Hoofdstuk V

De groote goden.

Ra, de Zonnegod.

Ra, de groote zonnegod, schijnt reeds op een vroeg tijdstip een

vooraanstaande positie in het Egyptische pantheon ingenomen te

hebben. De latere Egyptenaren schijnen gedacht te hebben, dat de naam

in zekeren zin met schepping verbonden was.

De aanbidding van de zon was zeer oud in Egypte en het is daarom

waarschijnlijk, dat een aantal zonne-eerediensten met dien van Ra

versmolten. Het is zeker, dat dit het geval was met den dienst van

den havikgod Heru, of Horus. Deze beide goden worden gewoonlijk met

het lichaam van een man en den kop van een havik afgebeeld, doch soms

hebben zij ook de werkelijke gestalte van dien vogel.

Vanaf de oudste tijden schijnt de havik met de zon geïdentificeerd te

zijn. Zijn vliegkunst en de hoogte, welke hij bij het vliegen bereiken

kan, waren waarschijnlijk de redenen, dat men hem in verbinding bracht

met het groote licht van den dag. In verschillende landen zijn vogels,

met hemelhooge vlucht, het symbool van de zon. Zoo is de adelaar

bij verscheidene Noord-Amerikaansche Indianen het zinnebeeld van de

zon. De gieren stelden in het oude Peru den dagelijkschen loop van

de zon voor en misschien vervulde de adelaar deze functie in den

Mexicaanschen godsdienst.

Niet altijd echter zijn het vogels met hooge vlucht, welke de zon

typifieeren. Zoo schijnt in Mexico en Midden-Amerika de quetzal-vogel

hiervoor gediend te hebben en in dezelfde landen werd de kolibrie

soms met de zon verbonden. Nu is het vreemd, dat, evenals wij den

vogel en de slang bij den Mexicaanschen god Quetzalcoatl gecombineerd

vinden, wij deze zelfde dieren ook bij Ra tezamen vinden, daar deze

als zijn symbool een zonneschijf draagt, welke door de slang Khut

omstrengeld wordt.

De Egyptenaren hadden verschillende opvattingen over de wijze,

waarop de zon langs den hemel trok. Een van dezen was, dat zij door

de watermassa van de lucht in verschillende booten, of schuiten,

trok. Zoo bezette de opkomende zon de schuit Manzet, een naam welke

"groeiende kracht" beteekent; de avondzon werd naar de plaats van

den zonsondergang door de boot Mesektet overgezet welke "toenemende

zwakheid" beteekent; in deze beide namen zal men gemakkelijk

allegorische namen voor de opkomende en ondergaande zon ontdekken. De

aangewezen weg van Ra, door de lucht, is op het tijdstip der schepping

door de godin Maat, de personificatie van rechtvaardigheid en orde,

vastgesteld.

De dagelijksche reis van Osiris werd door een gezelschap van

vriendelijk gezinde goden medegemaakt; dezen voerden zijn schip tot de

plaats der zonsondergang, terwijl de loop door Thoth en Maat bepaald

was en Horus als stuurman en kapitein fungeerde. Aan iedere zijde van

de boot zwommen een of twee visschen, welke loodsdienst verrichtten,

Abtu en Ant genaamd, maar niettegenstaande de hulp van deze twee

gezellen, werd Ra's boot voortdurend door afgrijselijke monsters en

demonen omringd, welke al hun best deden, den doortocht te verhinderen.

Verreweg de machtigste van dezen was de slang Apep, de personificatie

van de duisternis van den nacht, over wien wij veel inlichtingen

ontvangen door het boek getiteld: "Het Boek van de vernietiging

van Apep", hetwelk tooverformules en andere instructies aangeeft,

om het monster te overweldigen; deze formules werden dagelijks,

in den tempel van Amen-Ra, te Thebe, opgezegd.

Hierin wordt Apep tot krokodil en slang teruggebracht en er wordt in

beschreven, hoe zij door middel van magie met een speer doorboord,

met messen aan stukken gesneden, onthoofd, geroosterd en ten slotte

door het vuur verteerd kan worden en haar duivelsche volgelingen

eveneens. Deze tooverkunsten werden plichtsgetrouw dagelijks te Thebe

uitgevoerd en men geloofde, dat dezen de reis van den zonnegod ten

zeerste bevorderde.

In Apep nu zien wij een figuur, welke in bijna iedere mythologie

bekend is. Zij is het monster, dat dagelijks met de zon strijdt en ten

slotte er in slaagt, deze te verslinden. Zij is dezelfde, welke met

Beowulf, den zonneheld, strijdt; dezelfde als de nachtelijke draak

in de Chineesche mythologie en de Fenris-wolf in de Scandinavische

geschiedenis, kortom als de veelvuldige monsters der fabelen, legenden

en romans. Wij vinden haar tegenhanger eveneens in den Babylonischen

draak Tiamat, welke door Marduk verslagen werd.

Rat.

In den lateren tijd werd er voor Ra een tegenhangster, Rat genaamd,

uitgevonden; zij werd als een vrouw afgebeeld, die op haar hoofd een

schijf met horens en een uraeus torste. Zij schijnt echter niet van

zeer groot gewicht geweest te zijn en wellicht dankte zij haar ontstaan

aan de idee, dat iedere groote god zijn dubbelgangster moest hebben.

De vereering van Ra was gedurende de dynastieën in de stad van Anu,

On, of Heliopolis, ongeveer vijf mijlen van het tegenwoordige Caïro,

geconcentreerd. De priesters van den god hadden zich gedurende de

vijfde dynastie daar gevestigd; de eerste koning toch van deze was

hoogepriester van den god, een omstandigheid, welke aantoont, dat de

cultus op dit vroege tijdstip (pl.m. 3350 v.C.) in dat gedeelte van

Egypte een grooten invloed verkregen moet hebben.

Een oude legende vertelt ons, hoe een afstammeling van Ra het eerst

zich van den Egyptischen troon meester maakte, welke legende men

hieronder kan vinden.

Deze overlevering bewijst, dat in oude tijden de koningen geloofden,

dat zij van Ra, die, naar men verzekerde, eens over het land geheerscht

had en wiens bloed in de aderen van de koninklijke familie stroomde,

afstamden.

Inderdaad beweerde men, dat Ra de feitelijke stamvader van

verschillende Egyptische koningen was en dezen werden daarna als de

incarnatie van dien god beschouwd. Zulke ficties der priesters gaven

aan de theocratische klasse verhoogde macht, totdat tenslotte de

vereering van Ra die van bijna iedere andere godheid in het Nijldal

overschaduwde, daar deze andere goden in het theologisch systeem van

de priesters van Heliopolis opgenomen werden en een ondergeschikte

positie in de godengroep, welke den grooten zonnegod omringde, innamen.

Fusie der Mythen.

Niet alleen in Egypte vinden wij zulke ficties, welke alleen er toe

dienden, voor de doeleinden der priesters bevorderlijk te zijn. In de

meeste mythologieën ontdekken wij, dat scheppingsmythen en verhalen

over den oorsprong der goden, uit twee, of meer, mythen vervaardigd

zijn, welke op zoo'n bekwame wijze vermengd zijn, dat zij alleen door

zorgvuldige en geduldige studie tot hun oorspronkelijke bestanddeelen

teruggebracht kunnen worden.

Zoo vinden wij in het boek Genesis, dat wij, behalve voor het bestaan

van Jahweh, de scheppingskracht, nog bewijzen aantreffen voor het

bestaan van een polytheistisch pantheon, Elohim genaamd. Dit toont

dus duidelijk aan, dat de verhalen der Hebreeuwsche schepping,

het een monotheistisch en het tweede polytheistisch, met elkaar

zijn versmolten.

Misschien kan men het beste voorbeeld van een dergelijke

samensmelting van mythen in een oude scheppingslegende van

Peru vinden; hierin heeft een filosofische behendigheid al de

vormen van vereering vereenigd. welke de Peruviaansche godsdienst

doorloopen heeft, totdat zij één bepaalden vorm bereikte. Zoo zijn

de verschillende geloofsphases, van het eenvoudige animisme, tot het

anthropomorphisme, voor hem, die de mythologie bestudeert, in deze

eene legende zichtbaar. Dat hetzelfde kunststukje bij de Kiches van

Midden-Amerika is uitgehaald, in het wonderlijke boek, de Popol Vuh,

werd door den schrijver over dit onderwerp in de Times, eenige jaren

geleden, aangetoond.

De oorspronkelijke locale god van Heliopolis was Tem, of Atum, die

met Ra onder den naam van Ra-Tem vereenigd werd. De invloed van de

priesters van Ra nam ongeveer tegen het einde van de 6e dynastie af,

doch onder de regeering van Senusert (of Usertsen) I (pl.m. 2433 v.C.),

werd de tempel te Heliopolis herbouwd en gewijd aan Ra en twee van

zijn gestalten, Horus en Temu. In dezen tempel werden modellen van

de heilige booten van Ra bewaard, n.1. de Manzet, welke een beeld van

Ra, met een havikkop voorzien, bevatte en de Mesektet, met een beeld,

dat het hoofd van een man had.

Primitief als de natuur der zonaanbidding is, bezat deze elementen,

welke haar in staat stelden, stand te houden, waar meer geavanceerde

en ingewikkelde godsdiensten bezweken. Zelfs in dat land moeten er

natuurlijk, naast een aristocratie van intelligenten aard, ontelbare

landbouwers en slaven bestaan hebben, die slechts door hun omgang

met hun superieuren en hun plaats, als landbouwend ras, van de wilden

onderscheiden waren. Voor dezen moest de zon de godheid par excellence

schijnen, de groote verkwikker en vruchtbaarmaker. Wij vinden echter,

dat de cultus van Ra min of meer een aristocratisch, theologisch

systeem met zich droeg, tenminste in de vroegste tijden. Van de

volksreligie echter moeten wij ons tot de vereering van Osiris wenden.

Men kan zonder twijfel de beste parallel voor de vereering van Ra

in Egypte trekken met dien van de zon in het oude Peru. Evenals de

vorst van Peru de zon op aarde vertegenwoordigde, zoo stempelden de

Egyptische monarchen zich tot zonen van de zon. Bij beide volken was

de zonnecultus klaarblijkelijk aristocratisch van karakter.

Men kan dit bewijzen uit het feit, dat het paradijs van Ra verreweg

een meer geestelijke spheer was, dan dat van Osiris, met zijn zuiver

materieele genietingen. Zij, die zoo gelukkig waren den hemel van den

zonnegod te bereiken, werden met licht bekleed en hun voedsel werd als

"licht" voorgesteld. Het leven in het paradijs van Osiris daarentegen

bestaat uit den omgang met Osiris en het feestvieren met hem.

Nu huivert de aristocratische kaste, in alle landen, voor het

denkbeeld, dat zij in de andere wereld genoodzaakt zal zijn met de

gewone massa gemeenzaam om te gaan. Dit was bepaaldelijk het geval

in het oude Mexico en Scandinavië, waar alle krijgslieden, in den

strijd gedood, het paradijs konden binnengaan.

Dit geloof was echter nimmer krachtig genoeg, om den cultus van Osiris

te doen verdwijnen en daar de Egyptische geest een zeer materieel

karakter bezat, begunstigde hij de opvattingen over de "rietvelden"

en de "plaats van den vrede" ten zeerste; immers daar kon men van

de goede gaven en gemakken, waarnaar men op aarde zoo vurig haakte,

genieten, meer dan van het onwezenlijke voedsel en kleeding in de

hooge standensfeer van Ra.

Ra en Osiris.

Gedurende vele eeuwen nu werd een stilzwijgende, doch heftige,

strijd tusschen de priesters van Ra en Osiris gevoerd, doch ten slotte

kreeg het geloof van den laatsten de overhand, ja, hij nam de titels,

macht en attributen van den grooten zonnegod tot zich. Daarop werd

de opvatting over een zonne- en maangod in zijn persoon vereenigd.

De Osiris-vereering was eigenlijk Afrikaansch en Egyptisch van

karakter, doch er is reden te vermoeden, dat de cultus van Ra

verschillende vreemde elementen in zich bevatte, waarschijnlijk

West-Aziatisch van oorsprong en dit zou de koelheid, waarmede de

Egyptische massa zijn vereering beschouwde, verklaren. Heliopolis,

zijn stad, bevatte vele inwoners van Aziatische afkomst en deze

omstandigheid is wellicht de verklaring voor de invoering van eenige

leerstellingen in zijn geloof, welke de inheemsche Egyptenaren

onaangenaam vonden.

Er is geen twijfel mogelijk, of Ra nam, tenminste bij de Egyptische

aristocratie, de positie van schepper en vader der goden in. Osiris was

zijn zoon. De verwantschap tusschen deze twee goden kan men beschouwen

als die tusschen god den vader en god den zoon en zooals in sommige

godsdienstige stelsels de gestalte van god den zoon, die van god den

vader overschaduwd heeft, zoo overvleugelde Osiris Ra.

De god Tem, of Atum, die, zooals reeds door mij opgemerkt is, de

plaatselijke god van Heliopolis was, werd in den tijd der dynastieën

voor een der gestalten van Ra gehouden en wel in de personificatie

van de ondergaande zon. Tem was een van de eerste goden der

Egyptenaren. Men stelt het voor, dat hij in de boot van Ra voer en

met dezen werd hij zelfs vereenigd onder den naam van Ra-Tem. Hij

schijnt een god geweest te zijn, die vele attributen met Ra gemeen

had en later eveneens met Osiris geïdentificeerd te zijn.

In de mythe van Ra en Isis zegt Ra: "Ik ben Khepera in den morgen,

Ra in den middag en Tem in den avond"; dit toont ons, dat voor de

Egyptenaren de dag verdeeld werd in drie deelen en dat ieder van

dezen onder de bescherming stond van een bijzondere gedaante van den

zonnegod. Tem werd in een van zijn gestalten als een slang vereerd,

een zeer gewone vorm voor een zonnegod, want in vele landen is de

draak, of slang, het symbool voor de zonneschijf.

De Heilige Kever.

Khepera, de nog overblijvende vorm van Ra, wordt gewoonlijk in

menschelijke gedaante afgebeeld, met een kever op zijn hoofd. De

vereering van den kever was in Egypte zeer oud en wij moeten

zijn verbinding met den cultus van Ra aan priesterlijken invloed

toeschrijven.

Wanneer de scarabaeus zijn eieren in het Egyptische zand gelegd heeft,

rolt hij ze in een kleinen bal mest, dezen duwt hij daarna met zijn

achterpooten door het zand naar een hol, dat hij tevoren gegraven

heeft en hier worden de eieren door de zonnestralen uitgebroed.

Het scheen nu aan de oude Egyptenaren toe, dat deze handelwijze van

den kever op de voortwenteling van de zon, langs den hemel, leek,

zoodat Khepera, het opkomende zonnelicht, door hem gesymboliseerd werd

Khepera is een god van eenig gewicht, want hij wordt de schepper en

vader der goden genoemd, tevens beschouwde men hem als het type der

wederopstanding vanwege het symbool van den bal, welke levend zaad

bevatte en waarschijnlijk in nog een ander opzicht, daar de opkomende

zon als het ware den eenen morgen na den anderen uit zijn nachtelijke

graf stapt. De scarabaeën, welke men op de Egyptische mummies vond,

typeeren de hoop op wederopstanding en men heeft dezen in graven

gevonden, welke waarschijnlijk al uit de 4e dynastie dateeren.

Amen.

Hoewel het schijnt, dat de god Amen reeds in de 5e dynastie onder de

Egyptische goden geteld is, waar men over hem gesproken vindt als over

een der oorspronkelijke goden [20], begonnen zijn aanhangers eerst

in een latere periode die buitengewone groote macht te ontwikkelen,

welke zij in Egypte uitoefenden.

Afgezien van dien van Ra en Osiris, was de vereering van Amen meer

verspreid dan die van eenig ander god in het Nijldal, doch deze

omstandigheid schijnt meer door politieke, dan door godsdienstige

propaganda bewerkt te zijn.

Wat zijn attributen in het Oude Rijk waren, weten wij niet. Zijn

naam beteekent: "wat verborgen is" of "wat niet gezien kan worden"

en wij worden door hymnen en andere werken onderricht, dat hij "voor

zijn kinderen verborgen is en eveneens voor goden en menschen".

Nu heeft men vermoed, dat deze uitdrukkingen op het ondergaan van de

zon betrekking hebben, doch er is meer reden te vermoeden, dat zij te

kennen geven, dat Amen een god is, die door menschelijke oogen niet

gezien, of opgespoord kan worden. Het is niet moeilijk te zien, dat de

opvatting over zulk een godheid zich spoedig in de gunst zou verheugen

van een priester- en theologenkaste, welke spoedig genoeg kreeg van

de meer materieele godsdiensten, welke hen omringden en die naar een

vorm voor een godheid zochten, welke minder onafgewerkt was, dan de

ruime symbolische stelsels, welke in het land domineerden. De geheele

theologische geschiedenis van Amen is die van een priesterschap,

welke zich ten doel stelde een meer materialistische bevolking een

meer geestelijk type van vereering en een hoogere opvatting over God

op te leggen.

Amen werd onder verschillende gestalten vereerd [21], n.1. in de

gestalte van een man, op een troon gezeten, met den kop van een

kikvorsch, of met het lichaam van een man, den kop van een slang en

verder nog als aap, of leeuw, afgebeeld. De meest gebruikelijke vorm

echter, waarin hij afgeschilderd wordt, is die van een gebaard man,

die op zijn hoofd twee lange, rechte veeren draagt, welke afwisselend

rood en groen, of rood en blauw, gekleurd zijn.

Hij is in een linnen rok gekleed, draagt armbanden en een halsketting

en achter uit zijn kleeding komt een staart, van een of ander dier,

te voorschijn, een aanwijzing, dat hij in oude tijden een scheppende

god was. In latere tijden is hij van een havikkop voorzien, doch dit

was vóór zijn versmelting met Ra.

Het groote middelpunt van zijn vereering en de plaats, vanwaar zijn

macht is toegenomen, was Thebe en hier werd te zijner eer onder de

12e dynastie een tempel gebouwd. Op dat tijdstip was hij meer

een locale god, doch toen de vorsten van Thebe machtig werden en

de souvereiniteit over Egypte aan zich trokken, steeg de roem van

Amen, tegelijk met den hunnen en werd hij in Opper-Egypte een god,

die boven anderen uitstak.

Zijn priesters, die de nieuwe politieke toestanden gretig aangrepen,

slaagden er in hem met Ra en diens bijvorm, te identificeeren en al

diens attributen legden zij Amen bij; zij stelden verder vast, dat,

hoewel hun god al hun eigen karaktertrekken bezat, hij toch veel

grooter en verhevener was dan zij zelf.

Zooals wij reeds opgemerkt hebben, werd de god, die een tijdlang

de plaatselijke god van de hoofdstad van Egypte was, langzamerhand

de nationale god en daar dat lot Amen ten deel viel, trokken zijn

priesters alle voordeelen van dit feit. Nooit werd een god zoo benut

en om het maar eens zoo uit te drukken, nooit werd voor een god zulk

een reclame gemaakt, als voor Amen.

Toen ongelukkige tijden over Egypte kwamen en de Hyksos het land

binnenvielen, stilde Amen, dank zij zijn priesterlijke voorvechters,

den storm en is na een moorddadigen strijd de god der Egyptenaren

geworden.

Toen het land zich van de verwarring herstelde en de toestanden weer

geregeld werden, droegen de militaire successen van de 18e dynastie

grootelijks tot de vermeerdering van de macht en roem van Amen bij

en de buit van het veroverde Palestina en Syrië vulde zijn tempels.

Natuurlijk was er een groote ontevredenheid bij de vereerders

van Ra, bij zulk een loop der zaken. Osiris, als populair god,

kon niet in ongenade vallen, daar hij een te grooten invloed op

de verbeeldingskracht van het volk had gekregen en zijn cultus en

karakter van een te bijzondere natuur waren, om de overweldiging

van een anderen god te kunnen verdragen. Zijn cultus heeft zich

langzamerhand ontwikkeld, waarschijnlijk in den loop van vele eeuwen,

en de omstandigheden voor zijn vereering waren eenig.

De godsdienstige vereering van Ra echter vond een mededingster in die

van een godheid, welke niet alleen attributen te zien gaf, maar een,

wier vereering over het geheel genomen, meer geestelijk was en hooger

stond, dan die van den zonnegod.

Wij weten niet, welke theologische strijd over de suprematie der

beide goden gevoerd is, doch wel weten wij, dat priester-handigheid,

evenals in andere gevallen, meer dan berekend was voor haar taak. Er

had n.1. een fusie tusschen de twee goden plaats.

Het zou overijld zijn, te beweren, dat deze versmelting een

overeengekomen plan tusschen de twee met elkaar wedijverende

godsdiensten vormde en het is waarschijnlijker, dat hun aanbidders

zich kalm bij een langzaam proces van samensmelting neerlegden. De

Thebaansche priesters kwamen wellicht tot de erkenning, dat het

onmogelijk was, de vereering van Ra geheel en al uit te roeien en

aldus kwamen zij tot een onvermijdelijke oplossing en aanvaardden de

fusie met hun eigen god.

De opkomende Macht van Amen.

Verschillende hymnen ter eere van Amen-Ra en speciaal die, welke wij

in den papyrus van Hu-nefer ontmoeten, toonen ons de volkomen fusie

en de snelheid, waarmede Amen tot macht gekomen is, aan. In een tijd

van een eeuw ongeveer, had hij, van een zuiver plaatselijke godheid,

den titel van koning van de goden van Egypte verkregen. Zijn priesters

waren verder de machtigste en rijkste in het land geworden en waren

zelfs de mededingers der koninklijke macht zelf.

Hun politieke invloed was buitengewoon. Zij maakten oorlog en vrede en

toen de Ramessiden-dynastie een einde nam, maakte de hoogepriester van

Ra zich van den koninklijken troon meester en was de eerste vorst der

21e dynastie, onder den naam van de dynastie der priesterkoningen

bekend.

Doch ook al waren zij sterk in theologie, zoo waren zij het zeker niet

in militair genie. Zij konden de betalingen van de belastingen, welke

hun voorgangers de omliggende landen hadden afgeperst, niet gedaan

krijgen en hun armoede nam hand over hand toe. De heiligdommen der

goden leidden een kwijnend bestaan, door gebrek aan vereerders en zelfs

de hoogeren onder de priesters hadden een hard bestaan. Rooverbenden

maakten de nabijheid van de tempels onveilig en de koninklijke graven

werden beroofd.

Doch al verminderde hun macht, zeker niet hun aanmatiging en, zelfs

met een inval der Libyers in de delta voor oogen, gingen zij door,

de goden, die zij dienden, te verheerlijken. Wanneer wij de teksten en

hymnen aan een onderzoek onderwerpen, welke ons vertellen, wat we van

Amen-Ra weten, vinden wij, dat hij hierin als de algemeene levensbron,

zoowel voor de bezielde schepsels, als levenlooze voorwerpen beschouwd

wordt en dat hij geïdentificeerd wordt met den schepper van het heelal

"den onbekenden god". Alle attributen van het geheele Egyptische

pantheon werden hem kwistig toebedeeld, met uitzondering van die

van Osiris; het schijnt, dat de priesters van Amen-Ra van dezen geen

notitie genomen hebben. Zij konden den grooten god der dooden niet

geheel op zij zetten, ook al zagen zij hem over het hoofd.

In een van zijn gestalten, die van Khensu, den maangod, heeft Amen een

geringe gelijkenis met Osiris, doch wij kunnen niet zeggen, dat hij in

dezen vorm in eenig opzicht de rol van god van de onderwereld vervult.

Amen-Ra maakte zich zelfs van de heiligdommen van verscheidene andere

goden, door het geheele Nijldal, meester, trok hun attributen tot

zich en nam hun plaats geheel en al in.

Een van zijn meest populaire gestalten was die van een gans en dit

dier was in verschillende deelen van Egypte aan hem gewijd, evenals de

ram. Kleine beeldjes van hem laten hem zien met het gebaarde gezicht

van een man, het lichaam van een kever, de vleugels van een havik,

de beenen van een mensch en de klauwen van een leeuw.

Al deze dingen zijn natuurlijk een symbolische voorstelling voor zijn

mannelijk karakter, daar hij als de grootste der goden beschouwd

werd en zijn een typisch voorbeeld van de wijze, waarop attributen

van allerlei soort bij hem berustten.

Men veronderstelde, dat het geheele pesedt, of gezelschap der goden,

in Amen vereenigd was en wij mogen inderdaad zijn cultus als de

meest ernstige pogingen van de oudheid beschouwen, om een systeem

van monotheïsme te formuleeren. Dat zij hierin niet slaagde, was in

het geheel niet haar schuld.

Wij moeten zijn priesters beschouwen als een vereeniging van verlichte

menschen, bezield door een geestelijk vuur, dat helder schitterde,

temidden van het droevig materialisme, dat hen omringde. Evenals

alle priesterlijke hiërarchieën, bezaten zij het ingeboren zwak van

eerzucht en de eigenliefde van een ingebeelde kracht.

Indien zij de politiek op de haar toekomende plaats gelaten hadden,

zouden zij meer succes gehad hebben, dan zij nu gehad hebben, doch de

werkelijke oorzaak van hun mislukking, de overige eerediensten van

Egypte geheel en al te verdringen, was in de omstandigheid gelegen,

dat deze godsdiensten zeer oud en te diep geworteld waren en in de

dwaze onwetendheid van hen, die deze eerediensten ondersteunden.

Het Orakel van Juppiter-Ammon.

Geen enkel deel van Egypte was vrij van de overheersching van Amen-Ra,

welke zich over het Noorden en Zuiden, Oosten en Westen verspreidde en

zelfs vertakkingen in Syrië, Nubië en andere, van Egypte afhankelijke,

streken had.

De meest invloedrijke centra waren Thebe, Hermonthis, Coptos,

Panopolis, Hermopolis Magna en in Beneden-Egypte Memphis, Saïs,

Heliopolis en Mendes. In later tijd bezat hij, in een van de oases,

een groot orakel, bekend onder den naam van dat van Juppiter-Ammon,

een geheimzinnige plek, welke door bijgeloovige Grieken en Romeinen,

die zich daarheen begaven, om de godheid over staats- of particuliere

aangelegenheden te ondervragen, bezocht werd.

Hier werd alle mogelijke priesterlist in toepassing gebracht. Een

beeld van den god werd, van tijd tot tijd, door de priesters door den

tempel gevoerd en deze gaf, indien hij goed gehumeurd was, aan zijn

vereerders antwoorden, niet door te spreken, maar door te knikken en

met uitgestrekten arm te wijzen.

Uit klassieke auteurs weten wij, dat de Egyptenaren een buitengewone

handigheid in het vervaardigen van automaten bezaten en er is geen

reden, er aan te twijfelen, dat de god op de vragen van zijn angstige

vereerders, die een reis naar zijn heiligdom gemaakt hadden, door

middel van kunstig verborgen touwtjes, antwoordde.

Het orakel van Ammon is desniettemin in geheimzinnigheid gehuld. Zelfs

Alexander de Groote bracht aan dit beroemde heiligdom een bezoek,

om zichzelf gerust te stellen over de vraag, of hij de zoon van

Juppiter was, of niet. Ook Lysander en Hannibal reisden hierheen en

de eerste ontving een tweesnijdend antwoord, niet ongelijk aan dat,

wat Macbeth van de heksen ontving.

Mut, de Almoeder.

De groote tegenhangster van Amen-Ra was Mut, de moeder van het

heelal. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die de

vereenigde kronen van het Noorden en Zuiden draagt en den scepter van

papyrus vasthoudt. Op sommige afbeeldingen wordt zij met vleugels

voorgesteld en op andere worden de koppen van gieren boven haar

schouders zichtbaar.

Evenals haar echtgenoot, is zij soms met allerlei attributen, zoowel

van menschen als dieren, versierd, waarschijnlijk, om haar alles

omvattende natuur aan te duiden. Mut nam, evenals Amen, een groot

aantal van de attributen van de vrouwelijke godheden van Egypte tot

zich. Aldus werd zij met Bast, Nekhebet en andere geïdentificeerd,

hoofdzakelijk om deze reden, dat, daar Amen zich meester gemaakt had

van de attributen van andere goden, zij, als zijn vrouw, hetzelfde

moest doen.

Zij is in de mythologie een treffend voorbeeld, om te doen zien,

wat het huwelijk voor een godin doen kan. Zelfs Hathor wordt met

haar geïdentificeerd, evenals Ta-urt en iedere andere godin, van wie

men meende, dat zij de attributen van een moeder bezat. Voor haar

vereering vormde Thebe een middelpunt en hier bevond zich haar tempel,

een weinig ten Zuiden van het heiligdom van Amen-Ra.

Zij werd de "hemelsche vrouw" en "koningin der goden" genoemd en haar

hieroglyphisch symbool, een gier, werd op de kroon der Egyptische

koningin gedragen, als voorstelling van haar moederschap.

De tempel van Mut, te Thebe, werd door Amen-hetep III, ongeveer in

1450 v. C, gebouwd. De toegang hierheen werd door een prachtige laan

van sphinxen gevormd en de tempel zag op een kunstig aangelegd meer

uit. Waarschijnlijk was Mut de oorspronkelijke tegenhangster van Nu;

deze toch werd, in zeker opzicht, met Amen vereenigd. Zij wordt

slechts ééns in het Boek der Dooden, in de Thebaansche recensie,

vermeld, een feit, dat in het geheel niet vreemd is, wanneer men

het aanzien in aanmerking neemt, dat zij bij de priesters van Amen

genoten moet hebben.

Ptah.

Ptah was de grootste van de goden van Memphis. Hij is de

verpersoonlijking van de opgaande zon, of liever een phase daarvan,

d.w.z. hij stelt de zonneschijf voor, op het tijdstip, dat deze boven

den horizon rijst, of onmiddellijk, nadat hij gerezen is.

Men zegt, dat zijn naam "opener" beteekent en wel omdat men dacht,

dat Ptah den dag opende; deze afleiding van den naam wordt echter

bestreden.

Dr. Brugsch vermoedt, dat "beeldhouwer, of graveerder" de juiste

vertaling is en daar Ptah de beschermgod van alle handenarbeid is,

schijnt het zeer waarschijnlijk, dat deze uitlegging de juiste is.

Ptah schijnt, vanaf den tijd der 2e dynastie tot de laatste tijden,

dezelfde karakteristieke kenmerken behouden te hebben. Het schijnt,

dat hij in de oudste tijden als schepper beschouwd werd, of misschien

werd hij met een van de eerste Egyptische scheppingsgrootheden verward.

In den Pyramidentekst van Teta vinden wij over hem gesproken als

eigenaar van een werkplaats en de passage schijnt aan te duiden,

dat Ptah nieuwe booten vervaardigde, waarin de zielen van de dooden

in de Duat moesten leven.

Uit het Boek der Dooden leeren wij, dat hij een groot bewerker van

metaal was, een bouwmeester en maker van alles in het heelal, en

het feit, dat de Romeinen hem met Vulcanus identificeerden, kan het

begrijpen van zijn attributen zeer bevorderen.

Het was eveneens Ptah, die, in vereeniging met Khnemu, de bevelen van

Thoth, aangaande de schepping van het heelal, ten uitvoer bracht. Aan

Khnemu werd de opdracht gegeven de dieren te vormen, terwijl Ptah

den hemel en de aarde zou vervaardigen. De groote metalen plaat, van

welke men veronderstelde, dat zij de vloer van den hemel vormde en de

zoldering daarvan, werden door Ptah vervaardigd en hij maakte eveneens

de stukken, welke dezen schraagden. Wij vinden hem steeds in verbinding

met andere goden, d.w.z. hij neemt de kenmerkende eigenschappen van

andere goden, voor bepaalde doeleinden aan. Als bouwmeester van het

heelal b.v., deelt hij de natuur van Thoth en als de god, die het

metaal van den vloer van den hemel bewerkt, lijkt hij op Shu.

Ptah wordt gewoonlijk als een gebaard man afgebeeld, met een kaal

hoofd, terwijl hij kleeren draagt, welke hem nauwsluitend, als een

lijkwade, om het lichaam passen. Van achter zijn hals hangt een

Menat, het symbool van geluk en met de gewone waardigheidsteekenen

van het koningschap en die van een godheid houdt hij het symbool van

duurzaamheid vast.

Als Ptah-Seker vertegenwoordigt hij de vereeniging van de scheppende

kracht met die van den chaos van de duisternis [22]. Ptah-Seker is

inderdaad een gestalte van Osiris, als voorstelling van de nachtelijke

zon, of den dooden zonnegod.

Seker wordt als een man, met een havikskop en met een lichaam,

als van een mummie, voorgesteld, terwijl dit op dat van Ptah

gelijkt. Oorspronkelijk stelde Seker de duisternis alleen voor, doch

in later tijd werd hij met de zon der nacht geïdentificeerd. Seker

wordt soms met Sept en zelfs met Geb verward. Het schijnt, dat hij

over dat gedeelte van de onderwereld heerschte waar de zielen van de

inwoners van Memphis en omgeving woonden.

De Seker-boot.

Bij de groote plechtigheden, ter eere van dien god en voornamelijk op

zijn feestdag, werd een boot, de Seker-boot genaamd, bij zonsopgang,

wanneer de stralen van de zon zich langzaam over de aarde beginnen

uit te gieten, op een slede geplaatst. Deze boot werd daarna om het

heiligdom getrokken en deze handeling is een typische voorstelling

van den loop der zon.

Deze boot was onder den naam van Henu bekend en wordt verschillende

malen in het Boek der Dooden vermeld. Zij gelijkt niet op een gewone

boot, maar haar ééne uiteinde is hooger dan het andere en zij was in

de afbeelding van het hoofd van een dier, dat op een gazelle lijkt,

vervaardigd.

In het midden van het vaartuig bevond zich een kist, waar zich bovenop

een havik, met uitgespreide vleugels, bevond; men veronderstelde,

dat deze het lijk van Osiris, den dooden zonnegod, bevatte.

De Seker-, of Henu-boot, was waarschijnlijk een vorm voor de

Mesektet-boot, waarin de zon, gedurende de tweede helft van zijn

dagelijksche reis, door de lucht voer en waarin zij des avonds de

oude wereld bereikte.

Hoewel Seker, als godheid, in het oude Egypte vrij populair was,

schijnen zijn attributen geheel en al door Ptah te zijn aangenomen. Wij

vinden zelfs den drievoudigen naam Ptah-Seker-Asar of Ptah-Seker-Osiris

en deze wordt dikwijls, als havik, op lijkkisten en sarcophagen,

voorgesteld.

Ongeveer in den tijd der 22e dynastie werd dit drietal feitelijk

één met Osiris en het had zelfs varianten, welke de attributen

van Min, Amsu en Khepera aannamen. Deze godheid is beschreven als:

"de drievoudige godheid der wederopstanding". Er is weinig twijfel,

of deze versmelting is door invloed van priesters tot stand gekomen.

Ptah werd ook met een god, onder den naam Tenen bekend, vereenigd;

deze wordt gewoonlijk in menschelijke gestalte voorgesteld, terwijl

hij op zijn hoofd een kroon, van struisveeren voorzien, draagt. Ook

wordt hij afgebeeld, terwijl hij arbeidt aan een pottebakkerswiel,

waaraan hij het ei der wereld vormt. Op andere voorstellingen ziet

men hem een kromme sabel vasthouden.

Budge vermoedt, dat dit wapen aantoont, dat hij de vernietigende kracht

van den oorlogsgod is, doch dit is zeer onwaarschijnlijk. De bronzen

sabel van Ptah, in zijn gestalte als Tenen, is precies hetzelfde

symbool als de bijlen, welke over de geheele wereld de attributen

van de scheppingsgoden zijn. Met de sabel toch snijdt hij de aarde,

evenals god Ainu der Japaneezen dit met zijn bijl doet, of zooals

andere goden, van wie wij reeds melding gemaakt hebben, hun bijlen,

of hamers gebruiken. Tenen was waarschijnlijk een oude god, met

scheppende kracht, en werd om die reden met Ptah vereenigd.

Sekhmet.

De voornaamste plaats van vereering van Ptah was Memphis; hier bevonden

zich eveneens de tempels van Sekhmet, Bast, Osiris, Seker, Hathor,

I-em-hetep, benevens die van Ra. Sekhmet was de gezellin van Ptah en

zij waren de ouders van Nefer-tem.

Sekmet werd later met vormen van Hathor geïdentificeerd. Zij had den

kop van een leeuwin en stond waarschijnlijk in dezelfde verhouding

tot Bast, als Nephthys tot Isis. Zij verpersoonlijkt de hevige, alles

verzengende hitte der zonnestralen. Eén van haar namen is Nesert,

vlam, en hierin personificeert zij het vernietigende element.

De Zeven Wijzen.

Soms vinden wij Ptah in gezelschap van zekere wezens, de Zeven Wijzen

van de godin Meh-urt, die hun moeder was, genaamd. Wij vernemen,

dat zij uit het water ontstaan waren, uit de pupil van het oog van

Ra, dat zij de gestalte van zeven havikken aannamen, omhoog vlogen

en, tezamen met Thoth, het toezicht op het leeren en de letters

hielden. Ptah deelde, als bouwmeester en werkman, terwijl hij de

teekeningen van Thoth en zijn helper uitvoerde, in al hun attributen,

evenals zijn tegenhangster Sekhmet.

Bast.

Bast, de Bubastis van de Grieken, bezat de eigenschappen van een kat,

of leeuwin, terwijl de laatste een meer moderne ontwikkeling van haar

karakter is. Haar naam beteekent de "verscheurster" en ook wordt zij

de meesteres van Sept, d.w.z. van de ster Sothis genoemd. Zij wordt

verder soms met Isis en Hathor geïdentificeerd.

In tegenstelling met de woeste Sekhmet, stelt zij de zachte,

vruchtbaar makende zonnehitte voor. De kat houdt er van zich in de

zon te koesteren en om deze reden werd dit dier als symbool voor deze

godin genomen. Zij werd met Sekhmet en Ra tot één godheid versmolten,

onder den naam van Sekhmet-Bast-Ra bekend en als zoodanig met het hoofd

van een man afgebeeld, terwijl vleugels aan haar arm zichtbaar zijn

en twee koppen van gieren uit haar nek te voorschijn komen. Eveneens

heeft zij leeuwenklauwen.

Zij was de godin van het Oostelijk deel der Delta en werd te Bubastis,

in Beneden-Egypte, vereerd. Hare eeredienst schijnt in die streek

vrij oud te zijn en hoewel zij in de Pyramidenteksten vermeld wordt,

komt zij slechts zelden in het Boek der Dooden voor.

Waarschijnlijk was zij oorspronkelijk een kat-totem en in elk geval

werd zij eerst in de gestalte van een kat vereerd. Men heeft willen

opmerken, dat zij de karakteristieke eigenschappen van een uitheemsche

godin heeft, doch voor deze opvatting zijn geen zeer vaste gronden

aan te voeren.

Hoewel zij met vuur en de zon verbonden is, heeft zij misschien ook

eenige gemeenschap met de schijf van de maan, want haar zoon Khensu

is een maangod. Kat-goden worden dikwijls met de maan verbonden,

hoofdzakelijk vanwege de vruchtbaarheid van het dier, dat de

voorstelling is van de vruchtbaarheid en groeikracht, welke aan de

maan verbonden is.

Het Feest van Bast.

Herodotus geeft ons een zeer schilderachtige beschrijving van het

feest van de godin, dat in de maanden April en Mei plaats vond. Hij

vertelt, dat de Egyptenaren in schepen naar de stad Bubastis voeren,

terwijl zij op trommels en tamboerijnen sloegen en allerlei ander

lawaai maakten, terwijl zij, die geen muziek maakten, in hun handen

klapten en luid zongen. In de stad aangekomen, dansten zij en vierden

feest, onder gezang en drinkgelagen.

Van de stad Bubastis geeft hij een levendige schildering, welke als

volgt luidt:

"De stad Bubastis verheft zich in de hoogte en hierin bevindt zich een

zeer merkwaardige tempel, aan de godin Bubastis gewijd, in onze taal

Diana genoemd en hoewel er thans tempels zijn, welke grooter en rijker

uitgerust zijn, is geen enkele met dien te vergelijken, zoo bevallig

is hij om aan te zien. Deze tempel is aldus. Behalve den toegang is de

geheele oppervlakte van de stad een eiland, want hieromheen stroomen

twee armen van den Nijl, welke zich niet met elkander vereenigen,

maar één weg overlaten. Deze Nijlarmen zijn honderd voet breed en

aan beide zijden van de oevers met schaduwrijke boomen beplant. De

toegangspoort is 10 vademen hoog en met afbeeldingen, welke 6 el

groot zijn, versierd, prachtig om te aanschouwen.

De tempel zelf bevindt zich in het midden van de stad en is van alle

kanten zichtbaar. Immers, hoewel de stad steeds werd opgehoogd,

bleef de tempel steeds op zijn plaats en is aldus van alle kanten

gemakkelijk te bezichtigen, aan alle zijden van de stad. Rondom den

tempel loopt een muur, met afbeeldingen versierd.

Aan de binnenzijde van den muur bevindt zich een heilig bosch,

van hooge boomen voorzien, rondom het tempelgebouw zelf en hierin

bevindt zich het beeld der godin. De lengte en breedte van den tempel

is een stadie.

Er leidt van den ingang van den tempel Oostwaarts een geplaveide weg

naar den tempel van Mercurius, ongeveer drie stadiën lang en ongeveer

4 plethren breed; aan beide zijden van dien weg zijn hemelhooge

boomen geplant".

Nefer-Tem.

Nefer-Tem was de zoon van Ptah en Sekhmet, of van Ptah en Bast. Hij

wordt als een man, wiens hoofd met veeren bedekt is, voorgesteld,

terwijl hij soms op één been staat. Soms wordt hij zelfs met een

leeuwenkop voorgesteld en met een lichaam van een mummie.

In oude tijden werd hij symbolisch door de lotus-bloem voorgesteld. Hij

was het derde lid van het drietal van Memphis, hetwelk uit hem,

Ptah en Sekhmet bestond. Waarschijnlijk is hij de jonge Tem, de god

van de opkomende zon. Misschien was zijn symbool de lotus, omdat

het den Egyptenaren kon toeschijnen, dat de zon uit bedden van die

plant in de Delta te voorschijn kwam. In latere teksten wordt hij met

verschillende andere goden geïdentificeerd, doch deze allen schijnen

gestalten van Horus, of Thoth, te zijn.

I-em-hetep.

I-em-hetep, een andere zoon van Ptah, werd eveneens als een lid

van het groote drietal van Memphis beschouwd. Zijn naam beteekent

"Kom in vrede" en werd hem gegeven, omdat men dacht, dat hij de

geneeskunde aan de menschheid had gebracht. Evenals zijn vader Ptah,

schildert men hem met een hoofdkap af. Voor hem ligt een papyrusrol,

om zijn karakter als god der studie en het leeren aan te duiden,

doch hij was in Egypte meer populair als god der medicijnkunde.

Later nam hij de plaats van Thoth, als schrijver van de goden, in

en deed de tooverwoorden, welke de dooden tegen hun vijand in de

Duat beschermen moesten, aan de hand. Hij bezat ook een karakter,

dat met de begrafenis in verband stond en dit zou misschien kunnen

bewijzen, dat geneeskundigen op eenige wijze met de kunst van balsemen

in verband stonden.

In een tekst der Ptolemaeën, in zijn tempel op het eiland Philae,

wordt hij genoemd: "hij, die het leven aan alle menschen schenkt". Men

dacht ook, dat hij aan de lijdenden het geschenk van den slaap zond

en werkelijk stonden de bedroefden en terneergeslagenen onder zijne

bijzondere bescherming.

Budge verkondigt de meening, dat, indien wij zijn geschiedenis

vanaf het begin konden opsporen, wij wellicht zouden vinden, dat hij

oorspronkelijk een zeer kundig medicus was, die aan de Egyptenaren

eenige elementaire kennis der geneeskunde bijgebracht had, en die

eenigszins met de wijze om de lichamen der dooden door middel van

kruiden, specerijen en linnen inwikkelingen te bewaren, vertrouwd was.

Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk, alleen de geneesheer moet

in later tijd geheel anders voorgesteld zijn, zooals men uit het

gebruik van den papyrus-rol zien kan. I-em-hetep was de god van de

geneesheeren en van hen, die zich met geneeskundige magie ophielden

en zijn vereering was in Memphis waarschijnlijk zeer oud.

Budge gaat zelfs zoover om te vermoeden, dat I-em-hetep de tot een

godheid verheven gestalte van een aanzienlijk geneesheer was, die

tot de priesterschap van Ra behoorde en die tegen het einde van de

regeering der 3e dynastie leefde.

In de gezangen, welke in den tempel van Antuf aangeheven werden, komen

wij de volgende passage tegen: "Ik heb de woorden van I-em-hetep

en Heru-tata-f gehoord, welke steeds herhaald worden, doch waar

is tegenwoordig hun plaats? Hun muren zijn omver geworpen, hun

woonplaatsen bestaan niet meer en het is, alsof zij nooit bestaan

hebben. Niemand kan ons verklaren, wat voor wezens zij waren en

niemand kan ons over hun bezittingen vertellen.

Heru-tata-f was een man van groote leerkracht en deze bracht, zooals

wij in het Verhaal van den Toovenaar, elders in dit werk, beschreven,

die geheimzinnige personen naar het hof van zijn vader Khufu. Hij

ontdekte ook eenige hoofdstukken van het Boek der Dooden.

Budge vermoedt, dat I-em-hetep, die in verbinding met hem genoemd

wordt, een man van hetzelfde type was, n.1. een kundig geneesheer,

wiens woorden en daden verdienden, met de woorden van Heru-tata-f op

één lijn gesteld te worden.

De afbeeldingen van I-em-hetep doen vermoeden, dat hij van

menschelijken en plaatselijken oorsprong was en hij oefende

op de verbeelding der latere Egyptenaren, uit den Saïtischen en

Ptolemaeïschen tijd, grooten invloed uit. Hij was inderdaad een soort

van Egyptischen Harpocrates, iemand, die, zooals Budge vermoedt,

vanwege zijn groote kennis als geneesheer, tot een god verheven is.

Khnemu.

In de stad Elephantine werd een drietal groote goden vereerd. Dit

bestond uit Khnemu, Satet en Anqet.

De vereering van eerstgenoemden god dateerde al uit oer-oude tijden en

zelfs in de inscriptie van koning Unas vinden wij over hem gesproken

op een wijze, welke bewijst, dat hij zeer oud was.

Zijn positie was steeds zeer verheven en zelfs tot het laatste toe,

schijnt hij in de oogen van de Gnostici van zeer groot gewicht geweest

te zijn. Khnemu was waarschijnlijk een god van de Egyptenaren uit

den prae-dynastieken tijd.

Zijn symbool is de ram, met platte horens voorzien; deze schijnt uit

het Oosten ingevoerd te zijn. Na de 12e dynastie vinden wij hem

echter in geen enkele inscriptie vermeld.

Gewoonlijk wordt hij in de gestalte van een man, met den kop van een

ram voorzien, voorgesteld, terwijl hij de witte kroon draagt en soms

de schijf. Op sommige afbeeldingen ziet men hem water over de aarde

uitgieten en op weer andere met een juk boven zijn horens; dit is

ongetwijfeld een aanwijzing, dat hij met vochtigheid in verband staat.

Zijn naam beteekent de bouwer, of vormer en hij was het, die den

eersten mensch aan het pottebakkerswiel vormde, die het eerste ei,

waaruit de zon ontsproot, vervaardigde en de lichamen der goden

samenstelde en voortging hen te beschermen.

Khnemu is te Elephantine, vanaf onheuglijke tijden, vereerd en daarom

was hij de god van de eerste Cataract. Zijn tegenhangsters, Satet

en Anqet, zijn als een gedaante van de ster Sept en als een Nubische

locale godin geïdentificeerd.

Uit de teksten is het volkomen duidelijk, dat Khnemu, evenals Hapi,

oorspronkelijk een riviergod was, die als de god van den Nijl en de

jaarlijksche overstrooming beschouwd werd en het kan zijn, dat hij

en Hapi Nijlgoden waren, door twee verschillende rassen ingevoerd,

of misschien door het volk uit twee verschillende deelen van het land.

In de teksten wordt hij genoemd "de vader van de vaderen der goden en

godinnen, heer van de dingen door hemzelf geschapen, maker van hemel,

aarde, Duat, water en bergen", zoodat wij zien, dat hij, evenals Hapi,

met de scheppingsgoden vereenzelvigd is.

Soms wordt hij voorgesteld als iemand met een menschelijk lichaam,

waarop de koppen van 4 rammen geplaatst zijn en daar hij de attributen

van Ra, Shu, Geb en Osiris met die van zichzelf vereenigd heeft,

stellen deze koppen waarschijnlijk de genoemde goden voor. Brugsch

echter werpt het vermoeden op, dat zij de vier elementen, vuur,

lucht, aarde en water voorstellen. Doch het is zeer moeilijk in

te zien, hoe dit mogelijk is. In elk geval stelt Khnemu, wanneer

hij met de vier koppen afgebeeld wordt, de groote, oorspronkelijke

scheppingskracht voor.

De Legende over de Bron van den Nijl.

De krachten welke Khnemu-Ra als god van den aardschen Nijl werden

toegeschreven, zijn in een legende belichaamd, welke in 1890 in

een inscriptie, op een rots van het eiland Sahal, gevonden werd. De

koning, die in deze inscriptie vermeld wordt, is als Tcheser, den

derden vorst der 3e dynastie, geïdentificeerd.

De geschiedenis nu vertelt ons, dat in het 18e jaar van de regeering

van dien koning, een hongersnood Egypte teisterde, omdat de Nijl

gedurende 7 jaren het land niet overstroomd had. Dus was het graan

schaarsch, de velden en tuinen brachten niets op, zoodat het volk

gebrek had aan voedsel.

Sterke menschen waggelden, evenals oude menschen, de bejaarden vielen

zelfs ter aarde en stonden niet meer op en de kinderen schreeuwden

luide door den honger. Zelfs werden de menschen dieven, om het

weinige voedsel, dat er nog was, in bezit te krijgen en beroofden

zij hun buren.

Verhalen over dezen verschrikkelijken toestand bereikten de ooren van

den koning en hij werd hierdoor smartelijk getroffen. Hij herinnerde

zich, dat de god I-em-hetep, de zoon van Ptah, Egypte eens van

een dergelijke ramp bevrijd had, doch toen hij diens hulp inriep,

verwaardigde de god zich geen antwoord.

Daarop zond koning Tchesen een bode naar zijn gouverneur Mater, die

het Zuiden bestuurde, n.l. het eiland Elephantine en Nubië en vroeg

hem, waar de bron van den Nijl was en welke de naam van den god,

of de godin, van die rivier was.

Mater, de gouverneur, begaf zich in hoogst eigen persoon op weg, om

zijn heer het antwoord op zijn vraag te brengen. Hij vertelde hem,

bij zijn aankomst, van het wonderlijk eiland Elephantine, waarop de

eerste van alle steden gebouwd was; hieruit rees de zon op, wanneer

zij de menschen het leven schenken wilde. Hier bevond zich ook een

dubbel hol, in de gestalte van twee harten; uit dit hol kwam de vloed

van den Nijl op, om het land met vruchtbaarheid te zegenen, wanneer

de god de grendels van de deur in het daarvoor passende jaargetijde

terugschoof. Deze god was Khnemu.

Mater beschreef hierop aan zijn meester den tempel van den Nijlgod,

in Elephantine en vertelde, dat zich daarin nog andere goden bevonden,

onder hen de groote goden Osiris, Horus, Isis en Nephthys. Hij vertelde

verder over de producten van het land en zei, dat men hiervan aan

Khnemu offers brengen moest.

Daarop stond de koning op, bracht offers aan den god en aanbad hem

in zijn tempel. En de god verhoorde hem en verscheen aan den koning

die door smart getroffen was. Hij zeide tot hem: "Ik ben Khnemu,

de Schepper. Mijn handen rusten op u, om u te beschermen en uw

lichaam gezond te maken.... Ik schonk u uw hart.... Ik ben het, die

het schiep. Ik ben de oorspronkelijke watermassa, ik ben de Nijl,

die, al naar hij wil, rijst, om gezondheid te geven aan hen, die

arbeiden. Ik ben de gids en leider van alle menschen, de Almachtige,

de vader van de goden, Shu, de machtige bezitter der aarde".

Daarop beloofde de god aan den koning, dat vanaf dat oogenblik de

Nijl, evenals in oude tijden, weer zou rijzen, dat de hongersnood op

zou houden en dat een groote voorspoed over het land zou komen. Doch

hij wees den koning er eveneens op, dat zijn heiligdom verlaten was

en dat niemand moeite deed dit te herstellen, hoewel de steenen in

het rond verspreid lagen.

De koning hield dit in de gedachten en vaardigde een bevel uit, dat

de landen aan beide zijden van den Nijl, bij het eiland, waar Khnemu

woonde, voor den god bestemd moesten worden, als schenking aan zijn

tempel, dat priesters zijn heiligdom bedienen moesten en dat voor hun

onderhoud een belasting door het dichtstbijgelegen land opgebracht

moest worden.

Dit besluit liet de koning op een steenen zuil graveeren en dezen op

een goed zichtbare plaats zetten, als een klein bewijs van dankbaarheid

aan god Khnemu, den Nijlgod.

Satet.

Satet [23], de voornaamste tegenhangster van Khnemu, was eveneens een

godin der overstrooming. Haar naam beteekent waarschijnlijk "uitgieten"

of "naar buiten strooien", zoodat zij een godin kan aanduiden,

die de kracht van den regen bestuurde. In haar hand draagt zij een

boog en pijlen, evenals Neith, en dit is een typische voorstelling

van den regen, of bliksemstraal. Zij werd als een gestalte van Isis

beschouwd en wel hierdoor, omdat beiden met de ster Sept verbonden

waren en in deze gestalte verschijnt zij in het Boek der Dooden,

als een tegenhangster van Osiris.

Anqet.

Anqet, het derde lid van het drietal uit Elephantine, was

een zuster-godin van Satet. Zij droeg een kroon van veeren,

een omstandigheid, welke aanduidt, dat haar oorsprong een zuiver

Afrikaansche was en wellicht was zij een godin van een van de eilanden

van de eerste Cataract.

Vanaf zeer oude tijden is zij met de andere leden van het drietal

vereenigd en haar cultus was, door het Noordelijk gedeelte van Nubië,

wijd en zijd verspreid. In later tijd was Sahal het middelpunt van

haar vereering en hier werd zij als koningin van dat eiland beschouwd

en werd, waarschijnlijk onder de 18e dynastie, een tempel voor

haar gebouwd. Zij bezat ook een heiligdom te Philae en werd daar met

Nephthys geïdentificeerd, zooals noodzakelijk is, als men op het feit

let, dat Osiris met Khnemu en Satet met Isis vereenzelvigd is.

Brugsch beschouwt haar als de verpersoonlijking van de wateren van den

Nijl en meent, dat haar naam beteekent: "omringen, omvatten" en dat

dit op de omvatting en de voeding van de velden, door de rivier, slaat.

Aten.

Aten, de zonneschijf, vertegenwoordigt in de Egyptische mythologie

een klasse op zichzelf. Hoewel hij oppervlakkig beschouwd eenige

kenmerkende eigenschappen met andere zonnegoden van Egypte gemeen

heeft, toont ons een nadere beschouwing van deze godheid aan, dat

hij in vele opzichten aanmerkelijk van dezen verschilt en dat zijn

vereering inderdaad geheel vreemd is aan den godsdienstigen genius

van het Egyptische volk.

De dienst van Aten, van welken voor den tijd van Amen-hetep IV

nog weinig melding gemaakt wordt, trad onder de regeering van dien

vorst plotseling op den voorgrond en werd gedurende eenigen tijd de

staatsgodsdienst van Egypte.

Aangaande zijn oorsprong is niets bekend en waarschijnlijk was Aten,

ten tijde van het Middenrijk, een onbekende, locale godheid, ergens

in de buurt van Heliopolis vereerd. Zijn gewichtige positie in het

Egyptische pantheon is aan het feit te danken, dat zijn eeredienst

rechtstreeks de oorzaak werd voor een godsdienstige, sociale en

artistieke revolutie, welke onder de regeering van Amen-hetep IV

plaats had.

Met de omverwerping der Hyksos-koningen en de stevige vestiging van

de Thebaansche monarchie (bij het begin der 18e dynastie), nam Amen,

de plaatselijke god van Thebe, de eereplaats in het Egyptische pantheon

in en werd als Amen-Ra vereerd.

Het is echter bekend, dat Thothmes IV zich beijverde, den eeredienst

van Ra-Harmachis te herstellen. Zijn zoon, Amen-hetep III, bouwde

voor dezen god en voor Aten te Memphis en Thebe, tempels. Zijn vrouw

Tyi [24], schijnt deze pogingen ondersteund te hebben; zij was een

dochter van Iuaa en Thuau; deze, hoewel niet verwant met de koninklijke

familie, werd het hoofd van de koninklijke vrouwen.

Misschien was zij zelf een vereerster van Aten, dit zou de eerbied,

welke haar zoon, Amen-hetep IV, voor dien god bezat, kunnen

verklaren. Hij nam den titel aan van "hoogepriester van Ra-Heru-Akhti

[25], den verhevene aan den horizon, onder zijn naam van Shu, die in

Aten is"; hieruit zien wij, dat hij Aten, in overeenstemming met het

in die tijden overheerschende gevoelen, eerder als de verblijfplaats

van den zonnegod, dan als dien god zelf, beschouwde.

In de eerste jaren van zijn regeering vereerde Amen-hetep Amen en

Aten beiden, den eersten in zijn kwaliteit van vorst, den laatsten

meer in zijn particuliere functie, terwijl hij eveneens te Thebe een

groote obelisk ter eere van Ra-Harmachis bouwde.

Daarop werd het echter meer en meer duidelijk, dat de koning Aten

boven alle andere goden trachtte te verheffen. Dit was echter aan

de vereerders van Amen geenszins aangenaam; hierbij kwam nog, dat

de priesters van dezen uit de eerste families gelicht werden. Er

ontstond nu een strijd tusschen de vereerders van Amen-Ra en dien

van Aten en ten slotte bouwde de koning een nieuwe hoofdstad, aan

Aten gewijd, op de plaats van het tegenwoordige Tell-el-Amarna,

in Midden-Egypte. Hij trok zich daarop met zijn volgelingen terug,

toen de strijd haar hoogtepunt bereikte. Aan de nieuwe stad gaf hij

den naam van Akhet-Aten (horizon van Aten). Zijn eigen naam veranderde

hij in dien van Akh-en-Aten (roem van Aten).

De vereering van een eenig god.

Eén van de kenmerken van den nieuwen godsdienst was, dat het wezenlijk

een monotheisme was en geen andere goden naast zich dulden kon. Daarom

was het onmogelijk, ook al waren bepaalde zonnegoden onder gelijke

omstandigheden met Ra vereenigd, dat dit bij Aten evenzeer gebeuren

kon.

Niet alleen was hij de koning der goden, hij was _de_ god. Dit

monotheisme behield echter nog vele vormen en riten van andere

eerediensten, paradoxaal als dezen geschenen moeten hebben. De koning

behield zijn titel van "zoon der zon" (Aten), terwijl hij zijn Horus-

en andere titels met die van Aten ruilde. De begrafenisgebruiken en

het gebruik van den scarabaeus bleven bewaard.

De naam van Amen-Ra, waarmede zij vroeger verbonden waren, was overal

uitgewischt, op bevel van den koning, zelfs waar deze een deel

van een eigennaam vormde. Den tempel, welken de koning voor zijn

god in Akhet-Aten bouwde, noemde hij Het-Benben, "het huis van het

Pyramidium". Deze werd echter nooit voltooid.

De godsdienst, welken men het Egyptische volk trachtte op te dringen,

vond geenszins een gul onthaal. De godheden, welke zich tot dusver

in iedere nome, of provincie, ontwikkeld hadden, hadden ieder hun

bijzondere eigenschappen en ritus en elk van dezen moest door de

centrale godheid aan zich getrokken worden. Maar, zooals reeds gezegd

is, de aard van Aten liet een dergelijke fusie met plaatselijke goden

niet toe. Hij was inderdaad een kleurloozer god dan Amen, of Horus.

Het is de moeite waard, de waarschijnlijke motieven van Akh-en-Aten,

bij de invoering van dezen nieuwen cultus in Egypte, aan een nadere

beschouwing te onderwerpen. Men heeft vermoed, dat de invoering van den

Aten-dienst een verlichte, misschien eenigszins misplaatste, poging was

om Egypte onder den schepper van één godsdienst, waaraan allen konden

deelnemen, te vereenigen en wel een godsdienst, welke niet het cachet

van een bepaalde kaste, of een bepaald ras, droeg en bijgevolg voor

Syriërs, Aethiopiërs, of Egyptenaren, gelijkelijk aannemelijk zijn kon.

Indien dit zijn doel was, is het duidelijk, dat het Egyptische volk

voor deze omwenteling niet gereed was. De krachtige en fanatieke

maatregelen van Akh-en-Aten verzwakten zijn eigen oogmerken en

verwekten wantrouwen en haat tegen deze Aten-ketterij.

Een Sociale Omwenteling.

Gelijktijdig met deze revolutie, op godsdienstig gebied, vond er

een sociale en artistieke omwenteling, van niet minderen omvang,

plaats. Aten was, tenminste in theorie, als godheid van de kluisters

van mythe en ritus, welke rondom zijn voorgangers vastgeroest

waren, bevrijd. Zijn cultus was in wezen een naturalistische. Het

maatschappelijk leven richtte er zich daarom naar in, vrijer en

natuurlijker te worden.

De koning en de koningin bewogen zich thans onder het volk met minder

plechtigheid, dan zij tot nog toe gewoon waren; het familieleven was

aan minder beperking onderworpen, kortom, overal werd een bepaalde

voorliefde voor alles, wat natuurlijk en spontaan was, merkbaar.

De beweging verbreidde zich langzamerhand zelfs tot de kunst van het

volk; deze toch toont, in zekere kleuren, een bepaald breken met de

gevestigde tradities, daar de kunstenaars, onder de regeering van

dien vorst, voor het eerst de licht- en schaduweffecten apprecieeren

en eveneens die van een zuiverder schets.

Ongelukkigerwijze bezitten wij niet voldoende gegevens, om de periode

van Akh-en-Aten's regeering nauwkeurig te kennen. Waarschijnlijk

vulde deze een twintigtal jaren. Na hem kwamen verschillende andere

heerschers, doch geen van dezen nam den Aten-cultus in bescherming,

zoodat deze spoedig verminderde, terwijl de suprematie van Amen-Ra in

allen luister hersteld werd. Alle monumenten en tempels, ter eere van

Aten opgericht, werden weggevaagd en eerst kort geleden door Lepsius,

Petrie en Davis weer ontdekt. Het laatste toevluchtsoord van den god

was Heliopolis, waar een heiligdom voor hem in stand bleef.

De Attributen van Aten.

Zooals reeds opgemerkt is, was hij een eenigszins kleurlooze god

en misschien kan hij beter onderscheiden worden door de attributen,

welke hem niet, dan die hem wel toegeschreven worden, hoewel sommige

attributen van Ra, Horus en andere voorstellingen van den zonnegod,

hem langzamerhand gegeven werden.

Van zijn oorspronkelijk ondergeschikte positie, als de verblijfplaats

van Ra, n.l. de schijf, waarin de godheid huisde ("Ra in zijn Aten"),

duidde Aten langzamerhand den god en de zonneschijf beiden aan.

Pogingen, welke aangewend zijn, om hem met den Semitischen Adonai

(den Griekschen Adonis) te identificeeren, hebben geen succes

opgeleverd. Een aanwijzing voor de vroegere positie van Aten, in het

pantheon, kan men in het Boek der Dooden vinden, waar Ra als volgt

wordt toegesproken: "O Gij schoon wezen, Gij hernieuwt Uzelf en maakt

U weder jong, in de gedaante van Aten". "Gij wendt Uw gelaat naar

de onderwereld en Gij maakt, dat de aarde op fijn koper gelijkt. De

dooden verrijzen om U te zien, zij ademen de lucht in en zien naar

Uw aangezicht, wanneer Aten aan den horizon schijnt".

Een Aten-hyme.

Gedurende den tijd, dat zijn cultus in Egypte de voornaamste was,

werd Aten door zijn vereerders, als de uit zichzelf voortgekomen en

altijd durende schepper, de bevruchter en voeder van de aarde en al,

wat deze bevat, de god, die de levens der menschen bepaalt, beschouwd.

Aten werd in een lijst afgebeeld, waarin hij genoemd wordt: "Heer

van den hemel, Heer der aarde, Hij, die voor altijd leeft, Hij,

die de aarde verlicht, Hij, die in waarheid regeert".

Een buitengewoon schoone en poëtische hymne ter eere van Aten,

waarin hij verheerlijkt wordt als de schenker van het leven en de

vruchtbaarheid van alle wezens, is in de graftombe van Aï, een hoog

ambtenaar, onder Amen-hetep, of Akh-en-Aten, gevonden. Deze hymne

begint aldus:

Schoon is Uw schitterende verschijning aan den horizon des hemels,

O Aten, gij, die leeft en zelf het begin van het leven zijt.

Hij is het, die den Nijl in de Duat maakte en hem naar de menschen

geleidde, terwijl hij zijn wateren deed rijzen; hij zendt, eveneens

den regen naar de landen, welke buiten het bereik van den weldadigen

vloed van den Nijl zijn.

Gij maakt den Nijl in de onderwereld, gij geleidt hem hierheen,

indien het U lust,

Opdat hij leven kan geven aan de menschen, die gij uit Uzelf

gemaakt hebt, Heer over allen!

Gij geeft den Nijl in den hemel, opdat hij naar hen zal afdalen.

Deze laat zijn wateren over de rotsen rijzen, gelijk de zee en

hij bevochtigt hun akkers in hun nomen.

Zoo zijn Uw middelen volmaakt, o Heer der Eeuwigheid, Gij, die

de hemelsche Nijl zijt.

Gij zijt de koning van de inwoners van het land.

En van het vee, dat in ieder land op voeten gaat,

De Nijl komt uit de onderwereld naar Egypte.

De Aten-hymnen leggen hun god zulke attributen bij, als ieder volk

in zijn zonnegod zien kan. Alle opsmuk, welke bij den cultus van Ra,

Osiris en dergelijke godheden behoort, is bij hem afwezig. Hier geen

vermelding van de schepen, waarmede de goden door den hemel voeren,

evenmin van Apep, de groote slang en de andere vijanden van Ra, noch

van de gezelschappen van goden en godinnen, die zijn trein vormden.

Bij den Aten-cultus vinden wij geen strijd, zooals bij dien van Horus,

noch ontmoeten wij ceremonies en ritueel van het gebied van Osiris. Al

deze dingen komen bij den Aten-dienst niet voor. Gemakkelijk begrijpt

men, waarom deze dienst mislukte, toen er een beroep op het Egyptische

volk gedaan werd.

Aten werd zelfs niet in menschelijke gestalte afgebeeld, zooals

Ra en Osiris, doch onveranderlijk als de zonneschijf voorgesteld,

terwijl stralen vanuit deze in benedenwaartsche richting vielen. Elke

straal eindigde in een menschelijke hand en hieraan waren somtijds

de teekenen van het leven, der kracht, enz., vastgehecht.

Reliefs uit dezen tijd schilderen den koning en de koningin

herhaaldelijk af, in gezelschap van hun kinderen zittend, terwijl

zich boven hun hoofden het symbool van Aten bevindt, en een van

zijn talrijke handen het levensteeken van elk lid der koninklijke

familie aanduidt.

Kortom, de cultus van Aten was een zuivere en onveranderlijke

zonnevereering, van welke men echter de schilderachtige geschiedenis,

welke aan het hart der Egyptenaren zoo dierbaar was, had afgenomen.

Hathor.

Het is niet gemakkelijk de ware mythologische beteekenis der godin

Hathor, de beschermster van de vrouwen, de liefde en het genoegen,

meesteres van den hemel en de onderwereld, te peilen.

Zij nam een zeer aanzienlijke positie in het pantheon van het

oude Egypte in, daar zij uit zeer oude, zelfs prae-dynastieke

tijden dateerde. In de opvatting over Hathor vinden wij een menigte

mythologische ideeën vermengd; zij is een maangodin, een godin van de

lucht, van het Oosten, het Westen, een godin, die met het heelal in

verbinding staat, die tevens den landbouw beschermt, zij was verder

een godin der vochtigheid en soms zelfs een zonnegodin. Hoewel haar

oorspronkelijke vorm dus in het duister gehuld is, vermoedt men,

dat zij in den beginne een maangodin was en wel om redenen, welke

hieronder volgen.

De oorspronkelijke gestalte, waarin Hathor vereerd werd, was die

van een koe. Later wordt zij als een vrouw, met den kop van een koe

voorgesteld en ten slotte met een menschelijk hoofd, met een breed,

vriendelijk en kalm gelaat, dat ongetwijfeld de gelijkenis met den

kop van een koe vertoont, terwijl het soms nog de horens van het dier

waarop zij lijkt, behouden heeft.

Soms ook ziet men haar met een haardos, welke op een paar horens

gelijkt, met de schijf van de maan daartusschen. Soms ook ontmoet

men haar in de gestalte van een koe, welke in een boot staat, omringd

door papyrus-riet.

Nu wordt in de mythologie de koe dikwijls met de maan

geïdentificeerd--waarom, is moeilijk uit te maken. Misschien is het

te gewaagd, om de veronderstelling op te werpen, dat de verschijning

van de maan, welke op sommige tijdstippen eenige gelijkenis met een

hoorn heeft, de menschen op de gedachte gebracht heeft dat zij op

een of andere wijze met de koe in verband staat.

Mythologie is in vele gevallen op zulke oppervlakkige gelijkenissen

en analogieën gebaseerd en door dezen leert de geest van den

oorspronkelijken mensch het eerst denken. Ook zou het kunnen zijn,

dat de koe, een dier van groot gewicht voor landbouwers, met de maan

verbonden werd, daar deze als meesteres van het weer en als voornaamste

oorzaak van den groei en de vruchtbaarheid beschouwd werd.

Het feit, dat Hathor soms in de gedaante van een koe, in een boot,

gezien wordt, wettigt het vermoeden, dat zij eveneens een watergodheid

was en verhoogt tevens de waarschijnlijkheid, dat zij met de maan

vereenzelvigd werd; de laatste immers werd door de Egyptenaren als

de bron van alle vochtigheid beschouwd.

De naam Hathor beteekent: "Huis van Horus", d.w.z. de lucht, waarin

de zonnegod Horus woonde en er is geen twijfel aan, of Hathor werd

op zeker tijdstip als een godin van de lucht beschouwd, of als een

godin van de Oostelijke lucht, waar Horus geboren was; ook is zij

met de lucht van den nacht geïdentificeerd en met de lucht van den

zonsondergang.

Indien wij haar echter als een maangodin beschouwen, zal veel van de

mythologie, welke op haar betrekking heeft, duidelijk worden. Er wordt

b.v. dikwijls over haar gesproken als "Oog van Ra"; Ra bezit hier

waarschijnlijk de verdere beteekenis van god van de lucht. Ook wordt

zij aangeduid als de "gouden", die hoog in het Zuiden, als de vrouw

van Teka, staat en het westen als de heerscheres van Sais verlicht.

Dat zij de heerscheres in de onderwereld was, is eveneens niet

te verwonderen, indien wij haar identiek met de maan beschouwen;

onderneemt de maan toch niet een dagelijkschen pelgrimstocht door

Amentet? Evenmin is het verbazingwekkend, dat men een godin van

vochtigheid en plantengroei in de onderwereld vinden kan, terwijl

zij water uitdeelt aan de zielen der gestorvenen, uit de takken van

een palm, of vijgeboom.

Hathor als Godin der Liefde.

Op dezelfde hypothese kunnen wij de eenigszins paradoxale bewering

uitleggen, dat zij de moeder van haar vader, de dochter van haar zoon

is, dat zij de moeder, vrouw en dochter van Ra is. Men kan toch de

maan, wanneer zij aan den hemel verschijnt vóór de zon, als Ra's moeder

beschouwen; wanneer zij tezamen met hem regeert, is zij zijn vrouw;

als zij opkomt, nadat de zon ondergegaan is, is zij zijn dochter.

Het is verder mogelijk, dat de maan, met haar voortbrengende en

onderhoudende kracht, beschouwd is als de scheppende en schragende

kracht van het heelal, de groote moeder van den kosmos, welke niet

alleen de goden en godinnen, over wie zij regeerde, voortbracht,

doch eveneens haar zelf.

Zij ontving de eerbewijzen van de Egyptische vrouw, als het ideaal

van vrouwelijkheid, zoowel als moeder, vrouw, of dochter en zij werd

de beschermgodin van de liefde, de vreugde en pret, beschermster

van muziek en zang, beschermster van den dans en de meesteres van

de slingers.

Ter harer eere werden tempels opgericht van welke die in Denderah, in

Boven-Egypte, van buitengewone schoonheid is, en zij bezit ontelbare

andere heiligdommen. Langzamerhand werd zij met verschillende

plaatselijke godheden vereenigd en men heeft inderdaad verkondigd,

dat alle godinnen vormen van Hathor waren.

Als wachteres over de dooden wordt Hathor als koe voorgesteld,

komende uit den berg in het westen en ook terwijl zij op den top van

dezen staat, en de ondergaande zon en de zielen der dooden ontvangt,

terwijl de laatsten in de voetstappen van den zonnegod treden.

In dit geval kan men Hathor als de lucht van het Westen beschouwen,

doch de mythe kan eveneens op de maan betrekking hebben, welke soms

op de bergen van het Westen staat, na zonsondergang, met horens, welke

op uitgestrekte armen lijken, om de onzichtbare zielen te verwelkomen.

Er moet nog een ander punt met betrekking tot het mythologisch aspect

van Hathor besproken worden. Toen zij, als dochter van Ra, geboren was

(haar moeder was Nut, de godin der lucht) was zij geheel zwart. Dit

feit laat verschillende verklaringen toe. Het kan zijn, dat Hathor's

zwart uiterlijk een aanwijzing is voor een Aethiopische afkomst,

of ook kan het zijn, dat zij een voorstelling is van de lucht des

nachts, welke met den groei van den dag licht wordt.

Het is echter ook mogelijk, haar als een voorstelling van de maan

te beschouwen, welke zwart geboren wordt, met slechts een kleine

lichtsikkel, doch welke helderder wordt, als zij ouder wordt. Het

is niet waarschijnlijk, dat de scherpziende oogen van den eersten

mensch de donkere maanschijf niet opgemerkt zouden hebben, welke aan

de buitenzijde nog door het licht, dat door de aarde teruggekaatst

werd, verlicht werd.

De Menschenslachting.

In de volgende mythen over Ra en Hathor wordt de laatste geheel en

al met de maangodin geïdentificeerd. Het verhaal luidt aldus:

Lang geleden woonde Ra, de zonnegod, de schepper van den mensch en

alle andere wezens, en heerscher over de goden, op aarde. Een tijd

lang bewezen de menschen hem den eerbied, aan zijn hooge positie

verschuldigd, doch ten slotte werd hij oud, en zij bespotten hem,

terwijl zij zeiden: "zie eens, zijn beenderen zijn als zilver, zijn

armen lijken op goud, zijn haar is echte lapis-lazuli". Nu was Ra

zeer vertoornd, toen hij deze godslastering hoorde, daarom riep hij

zijn volgelingen bijeen, de goden en godinnen van zijn gezelschap,

Shu en Tefnut, Geb en Nut en Hathor, het oog van Ra.

In het geheim kwamen de goden samen, zoodat de menschenkinderen niets

van hun bijeenkomst weten konden. Toen zij nu allen rondom den troon

van Ra verzameld waren, sprak hij tot Nun, den oudste van de goden:

"O Nun, gij eerstgeborene van de goden, wiens zoon ik ben, ik smeek

U, geef mij raad. De menschen, die ik geschapen heb, bedenken booze

dingen tegen mij, zelfs zij, die uit mijn oog te voorschijn gekomen

zijn. Zij hebben in hun haat gemompeld en zeiden: Zie, de koning is

oud geworden, zijn beenen lijken op zilver, zijn armen op goud, zijn

haar lijkt op werkelijke lapis-lazuli. Zeg mij, wat moet ik tegen

hen doen? Ik heb over Uw raad gedacht. Ik wil hen niet vernietigen,

voordat gij gesproken hebt".

Hierop antwoordde Nun:

"O Gij groote God, die grooter zijt, dan hij, die U maakte, Gij,

die grooter zijt, dan Uw vader, wend slechts Uw oog tegen hen, als

zij godslasteren en zij zullen van de aarde verdwijnen".

Hierop wendde Ra werkelijk zijn oog naar de lasteraars, overeenkomstig

den raad van Nun. De menschen echter vluchtten voor het oog van Ra en

verborgen zich in woestijnen en rotsachtige plaatsen. Hierop gaven

alle goden en godinnen aan Ra den raad, zijn oog onder de menschen

te zenden, om hen op smartelijke wijze te treffen.

Het oog van Ra daalde daarop van den hemel, in de gedaante van de godin

Hathor, trof de menschen in de woestijn en doodde hen. Daarop keerde

Hathor naar het hof van Ra terug en toen de koning haar verwelkomd

had, zeide zij: "Ik ben machtig geweest onder de menschen. Dit is

mijn hart aangenaam".

Den geheelen nacht waadde Sekhmet [26] in het bloed van hen, die

gedood waren en 's morgens vreesde Ra, dat Hathor alle nog overigen

van het menschelijk geslacht zou vernietigen; daarna sprak hij tot

zijn dienaren: "Breng mij snelle boden, die de winden voorbijloopen".

Toen de boden verschenen waren, verzocht de koning hen een groot

aantal alruinen uit Elephantine te halen. Ra gaf dezen daarop aan

Sekhmet en verzocht hem, dezen fijn te stampen; toen dit gedaan was,

mengde hij de alruinen met een hoeveelheid van het bloed van hen,

die Hathor gedood had.

Ondertusschen waren dienstmaagden bezig, bier uit gerst te maken en

hierin goot Ra het mengsel. Aldus werden 7000 kruiken bier gemaakt.

Des morgens verzocht Ra zijn dienaren, het bier naar de plaats

te brengen, waar Hathor de overgebleven menschen zou trachten te

dooden en het daar uit te gieten. Want de godheid zei bij zichzelf:

"Ik zal de menschen uit haar handen bevrijden".

Het gebeurde werkelijk, dat Hathor, tegen de schemering, de plaats

bereikte, waar het bier lag, dat de velden overstroomde. Zij

verheugde zich zeer over de weerkaatsing van haar schoon gezicht,

dat haar uit den stroom toelachte en zooveel dronk zij van het bier,

dat zij dronken werd en niet meer in staat was, menschen te dooden.

Vanaf dien tijd werden er, ter herinnering aan deze gebeurtenis,

luidruchtige feesten gevierd.

Er is geen twijfel mogelijk, of in deze mythe is het bier een

voorstelling van de jaarlijksche overstrooming van den Nijl en als

men nog een verder bewijs zoekt dan dit, in deze geschiedenis vervat,

kan men dit vinden in het feit, dat de uitgelaten feesten van Hathor,

in de maand Thoth, de eerste maand van de overstrooming, vallen.

De wraak van Ra is ongetwijfeld een voorstelling van de rampen en het

hongerlijden, dat het drooge seizoen, dat onmiddellijk den was van de

rivier voorafgaat, vergezelt. Het oog van Ra--d.w.z. Hathor--moet,

of de zon, of de maan zijn. Ra echter is de zonnegod, daarom moet

Hathor waarschijnlijk als maangodin opgevat worden,

Men moet er wel aan denken, dat de Egyptenaren geloofden, dat de

maan hardnekkig haar best deed de overstrooming te verhinderen en

haar dus waarschijnlijk als de bron van alle rampen, welke door de

droogte ontstonden, beschouwden. Het is eveneens evident, dat het

oog van Ra onder de menschen een verwoesting aanrichtte gedurende

den nacht en dat de schemering van den dag aanbrak, nadat de godin

de menschen gedood had, toen zij stroomopwaarts ging.

Vormen van Hathor.

Hathor wordt soms met de ster Sept, of Sothis (Sirius),

geïdentificeerd, welke, met de zon op- en ondergaande, opkwam op

den eersten dag van de maand Thoth. Toen Ra zijn schip besteeg nam

Sothis, of de godin Hathor, haar plaats, boven zijn hoofd, evenals

een kroon in.

Steeds heeft men gewezen op de verschillende vormen van deze

godin. Door de Grieken werd zij met Aphrodite vereenzelvigd en door de

Egyptenaren met een menigte plaatselijke godinnen. De Zeven Hathors,

die men soms als onafhankelijke godinnen vermeldt, waren slechts in

werkelijkheid een van de gestalten der godin en dezen varieerden in

de verschillende plaatsen.

Zoo waren de Zeven Hathors, in Denderah vereerd, Hathor van Thebe,

Hathor van Heliopolis, Hathor van Aphroditopolis, Hathor van het

Sinaï-schiereiland, Hathor van Momemphis, Hathor van Herakleopolis

en Hathor van Keset.

Zij werden als jonge vrouwen, met tamboerijnen in de hand, voorgesteld

en voorzien van de Hathor haardracht, uit een schijf en een paar

horens bestaand. In de litanieën van Seker worden andere groepen

van Zeven Hathors vermeld en Mariette onderscheidt nog een ander

gezelschap onder dezen titel.

Kortom, Hathor is de voorstelling van het vrouwelijk element,

oorspronkelijk, vruchtbaar en aantrekkelijk, zooals dat bij de

meeste barbaarsche volken bekend is en dat in den loop der eeuwen

meer vervalscht is.

Hapi, de Nijlgod.

Deze god werd speciaal met de groote rivier, waarvan het bestaan van

Egypte afhing, verbonden en als zoodanig was hij in het Egyptische

pantheon een god van groot gewicht. Langzamerhand werd hij met Osiris

vereenzelvigd.

De naam Hapi wacht nog steeds op een vertaling en is waarschijnlijk van

prae-dynastischen oorsprong. Misschien komt de eerste vermelding van

dezen naam voor in den tekst van Unas, waarin de Nijlgod aangespoord

wordt, het graan, ten behoeve van den dooden vorst, vruchtbaar te

maken. In dezelfde teksten wordt over Hapi eveneens als over een

vernietigende kracht gesproken; dit is natuurlijk een symbolische

voorstelling voor de overstroomingen, zoo dikwijls door den Nijl

veroorzaakt.

Wat zijn verschijning betreft, bezit Hapi tegelijk mannelijke en

vrouwelijke karaktertrekken, terwijl deze laatsten dan een aanwijzing

zijn voor zijn voedingskracht. Als god van den Noordelijken Nijl

draagt hij een kroon van papyrus en als god van het Zuidelijk deel

der rivier, een van lotus-planten.

Deze twee vormen van Hapi zijn een gevolg van de aardrijkskundige

verdeeling van het land in Boven- en Beneden-Egypte en soms worden

zij tot één figuur vereenigd, wanneer men den god met beide planten in

zijn hand ziet. Op de kronen van sommige Pharaohs vinden wij dikwijls

den lotus en papyrus met het zinnebeeld der vereeniging verbonden,

om de souvereiniteit van den vorst over beide streken aan te duiden.

De werkelijke positie van Hapi maakte het zeker, dat hij, als godheid,

succes zou hebben. Het geheele land richtte het oog naar den Nijl,

als de bron van alle rijkdom en voedsel, zoodat de god, welke dezen

beschermde, snel in de achting van allen rees. Aldus werd Hapi snel

met de grootere en meer uitstekende figuren in de oude Egyptische

mythologie vereenzelvigd.

Op deze wijze kwam hij op gelijke lijn te staan met de groote,

oorspronkelijke goden, die de wereld geschapen hadden en ten slotte

beschouwde men hem als den maker en vormer van alles in het heelal. Wij

vinden hem met de attributen van Nu, de oer-watermassa, voorzien en

deze omstandigheden maakten hem inderdaad een vader van Ra, die uit

dat element te voorschijn gekomen was.

Hapi stond in meer onmiddellijk verband met de Egyptenaren, dan

bijna ieder ander god in het pantheon. Zonder de zon zou Egypte in

duisternis gehuld zijn, doch zonder den Nijl zou ieder levend wezen

op zijn oevers zonder twijfel te gronde gegaan zijn.

De omstandigheid verder, dat de bronnen van den Nijl aan de Egyptenaren

onbekend waren, brachten er veel toe bij om een mysterieus waas om

de godheid van deze rivier te weven. Het volk kon het rijzen en val

van de rivier niet begrijpen, daar het hen toescheen, dat deze onder

bovennatuurlijke auspiciën plaats hadden.

Bij gelegenheid van den jaarlijkschen was van den Nijl werd ter eere

van Hapi een groot feest gevierd en beelden van dezen god werd door

de steden en dorpen gevoerd.

Het is opmerkelijk, dat in verschillende mythologieën, goden der

vruchtbaarheid, door het rondvoeren van hun beelden door de straat,

geëerd worden en het is eenigszins moeilijk in te zien, waarom dit

geschiedde. Men kan echter niet beweren, dat alleen goden, die op

het landbouw betrekking hebben, aldus werden rondgevoerd, maar men

kan opmerken, dat dezen het meest van allen dergelijke eerbewijzen

ontvingen.

Tegenhangsters van Hapi.

Isis werd in zeker opzicht als de tegenhangster van Hapi beschouwd,

doch wij vinden eveneens, dat in het Noorden van Egypte de godin

Natch-ura als de gezellin van Hapi werd beschouwd en dat Nekhebet,

in het Zuiden, dezelfde functie bekleedde.

De volgende Hapi-hymne, in een papyrus, uit den tijd van de 18e

of 19e dynastie, doet het gewicht van zijn vereering in Egypte ten

duidelijkste uitkomen; deze luidt aldus:

"Eer zij U gebracht, U, Hapi, Gij verschijnt in dit land, en Gij

komt in Vrede om Egypte het leven te geven. Gij zijt de verborgene,

de gids in de duisternis, op den dag, waarop het U aangenaam is,

den weg te wijzen. Gij zijt de bevochtiger van de velden, welke

Ra geschapen heeft, Gij geeft het leven aan de dieren, gij maakt,

dat het geheele land onophoudelijk drinkt, wanneer gij van den hemel

afdaalt. Gij zijt de vriend van brood en van Tchabu, gij maakt, dat

Nepra in kracht toeneemt, gij maakt iedere werkplaats voorspoedig,

o Ptah, gij heer der visschen; wanneer de overstrooming komt, strijkt

geen watervogel op de velden, welke met tarwe bezaaid zijn, neer.

Gij zijt de schepper der gerst en gij maakt, dat de tempels in stand

blijven, want millioenen jaren is de rust van uw vingers voor U een

afschuw. Gij zijt de heer der armen en behoeftigen. Indien gij in den

hemel overweldigd zoudt worden, zouden de goden op hun gezicht vallen

en menschen zouden omkomen. Gij maakt dat de geheele aarde door het

vee geopend wordt en vorsten en landbouwers liggen neer en rusten.

Uw gestalte is die van Khnemu. Wanneer Gij op aarde schijnt, stijgen er

kreten van vreugde op, immers iedereen is verheugd en elk krachtig man

ontvangt voedsel en ieder land wordt van voedsel voorzien. Gij zijt de

brenger van voedsel, gij hebt de macht over eten en drinken, gij zijt

de schepper van alle goede dingen, de heer van het hemelsche voedsel,

aangenaam en heerlijk. Gij laat het voedsel voor het vee groeien en

gij let op datgene, wat aan iederen god geofferd wordt. De uitgezochte

wierook volgt U. Gij zijt de beheerscher der twee landen. Gij vult

de voorraadschuren, gij stapelt de graanzolders hoog op met koren

en gij let op de aangelegenheden van de armen en behoeftigen. Gij

laat het gras en de groene kruiden wassen, om de verlangens van

allen te stillen en gij wordt daardoor niet verkleind. Gij maakt,

dat uw sterkte een schild van den mensch is.

Nut.

De godin Nut was de dochter van Shu en Tefnut, de vrouw van Geb en

de moeder van Osiris en Isis, Set en Nephthys. Van tijd tot tijd zijn

waarschijnlijk een groot aantal andere godinnen in haar opgegaan.

Zij is echter de personificatie van de lucht, bij dag, terwijl een

zekere Naut de lucht van den nacht voorstelt, doch deze onderscheiding

dateert van veel vroeger Zij werd in werkelijkheid de tegenhangster van

Nu en stelde de groote watermassa, waaruit alle dingen in den beginne

ontstonden voor, zoodat Nut, de vrouw van Nu, en Nut, de vrouw van Geb,

een en dezelfde zijn. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor,

die een vaas met water op haar hoofd draagt en dit is een aanwijzing

voor haar karakter. Soms draagt zij de horens en schijf van Hathor,

doch zij heeft nog verschillende andere gedaanten als de groote moeder

van de goden.

Hare meest voorkomende verschijning echter is die van een vrouw,

welke op handen en voeten rust, met gebogen lichaam; op deze wijze

stelt zij de lucht voor. Haar ledematen zijn een voorstelling van de

vier zuilen, op welke men veronderstelde, dat de lucht rustte.

Oorspronkelijk dacht men, dat zij op Geb, de aarde, steunde, toen

Shu haar uit deze houding deed oprijzen. Deze mythe is onder de

inboorlingen van Amerika niet zeldzaam, in andere gedaante echter,

daar de lucht gewoonlijk de plaats inneemt van den oer-vader en de

aarde die van oer-moeder. Gewoonlijk worden dezen door de scheppende

godheden gescheiden, juist zooals Geb en Nut, en de allegorie is een

voorstelling van de scheiding van de aarde en de wateren, welke zich

boven haar bevonden en van de schepping der wereld.

Volgens een andere mythe gaf Nut dagelijks het aanschijn aan den

zonnegod en deze ging over haar lichaam, dat een voorstelling der lucht

is. In een ander verhaal stelt men het voor, dat hij langs haar rug

gaat. De ledematen en het lichaam der godin zijn met sterren bezaaid.

Bij een andere schilderachtige beschrijving van Nut zien wij een tweede

vrouwelijke gestalte binnen de eerste afgebeeld en in deze laatste

weer het lichaam van een man, de twee laatsten in overeenstemming

met de halfronde gedaante van de godin der lucht.

Men legt deze afbeeldingen aldus uit, dat de twee vrouwen de lucht

van den dag en den nacht voorstellen, doch van het lichaam van den

man geeft men zich geen rekenschap; wellicht stelt dat de Duat voor.

Op een andere plaats lezen wij, dat Nut in een groote koe veranderd

werd en herhaaldelijk wordt zij in deze gestalte afgebeeld. In het

Boek der Dooden lezen wij, dat de gestorvenen zich op haar verlaten,

om frissche lucht te krijgen in de onderwereld, daar men geloofde,

dat zij over de wateren hiervan de heerschappij voerde.

Zij bezat een heilige boom, een wilde vijgeboom, welke zich te

Heliopolis bevond; aan den voet van deze werd de slang Apep door

de groote kat Ra gedood. De takken van dezen boom werden als een

toevluchtsoord voor de vermoeide gestorvenen, in den middag, gedurende

den zomer beschouwd en in de schaduw van dezen werden zij door het

voedsel, waarvan de godin zelf leefde, verkwikt.

Door de priesters te Denderah werd verzekerd, dat Nut uit hun stad

afkomstig was en dat zij daar de moeder van Isis werd. Haar vijf

kinderen, Osiris, Horus, Set, Isis en Nephthys werden op de 5 dagen

geboren, welke aan de 360 toegevoegd waren. Evenals in Mexico, waren

sommige van dezen ongeluksdagen.

Nut neemt in de onderwereld een voorname plaats in en de dooden

dragen er zorg voor, de plichten jegens haar nauwkeurig te vervullen,

waarschijnlijk om voldoende lucht te krijgen. Haar gunst vernieuwde

inderdaad hun lichamen en zij waren in staat op te staan en iederen

dag met den god te reizen, evenals Ra, de zoon van Nut. Een afbeelding

van de godin werd dikwijls op het deksel der lijkkist geschilderd,

om zich van hare bescherming te verzekeren en dit werd zelden bij de

Egyptische begrafenisplechtigheden nagelaten.

Taurt.

Men beeldt Taurt gewoonlijk als een nijlpaard, dat op zijn achterste

pooten staat, af, terwijl zij in haar hand een amulet houdt, waarvoor

men tot nog toe geen verklaring heeft kunnen vinden.

Op haar hoofd draagt zij de zonneschijf en twee lange veeren. Op

sommige afbeeldingen ziet men haar in menschelijke gestalte, met de

horens van een koe voorzien, zooals deze door alle Egyptische godinnen

gedragen worden.

Zij werd als de moeder en voedster der goden beschouwd en had een

tegenhangster in Apet, de nijlpaard-godin van Thebe, van welke

sommige geloofden, dat zij de moeder van Osiris was. In later tijd

was Taurt onder den naam van Rert, of Rerert, bekend, het vrouwelijke

nijlpaard, doch ook werd zij met Isis, Hathor, Bast en andere godinnen

geïdentificeerd.

Haar beeltenis in faience was een zeer geliefkoosde amulet en deze

was minstens even populair als die van Bes. Men kan zelfs figuren,

welke een copie van die van Taurt schijnen te zijn, zien op Myceensche

muurschilderingen, zoo wijd en zijd was haar faam verspreid.

Men geloofde verder, dat zij de wachteres van den berg van het Westen,

waarover de weg naar den Hades leidde, was. Het is zeer waarschijnlijk,

dat zij van totemistischen oorsprong was. Haar populariteit schijnt

onder het Nieuwe Rijk het grootste geweest te zijn en ook in later

tijd nam deze nog toe.

Hekt.

Hekt, de godin met den kop van een kikvorsch, werd voor de vrouw van

Khnemu gehouden, hoewel men haar wellicht als een vorm van Hathor

beschouwen mag. Haar karakter is door schrijvers over Egyptische

mythologie niet zeer duidelijk gemaakt, doch de omstandigheid, dat

zij met den kop van een kikvorsch afgebeeld wordt, toont duidelijk,

dat zij met het water in verband gebracht werd en aldus met de kracht

der vruchtbaarheid. Ook schijnt zij met de goden der groeikracht

vereenigd te zijn.

Vele graangoden zijn tevens goden der wederopstanding en

wedergeboorte. Bij gelegenheid van het feest van een zekere

Mexicaansche maïs-godin, werd een kikvorsch op een korenschoof

geplaatst, als zijnde het symbool van de godin.

Het zou een weinig te gewaagd zijn, Hekt met de Grieksche Hecate, die

misschien een maangodin was en als zoodanig met het water verbonden,

te vereenzelvigen. Het is echter opmerkelijk, dat Farnell meent,

dat Hecate uit Thracië ingevoerd is. Zij is, natuurlijk, eveneens de

godin van de onderwereld, evenals Osiris, de maangod, de god van den

dood was. Zij werd ook bij de mysteriën van Samothrace vereerd en

dezen waren Egyptisch van oorsprong. Wij vinden verder, dat Hecate

eveneens een godin der vruchtbaarheid was.

Khonsu.

Khonsu was een maangod en als zoodanig dikwijls met Thoth

geïdentificeerd. Te Hermopolis en te Edfû werden deze twee goden soms

zelfs met elkander vereenigd, onder den naam van Khonsu-Thoth. De

naam wordt afgeleid van den stam khens, doortrekken en laat ons zien,

dat hij de reiziger was, die des nachts langs den hemel ging.

Hij wordt met den kop van een havik afgebeeld, gekroond met den

maansikkel en de zonneschijf. Ramses III bouwde voor hem, te Thebe

een grooten tempel, tusschen die van Amen en Mut. Hij had twee

verschillende vormen: Khonsu in Thebe Nefer-hetep en Khonsu, de

uitvoerder van plannen.

De Grieken vergeleken Khonsu met Heracles, waarom, is moeilijk uit

te maken. Soms verwarden de Egyptenaren hem met Horus, Shu en Ra en

dit zou kunnen bewijzen, dat hij een zonnekarakter aan kon nemen,

zooals ook door den havikkop aangeduid wordt. Misschien werd Khonsu,

oorspronkelijk een maangod, later een zonnegod, toen de maankalender

overging in, of in den steek gelaten werd voor de zonnetijdrekening.

Het volgend verhaal is een aanwijzing voor de heelende kracht van

Khonsu:

De Prinses en de Demon.

Onder de regeering van koning Ramses waren er zeer vele schoone

vrouwen in Egypte, doch de dochter van den vorst van Bekhten, een

van de vazallen des konings, was de bevalligste van allen.

Slank, schoon gevormd, met fijne gelaatstrekken, bestond er op aarde

niets, dat haar in schoonheid kon evenaarden, daarom vergeleken de

menschen hare schoonheid met die van Amen-Ra, den zonnegod, den god

van het licht van den dag.

Nu was koning Ramses een groot veroveraar en een zeer krachtig man,

die onder zijn vazallen vorsten had, die niet gering van aanzien

waren. Deze laatsten kwamen ieder jaar naar Naharaina, aan de

uitmonding van den Euphraat gelegen, om hun opperheer hun hulde te

bewijzen en hem schatting op te brengen. Groot was de schatting,

welke de koning ontving, want iedere vorst, die zich voor hem boog,

werd door een stoet van slaven vergezeld, die schatten aan goud,

kostbare edelgesteenten en welriekend hout, kortom, de meest uitgelezen

voorwerpen, welke hun gebied kon aanwijzen, droegen.

Bij een dergelijke gelegenheid waren Ramses en zijn vorsten te

Naharaina verzameld en de vazallen wedijverden met elkander in het

aanbieden van schitterende geschenken. De vorst van Bekhten echter

had een geschenk, dat dat van alle andere overtrof, want hij had

zijne schoone dochter medegebracht, zij, wier schoonheid aan die van

Ra gelijk was.

Zoodra de koning haar zag, vatte hij terstond een vurige liefde voor

haar op en verlangde haar tot zijn vrouw te maken. Om de rest der

schatting bekommerde hij zich in het geheel niet en de eerbewijzen van

de overige vorsten waren hem lastig. Hij huwde hierna de prinses en

gaf haar een naam, welke beteekent: "Schoonheid van Ra". En toen zij

naar huis teruggekeerd waren, vervulde de koningin haar koninklijke

plichten en werd door haar gemaal en haar volk bemind.

Nu geschiedde het eens, dat bij gelegenheid van het feest ter eere

van god Amen, wanneer de heilige bark in de hoogte wordt gedragen,

opdat allen haar zien kunnen, de koning en de koningin zich naar

den tempel van den god begaven, om hem de gebruikelijke eerbewijzen

te brengen. Terwijl zij bezig waren den god hun hulde te bewijzen,

kwamen dienaren met het bericht bij den koning, dat een bode van

den vorst van Bekhten buiten wachtte en hem wenschte te spreken. De

koning liet hierop den bode binnentreden. Prachtige geschenken bracht

hij van den vorst voor diens dochter, de Groote Koningin, mede, en

terwijl hij voor den koning een zeer diepe buiging maakte, sprak hij:

"O Koning, de kleine zuster van de Groote Koningin is ziek. Ik verzoek

U daarom een geneesheer te zenden, om haar van haar kwaal te genezen".

Daarom riep de koning zijn wijze mannen bijeen en beraadslaagde

met hen, wien zij zouden zenden, om de zuster van zijn vrouw van de

ziekte te bevrijden. Ten slotte wezen de wijze mannen een van hen aan,

een schrijver, Tehuti-em-heb genaamd; deze werd met algemeene stemmen

uitgekozen, om den bode van Bekhten te vergezellen, en daar aangekomen,

de zuster van de koningin, Bent-reshy, te genezen.

Maar helaas, toen zij het gebied van den vorst van Bekhten bereikten,

vond Tehuti-em-heb, dat de demon, die de oorzaak van de ziekte van

de prinses was, te machtig was, om door zijn kunst uit haar lichaam

gebannen te worden. Toen de vader van het meisje hoorde, dat de

Egyptische schrijver machteloos was, den demon te verdrijven, verviel

hij tot wanhoop. Tehuti-em-heb stelde hem echter zooveel mogelijk

gerust en ried hem aan, nogmaals een bode naar Egypte te zenden,

om de tusschenkomst te verzoeken van Khonsu, den duivelbanner, ten

behoeve van zijn dochter. Daarom zond de heerscher van Bekhten nog

een anderen bode naar het hof van Ramses.

Het land van Bekhten nu was ver verwijderd van Egypte en de reis

daarheen duurde één jaar en vijf maanden. Toen de bode van den vorst

van Bekhten Egypte bereikte, vond hij Ramses in Thebe, in den tempel

van Khonsu, want het was in de maand, welke aan dien god gewijd

was. De bode boog voor den koning en bracht hem de boodschap van den

vader der koningin over. In den tempel te Thebe bevonden zich twee

beelden van god Khonsu, een genaamd Khonsu van Thebe Neferhetep en

de andere Khonsu den duivelbanner en beide stelden den god als een

schoon jongeling voor.

Ramses naderde Khonsu in Thebe Neferhetep en smeekte hem, dat hij

Khonsu, den duivelbanner zou toestaan, naar het land van Bekhten te

gaan, om Bent-reshy, de kleine zuster der koningin, te genezen.

Khonsu in Thebe Neferhetep boog, ten teeken van goedkeuring en gaf aan

den duivelbanner zijn bescherming. Toen dit gedaan was, werd Khonsu,

de duivelbanner naar Bekhten gezonden, door een groot gevolg, dat

een koning past, vergezeld.

Zij reisden een jaar en vijf maanden en ten slotte bereikten zij

het land van den vader der koningin. De vorst zelf en zijn geheele

volk haastten zich Khonsu te begroeten, hij knielde voor hem neer en

begiftigde hem rijkelijk met geschenken, zooals hij aan den Egyptischen

koning zelf gegeven zou hebben.

Intusschen had de ziekte van de prinses onverminderd voortgeduurd, want

de demon, die haar in zijn macht had, was zeer machtig. Toen echter

Khonsu naar haar kamer gebracht werd, zie, daar werd zij terstond

beter, tot groote vreugde van haar vader en zijn hovelingen. De demon,

die haar lichaam verlaten had, erkende Khonsu als zijn meerdere en zij,

die dichtbij stonden, hoorden deze samenspraak tusschen de twee:

"O Khonsu", zei de geest, "ik ben Uw slaaf. Indien Gij beveelt, dat

ik van hier ga, zal ik gaan. Doch ik smeek U, verzoek den vorst van

Bekhten een feestdag en een offer voor mij in te stellen. Dan zal ik

in vrede gaan."

"Het zal gebeuren, zooals gij gezegd hebt", antwoordde Khonsu en hij

beval den vorst van Bekhten een ofter en een feestdag voor den demon,

die Bent-reshy in bezit gehad had, te maken.

Het eerst bracht het volk een groot offer aan Khonsu, den duivelbanner,

daarna een aan den demon, die daarom in vrede vertrok.

Toen deze weggegaan was, werd het gemoed van den vorst zeer beangst,

want hij dacht: "Misschien zal hij weer naar ons land terugkomen en

het volk kwellen, evenals hij mijn dochter, Bent-reshy, gekweld heeft."

Daarom besloot hij niet toe te staan, dat Khonsu, de duivelbanner,

uit Bekhten vertrok, doch dat hij daar steeds gehouden zou worden,

uit vrees, dat de demon terug zou komen.

Meer dan drie jaren lang, hield de vorst van Bekhten Khonsu in zijn

rijk en stond hem niet toe, weg te gaan. Doch in zekeren nacht had

hij een droom, welke hem van meening deed veranderen. In zijn droom

stond hij voor het heiligdom van Khonsu, den duivelbanner. En terwijl

hij toekeek, zie, daar vlogen de deuren van den tempel wijd open en

de god zelf stormde naar buiten, nam de gestalte van een havik aan,

met wonderschoone, gouden vleugels en vluchtte naar Egypte.

Toen de heerscher van Bekhten ontwaakte, begreep hij, dat de god

werkelijk naar Egypte vertrokken was en dat het thans nutteloos

was, zijn beeld langer te houden. Daarbij vreesde hij de wraak van

Khonsu. Daarom deed hij het beeld van Khonsu, den duivelbanner, op

een wagen laden, met rijke en schoone geschenken en zond hem met een

vorstelijk gevolg naar Egypte terug.

Toen de terugreis volbracht was, schonk Khonsu, de duivelbanner

al zijn geschenken aan Khonsu Neferhetep en hield niets van alles,

wat hij ontvangen had, voor zichzelf.

Lagere Goden.

Er waren honderden lagere goden, welke het Egyptische pantheon

omringden en de karakteristieke eigenschappen van slechts eenigen van

hen, kunnen behandeld worden. Elk uur van den dag had zijn eigen god,

evenals ieder uur van den nacht.

De vier winden waren onder de Egyptische goden evenzeer

vertegenwoordigd als bij de Grieken. De Noordenwind werd Qebui

genoemd en wordt afgebeeld als een gevleugelde ram, met vier koppen;

de Zuidenwind, Shehbui, ziet men in de gestalte van een man, met

een leeuwenkop; de Westenwind, Huzayui, heeft den kop van een slang,

op het lichaam van een gevleugeld man. De Oostenwind, Henkhisesui,

komt ons soms in menschelijke gestalte tegen en heeft, evenals de

Noordenwind, den kop van een ram, doch soms ook stelt men hem als

een gevleugelde kever, met een ramskop, voor.

De zintuigen werden eveneens door goden voorgesteld. Zoo was Saa de god

van het zintuig der aanraking, of het gevoel. Hij wordt in menschelijke

gestalte afgebeeld en hij draagt op zijn hoofd een teeken, uit parallel

loopende lijnen samengesteld; dezen worden naar boven toe kleiner. In

de Thebaansche uitgaaf van het Boek der Dooden, ziet men hem bij het

oordeel onder die goden, die toezien op het wegen van de harten der

gestorvenen. Soms vaart Saa, met Thoth en andere goden, in de boot

van Ra. In een passage spreekt men over hem als zoon van Geb. Hij is

de personificatie van het intellect, zoowel van menschen, als goden.

De god van den smaak heette Hu. Hij wordt eveneens als een man

voorgesteld en men verhaalde, dat hij uit een bloeddruppel, welke

uit Ra gevallen was, voortgekomen was. Hij werd de voorstelling van

het goddelijk voedsel, waarvan de goden en de gelukzalige gestorvenen

leven.

Maa was de god van het gezicht. Men schildert hem als een man, met een

oog boven zijn hoofd, af en dit is eveneens het symbool van zijn naam.

Setem was de god van het gehoor en bij hem wordt zijn hoofd door een

oor [27] gekroond.

De planeten werden eveneens als goden beschouwd. Saturnus werd

Horus, de stier van den hemel, genoemd; Mars werd eveneens met Horus

geïdentificeerd, onder den naam van "den rooden Horus", doch stond,

streng beschouwd, onder bescherming van Ra; de god van Mercurius was

Set en die van Venus, Osiris. Sommige sterren werden eveneens als

goden beschouwd. De Groote Beer was onder den naam "de dij" bekend

en de Draak werd met het nijlpaard Reret vereenzelvigd.

De dagen van de maand stonden verder eveneens onder beschermgoden.

Mythen en Legenden van Egypte · 第 12 / 18 题