de hoogere functies onder dezen
door de zonen der Pharaohs vervuld.
Nu kende men groot gewicht toe aan de wijze, waarop de tooverspreuk uit
werd gesproken. Wanneer een toovenaar eenmaal vond, dat een bepaalde
formule, op een bepaalden tijd, uitwerking had, droeg hij er zorg
voor, dien te herhalen op een volstrekt gelijken toon en onder gelijke
omstandigheden. Dit noemde men juist spreken [37] en werd eigenlijk
door ieder in Egypte toegepast, daar in de andere wereld een juiste
kennis van magische woorden en formules absoluut noodzakelijk was.
De wachters der verschillende poorten, welke ons in het Boek der
Dooden afgeschilderd worden, openen dezen niet voor hen, die hun namen
niet kennen en die dezen niet correct uitspreken. Tenzij bepaald
voorgeschreven gebeden op den juisten toon uitgesproken werden,
kwam er geen voedsel te voorschijn. Het aantal der formules was zeer
groot. Elke deur in de onderwereld had een naam en placht zich niet
voor de nieuwaangekomenen te openen, als zij niet op de juiste wijze
aangeroepen werd.
Een samenzwering van toovenaars.
Onder deze omstandigheden kunnen wij zien, hoe het geloof in magie
algemeen moet geweest zijn en hierover werden vele tooverboeken
geschreven en zonder twijfel verkocht. Een van de meest belangwekkende
geschriften op dit gebied, welke tot ons gekomen zijn, is de Harris
Papyrus; deze bevat vele formules en tooverspreuken.
Het schijnt, dat dergelijke manuscripten in de koninklijke bibliotheken
huisden en wij lezen, dat een zeker ambtenaar aan het hof van koning
Ramses III (plm. 1200 v.C.), die het toezicht hield op de schatkist,
met eenige volgelingen een samenzwering smeedde, om den koning te
onttronen.
De samenzwering werd ontdekt en in het officieele bericht hierover
lezen wij dat Hui, de opzichter van het vee van den koning een
tooverboek uit de bibliotheek van den koning wist machtig te
worden en dat hij door middel daarvan den koning kwaad trachtte te
berokkenen. Hij begaf zich naar een geheime plaats, vormde afbeeldingen
van menschen van was en slaagde er in dezen, met hulp van een ander
ambtenaar, het paleis binnen te smokkelen.
Klaarblijkelijk was het de bedoeling, dat deze afbeeldingen den koning
kwaad zouden doen. Hij werd belast, alle slechtheid, welke zijn hart
verzinnen kon, uit te voeren, tot schrik van de goden en tevens goden
van was en menschelijke figuren te vervaardigen, welke zouden maken,
dat de personen, die zij voorstelden, lam en hulpeloos zouden worden.
De samenzwering werd met de meeste zorg door twee gerechtelijke hoven
onderzocht en de koning beval, dat zij, die schuldig bevonden zouden
worden, eigenhandig sterven zouden. Verder verlangde hij, dat men hem
niets naders aangaande de zaak vertellen zou. Hui werd met anderen
tot zelfmoord veroordeeld.
Zulke figuren van was, als toen gebruikt werden, waren gedurende
de Middeleeuwen zeer in zwang en heden ten dage hebben zij nog niet
geheel en al afgedaan.
Nog slechts eenige jaren geleden vond men in de Schotsche Hooglanden
een leemen beeldje, vol pennen, in stroomend water gelegd. Het was
natuurlijk gevormd om de persoon voor te stellen, welke men betooveren
wilde en het was daarom in het water gelegd, opdat dit het langzaam
mee zou dragen; natuurlijk verwachtte de amateur-toovenaar, dat zijn
vijand, door de kracht der medevoelende magie, in een doodelijke ziekte
zou storten. De methode, welke men bij de wassen beeldjes volgde,
bestond hierin ze dicht bij het vuur te plaatsen, om ze langzaam te
laten smelten.
Amuletten.
In geen enkel land werd de amulet meer gebruikt, dan in Egypte. Zij
werd en door de levenden en door de dooden gedragen en elk deel van
het lichaam bevond zich inderdaad onder de bijzondere bescherming van
zulk een talisman. Een aantal amuletten, welke men op mummies vond,
zijn met krachtwoorden, of tooverformules, beschreven; dezen zouden
hem ten dienste staan in de andere wereld.
Eenige van de meest belangrijke amuletten waren die voor het hart,
de scarabaeus, welke het hart beschermde; het kussen, dat onder den
nek geplaatst werd, om het hoofd te beschermen; de gouden halsketting,
welke ten doel had den gestorvene kracht te verleenen, om zich uit
zijn zwachtels te bevrijden; de amulet van het oog van Horus; het
gebruik van dit werd algemeen en bracht sterkte, kracht, bescherming
en veiligheid aan.
Tooverspreuken.
Het gebruik van tooverspreuken was algemeen heerschend. Het schijnt,
dat de toovenaar in de alleroudste tijden zich inbeeldde, dat, voor
alles, het er op aan kwam den boozen demon te onderrichten, dat hij
van plan was hem te verbannen. Den doode, die een zeker huis kwelde
en ziekte daarin bracht, dreigde hij zijn graf te zullen verwoesten en
hem van zijn offerande te berooven. Over een ziekte, welke een patiënt
aangegrepen heeft, geeft hij een uitlegging, dat zij een zeer onpassend
patiënt heeft overvallen, die haar wellicht meer kwaad, dan goed doet.
Later echter zien wij, dat de toovenaar de hulp der goden inroept. Hij
roept Ra aan en verzoekt hem een wakend oog op den boozen geest te
houden en vertelt aan den god zijn booze daden. Soms neemt hij zelf
den naam van een god aan en slingert zijn donders naar den demon of
de ziekte, welke den lijder bedreigt, terwijl hij zegt: "Gij hebt
niet de overhand; ik ben Amen, ik ben de Verhevene, de Heerscher over
het Machtige.
De toovenaar laat zich dikwijls in zijn keus van een helpende
godheid door episoden leiden, welke in de legende aangaande dien god
bestaan. Een god bijvoorbeeld, die eenmaal over slangen getriumfeerd
had, zou waarschijnlijk de beste beschermer tegen dezen vormen.
Wij kennen een bepaalde tooverspreuk, van welke men veronderstelde,
dat zij den beet van een schorpioen heelde, waarin Ra verzocht wordt
het gif te verwijderen, zooals de Godin Bast de Kat genezen was
(een voorval in de geschiedenis van die godin).
De goden, die het dichtst bij den mensch stonden en in hun legenden
het leven der menschen voorstelden, werden het meest aangeroepen. De
krokodil b.v. zou zich weg spoeden, wanneer men hem vertelde, dat
het lichaam van Osiris in het water lag en door de goden bewaakt werd.
Isis en Horus verborgen zich eens in de moerassen der Delta en als
dit in herinnering gebracht wordt, zal het als bescherming tegen den
beet van een schorpioen gelden, een insect, dat de moerassen bewoont.
Brabbeltaal der tooverkunst.
Dit alles behoort natuurlijk tot de medevoelende magie en hieruit
kunnen wij zien, hoe dikwijls het gesproken woord deel kon krijgen
aan het karakter der proto-wetenschap. Doch zelfs bij het gesproken
woord aanschouwen wij een kloof tusschen de beide stelsels, want
wij zien, dat dit, zooals bij de laatste gevallen, bestond uit een
medevoelende toespeling op een voorval uit het leven van den god,
of ook elders uit een zuivere brabbeltaal, welke dit zeker tot een
deel der magie der wonderen stempelt.
Een groot aantal van deze schijnbaar onzinnige tooverspreuken bestaan
uit vreemde woorden en uitdrukkingen, terwijl sommige daarvan van
Syrischen oorsprong zijn. Het is algemeen bekend, dat de klasse van
toovenaars, bij onbeschaafde gemeenschappen, er toe geneigd is er een
geheime eigen taal, of dialect op na te houden en dat de woordenschat
van een dergelijk jargon gewoonlijk of archaistisch is, of ook uit
een naburige taal genomen is.
Wij komen b.v. in een tooverspreuk den volgenden zin tegen: "Ik ben
degeen, dien gij in de Syrische taal aanwijst, de groote God, Zaalaêr,
Iphphon. Minacht den Hebreeuwschen naam Ablanathanalb, Abrasilôa niet".
Het verhaal van Setne.
Een verhaal, dat ons een goed inzicht geeft in de hooge positie,
welke een toovenaar in Oud-Egypte innam en tevens in het gebruik
der toovermodellen, of beeldjes, wordt ons verteld in een papyrus
uit den tijd der Ptolemaeën en houdt zich bezig met Setne, die voor
een goed deel de handschriften in het Dubbele Huis des Levens, of de
Bibliotheek de Tooverboeken, bestudeerd had.
Bij een of andere gelegenheid sprak hij met een van 's konings wijze
mannen, doch deze was zeer sceptisch gezind aangaande zijn kracht. Als
antwoord op zijn kritische opmerkingen aangaande de uitwerking der
toovenarij, bood Setne hem aan hem naar een plaats te brengen, waar
hij een boek zou vinden, dat magische kracht bezat, door Thoth zelf
geschreven; het bevatte twee machtige tooverspreuken; de eerste was
in staat het gansche heelal te betooveren en was zoo krachtig, dat
alle dieren, vogels en visschen door hem bevolen konden worden.
De tweede spreuk stelde een man, in het graf, in staat Ra in den
hemel te zien, met zijn gezelschap van goden, de Maan te zien rijzen
met alle sterren des hemels en de visschen in de diepte der oceaan.
De wijze man verzocht Setne daarop natuurlijk hem te vertellen, waar
dat wonderlijke boek toch verborgen was en hoorde, dat dit in de
graftombe van Nefer-ka-Ptah in Memphis was. Daarop ging Setne voor,
vergezeld van zijn broers en bracht drie dagen en drie nachten door
met het zoeken naar de tombe van Nefer-ka-Ptah en deze ontdekte hij
werkelijk. Hij sprak eenige tooverwoorden over deze uit, de aarde
opende zich en hij daalde in de kamer af, waar de werkelijke tombe
zich bevond.
Het boek, dat in de sarcophaag lag, verlichtte de plaats zoo helder,
dat zij geen fakkels noodig hadden en bij het licht daarvan ontdekten
zij in het graf niet alleen den oorspronkelijken bewoner, maar
ook diens vrouw en zoon; dezen, in Coptos begraven, waren in hun
ka-gedaante gekomen, om bij hun echtgenoot en vader te verblijven.
Setne vertelde hun, dat hij het boek wenschte mede te nemen, doch
Ahura, de vrouw van Nefer-ka-Ptah verzocht hem dit niet te doen
en vertelde hem, dat het bezit daarvan reeds aan anderen ongeluk
opgeleverd had.
Haar echtgenoot, zeide zij, had veel van zijn tijd aan de
bestudeering der tooverkunst besteed en voor den prijs van een
honderd zilverstukken en twee mooi bewerkte sarcophagen, had hij van
den priester van Ptah het geheim van de plaats, waar het wonderlijke
boek verborgen was, gekocht.
Het boek bevond zich in een ijzeren kist, welke men in het midden
van de rivier had laten zinken; in de ijzeren kist bevond zich een
bronzen, in die bronzen een doos van palmhout en in deze bevond
zich op haar beurt een doos van ebbenhout en ivoor; hierin bevond
zich weer een zilveren kist en deze bevatte een sleutel eener gouden
kist, de eigenlijke bergplaats van het boek. Zwermen slangen en andere
schadelijke reptielen bewaakten het boek en daaromheen kronkelde zich
een slang, welke niet kon sterven.
Nefer-ka-Ptah, zijn vrouw en zoon, zetten nu koers naar Coptos en hier
verkreeg hij van den hoogepriester een model van een drijvend vlot en
figuren van werklieden, van de noodige gereedschappen voorzien. Over
dezen sprak hij krachtwoorden uit, zoodat zij levend werden.
Kort daarna vonden zij de kist en door verdere tooverformules noopte
Nefer-ka-Ptah de slangen, welke haar omringden, te vluchten. Tweemaal
versloeg hij de slang, die rondom de ijzeren kist gekronkeld lag,
doch telkens begon zij weer te leven. Den derden keer echter hieuw
hij haar in tweeën en legde zand tusschen de twee stukken, zoodat
zij zich niet meer vereenigen konden.
Terwijl hij de verschillende kisten opende, nam hij er het
geheimzinnige boek uit, dat zij bevat hadden en las de eerste
tooverspreuken op haar bladzijden. Dit stelde hem op de hoogte met
alle geheimen op aarde en in den hemel. Hij las daarop de tweede
bladzijde en zag de zon aan den hemel opgaan, met alle goden, die
haar vergezelden.
Zijn vrouw volgde zijn voorbeeld, met gelijk resultaat. Nefer-ka-Ptah
schreef daarna de tooverspreuken op een stuk papyrus over en sprenkelde
daar wierook over, loste het geheel in water op, dronk het op en
maakte aldus, dat de bekendheid met de formules voor altijd bij hem
zou blijven berusten.
Een Damspel met de Dooden.
God Thoth echter was boos op hem, dat hij dit gedaan had en stelde
Ra met de heiligschennende daad op de hoogte. Ra besloot terstond,
dat Nefer-ka-Ptah, zijn vrouw en kind nooit naar Memphis terug
zouden keeren en terwijl zij naar Coptos teruggingen, vielen Ahura
en haar zoon in de rivier en verdronken. Korten tijd daarna onderging
Nefer-ka-Ptah eenzelfde lot. Zij konden echter zeggen wat zij wilden,
dit had geen vat op Setne, daar hij zijn zinnen er op gezet had,
het boek te bezitten.
De ontzielde Nefer-ka-Ptah echter stelde voor, dat het eigendom
vastgesteld zou worden, door een partij dam te spelen, terwijl de
winner het boek zou bezitten. Hierin stemde Setne toe.
Nefer-ka-Ptah deed zijn best te winnen, eerst op eerlijke wijze, daarna
door valsch te spelen, doch ten slotte verloor hij het spel. Setne
verzocht zijn broer, die hem naar het mausoleum vergezeld had, naar
boven te gaan en hem zijn tooverboek te brengen. Dit werd gedaan,
de tooverspreuk in kwestie werd door Setne opgezegd, hij greep het
wonderlijke boek van Thoth en steeg met bewonderenswaardige snelheid
ten hemel.
Toen hij echter vertrok, maakte Nefer-ka-Ptah tegen zijn vrouw
de opmerking, dat hij zou maken, dat hij spoedig terugkeerde. De
voorspelling van Ahura, dat hij ongelukkig zou worden, als hij
volhield het boek te willen hebben, kwam volkomen uit, want hij werd
op een schoone vrouw "verliefd", die hem leed berokkende en zoo groot
was zijn smart, dat de Pharaoh hem beval het boek aan de hoede van
Nefer-ka-Ptah terug te geven.
Geneeskundige toovenarij.
Toovenarij speelde natuurlijk in de uitoefening der Egyptische
geneeskunde een groote rol. Men meende, dat verschillende ziekten
door den invloed van een demon veroorzaakt werden en nu bestond de
eenige zorg daarin den boozen geest, die zijn intrek in het lichaam
van den getroffen persoon genomen had, uit te drijven.
De Egyptische geneesheer kon de uitoefening van zijn beroep niet zeer
lastig vinden, want theoretisch verdeelde hij het lichaam in 36 deelen
en elk van dezen werd door een bepaalden demon bestuurd en indien de
demon, die een bepaald gedeelte aanviel, in eigen persoon aangeroepen
werd, geloofde men, dat een genezing moest volgen. Er waren heelende
goden voor alle verdeelingen van het lichaam.
Er bestaan nog verschillende geneeskundige papyri, welke formules
bevatten, welke men tegen de demonen van ziekten in het algemeen en
eveneens voorschriften voor de geneesmiddelen, welke men bij bepaalde
ziekten gebruiken moest. Gebeden werden voorgeschreven om op te zeggen,
terwijl men de kruiden gereedmaakte. Dikwijls moest de ongelukkige
patiënt de voorschriften, op papyrus geschreven, inslikken.
Amuletten beschouwde men eveneens als zeer krachtdadig bij
ziektegevallen. Men heeft willen beweren, dat de eigenaardige letter,
welke men boven recepten schrijft en welken de geneesheeren uitleggen
als een afkorting van: "recipe", in werkelijke een aanroeping van god
Ra is, van wien deze letter het symbool is en dat zij zou beteekenen:
"in den naam van Ra", of: "o Ra, god van licht en gezondheid,
inspireer mij.
Alchemie.
Men heeft beweerd (en waarschijnlijk is dit zoo), dat de kennis
der alchemie in Oud-Egypte ontstaan is. De afleiding van het woord
wordt gewoonlijk tot het Arabische woord al khemeia teruggebracht,
doch men heeft eveneens beweerd, dat het van het Egyptische woord
kemt kan afgeleid zijn; dit beteekent "zwart" of "donker" en dat men
dat gebruikte van wege de donkere kleur van het slijk, dat den bodem
aan beide zijden van den Nijl vormt.
De Egyptische Christenen, of Kopten, brachten, naar men vermoedt,
het woord in den vorm khême naar de Grieken, Romeinen, Syriërs en
Arabieren over. Op een vroeg tijdstip hadden de Egyptenaren een
groote vaardigheid in het bewerken van metaal en volgens sommige
Grieksche schrijvers gebruikten zij kwikzilver bij de afscheiding
van goud en zilver uit het natuurlijke erts. De afval, welke uit
dit proces overbleef, vormde een zwart poeder en men veronderstelde,
dat dit de eigenschappen van de verschillende metalen, welke tot zijn
verbinding bij gedragen hadden, bevatte.
Dit poeder werd tot een bepaalden graad met 't lichaam, dat God Osiris
in de onderwereld zou bezitten, geïdentificeerd en aan beiden werd
tooverkracht toegekend en men dacht, dat beiden een bron voor licht
en kracht waren.
"Aldus", zegt Budge [38], "nam, tegelijk met de toenemende bekwaamheid
bij de gewone metaalbewerking in Egypte, in dat land het geloof toe,
dat tooverkrachten uit samenstellingen en verbindingen bestonden,
en de wijze van behandeling der metalen en de kennis der scheikunde,
op het gebied der metalen en hun tooverkracht, werden door den naam
khemeia aangeduid, d.w.z. de bewerking van het zwarte erts; die werd
als de werkelijke grondslag der gedaanteverwisseling beschouwd".
Indien deze theorie juist is, hebben wij hier misschien niet alleen
de bakermat der practische alchemie, doch tevens het ontstaan van
een deel van de alchemistische wetenschap, welke tot kort voorheen
vreemd genoeg verwaarloosd is. Bedoeld wordt de geestelijke alchemie,
welke van dezelfde symbolen en dezelfde taal gebruik maakte, als de
praktische wetenschap en welke, naar men gelooft, vele diepe psychische
en mystische geheimen bevat [39].
Gedaanteverwisseling.
De idee over een verwisseling in diergestalte was in Egypte
klaarblijkelijk zeer oud. Uit de teksten zien wij, dat men geloofde,
dat in het toekomstig leven, goden, zoowel als menschen, in staat
waren, de gestalten van bepaalde dieren, vogels en planten aan
te nemen.
Ongeveer twaalf hoofdstukken van het Boek der Dooden houden zich met
tooverformules bezig, welke de gestorvenen in staat stellen, zich in
iedere gestalte van een vogel, slang, of krokodil in de andere wereld
te veranderen. Eigenlijk was hij in staat iedere mogelijke gestalte
aan te nemen en te zwemmen, of te vliegen, in elke richting en over
iederen afstand. Vreemd genoeg wordt in de teksten over geen bepaald
dier gesproken, als voorbeeld voor mogelijke gedaanteverwisseling.
In zijn belangrijk werk handelende over Egyptische Magie, verreweg
het meest duidelijke tekstenboek over dat onderwerp, zegt Budge:
"de Egyptenaren geloofden dat, evenals de zielen van de gestorvenen
den vorm van eenig wezen, of plant, konden aannemen, zoo ook de goden,
die getrouw op hen leken, de gestalten van vogels en andere dieren
konden aannemen.
Hier hebben wij de grondgedachte der zoogenaamde Egyptische
dierenvereering, welke de vroolijkheid van den beschaafden Griek
opwekte en door de oude Christelijke schrijvers belachelijk gemaakt
werd.
Hij stelt verder vast, dat de Egyptenaren aan sommige dierengestalten
eer bewezen, omdat zij vreesden, dat dezen de eigenschappen der goden,
aan wie zij hen wijdden, bezaten.
In een ander hoofdstuk hebben wij de vraag van den totemistischen
oorsprong van sommige Egyptische godheden besproken. Er is weinig
twijfel mogelijk, of de oorsprong van het geloof, dat de goden een
diergestalte konden aannemen, is een totemistische en oorspronkelijk in
't geheel niet een magische.
Wat betreft de andere bewering van Budge, dat het verkeerd is te
zeggen, dat de Egyptenaren dieren vereerden in de gewone beteekenis
van het woord, moet men wel verschil maken tusschen de houding van
den oorspronkelijken mensch, ten opzichte van zijn persoonlijken of
stam-totem en de geheel en al ontwikkelde godheid.
Het is heden ten dage buitengewoon moeilijk, zelfs met het voorbeeld
van levende totemistische families voor oogen, het juiste standpunt
van den totem, wat betreft de vereering, of aanbidding, vast te
stellen. De Egyptische god ontving zeker vereering in alle mogelijke
opzichten en indien hij deze in zijn totemistischen vorm ontving,
kunnen wij dit opvatten, dat het een gevolg was van zijn toestand
als godheid en niet als totem.
De bewering, dat de diergestalte van verschillende Egyptische goden
niet van totemistischen oorsprong is, is onjuist en kan in het licht
der moderne onderzoekingen niet staande gehouden worden. De stelling,
dat de Egyptische goden niet-totemistisch van oorsprong waren,
enkel en alleen omdat zij Egyptisch waren, moet als geheel en al
onhoudbaar opgevat worden, daar deze zelfs door geen schaduw van
waarschijnlijkheid staande gehouden kan worden.
Wij hooren niet veel over dierverwisseling op aarde, d.w.z. er bestaan
weinig verhalen, welke de gedaanteverwisseling van een toovenaar,
of heks in een gestalte van een dier beschrijven. Voor zoover men
beoordeelen kan, was de idee over een weerwolf, of een dergelijke
gestalte, in oud-Egypte onbekend. Een daaraan verwant type echter,
van grooten ouderdom, ontbrak niet, namelijk dat van den vampier.
Wij vinden den vampier in geen enkelen concreten vorm afgebeeld,
doch als een spook, inderdaad als de kwaadaardige dood, welke aan de
mythologie der Hindoe's, Birmanen en Maleiers zoo gemeenzaam is. Het
Egyptische spook doodde de slapende kinderen, terwijl het hun adem
uitzoog, en, vreemd genoeg, het toovermiddel, dat tegen zulk een
wezen gebruikt werd, was hetzelfde, als men in onze dagen op het
Balkan-Schiereiland tegen de aanvallen van den vampier gebruikt,
namelijk een krans van knoflook, een plant, welke een vampier, naar
men weet, verfoeit.
Het schijnt, dat de astrologische kennis der Egyptenaren hoofdzakelijk
bij het trekken van horoscopen uitgeoefend is. Bepaalde goden
beheerschten bepaalde tijdvakken, terwijl andere met de hemellichamen
geïdentificeerd werden en men geloofde, dat allen macht hadden over de
gebeurtenissen, welke in de tijdvakken, aan hun toezicht onderworpen,
plaats vonden.
In de latere papyri heeft men geboortetafels gevonden; door middel
van dezen kon het lot van een mensch uitgerekend worden uit data
als het geboorteuur en zoo voorts. Zooals onder de meeste Oostersche
volken, waren astrologische kalenders, welke aangaven, welke dagen
gunstig varen, of niet, zeer veel in gebruik en steunden eenigszins
op mythologische gebeurtenissen, welke op dezen, of dien datum plaats
gegrepen hadden en verleenden aan dezen voor altijd een zeker gewicht.
Droomen.
Droomen werden eveneens met menschelijke zaken in verband
gebracht. Men geloofde, dat dezen door de goden gezonden werden en
het is waarschijnlijk, dat de Egyptenaar, die door zijn particuliere
aangelegenheden gekweld werd, rust zocht, in de hoop, dat hem een droom
gegeven zou worden, welke hem zijn gedrag in dezen voor zou schrijven.
Zulk een handelwijze is in onze dagen bij sommige Indianen-stammen van
Noord-Amerika nog gebruikelijk. Onbeschaafde menschen gaan slapen in
het vertrouwen, dat hun totem hun een visioen zal schenken, om hun
zaken in de toekomst te regelen.
Indien de oude Egyptenaren zulk een opheldering verlangden, achtten zij
het verstandiger, zich in een tempel, welke als orakel beroemd was,
te slapen te leggen. Er bestond een klasse van beroepsuitleggers,
wier taak het was de problemen van den droom op te lossen. Men dacht
verder, dat ziekten genezen konden worden door kwakzalversmiddelen,
welke door de goden, in den slaap, aangewezen werden.
Mummie-magie.
De behandeling der mummie en de verschillende ceremoniën, welke met
de balseming in verband stonden, waren zonder twijfel magisch van
oorsprong. Telkens als een windsel in de juiste ligging gelegd werd,
uitte men bepaalde krachtwoorden, van welke men veronderstelde,
dat zij de kracht hadden, het ingewikkelde deel te bewaren. Na de
wijding riep de priester den gestorvene aan, daarop nam hij een vaas,
welke vier reukwerken bevatte en hiermede besmeerde hij het lichaam
tweemaal, van hoofd tot voeten, terwijl hij er zorg voor droeg, het
hoofd geheel en al te zalven. De inwendige organen werden daarna
op het lichaam gelegd en de ruggegraat in heilige olie, van welke
men geloofde, dat zij een uitstraling uit de goden Shu en Geb was,
gedompeld. Daarop legde men kostbare steenen op de mummie, en elk van
dezen had zijn bepaalde magische beteekenis. Zoo verlichtte kristal
zijn gelaat en carnelian gaf vastheid aan zijn voetstappen.
Een priester, die god Anubis, met het hoofd van een jakhals,
voorstellen moest, trad dan naar voren, volbracht eenige symbolische
ceremoniën op het hoofd van de mummie en legde daarover bepaalde
windsels. Na nogmaals met olie ingewreven te zijn, verklaarde men,
dat de gestorvene "zijn hoofd ontvangen had".
De linkerhand van de mummie werd daarop met 36 stoffen, welke men
bij het balsemen gebruikt had, gevuld, waarschijnlijk een symbolische
voorstelling van de 36 gedaanten van Osiris. Het lijk werd daarna met
heilige olie ingewreven, de teenen werden in linnen gewikkeld en na
een bepaalde toespraak was de plechtigheid geëindigd.