Egyptische literatuur.
Egyptische Taal en Egyptisch Schrift.
De oudste kennis, welke wij van de Egyptische taal hebben, wordt ons
door inscriptie's verschaft, welke tot de 1e dynastie, ongeveer
3300 v.C., behooren. Vanaf dezen kan de opkomst en het verval verder
nagegaan worden, door de verschillende opschriften op tempels,
monumenten en papyri, tot de 14e eeuw na C., wanneer de Koptische
manuscripten eindigen.
Van de levende taal, afgezien van de zuivere literaire taal van
de hieroglyphen-inscripties, krijgt men de zuiverste voorstelling
door de volksverhalen, brieven en handelsdocumenten, welke tot ons
gekomen zijn, waarin de schrijvers zich natuurlijk aan de gangbare
spreekvormen hielden en aldus de veranderingen, welke de taal
onderging, ontsluierden.
Dat het Egyptisch aan het Semitisch verwant is, is zeker, hoewel
hier een rassenprobleem tusschenbeiden komt, want het Egyptische
eigenlijke ras was nooit, voor zoover men kan nagaan, Semitisch
van type. Erman tracht deze quaestie door de zeer waarschijnlijke
theorie op te lossen, dat in den prae-historischen tijd een horde
van krijgshaftige Semieten, een deel van Egypte veroverde en zich
daar vestigde, evenals de Arabieren in lateren tijd hun taal aan het
land gaven, doch dat dezen, als apart ras, uitstierven, hetzij door
redenen, welke met het klimaat in betrekking stonden, of doordat zij
in de oorspronkelijke bevolking opgingen; deze laatste echter nam de
taal van de vreemdelingen, hoewel onvolmaakt, over.
Onder deze omstandigheden veranderde de taal langzamerhand. De
medeklinkers werden verkeerd uitgesproken, daar harde voor zachte
plaats maakten en dezen op hun beurt, vormden biliteralen van de
triliterale stammen.
Deze neiging, waarbij nog een omschrijvende, inplaats van verbale,
vervoeging kwam, duurde tot het eind. Koptisch, de laatste vorm, is
dus biliteraal van karakter en tijden van bijzondere nauwkeurigheid
werden in het werkwoord, door middel van omschrijving, ontwikkeld; de
groote overeenkomst tusschen Koptisch en Semitisch moet eveneens tot
den voortdurenden Semitischen invloed van latere tijden teruggebracht
worden.
De Egyptische taal kan verdeeld worden naar haar vooruitgaande
phases. Deze zijn: Oud-Egyptisch, Midden- en Laat-Egyptisch, Demotisch
en Koptisch. Oud-Egyptisch is de taal, welke tot het Oude Rijk
behoort. Het gaf het letterkundig model voor de latere tijden aan,
zooals men uit de inscripties zien kan; het was onvermijdelijk, dat
het door de wisselende vormen van de vigeerende taal beïnvloed werd;
doch zijn hoofdkarakter werd bewaard.
De oudste voorbeelden, welke wij hebben, zijn inscripties, welke in
de 1e dynastie thuis behooren, doch dezen zijn te kort, om ons veel
inzicht in de taal en spreekwijze van dien tijd te geven. Hierop volgen
verscheidene inscripties en eenige weinige geschiedkundige teksten,
welke tot de 4e, 5e en 6e dynastie behooren. Het grootste
aantal, dat tot deze phase behoort, is de uitgebreide collectie
ritueele teksten en tooverformules, welke men in de pyramiden der 6e
dynastie aantreft.
Midden- en Laat-Egyptisch hooren respectievelijk in het Midden- en
Nieuwe Rijk thuis en komen de gebruikelijke spreektaal van het volk
nabij. Geschriften uit het Midden-Egyptisch, welke nog bestaan, zijn
verhalen, brieven en handelsdocumenten, vanaf de 12e dynastie tot het
begin van het Nieuwe Rijk, op papyri, in hieratisch schrift geschreven.
De 18e en 21e dynastie laat ons voorbeelden van Laat-Egyptisch,
op verschillende hieratische papyri, zien. Met betrekking tot
dezen merkt een gezaghebbend schrijver op: "De spelling van het
Laat-Egyptisch is zeer eigenaardig, vol van verkeerde etymologie, vol
onbeteekenende teekens, etc., terwijl de oude spellingsleer geheel
en al ongeschikt is, zich nauwkeurig aan de geheel en al gewijzigde
taal aan te passen. Desniettemin is deze plompe spelling krachtig en
formules kunnen ons, wat betreft de uitspraak, inlichten".
Demotisch vertegenwoordigt het volksdialect van de Saïtische
periode en stemt werkelijk met het karakter, waarin het geschreven
wordt, overeen. Het kan vanaf de 25e dynastie, (plm. 900 v.C.),
nagegaan worden en tot de 4e eeuw n.C. was het voortdurend in
gebruik. Documenten van het demotisch zijn voor het meerendeel
koopcontracten en wettelijke aangelegenheden, hoewel sommige magische
teksten en een merkwaardig verhaal, de Papyrus van Setna, eveneens
hierin geschreven zijn.
Het Koptisch is de laatste vorm der Egyptische taal, of liever het
is een dialectische vorm van het Egyptisch en hiervan zijn vier of
vijf verschillende vormen bekend.
Het Koptisch is met de letters van het Grieksche alphabet geschreven
en het is werkelijk de eenige phase der taal, waar de spelling een
zuiver beeld van de uitspraak geeft.
Aan de Grieksche letters werden 6, uit het Demotisch genomen,
toegevoegd, om klanken uit te drukken, welke meer in het bijzonder
tot de Egyptische taal behoorden. Deze omstandigheid, tegelijk met
de Grieksche afschrijving van Egyptische namen en woorden, hebben
de eenige bestaande middelen, om tot een nauwkeurige uitspraak der
Egyptische taal te komen, aangevuld.
Een reden voor deze onwetendheid was in de omstandigheid gelegen,
dat het Egyptisch systeem van schrijven alleen de geraamten der
medeklinkers van een woord laat zien, nooit de afwisselingen der
klinkers en dikwijls de semi-consonanten weglaat.
De Hieroglyphen.
Het oude Egyptische schriftsysteem schijnt naar alle waarschijnlijkheid
zuiver inheemsch te zijn. Zijn begin, ontwikkeling en het algeheele
verdwijnen, kan binnen het Nijldal zelf nagegaan worden, hoewel dit
door verovering, onder de 18e dynastie, tot Syrië doordrong en zelfs
nog verder, om de Egyptische inscripties in dat land te graveeren.
Aan den anderen kant hielden sommige schrijvers het voor mogelijk,
dat de Phoenicische kooplieden en die uit de Aegeïsche Zee, uit het
Egyptische hieratische schrift, het Phoenicische alphabet, ongeveer
1000 v.C., ontwikkeld hebben.
Het hieroglyphisch karakter was oorspronkelijk een beeldenschrift in
zijn eenvoudigste gestalte, doch is meer ingewikkeld geworden in den
tijd, dat men er het eerst kennis mede maakt, n.l. in inscripties,
welke tot de 1e dynastie behooren.
Het onderging weliswaar eenige veranderingen, doch de laatste vorm,
welke het aannam, bleef praktisch onveranderd bestaan vanaf de 4e
dynastie, tot het in de 4e eeuw n.C. geheel verdween. In dien tijd
was alle kennis van de beteekenis der karakters geheel verdwenen
en niet voor de ontdekking van den Steen van Rosette [28] en de
ontcijfering van zijn inscriptie in Grieksch en Egyptisch, kon men
eenige vordering in het lezen van hieroglyphenschrift maken.
De teekens zijn van tweeërlei soort, een n.l. welke klanken aanduidt
en deze is weer in twee soorten onderverdeeld, n.l. de alphabetische
en syllabische, en de andere, welke begrippen voorstelt, de
z.g. ideografische. Deze laatsten zijn afbeeldingen van de voorwerpen,
waarover men spreekt, welke geplaatst worden achter de phonetisch
geschreven woorden, als determinatieve, of typische, symbolen. Deze
laatsten bestaan weder uit twee soorten, z.g. generieke, een aanwijzing
van één klasse, of specifieke, welke een bijzonder voorwerp aanduiden.
Voor de schikking van den tekst is geen bepaalde regel [29]. Men leest
het van rechts naar links, van links naar rechts, of in kolommen;
terwijl het begin daar is, waarheen de vogel- of dierteekens gericht
zijn.
Ongeveer 500 teekens gebruikte men. Hieratisch schrift kan men in de
1e dynastie vinden en dit komt het hieroglyphenschrift zeer nabij;
doch ten tijde van het Midden-Rijk is deze gelijkenis verloren gegaan.
Het handelstijdvak der 26e dynastie bracht den demotischen vorm
meer tot dagelijksch gebruik en vanaf dezen tijd werd het hieratisch
schrift voor het copieeren van godsdienstige, overgeleverde teksten
gebruikt op papyrus en langzamerhand werd het alleen door de geleerden
begrepen, want in den Ptolemaeëntijd werd, ook al werd de tekst van een
koninklijk besluit op een zuil gegrift, welke op een publieke plaats
moest gezet worden, een vertaling van het uitgevaardigde besluit,
in Demotische teekens, er bij gevoegd.
Zuilen met hieroglyphische, Demotische en Grieksche letters, heeft men
gevonden en de meest bekenden van dezen zijn het decreet van Canopu,
uit den tijd van Ptolemaeus III (247 v.C.) en de Steen van Rosette,
welke men stelt in de regeering van Ptolemaeus V Epiphanes, (205 v.C.).
De inscripties van den laatstgenoemden steen verschaften in den
afgeloopen eeuw den sleutel van het geheim van het hieroglyphenschrift
en herstelden de wetenschap der oude Egyptische taal en literatuur.
Zooals wij gezien hebben, was het hieroglyphisch schrijfsysteem,
lang voor het einde der Romeinsche overheersching, in onbruik geraakt
en het wijd en zijd verspreide gebruik van het Latijn en Grieksch,
onder de aristocratische en beambtenklasse, had het verdwijnen van
het Egyptisch, als staatstaal, veroorzaakt.
Dit kwijnde, tegelijk met de bestudeering der hieroglyphen onder
de geleerden en priesters in afgelegen districten, doch in de 4e
en 5e eeuw n.C. was het verdwenen.
Toen vond men in 1799 de Steen van Rosette, met zijn inscriptie,
bestaande uit 14 regels hieroglyphen, 32 regels Demotisch en 54 regels
Grieksch. Door vergelijking en ontcijfering van deze lezingen werd
het Egyptisch alphabet ontdekt en aldus vond men den leiddraad van
de verlorene gegane taal van Egypte.
Aan Akerblad in 1802, Young in 1818 en Champollion in 1822 moet men
de eer geven van deze gewichtige ontdekking, welke de wondervolle
beschaving, kunst en literatuur van een groot volk voor ons
ontsluierde.
Literatuur.
Indien men de bestudeering der Egyptische teksten met een onderzoek
van het Boek der Dooden begint en men zich van diens duistere, hoewel
schilderachtige, bladzijden tot de rest der nationale literatuur
keert, komt men tot ontgoocheling, want het arbeidsveld der Egyptische
letteren toont, hoewel het soms heinde en ver verspreid is, een armoede
aan vinding en woordenkeus, welke men bij weinig literaturen, hetzij
oude, of moderne, aantreft. In de oudste tijden is de stijl, zooals
men verwachten kan, eenvoudig, op het banale af, terwijl later een
hooge en gewichtige voornaamheid maar al te dikwijls datgene bederft,
wat anders verdienstelijk werk had kunnen zijn.
Documenten, van alle denkbare soort, zijn tot ons gekomen, als
brieven van zakenmenschen, wettelijke bescheiden, fragmenten van
geschiedkundige berichten, magische papyri, verder werken over kunst,
theologie en populaire werken, zelfs proza en poëzie.
De meeste standaardwerken, als spreuken, of leerboeken, zooals die,
welke men aan Ptah-hotep en Kagemni toeschrijft, schijnen van hoogen
ouderdom geweest te zijn en dateeren niet later dan het Midden-Rijk.
De stijl van dezen werd door de meeste schrijvers nagevolgd, evenals
de vorm en de kleur van de hieroglyphen en muurschilderingen ijverig
door teekenaars en schrijvers gecopieerd werden.
Amenemhat I schreef een boek, dat op Machiavelli's werk, "de Vorst",
gelijkt; het diende om zijn zoon in de voorschriften van een goed
bestuur te onderrichten en de voorschriften van Ani aan zijn erfgenaam
droegen hetzelfde kenmerk.
In de Egyptische literatuur vinden wij overeenkomst van
woordverbinding, evenals bij de Hebreeuwsche gedichten, en herhalingen
zijn gewoon.
Philosophische verhandelingen schijnen, hoewel ze zeldzaam over zijn,
eenigszins in trek geweest te zijn en de groote levensraadselen
schijnen hierbij in den vorm van een dialoog behandeld te zijn. Een
papyrus uit het Midden-Rijk (circa 2500 v.C.), welke zich thans in
het Berlijnsch Museum bevindt, wisselt breedvoerig van gedachten over
het al dan niet geoorloofd zijn van zelfmoord. De disputeerenden zijn
een man en zijn khu, of tweede ik.
De man in quaestie schijnt van zijn bestaan genoeg te hebben en
heeft het plan opgevat, zichzelf te dooden. Hij is echter voor de
toekomst beducht en schijnt te vreezen, dat zijn lichaam verwaarloosd
zal worden.
In dit dilemma richt hij zich tot zijn khu en smeekt hem dringend,
voor hem de verplichtingen van een verwant te vervullen. De khu echter
weigert botweg dit verzoek en raadt den man aan, zijn verdriet te
vergeten en zijn leven zoo gelukkig mogelijk te maken. De khu beweert
verder, dat na den dood het geheugen van de gestorvenen spoedig
verdwijnt en zelfs monumenten van graniet kunnen dit niet lang bewaren.
De man wijst dezen raad vol bitterheid af en roept uit, dat zijn
verwanten hem verlaten hebben en dat zijn naam volkomen veroordeeld
is; overal worden de fiere zegepraal en de nederige onderdrukt; de
slechten bloeien en algemeen ziet men eerloosheid; rechtvaardige en
tevreden menschen zijn er niet. De dood schijnt hem zeer aangenaam
toe; in zijn kist zal hij omgeven zijn door myrrhe, hij zal in de
koele schaduwen kunnen rusten en offeranden zullen hem gebracht worden.
Na deze uitbarsting weerlegt de khu hem niet langer en verzet zich
niet meer tegen de plannen van den man en belooft hem, dat, wanneer
hij de rust ingegaan is, hij tot hem zal afdalen en zij tezamen een
woonplaats in gereedheid zullen brengen.
De Kat en de Jakhals.
Een andere dergelijke discussie, welke amusanter trekken vertoont,
vindt men in een lateren Demotischen papyrus; deze is wellicht met
Grieksche ideeën geverfd.
Hierbij zijn de disputeerenden een monsterkat, welke de godin Bast
voorstelt en een kleine jakhals. De kat bedient zich van orthodoxe
gezichtspunten en geeft als haar meening ten beste, dat de wereld
door de goden bestuurd wordt; dit kan iemand duidelijk opmaken uit
het feit, dat ondeugd overwonnen wordt en de deugd tenslotte overwint.
Zelfs indien een klein lam onrecht aangedaan wordt, zal het aangedane
geweld op den man, die het aandeed, terugvallen. Ook al wordt de zon
gedurende een tijd door wolken verduisterd, al rolt de donder en al
wordt de zonsopgang door den nevel verduisterd, zal toch het daglicht
tenslotte doorbreken en de vreugde tenslotte overheerschend zijn.
De jakhals aan den anderen kant is een realist. Volgens hem is op
aarde macht recht. De hagedis, beweert hij, verslindt het insect en
wordt op haar beurt de prooi van de vleermuis en deze wordt weer door
de slang verzwolgen en op deze schiet weer de havik neer. De natuur
is steeds in strijd.
Het schema van de redeneering van den jakhals herinnert ons aan een,
welke door Darwin ontwikkeld wordt in zijn theorie over het overleven
van de krachtigste individuen: "De natuur bekommert zich niet om het
leven van een enkele."
Hoe kan nu de zondaar gestraft worden en welke smeekbede kan hem
afschrikken? De strijd tusschen de twee dieren wordt heeter; zij
brengen verschillende spreekwoorden en fabels aan, om de verschillende
punten der discussie te illustreeren en soms ook beginnen zij zich
tegenover de goden zelf te beklagen.
De schrijver heeft klaarblijkelijk een voorliefde voor den jakhals en
diens spitsvondige redeneering brengt de kat soms tot razernij. Het
is echter zeer jammer, dat de tekst slecht overgeleverd is en
verschillende passages buitengewoon duister zijn; doch het verhaal
kan dienen als een oud voorbeeld voor den nooit eindigenden strijd
tusschen den optimist en pessimist.
Reisverhalen.
De interessantste passages in de Egyptische literatuur zijn die,
welke zich met reizen en avonturen bezighouden. De inboorlingen van
Egypte waren in het geheel geen reizigers en beperkten hun reizen
voor het meerendeel tot den omtrek van hun eigen land en soms zelfs
tot hun eigen nomen, of provincies.
Het leek hun een heele onderneming, de oevers van Khemi te
overschrijden. Het was echter noodzakelijk, dat er gezanten gezonden
werden naar de omliggende staten en dat de opgelegde belasting
ingevorderd werd. Toen de voordeelen van den handel meer en meer
in het oog vielen, baanden de kooplieden zich meer een weg naar de
naburige landen en misdadigers onttrokken zich door de vlucht aan hun
straf. Zij, die een tijd op reis waren geweest, hadden de gewoonte,
hun vrienden en buren bij zich te vereenigen en hen op een verhaal
van hun wederwaardigheden te onthalen. Sommige van deze verhalen zijn
in den besten stijl van John Maundeville geschreven, terwijl andere
eenvoudige en nauwkeurige verhalen van mogelijke gebeurtenissen zijn.
De Geschiedenis van Saneha.
Een van dezen, de geschiedenis van Saneha, dateert uit het Midden-Rijk
en was gedurende minstens 1000 jaar zeer populair. Het is onbekend,
of de hoofdpersoon werkelijk bestaan heeft, of gefingeerd is, daar
de naam in dien tijd een heel gewone was.
Saneha nu was een ambtenaar onder den eersten koning der 12e
dynastie, Amenemhat I. Toen Amenemhat stierf en zijn zoon Senusert
I [30] den troon beklom, verborg hij zich, op gevaar af ontdekt te
worden, op een plaats, waar dichtbij een zeker gezantschap in het
geheim ontvangen werd, terwijl zijn koninklijke gebieder wenschte,
dat het daar behandelde onbekend zou blijven. Uit vrees, dat iemand
hem zou gezien hebben, vluchtte hij naar het Oosten, naar de overzijde
van de Delta, ging zelfs over de grens, reisde naar de Bittere Meren
en hier werd hij door dorst gekweld.
Hij voelde, dat hij spoedig van dorst sterven zou, maar hij riep al
zijn geestkracht te hulp, haastte zich verder te komen, hoorde het
loeien van een koe en begaf zich in die richting.
Hij zag daarop een koeherder, een man uit de woestijn; deze gaf hem
water en gekookte melk en een onderdak onder zijn stam. Saneha echter
beschouwde zichzelf niet veilig, indien hij nog dicht bij de grens was
en ging verder, naar Boven-Tenu, misschien het Zuiden van Palestina.
Hier ontmoette hij een stam en leefde geruimen tijd onder deze, huwde
de oudste dochter van hun opperhoofd, werd rijk aan vee en land en
genoot bij hen hooge onderscheiding.
Toen hij echter wat ouder werd, beving hem een vurig verlangen,
nog eenmaal zijn Egyptisch vaderland te zien. Met koning Senusert
werden onderhandelingen aangeknoopt en deze stond Saneha toe,
terug te keeren. De koning ontving hem zeer vriendelijk en zijn
Bedouïne-kleeding werd voor kostbare Egyptische kleeren verruild. Een
prachtig graf werd voor hem gebouwd en nog eens genoot hij de gunst
van den koning.
De papyrus, waarin dit verhaal voorkomt, is van groote waarde, door de
levendige beschrijving van het leven der stammen, in Zuid-Palestina,
de plundertochten der verschillende volken en het schilderachtig
barbarendom der nomaden. Het verhaal wordt echter dikwijls, door
storende lofredenen op den koning van Egypte, onderbroken.
De Geschiedenis van den Zeeman, die schipbreuk leed.
Een verhaal uit de 12e dynastie, bekend als de geschiedenis van
den schipbreukeling, dat bewaard wordt in de Hermitage Verzameling
in Petrograd, vormt hiermede een groote tegenstelling.
Een reizend zeeman, die zijn avonturen aan een meerdere vertelt,
verzoekt dezen bij den Pharaoh toegelaten te worden. Zijn meester
wilde aan de geschiedenis geen geloof slaan, doch de man verzekerde,
dat deze de zuivere waarheid bevatte.
Hij vertelde dan, dat hij een contract aangegaan had, om in de mijnen
van den koning te werken; hij had zich daarom ingescheept op een
vaartuig, dat 150 el lang en 40 el breed was, bemand met de beste
zeelui uit geheel Egypte; hun harten waren sterk, als van leeuwen en
zij waren gewoon ontberingen te lijden.
Zij lachten bij de gedachte aan storm, doch toen zij het land naderden,
zie, daar stak een heftige wind op en reusachtige golven beukten het
schip. De zeeman pakte een stuk hout beet en dat was niets te vroeg,
want het schip verging en alle opvarenden verdronken.
Drie dagen lang dobberde hij op de golven en hierna werd hij op een
eiland aan land geworpen; hier kroop hij in de schaduw van eenige
struiken, waaraan vijgen en druiven groeiden.
Ook slaagde hij erin, meloenen, bessen en graan te vinden en wist
hij visschen en vogels te vangen. Besloten daar een tijd te blijven,
groef hij een put, stak een vuur aan en bracht een offer aan de goden.
Plotseling deed een vreeselijk lawaai, dat op het gerommel van
den donder geleek, hem uit zijn rustige stemming opschrikken. In
den beginne dacht hij, dat dit het lawaai van den storm was, doch
eindelijk bemerkte hij, dat de boomen schudden en dat de aarde hevig
geschokt werd.
Juist voor hem lag een groote slang, dertig el lang, met een baard
van een lengte van twee el; zijn rug was met gouden schubben bedekt
en zijn lichaam had een kleur van lapis-lazuli.
Hevig verschrikt, wierp de zeeman zich voor het monster ter aarde;
dit keek hem een oogenblik met zijn vreeselijke oogen aan, opende
hierop zijn reusachtige kaken en sprak hem alsvolgt aan:
"Wat heeft u naar dit eiland gevoerd, gij nietig wezen? Spreek snel
en als gij niet iets bericht, waarvan ik nooit tevoren hoorde, of
wat ik nooit tevoren kende, zult gij evenals vuur verdwijnen".
Zonder dat het den zeeman tijd gaf, om te antwoorden, tilde het hem
in zijn bek op, bracht het naar zijn leger en legde hem daar, zonder
hem verder kwaad te doen, zacht neer.
Nog eens vroeg de slang hem, welke macht hem naar dit eiland
gebracht had en de zeeman, over alle ledematen bevend, vertelde,
dat hij schipbreuk had geleden, toen hij op weg was naar de mijnen
van den Pharaoh.
Toen de slang dit hoorde, spoorde zij hem aan, goeden moed te
houden en niet bevreesd te zijn; God had hem naar een gelukzalig
eiland gebracht, waar aan niets gebrek was en alles vol goede gaven
was. Binnen vier maanden zou er een schip komen, om hem te halen;
dan zou hij naar Egypte terug kunnen keeren en zou hij in zijn eigen
stad kunnen sterven. Om hem op te monteren, beschreef het monster
hem het geheele eiland.
De bevolking hiervan bestond uit 75 slangen, oude en jonge, en deze
wezens leefden in harmonie en overvloed.
De zeeman, van zijn kant, was niets minder vriendelijk en, goed gestemd
als hij was, bood hij de slang aan, den Pharaoh de aanwezigheid van en
den toestand op het eiland, te verhalen; hij beloofde aan het monster,
het persoonlijk offers te zullen brengen, bestaande uit heilige olie,
reukwerken en wierook, waarmede men de goden vereerde. Eveneens zou
hij ezels voor hem, als offerdieren, slachten, vogels voor hem plukken
en hem schepen, vol met schatten uit Egypte, brengen.
Hierop lachte de slang op toegeeflijke en eenigszins minachtende
wijze. "Vertel mij niet", aldus sprak zij, "dat gij rijk zijt aan
reukwerken, want ik weet, dat alles slechts gewone wierook is, welke
gij hebt. Ik ben vorst van het land Punt en bezit zooveel reukwerk,
als ik verlang; laat mij u verder vertellen, dat, als gij van hier
vertrokken zijt, gij dit land nooit meer zien zult, want het zal door
de golven verzwolgen worden".
Het schip naderde het eiland op den bepaalden tijd, zooals de slang
voorspeld had en de zeeman klom in een boom, om te zien, door welke
lieden het bemand was. Toen het de kust naderde, zei de slang hem
vaarwel, voorzag hem met gaven, bestaande uit kostbare reukwerken,
welriekend hout, cassia, wierook, ivoren slagtanden, apen, bananen,
kortom allerlei soort kostbare koopwaren.
Terwijl hij dezen in het schip laadde, vertelde de genius van het
eiland hem ten slotte, dat hij binnen twee maanden zijn vrouw en
kinderen zou terugzien. De geredde zeeman voer daarna, door Nubië,
den Nijl af, naar de residentie van den Pharaoh en het verhaal eindigt
met het verzoek van den verteller aan zijn kapitein, hem een geleide
te geven, om zich aan den Pharaoh voor te stellen en dezen zijn
geschiedenis te verhalen.
Het eiland nu, waar hij schipbreuk geleden had, was dat van de Ka,
d.w.z. de Ziel. Zulk een geschiedenis kon in de oogen der Egyptenaren
in het geheel niet verbazingwekkend schijnen, daar onder hen zulke
romantische verhalen heel gewoon waren. Dezen waren inderdaad zoo
menigvuldig en zulke ongerijmde mededeelingen verspreidden zij,
dat wij in een papyrus uit Londen, uit plm. 1250 v.C., den spotgeest
tegen hen in beweging gebracht vinden; deze bevat het verhaal over
een denkbeeldige reis, door Palestina en Phoenicië; het doel hiervan
is niet de beschrijving der reis zelf, doch de gekunsteldheid en de
ongerijmdheden van de populaire romans uit die dagen belachelijk te
maken en te bespotten.
De Fabel van het Hoofd en de Maag.
Romantische verhalen over het Egyptische leven, zooals die, welke
zich met koning Rhampsinitus bezighouden en welke men elders in dit
boek vindt, komen veelvuldig voor.
Een papyrus, uit plm. 1250 v.C., heeft, als achtergrond, den oorlog
tegen de Hyksos en beschrijft een ontmoeting tusschen twee vorsten,
die tegen elkander strijden, n.1. Apepi, aanvoerder der Hyksos en
Ra-sekenen, den nationalen vorst, die in Boven-Egypte woont. Zij
geven raadsels aan elkaar op en van de oplossing hiervan, hangt het
lot van één hunner af.
Fabels waren verder in het Nijldal, vanaf een vroeg tijdstip,
zeer populair. In het Turijnsch Museum komt een voorbeeld hiervan,
dateerende uit plm. 1000 v.C., voor; deze fabel is op kleine tafels
geschilderd en bevat het verhaal van het dispuut tusschen het hoofd
en de maag.
Het hof der dertig, het hoogste gerechtshof van Egypte, is
vergaderd. De maag bepleit het eerst haar zaak, doch hier is het
document gebrekkig overgeleverd. Wij bezitten echter het antwoord
van het hoofd; dit tracht, door een grooten omhaal van woorden,
te bewijzen, dat het de voornaamste bron van het licht is, dat door
het geheele huis schittert. Het is het oog, dat ziet, de mond, welke
spreekt en de neus, welke ademhaalt. De rest van de verhandeling en
de uitspraak zijn ongelukkigerwijze corrupt.
Het is echter belangrijk, met dezen ouden voorvader van de wijd en zijd
verspreide fabel van den strijd tusschen de maag en de leden kennis
te maken; men denke slechts aan het verhaal van Menenius Agrippa,
die deze fabel, in 494 v.C., aan de Romeinsche plebs vertelde, toen
deze er over dacht, Rome voor goed te verlaten, als een symbool,
wat er zou gebeuren, als zij tot het uiterste vervielen.
Dit is tevens een doorslaand bewijs, dat het populaire verhaal,
evenals een wet, een levensadem over verscheidene eeuwen heeft en
dat het, in één bepaald land ontstaan, langzamerhand het eigendom
van verscheidene andere wordt.
Dikwijls heeft men zelfs willen vaststellen, dat de fabels van Aesopus
naar alle waarschijnlijkheid in Egypte ontstaan zijn, daar dit het
land der dierenvereering is en het is zeer zeker opmerkelijk, dat in
den Leidschen Demotischen papyrus wij de fabel van de dankbare muis
en de leeuw, welke in netten verstrikt is, tegenkomen. Deze papyrus
dateert echter uit de Christelijke tijdrekening en is waarschijnlijk
Grieksch van opzet.
Wij vinden echter geschiedenissen van dieren, welke geheel en al als
menschelijke wezens handelen, zich met spelen vermaken, slaags raken,
evenals wij in de folklore van barbaarsche volken zien. Lepsius
vermoedt, dat de bedoeling van dezen een satirische is.
De Berisping van Amasis.
In een papyrus, uit den tijd der Ptolemaeën, vinden wij het oude
hulpmiddel, een koning te berispen, door hem een passende geschiedenis
te vertellen.
De vorst in kwestie was Amasis (plm. 526 v.C.), een pretlievend
heerscher, die al te gaarne en te dikwijls zich aan het drinken van
een drank, kelebi genaamd, overgaf.
Het geschiedde op zekeren dag, dat hij tot zijn edelen sprak:
"Ik heb er veel plezier in, Egyptischen kelebi te drinken". Zij
spraken: "Machtig heerscher, het is moeilijk, Egyptischen kelebi te
drinken". Hij zeide daarop tot hen: "Heeft dat, waarover ik spreek,
een slechten smaak?" Zij antwoordden: "Machtig heerscher, laat onze
koning doen, waarin hij behagen schept".
De koning beval hierop: "Laat er Egyptische kelebi naar het meer
gebracht worden"; zij deden hierop overeenkomstig den wil van den
koning.
De koning wiesch zich daarna met zijn kinderen en er werd hem geen
anderen wijn dan kelebi voorgezet. De koning vierde nu met zijn
kinderen feest, hij dronk veel wijn, door zijn voorliefde voor den
kelebi; op den avond van dien dag, viel de koning bij het meer in
slaap, want hij had een rustbank, in een prieël, op den oever van
het meer, laten plaatsen.
Toen de morgenschemering aanbrak, kon de koning, door de
slaperigheid, tengevolge van het drinkgelag, niet opstaan. Toen er
een uur voorbijgegaan was en hij nog niet op kon staan, begonnen de
hovelingen te klagen en zeiden: "Kunnen zulke dingen bestaan? Zie,
de koning bedrinkt zich, evenals een man uit het volk. Een man uit
het volk kan niet bij den koning komen, om over zaken te spreken".
Daarna gingen de hovelingen naar de plaats, waar de koning lag en
zeiden: "O machtige heerscher, welke wensch koestert de koning?" De
koning antwoordde: "Het is mijn wensch en genoegen, mijzelf dronken te
maken. Is er onder u niemand, die mij een geschiedenis kan vertellen,
welke mij uit den slaap kan houden?"
Nu bevond er zich onder de hovelingen een hoog ambtenaar, Peun
genaamd; deze kende vele verhalen. Hij ging voor den koning staan en
begon aldus te vertellen: "Machtige koning, kent gij de geschiedenis
van den jongen zeeman niet? In de dagen van Psammetichus leefde een
jong zeeman en deze was gehuwd. Een ander zeeman werd op de vrouw van
eerstgenoemden verliefd en zij beantwoordde zijn liefde. Het gebeurde
nu, dat de koning hem tot zich riep. Toen het feest voorbij was,
beving hem een groote begeerte (hier volgt in den tekst een hiaat)
en hij wenschte nogmaals naar den koning te gaan. Hij keerde naar
huis terug, wiesch zichzelf met zijn vrouw, doch kon niet als vroeger
drinken. Toen het tijd geworden was te gaan slapen, kon hij den slaap
niet vatten, vanwege het groote verdriet, dat hem drukte. Daarop
vroeg zijn vrouw hem: "Wat is bij u de rivier overkomen?".....
Het is ten zeerste te bejammeren, dat de rest van den tekst hier
ontbreekt en wij niet nauwkeurig kunnen vertellen, op welke wijze het
verhaal van datgene, wat koning Psammetichus overkwam, Amasis stichtte.
Tooververhalen.
Zooals men verwachten kan, houdt een zeer groot aantal Egyptische
verhalen zich met tooverkunsten op. Voornamelijk is dit het geval
met den Westcar papyrus, uit plm. 1800 v.C., welke zich thans in het
museum te Berlijn bevindt.
Ongelukkigerwijze zijn het begin en einde van het manuscript gebrekkig
tot ons gekomen, doch het overblijvende is voldoende, om ons een
indruk te geven aangaande den opzet van het geheel.
Het verhaalt dan, hoe Khufu, of Cheops, de bekende stichter van de
groote pyramide bij Gizeh, zijn zoons en raadslieden rondom zich
verzamelde en hen vroeg, of iemand van hen in staat was, hem een man
aan te wijzen, die hem tooververhalen vertellen kon.
Zijn zoon, Khafra, vertelde, dat hij met zulk een verhaal bekend was;
dit was uit de dagen van 's konings voorvader Nebka overgeleverd en
behandelde datgene, wat hem overkomen was, toen hij naar den tempel
van Ptah van Ankhtaui ging. Op zijn weg naar den tempel, wendde hij
zich zijwaarts, om Uba-aner, zijn hoofd-voorlezer te bezoeken. Hij werd
door zijn gevolg vergezeld en hieronder bevond zich een page; op dezen
werd de vrouw van Uba-aner verliefd en zij zond een dienares naar hem
toe, met een kist vol prachtige kleeren ten geschenke. Zij ontmoetten
elkaar daarna, in het geheim, in een zomerhuis, of paviljoen, in den
tuin van Uba-aner en hier dronken ze wijn en waren vroolijk.
De hofmeester van het huis echter, achtte het zijn plicht, zijn meester
over deze dingen in te lichten en Uba-aner, een man in tooverkunst
ervaren, besloot zich hierop te wreken.
Hij vroeg om zijn kistje, uit ebbenhout en barnsteen vervaardigd
en toen men hem dit gebracht had, maakte hij een krokodil van was,
7 vingers lang en sprak over dezen een tooverformule uit.
Tegen den avond ging de page naar het meer, dat in den tuin was, om
een bad te nemen; hierop wierp de hofmeester, volgens de bevelen van
zijn meester, den krokodil van was achter hem. Plotseling werd deze
een groote krokodil, zeven el lang, opende zijn vreeselijken bek,
pakte den page beet en sleurde hem mede naar beneden.
Gedurende dezen tijd had de koning bij Uba-aner vertoefd en na verloop
van 7 dagen ging hij weer weg. Toen hij op het punt stond, het huis
te verlaten, verzocht Uba-aner hem, te komen zien, welk wonder er
plaats gegrepen had. Zij gingen naar den oever van het meer, de
voorlezer riep den krokodil en deze rees terstond uit het water op,
terwijl hij den page vasthield.
"O koning, sprak Uba-aner, deze krokodil zal alles volbrengen,
wat ik wensch". De koning verzocht, dat het dier naar het water zou
terugkeeren, doch Uba-aner tilde den krokodil met zijn hand op en
veranderde hem terstond weer in was.
Daarop lichtte hij den koning over het gebeurde tusschen den page
en zijn vrouw in en de vorst beval, verontwaardigd, den krokodil,
nogmaals den page te grijpen; deze voerde het bevel terstond uit, dook
met zijn prooi onder water en verdween voor altijd. Nebka beval verder,
dat de vrouw verbrand en haar asch in de rivier gestrooid zou worden.
Khufu schepte zoozeer in dit verhaal behagen, dat hij beval, dat de
schim van Nebka met duizend brooden, honderd teugen bier, een os en
twee kruiken wierook begiftigd zou worden en dat de ka van Uba-aner
één brood, een kruik bier, een kruik wierook en een portie meel
zou ontvangen.
De scheiding van het Water.
Een andere zoon van den koning vertelde hierop een wonderbare
geschiedenis, welke in de dagen van koning Seneferu plaats vond.
Seneferu zocht, daar hij zich buitengewoon lusteloos gevoelde en
zich verveelde, in ieder vertrek van zijn paleis iets, om zich te
amuseeren, doch tevergeefs. Daarom liet hij Zazamankh, zijn voorlezer
en schrijver, roepen en hij verklaarde hem zijn toestand.
Zazamankh gaf den koning den raad, een boot te laten klaarmaken en
op het meer, voor 't paleis, zich op en neer te laten roeien op het
spiegelgladde watervlak, door de koninklijke vrouwen.
Hij vroeg om twintig roeiriemen, met goud ingelegd, van bladen uit
licht hout, met barnsteen ingelegd, vervaardigd. Dezen moesten door
twintig vrouwen geroeid worden.
Het hart van den koning verheugde zich over deze oefening, doch een
van de vrouwen, die de boot stuurde, verloor een juweel van malachiet
uit heur haar.
Onmiddellijk hield zij met haar gezang op en eveneens haar
metgezellinnen en zij hielden met roeien op. Seneferu vroeg de reden
en zij antwoordden: "De vrouw, die stuurt, roeit niet". De koning
wendde zich daarop naar de vrouw, die haar juweel verloren had en
vroeg haar, waarom zij niet roeide.
"Helaas!" antwoordde zij, "mijn juweel van malachiet is in 't water
gevallen en mijn hart is daarover bedroefd". De koning verzocht haar,
zich het geval niet al te zeer aan te trekken en beloofde haar een
ander er voor in de plaats te zullen geven. Doch op kinderlijke wijze
verlangde zij haar eigen juweel terug.
De koning liet thans Zazamankh halen en legde hem de zaak bloot. Deze
sprak een krachtige tooverformule uit en zie, het eene deel der
wateren werd op het andere gestapeld, zoodat de koning en de roeisters,
ver onder hen, het juweel op een stuk aardewerk zagen liggen.
Zazamankh klom hierna uit de boot, bracht het juweel in veiligheid
en overhandigde het aan zijn eigenares; hierop beval hij de wateren,
weer naar hun plaats terug te keeren.
Deze verrassende daad beurde de harten van het geheele gezelschap op,
zoodat zij een vroolijken middag doorbrachten en Zazamankh werd voor
zijn tooverkunsten rijkelijk beloond.
De Pharaoh schepte in dit verhaal zoo'n behagen, dat hij het bevel
uitvaardigde, aan de schim van Seneferu een offer te brengen, gelijk
aan dat van Nebka en tevens, dat de ka van Zazamankh een brood,
een kruik bier en een kruik wierook ontvangen zou.
De Profetie van Dedi.
Een derde zoon beweerde, dat hij in 't geheel niet verhalen uit
ver vervlogen tijden verhalen wilde, doch dat hij in staat was, een
toovergeschiedenis te vertellen van een man, die in den tegenwoordigen
tijd leefde.
Zijn naam was Dedi en hij woonde te Dedsneferu. Hij was 110 jaar en
at dagelijks 500 brooden en een groot stuk rundvleesch en dronk een
honderd teugen bier. Zoo groot was zijn tooverkunst, dat, als het hoofd
van een mensch afgesneden was, Dedi hem het leven kon hergeven. Hij
kon verder wilde dieren temmen en kende den plattegrond van het huis
van Thoth.
De koning, Khufu, nu wenschte den plattegrond te kennen, daar deze hem
misschien bij den bouw van zijn pyramide van dienst kon zijn. Khufu
beval terstond zijn zoon, Dedi bij hem te brengen en de prins, wiens
naam Hordedef [31] was, ging met zijn schip Nijlopwaarts tot de plaats,
waar de beroemde toovenaar leefde.
In een draagstoel werd hij naar het huis van Dedi gebracht en dezen
vond hij, op een rustbed liggend, bij zijn deur, terwijl hij door
zijn dienaren gemasseerd werd.
Hordedef vertelde hem, dat hij van verre gekomen was, om hem naar
zijn vader, Khufu, te brengen. Dedi beantwoordde hem met een eervolle
begroeting en tezamen gingen zij naar het schip, dat den prins daarheen
gevoerd had. Dedi verzocht, hem een boot te geven en tevens, dat zijn
jongelingen en boeken hem gebracht zouden worden.
Twee booten werden hem gegeven, waarin dezen geborgen werden en Dedi
zelf zat in het schip van den prins. Zonder ongelukken bereikten zij
het paleis en hier berichtte Hordedef den koning, dat hij den ouden
toovenaar medegebracht had.
De Pharaoh beval, hem terstond bij zich te brengen en toen hij
gekomen was, vroeg hij, hoe het kwam, dat hij nooit tevoren van
hem gehoord had. Dedi antwoordde: "Hij alleen, die geroepen wordt,
komt; de koning roept en zie, ik kom". Khufu vroeg hem daarop: "Is
het waar, wat men u verhaalt, dat gij, als het hoofd van een mensch,
of dier, afgesneden is, hen weer in het leven kunt terugroepen?" Dedi
antwoordde bevestigend.
De koning wilde daarop een gevangene voor zich laten brengen, doch
Dedi verzocht, dat men voor dit doel geen man zou gebruiken en zeide:
"Wij hebben hiervoor niet eens een stuk van uw rundvee noodig".
Men bracht hem hierop een eend en deze werd den kop afgesneden; haar
lichaam werd aan den West-kant van de hal gelegd en haar kop aan den
Oost-kant. Dedi sprak thans eenige tooverwoorden uit en zie, de kop van
den vogel en het lichaam naderden elkaar en vereenigden zich, de eend
stond op en kwaakte! Daarna deed hij hetzelfde met een gans en een os.
Khufu, over het succes van deze proeven verheugd, vroeg daarna Dedi,
of hij de afmetingen van het Huis van Thoth kende.
De toovenaar antwoordde, dat hij het getal hiervan weliswaar niet
kende, doch dat hij wel wist, waar zij waren.
De Pharaoh vroeg toen, of hij de plaats kende, waar zij verborgen
waren en hoorde, dat zich in een kamer te Heliopolis, de schetsenkamer
genaamd, een kast van slijpsteen bevond, waarin de afbeeldingen
verborgen waren, doch Dedi voegde er terstond aan toe: "O koning,
niet ik zal u bij dezen brengen". "Wie zal dan", vroeg Khufu,
"mij daarheen geleiden?" Het antwoord van Dedi luidde: "De oudste
van de kinderen van Rud-didet zal u tot hen brengen". "Wie is
Rud-didet?" vroeg Khufu. "Zij is de vrouw van een priester van Ra,
heerscher van Sakhebu. Haar drie zonen zijn de zonen van Ra, den god
en deze heeft hun beloofd, dat zij over dit geheele land regeeren
zullen en dat de oudste hoogepriester in Heliopolis zou worden".
Op het hooren hiervan, werd het hart van den koning zeer in verwarring
gebracht en Dedi, die zag, dat de koning voor de toekomst bevreesd
was, sprak tot hem: "Wees niet bevreesd over hetgeen ik gezegd heb,
o koning, want uw zoon zal heerschen en diens zoons, voordat de zoons
van Rud-didet zullen regeeren; dit kroost van Ra is nog niet geboren!
Khufu gaf daarop den wensch te kennen, den tempel van Ra te bezoeken,
wanneer de dammen van het kanaal van Letopolis opengelegd waren en
Dedi beloofde, dat de oevers van het kanaal tenminste 4 el water
zouden bevatten.
De toovenaar werd daarna in het paleis van Hordedef gehuisvest en
dagelijks van 1000 brooden, honderd teugen bier, een os en honderd
bossen uien voorzien.
Het Bezoek der Godinnen.
Toen de zoons van Ra en Rud-didet nu geboren waren, vroeg deze
god Isis, Nebhat, Meshkent, Hakt en Khnumu, naar haar toe te gaan
en terwijl zij allen de gedaante van danseressen aannamen, behalve
Khnumu, die haar als drager volgde, daalden zij naar de aarde af en
begaven zich naar het huis van den priester Ra-user, den echtgenoot
van Rud-didet en speelden voor hem op hare muziekinstrumenten.
Zij begiftigden de kinderen met verschillende eigenschappen en
noemden hen User-ref, Sah-ra en Kaku. Hierop verlieten zij het huis en
wenschten Ra-User geluk. Als belooning voor haar goede wenschen, gaf
hij haar een schepel gerst en Khnumu plaatste deze op zijn hoofd. Toen
zij echter op weg waren naar hun goddelijke woonplaats, zei Isis tot
de anderen: Zou het niet beter geweest zijn, indien wij een wonder
voor deze kinderen verricht hadden? De anderen vonden dit eveneens
en terstond maakten zij een afbeelding van de kronen van Egypte, van
de kroon van het Boven-land en van de kroon van het Beneden-land en
verborgen dezen in het schepel gerst.
Daarna keerden zij naar het huis van Ra-user terug en vroegen
toestemming, de gerst in een afgesloten kamer achter te laten, deze
verzegelden zij en namen hierop afscheid.
Eenige weken later vroeg Rud-didet haar kamenier, of het huis en alles,
wat zich daarin bevond, zich in goeden toestand bevond; de kamenier
antwoordde, dat alles in voldoende hoeveelheid voorhanden was; alleen
de gerst, om te brouwen, was nog niet gebracht.
Haar meesteres vroeg haar daarna, waarom dit niet geschied was;
de vrouw antwoordde, dat de voorraad aan de danseressen, die op den
geboortedag van haar kinderen gekomen waren, gegeven was, doch dat
deze nog in de afgesloten kamer lag, door haar verzegeld.
Rud-didet beval daarop deze voor het oogenblik te gebruiken; Ra-user
zou het voor haar terugkeer wel kunnen teruggeven.
Het meisje opende de kamer en was, toen zij de kamer binnentrad, ten
hoogste verbaasd, menschen te hooren praten en zingen; ja, zij hoorde
zelfs muziek en het geluid van dansen, zooals men in het paleis van
den koning hoort.
Terstond keerde zij naar haar meesteres terug en vertelde haar,
wat zij gehoord had. Rud-didet trad thans zelf de kamer binnen en
hoorde eveneens de geluiden, doch kon de plaats, vanwaar zij kwamen,
niet direct vinden. Ten laatste legde zij haar oor tegen den zak,
welke de gerst bevatte en bevond, dat het geluid hieruit kwam.
Terstond deed zij den zak in een kist en plaatste deze voor alle
zekerheid nog in een andere kist, bekleedde deze met leer en plaatste
deze in een voorraadkamer, terwijl zij haar bovendien, uit voorzorg,
verzegelde; toen Ra-user terugkeerde, vertelde zij hem wat er
voorgevallen was.
Eenige dagen later berispte Rud-didet, om een af andere reden, haar
dienstmaagd en liet haar zelfs slaag geven; de meid morde en zei tot
haar metgezellinnen: "Waarom moet ik me dit laten welgevallen? Ik
zal naar koning Khufu gaan en hem vertellen, dat de drie zonen van
mijn meesteres bestemd zijn, koning te worden."
Zij nam hierop haar oom in vertrouwen; deze echter wilde naar haar
verraad niet luisteren en gaf haar zelfs een slag met een bundel vlas,
welke hij toevallig in de hand had.
Daar zij zich uitgeput voelde, ging zij naar de rivier, om een teug
water te drinken; zij werd echter door een krokodil gegrepen, die
haar meesleurde.
Haar oom bracht daarop een bezoek bij Rud-didet en vond haar in zeer
neerslachtigen toestand. Hij vroeg haar, waarom zij zoo terneergeslagen
was en zij antwoordde, dat zij verraad van de zijde van haar kamenier
vreesde.
"Gij behoeft niet meer voor haar te vreezen", antwoordde de man,
"want zij is door een krokodil gegrepen."
Hier laat het manuscript ons in den steek. Het is te bejammeren, dat
een zoo interessante huishoudelijke passage voor ons niet gespaard is.
De drie koningen, wier namen in de geschiedenis als de drie zonen
van Rud-didet verschijnen, regeerden onder de 5e dynastie, zoodat
men moeilijk kan aannemen, dat zij in de 4e geboren kunnen zijn.
Misschien heeft het verhaal de officieele aanneming van de Ra-vereering
in Egypte tot grondslag. Men kan opmerken, dat de drie werkelijke namen
van de drie kinderen, User-ref, Sah-ra en Kaku, als een woordspeling
op de namen van de eerste drie koningen van de 5e dynastie, User-kaf,
Sahu-ra en Kaka, bedoeld zijn.
De geschiedenis van kinderen, die door het noodlot aangewezen waren,
den troon te bestijgen, komt in alle mythologieën voor en het is
onvermijdelijk, dat de vorst, wiens geslacht door hen vernietigd zal
worden, een poging doet, om hen te vernietigen, terwijl zij nog in de
wieg liggen. De Grieksche Danaë-mythe en de oude romance van Torrent
van Portugal zijn voorbeelden hiervan. De middeleeuwsche romantiek is
inderdaad vol van zulke geschiedenissen, doch dit is waarschijnlijk
het oudste voorbeeld, dat wij kennen.
Lyriek en Volks-poëzie.
Egypte was niet zonder lyriek en volks-poëzie; de romantiek was echter
niet het fort der Egyptenaren.
Het is echter opmerkelijk, dat de meeste Oostersche volkeren onder
hun werk zingen en het zou vreemd zijn, indien de werkman, aan de
oevers van den Nijl, dit niet eveneens gedaan zou hebben.
De fellah, van onze dagen, zingt op eentonige wijze en zonder ophouden,
terwijl hij zwaren arbeid verricht, en dezelfde woorden en muziek
telkens en telkens herhaalt; de schrijvers van het oude Egypte echter,
beschouwden den volkszang als ongeschikt, aan het nageslacht over
te leveren.
Soms kan men een gezang op de inscriptie van een muur terugvinden. De
schaapherder, die door de half ondergeloopen velden waadt en zijn kudde
voor zich uitdrijft, zingt: "In het water wandelt de schaapherder,
temidden der visschen. Hij spreekt met de katvisch; met de visschen
wisselt hij een groet".
Wij bezitten tevens een dorschlied, dat aldus luidt: "Dorsch, o
os; dorsch voor u zelf. Dorsch stroo voor uw voer en graan voor uw
meester. Rust niet, want de lucht is vandaag koel".
Ook eenige minneliederen zijn over. Dezen waren waarschijnlijk zeer
talrijk. Voor het meerendeel zijn zij heftig en hartstochtelijk. Drie
collecties minneliederen, ongeveer uit 1200 v.C., zijn opgegraven;
een van dezen wordt door een papyrus, welke zich thans in het Britsch
Museum bevindt, ingenomen.
Op een zuil, in het Louvre, wordt de lof van de vrouw van een koning,
plm. uit 't jaar 700 v.C., aldus bezongen:
"Zij is bevallig en lieflijk in tegenwoordigheid van den koning,
bevallig en lieflijk voor alle menschen; de beminde boven alle vrouwen,
de dochter van den koning, die bevallig en lieflijk is. De schoonste
onder de vrouwen, een meisje, wiens gelijke men nooit zag. Heur
haar is donkerder dan de duistere nacht, donkerder dan de bes van
de zwarte aalbessenstruik. Haar tanden zijn harder dan de vuursteen
aan den sikkel, elk van haar borsten is een krans van bloemen, zich
strak aan haar arm zich aansluitend".
De ware Geschiedenis van Setne en zijn zoon Se-Osiris [32].
Deze bovenstaande geschiedenis werd ontdekt, op papyri geschreven,
welke tot het Britsch museum behooren. In 1900 werd een Engelsche
vertaling door Griffiths uitgegeven en in 1901 een Fransche, door
Maspero. Zij is geschreven aan de achterzijde van eenige Grieksche
officieele documenten en dateert uit het 7e jaar van Claudius'
regeering.
De papyrus is zeer verwaarloosd en beplakt; hij is incompleet en het
begin der geschiedenis is verdwenen. Men zou uit het schrift kunnen
vermoeden, dat de copie tot de 2e helft van de tweede eeuw van onze
jaartelling behoort. De Setne, waarover gesproken wordt, is dezelfde,
die in de geschiedenis van Setne en de Mummies voorkomt, waarover in
het hoofdstuk over de Magie verhaald wordt.
Er leefde eens een koning, Ousimares genaamd en hij had een zoon,
Setne. Deze zoon was een schrijver, zeer bekwaam met zijn handen in
alle dingen en hij muntte boven alle mannen, die in kunst volleerd
waren en onder de bekende schrijvers van Egypte, uit.
Het gebeurde nu, dat de bestuurders van een vreemd land een bode
naar den Pharaoh zonden en hem uitdaagden, iemand te vinden, die een
bepaald iets, onder bepaalde omstandigheden kon verrichten. Indien
dit gedaan werd, zouden de bestuurders de minderheid van hun land,
ten opzichte van Egypte, erkennen; doch indien, aan den anderen kant,
geen enkele schrijver of wijs man, dit kon vervullen, dan zouden zij
de minderheid van Egypte uitroepen.
Ousimares riep thans zijn zoon Setne en herhaalde deze woorden; Setne
antwoordde terstond op datgene, wat de aanvoerders opgegeven hadden,
zoodat de laatsten genoodzaakt werden, de voorwaarden uit te voeren
en de superioriteit van Egypte te erkennen. Aldus werden zij van hun
triumf beroofd, zoo groot was de wijsheid van Setne en niemand dorst
nog eens zulke boodschappen naar den Pharaoh te zenden.
Setne nu en zijn vrouw, Mahitouaskhit, waren zeer verdrietig, want
zij hadden geen zoon. Op zekeren dag was hij, meer dan gewoonlijk,
verdrietig; zijn vrouw begaf zich daarom naar den tempel van Imhetep
en bad tot hem alsvolgt: "Wend Uw gezicht tot mij, Imhetep, zoon van
Ptah, Gij, die wonderen verricht en die wel doet in alle opzichten. Gij
kunt een zoon geven aan hen, die kinderloos zijn. Verhoor mijn gebed
en sta toe, dat ik een zoon baar."
In dien nacht sliep Mahitouaskhit in den tempel en daar droomde zij,
dat men haar beval, een toovermiddel gereed te maken en vertelde,
dat haar wensch, een zoon te krijgen, op deze wijze vervuld zou worden.
Toen zij ontwaakte, herinnerde zij zich voortdurend haar droom en
binnen eenigen tijd werd het bekend, dat haar en Setne een kind
geboren zou worden en deze vertelde het vol vreugde aan den Pharaoh,
terwijl hij aan zijn vrouw een amulet gaf, om haar te beschermen en
tooverformules over haar uitsprak.
In zekeren nacht droomde Setne en een stem zeide tot hem:
"Mahitouaskhit, uw vrouw, zal een zoon voortbrengen en door hem
zullen in het Egyptische land veel wonderen geschieden. De naam van
uw zoon zal zijn Se-Osiris. Toen Setne ontwaakte en zich deze woorden
herinnerde, was hij zeer verheugd in zijn hart.
Se-Osiris.
Na een tijd werd een zoon geboren en, in overeenstemming met den
droom, werd hij Se-Osiris genoemd. Het kind ontwikkelde zich snel,
meer dan de andere kinderen en Setne beminde hem zoo teeder, dat er
bijna geen uur voorbijging, of hij zag zijn zoon.
Na verloop van tijd werd hij naar school gezonden, maar spoedig
bemerkte men, dat hij meer wist, dan de meester hem leeren kon. Hij
begon de toover-papyri met de priesterschrijver in "Het dubbele huis
des Levens" van den tempel van Ptah te lezen en zijn geheele omgeving
verbaasde zich ten zeerste over hem. Setne was hierover zoo verheugd,
dat hij zijn zoon naar den Pharaoh geleidde, naar het feest, opdat
alle toovenaars van den koning met hem zouden wedijveren en hun
minderheid zouden erkennen.
Op zekeren dag, toen Setne met zijn zoon zich voor het feest
gereedmaakte, stegen er buiten luide jammerklachten op en toen Setne
van uit het terras van zijn vertrekken uitkeek, zag hij, dat het lijk
van een rijk man, onder groote eerbewijzen en luide jammerklachten,
naar de bergen gevoerd werd, om begraven te worden. Even later keek
hij nog eens naar buiten en zag toen, dat men het lichaam van een
landbouwer, in een mat van stroo gehuld, voorbij voerde, zonder dat
iemand het vergezelde, om hem te beklagen.
Toen Setne dit zag, riep hij uit: "Bij het leven van Osiris, den god
van Amenti, moge ik naar Amenti komen, zooals deze rijke man, geëerd
en beklaagd en niet als de landbouwer, alleen en reeds vergeten!"
Toen Se-Osiris dit echter hoorde, zei hij: "Neen, vader, moge het lot
van den armen man liever het uwe zijn en niet dat van den rijken man!"
Setne was hierover verbaasd, zelfs beleedigd en schreeuwde: "Zijn dit
woorden van een zoon, die zijn vader liefheeft?" Se-Osiris antwoordde
hem: "Mijn vader, ik zal hen aan u toonen, ieder op zijn plaats,
den landbouwer, die onbeweend is en den rijken man, zoo bejammerd!"
Een Visioen van Amenti.
Setne vroeg hem daarop, hoe hij dit vervullen kon. Het kind
Se-Osiris begon nu woorden uit de tooverboeken op te zeggen, machtige
woorden. Hierop nam hij zijn vader bij de hand en geleidde hem naar
een onbekende plaats, in de bergen van Memphis.
Hier waren zeven hallen, met menschen van allerlei soort gevuld. Zij
gingen door drie van dezen zonder hindernis. Toen zij de vierde
binnengingen, zag Setne een massa menschen, die heen en weer snelden
en van schrik ineenkrompen, als wezens hen van achter aanvielen;
anderen, uitgehongerd, sprongen omhoog, om het voedsel te bereiken,
dat boven hen hing, terwijl weer anderen kuilen groeven, om hen te
verhinderen hun doel te bereiken.
In de vijfde hal waren eerwaardige schimmen, welke haar eigen en
passende plaats gevonden hadden, doch zij, die van misdaden beschuldigd
waren, toefden knielend bij de deur, welke onder toezicht van een
man stond, die onophoudelijk smeekte en zuchtte.
In de zesde hal zaten de goden van Amenti en beraadslaagden, ieder op
zijn plaats, terwijl de deurwachter de zaken afriep. In de zevende
hal eindelijk was de groote Osiris, op een gouden troon gezeten,
met de diadeem, uit veeren bestaande, gekroond. Aan zijn linkerzijde
zat Anubis en aan zijn rechterzijde de god Thoth.
In het midden bevonden zich de schalen, waarop de deugden en ondeugden
van de zielen der gestorvenen afgewogen werden, terwijl Thoth het
oordeel, dat Anubis uitsprak, opschreef. Zij, wier ondeugden meer wogen
dan hun deugden, werden aan Amait, den dienaar van den heer van Amenti,
overgegeven; hun zielen en lichamen werden voor altijd vernietigd.
Zij echter, van wie de deugden grooter dan de ondeugden waren, namen
hun plaats, onder de schimmen en goden, in, en hun zielen vonden den
hemel. Indien, aan den anderen kant, de deugden en ondeugden gelijk
waren, werd hij onder de dienaren van Sekerosiris geplaatst.
Setne zag nu bij Osiris iemand, van hoogen rang en in het fijnste
linnen gekleed staan. Terwijl Setne zich verwonderde over alles,
wat hij in het rijk van Amenti zag, sprak zijn zoon tot hem: "Mijn
vader, ziet gij dien hooggeplaatsten man, in fijn linnen gekleed,
bij Osiris staan? Herinnert gij u wel dien boer, dien gij uit Memphis
zaagt dragen, zonder dat iemand hem vergezelde, terwijl zijn lijk in
een mat gewikkeld was? Nu, dat is de man, die thans aan Osiris' zijde
staat! Toen hij naar Amenti kwam en zijn deugden tegen zijn ondeugden
af gewogen werden, zie, toen sloeg het gewicht van zijn deugden
over! Volgens de beslissing der goden, werden hem alle eerbewijzen,
welke het aandeel der rijken zijn, toegewezen en door de wet van
Osiris neemt hij zijn plaats onder de geëerden en voornamen in.
Toen de rijke man, dien gij eveneens gezien hebt, gewogen werd, wogen
zijn ondeugden zwaarder dan zijn deugden en hij is de man, dien gij
zaagt bij de vijfde hal; onder zijn toezicht draait de deur, de man,
die luid schreeuwt en jammert. Bij het leven van Osiris, indien ik op
aarde tegen u zei: "Moge het lot van den boer liever het uwe zijn,
dan dat van den rijken man, dan was het, omdat ik hun lot kende,
mijn vader".
Setne antwoordde hem en sprak: "Mijn zoon Se-Osiris, ontelbare wonderen
heb ik in Amenti gezien; zeg mij echter, wat de bedoeling is van die
menschen, die wij van schepsels, welke hen trachtten te verslinden,
zagen wegijlen en die anderen, die steeds het voedsel trachten te
grijpen, dat buiten hun bereik is" [33].
Se-Osiris antwoordde hem: "Zij zijn in waarheid, mijn vader, door de
goden vervloekt; zij zijn het, die op aarde hun vermogen verspilden
en de wezens, die hen zonder ophouden trachten te verslinden, zijn de
vrouwen, met wie zij hun leven verwoestten en hun vermogen verspilden
en nu hebben zij niets, hoewel zij dag en nacht moeten arbeiden. En
zoo is het met allen; zooals zij op aarde geweest zijn, zoo zijn zij
in Amenti, in overeenstemming met hun goede en slechte daden. Dit is
de onveranderlijke wet van de goden, de wet, welke geen verandering
kent en naar welke zich alle menschen schikken moeten, als zij den
Hades binnenkomen".
Hierop keerden Setne en zijn zoon, hand in hand, van de bergen van
Memphis terug. Vrees beving Setne om zijn zoon Se-Osiris, daar deze
niet antwoordde en daarop sprak hij woorden, welke de geesten van
de gestorvenen afweerden. Steeds herinnerde hij zich alles, wat hij
gezien en waarover hij zich verwonderd had, doch sprak met niemand
hierover. Toen Se-Osiris twaalf jaar oud was, was er geen schrijver
of toovenaar in Memphis, die in het lezen van tooverboeken zijns
gelijke was.
Het Lezen van den Verzegelden Brief.
Hierna gebeurde het eens, dat de Pharaoh Ousimares, in zijn
audiëntie-zaal, met de prinsen, de militaire aanvoerders en de edelen
van Egypte, ieder volgens zijn rang, gezeten was.
Eén zei tot den Pharaoh: "Hier is een schelm van een Aethiopiër,
die gaarne een onderhoud met U zou hebben; hij heeft een verzegelden
brief bij zich". De Pharaoh beval daarop, den man bij zich te brengen.
Toen hij bij den vorst gebracht werd, maakte hij een diepe buiging
en sprak: "Hier is een verzegelde brief, welke ik meebracht en ik zou
gaarne willen weten, of er onder Uw wijze mannen iemand is, die zijn
inhoud lezen kan, zonder de zegels te verbreken. Indien gij, o koning,
niemand onder Uw schrijvers en toovenaars hebt, die hiertoe in staat
is, zal ik naar Aethiopië, het land der negers, de geschiedenis van
Egypte's mislukking en minderheid meenemen".
Allen waren verwonderd, toen zij dit hoorden en de omgeving van den
koning schreeuwde luid, doch de Pharaoh liet zijn zoon Setne bij zich
brengen. Hij kwam terstond, boog zich diep voor den Pharaoh, waarop
deze zeide: "Mijn zoon Setne, hebt gij de onbeschaamde woorden van
dezen Aethiopiër gehoord?" Tevens herhaalde hij de uitdaging nog eens.
Setne was wel verbaasd, doch antwoordde onmiddellijk: "Groote koning,
hoe kan iemand een brief lezen, zonder dat deze voor hem geopend en
uitgespreid wordt? Indien gij mij echter tien dagen wilt geven, zal
ik hierover nadenken en zal ik doen wat ik kan, om te beletten, dat
aan de Negers, de eters van gom, het bericht over Egypte's minderheid
gebracht wordt". Hierop antwoordde de Pharaoh: "Tien dagen worden
u toegestaan, mijn zoon". Hierop werden den Aethiopiër vertrekken
aangewezen en de Pharaoh stond, bedroefd in zijn hart, op en begaf
zich, zonder iets genuttigd te hebben, ter ruste.
Ook Setne begaf zich, peinzende en zeer verward, naar zijn legerstede,
doch kon den slaap niet vatten. Zijn vrouw, Mahitouaskhit, kwam bij
hem en wilde zijn zorgen gaarne deelen, doch hij antwoordde, dat dit
niets voor een vrouw was, om deel aan te nemen en dat zij hem niet
helpen kon.
Eenigen tijd later kwam zijn zoon Se-Osiris en wenschte te weten,
wat zijn vader zoo bezorgd maakte en weder weigerde Setne het aan hem
te vertellen, zeggende, dat het niet voor een kind geschikt was. De
knaap hield echter vol en ten slotte vertelde Setne hem de uitdaging
van den Aethiopiër. Zoodra hij geëindigd had, lachte Se-Osiris en
zijn vader vroeg hem naar de reden van zijn vroolijkheid.
"Vader", antwoordde hij, "ik lach, als ik U daar bedroefd in Uw hart
zie zitten, om zulk een nietige oorzaak. Ik zal den brief van den
Aethiopiër, zonder het zegel te verbreken, lezen".
Toen Setne dit hoorde, stond hij onmiddellijk op.
"Welk bewijs kunt gij mij voor Uw bewering geven, mijn zoon".
Se-Osiris antwoordde: "Mijn vader, ga naar de benedenverdieping van
dit huis en neem een boek, dat gij verkiest, van zijn plaats. Ik zal
dan het boek, dat gij genomen hebt, lezen, terwijl ik voor U sta".
Het gebeurde, zooals Se-Osiris gezegd had. Ieder boek, dat zijn vader
ter hand nam, las de knaap, zonder dat het geopend werd. Daarna liet
Setne geen tijd verloren gaan, om den Pharaoh over alles, wat Se-Osiris
gedaan had, in te lichten en zoo verlicht werd het hart van den koning,
dat hij een groot feest, ter eere van Setne en diens jongen zoon,
liet aanrichten.
Hierop liet de Pharaoh den Aethiopiër roepen. Toen hij de
audiëntie-zaal binnengetreden was, werd hij in het midden van allen
geplaatst en de jonge Se-Osiris plaatste zich naast hem. Daarna sprak
de knaap een verwensching over den man en diens goden uit, indien
hij valschelijk zou durven beweren, dat hetgeen hij las, niet het
juiste was. Toen de Aethiopiër den knaap zag, knielde hij voor hem,
door vrees bevangen. Daarop begon Se-Osiris den brief, zonder dat
deze ontzegeld was, te lezen en allen hoorden zijn stem. De woorden
van den brief luidden aldus:
De Inhoud van den Brief.
"Het geschiedde gedurende de regeering van den Pharaoh
Manakhphre-Siamon, die een weldadig vorst was en onder wiens regeering
het land met alle goede dingen overstroomd werd en die de tempels
rijkelijk begiftigde, dat de koning van Nubië rustte in het paviljoen
van Amen, en een gesprek van drie Aethiopiërs, die achter het huis
spraken, afluisterde.
Een van hen sprak op luiden toon en zei onder anderen, dat, indien
god Amen hem tegen de vijandschap van den koning van Egypte beschermen
wilde, hij over het volk van dat land een tooverformule kon uitspreken,
zoodat een groote duisternis heerschen zou en het gedurende 3 dagen
en nachten de maan niet zou zien.
De tweede man zei daarop, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij
zou maken, dat de Pharaoh naar het Negerland gebracht werd en daar,
voor het gezicht van het geheele volk, vijfhonderd slagen ontvangen
zou; daarna zou hij binnen zes uur naar zijn land teruggebracht
kunnen worden.
Hierna sprak de derde man en zei, dat, als Amen hem beschermen wilde,
hij over het Egyptische land een verderf zou zenden, voor den tijd
van drie jaar. Toen de koning dat hoorde, beval hij, dat deze drie
mannen voor hem gebracht werden.
Hij zei tot hen: "Wie uwer beweerde, dat hij kon maken, dat het
volk van Egypte de maan, gedurende drie dagen en nachten, niet zou
zien!" Zij antwoordden, dat het Horus was, de zoon van Tririt (zeug).
Wederom sprak de koning: "Wie uwer zei, dat hij kon maken, dat de
koning van Egypte hierheen gebracht werd?" Zij antwoordden, dat het
Horus, de zoon van Tnahsit, (de negerin) was.
Daarop sprak de koning: "Wie uwer beweerde, dat hij over Egypte een
verderf zou zenden." En zij zeiden, dat dit Horus, de zoon van Triphit
(de prinses) was.
Daarop verzocht de koning Horus, den zoon van Tnahsit, naderbij te
komen en sprak tot hem: "Bij Amen, den stier van Meroe, indien gij
dat, wat gij gesproken hebt, vervullen kunt, zult gij rijkelijk
beloond worden."
Horus, de zoon van Tnahsit, vervaardigde daarop een draagbaar
en vier dragers, van was. Over dezen sprak hij tooverwoorden uit,
ademde over hen en gaf hun leven; ten slotte verzocht hij hen, op weg
naar Egypte te gaan en den koning naar dit land mede te brengen, om
vijfhonderd slagen met de zweep, voor het gezicht van den Negerkoning,
te ontvangen."
Hier hield Se-Osiris even op, richtte zich tot den Aethiopiër en sprak:
"De vloek van Amen valle op U! Zijn de woorden, welke ik sprak, niet in
den brief, welken gij in Uw hand houdt, geschreven?" De schelmachtige
Aethiopiër boog diep voor hem en zeide: "Zij zijn werkelijk daarin
geschreven, Heer!"
Hierna hervatte Se-Osiris het lezen van het tooververhaal:
"Alles geschiedde, zooals Horus, de zoon van Tnahsit, bepaald had. Door
tooverkracht werd de Pharaoh naar het Negerland gevoerd en onderging
daar vijfhonderd zweepslagen. Hierop werd hij naar Egypte teruggebracht
en toen hij den volgenden morgen, in den tempel van Horus, ontwaakte,
gevoelde hij hevige pijn, daar zijn lichaam gekneusd was.
Verbijsterd vroeg hij zijn hovelingen, hoe zoo iets in Egypte
had kunnen gebeuren. Denkende, dat de koning plotseling waanzinnig
geworden was en zich nog over hun gedachten schamend, spraken zij op
liefkozende wijze tot hem en zeiden, dat de groote goden zijn smart
zouden genezen. Zij vroegen hem tevens de beteekenis van zijn vreemde
woorden en plotseling herinnerde hij zich alles, wat hem overkomen
was en vertelde dit aan zijn hovelingen.
Tooverkunst tegenover Tooverkunst.
"Toen zij zijn gekneusd lichaam zagen, schreeuwden zij luid. Hierop
liet de Pharaoh zijn oppertoovenaar halen en deze riep terstond uit,
dat het ongeluk en de droefheid van den koning aan de tooverkunst
der Aethiopiërs te wijten waren.
"Bij het leven van Ptah", ging hij voort, "ik zal hen tot pijniging
en kwelling brengen."
De Pharaoh verzocht hem daarop, haast te maken, uit vrees, dat hij den
volgenden nacht weer weggevoerd zou worden. De oppertoovenaar bracht
zijn geheime boeken en amulets naar de plaats, waar de Pharaoh lag
en sprak tooverwoorden en tooverformules uit.
Daarop scheepte hij zich, met veel geschenken, in en haastte zich,
den tempel van Khmounon te bereiken; hier bad hij tot god Thoth,
dat al het kwaad van den Pharaoh en het Egyptische land afgewend zou
worden. Dien nacht sliep hij in den tempel en in een droom verscheen
Thoth hem en onderrichtte hem in de goddelijke tooverkunst, welke
den koning tegen de listen der Aethiopiërs beschermen moest.
Bij zijn ontwaken herinnerde de toovenaar zich alles en, zonder een
oogenblik te verliezen, vervulde hij alles, wat hem in den droom
verteld was. Daarop schreef hij het tooverformulier, om den Pharaoh
tegen alle toovenarij te behoeden.
Op den tweeden dag deden de Aethiopiërs hun best, hun betoovering te
hernieuwen, doch thans was alles, wat zij tegen den Pharaoh ondernemen
wilden, zonder uitwerking. Den derden morgen vertelde de Pharaoh
alles, wat gedurende den nacht geschied was en hoe de Aethiopiërs in
hun pogingen gefaald hadden.