De kinderlijke liefde, welke Horus aan de nagedachtenis van zijn

vader Osiris bewees, bezorgde hem veel achting van de zijde der

Egyptenaars. Hij was het, die de bijzonderheden van de mummificatie van

den god vaststelde en die het richtsnoer voor den vromen Egyptischen

zoon bepaalde.

Daarom beschouwde men hem als helper van de dooden en men geloofde,

dat hij de tusschenpersoon tusschen hen en de rechters van de Taut

was. Bij het verzorgen van de dooden, had hij een menigte helpers,

bekend onder den naam van volgers van Horus en dezen werden als

goden van de vier hoofdpunten van het kompas beschouwd. In het Boek

der Dooden legt men hun groot gewicht bij en zij namen deel aan de

bescherming van het lichaam der gestorvenen, zooals in het gedeelte,

dat over de mummies handelt, is vermeld. Zij waren vier in getal en

waren Hapi, Tuamutef, Asmet en Qebhsennuf genaamd.

Men hield Horus, den zoon van Isis en Osiris, voor zoo gewichtig, dat

hij alle attributen van de overige Horusgoden in zich opnam, maar in

sommige teksten wordt hij als kind voorgesteld, met den voorvinger

aan de lip, terwijl hij een haarlok op zij van het hoofd draagt,

een aanwijzing voor jeugdigen leeftijd. In later tijd wordt hij in

verschillende fantastische gestalten voorgesteld.

Het Zwarte Zwijn.

Ra, Set en Horus worden in een Egyptische mythe, welke de zons- en

maansverduistering tracht te verklaren, behandeld. Wij lezen daar,

dat Set en Horus verbitterde vijanden waren; Set durfde den strijd

echter niet openlijk te beginnen, want hij vreesde Horus, zooals het

kwade altijd voor het goede bevreesd is. Daarom verzon hij listig

heimelijke plannen, om daardoor den val van Horus te bewerkstelligen

en dit verhaal leert ons, hoe de zaak afliep.

Op zekeren dag verzocht Horus Ra toestemming de toekomst uit zijn

oogen te lezen. Volgaarne voldeed Ra aan dit verzoek, omdat hij Horus,

die door alle goden en menschen bemind werd, liefhad. Terwijl zij

met elkander spraken, ging hun een zwart zwijn, een reusachtig,

afschuwelijk dier, voorbij, met een woest uiterlijk en met oogen,

welke list en wreedheid verrieden.

Hoewel noch Ra, noch Horus zich hiervan bewust waren, was het zwarte

zwijn Set in eigen persoon, daar deze de macht had, zich in ieder

willekeurig dier te veranderen.

"Wat een vreeselijk monster", riep Ra uit, toen hij het dier zag.

Horus richtte thans eveneens zijn blik naar het zwarte zwijn, waarin

hij zijn vijand nog niet herkende. Dit was Set's geluk. Hij zond een

lichtstraal, juist in het oog van den god.

Horus werd door de hevige pijn bijna van zijn verstand beroofd. "Set

heeft mij dit kwaad aangedaan", riep hij uit; "dit mag niet ongestraft

blijven".

Set was echter verdwenen en men kon hem nergens ontdekken. Daarom sprak

Ra den vloek uit over het zwijn, om het kwaad, dat Horus overkomen was.

Toen de jonge god zijn gezicht herkregen had, gaf Ra hem de stad Pé,

en hierover was hij zeer verblijd en bij zijn glimlach verdwenen de

duistere wolken en het geheele land verheugde zich.

Een Grieksche lezing der mythe vertelt, dat het zwarte zwijn het oog

van Horus uitrukte en het verslond, doch dat hij door Ra (Helios)

genoodzaakt werd, het te herstellen.

De oogen van Horus zijn natuurlijk de zon en de maan; een van

dezen wordt door het zwarte zwijn (een verduistering) verslonden,

of vernietigd. De teruggave van het licht aan de aarde wordt door de

vreugde van Horus, die met de stad Pé begiftigd wordt, voorgesteld.

Nephthys was de tegenhangster van Set. Zij was de dochter van Geb

(of Seb) en Nut, de zuster en vrouw van Set, en de moeder van Anubis,

doch het is niet duidelijk, of zij dat was door Osiris, of Set. Het

woord Nebt-het beteekent: "de vrouw des huizes", of "lucht".

Hoewel Nephthys met Set vereenigd wordt, schijnt zij haar zuster

Isis mede trouw te blijven, daar zij deze in het verzamelen van de

verstrooide ledematen van Osiris bijstaat.

Zij wordt in de gestalte van een vrouw voorgesteld, die op haar hoofd

het symbool van haar naam draagt, d.w.z. een mand en een huis. In

het Boek der Dooden verschijnt zij eenigermate als helpster van

haar zuster Isis, terwijl zij achter Osiris staat, wanneer de harten

gewogen worden en zij aan het hoofdeinde van Osiris' baar knielt.

Men geloofde, dat zij, evenals haar zuster, groote tooverkracht bezat

en in veel opzichten gelijkt zij op haar. Ook veronderstelt men van

haar, dat zij Osiris, in zijn kwaliteit van maangod, beschermt.

Plutarchus verschaft ons eenig licht aangaande het Egyptisch geloof

aan deze godin. Hij verhaalt, dat Anubis de zoon van Osiris en Nephthys

was en dat Typhon of Set het eerst met hun liefde bekend werd, doordat

hij een slinger van bloemen vond, welke door Osiris was achtergelaten.

Evenals Isis een voorstelling is van de vruchtbaarheid, zoo beteekent

Nephthys volgens hem het bederf.

Dr. Budge, die deze passage commentarieert, zegt, dat het duidelijk

is, dat Nephthys de personificatie van de duisternis is, en alles,

wat daartoe behoort en dat haar attributen eerder een passief, dan een

actief karakter droegen. "Zij was in elk opzicht het tegenovergestelde

van Isis. Isis is het symbool van geboorte, wasdom, ontwikkeling en

kracht; Nephthys echter was het type van dood, verval, vermindering

en onbewegelijkheid". De godinnen werden echter onafscheidelijk met

elkaar verbonden.

Isis vertegenwoordigt, volgens Plutarchus, dat deel van de wereld, dat

zichtbaar is, terwijl Nephthys het onzichtbare deel voorstelt. Isis

en Nephthys stellen respectievelijk de dingen voor, welke zijn en de

dingen, welke nog moeten komen, het begin en het einde, de geboorte

en den dood, het leven en den dood.

Ongelukkigerwijze hebben wij geen middel om te weten te komen, wat de

oorspronkelijke opvatting over de attributen van Nephthys was, doch

het is onwaarschijnlijk, dat dezen eenige gezichtspunten, welke in

Plutarchus' tijd over dit onderwerp gangbaar waren, bevatten. Nephthys

is geen godin met juist gedefinieerde karaktertrekken, maar over

het algemeen kan men haar beschrijven als de godin van den dood,

welke niet eeuwig is.

Dr. Budge verklaart verder, dat Nephthys, hoewel zij een godin van

den dood was, toch met het leven, dat uit den dood ontstaat, verbonden

werd. Tezamen met Isis maakte zij het doodsbed van Osiris in gereedheid

en vervaardigde zijn mummie-windsels. Eveneens bewaakte zij, met Isis,

het lijk van Osiris.

In later tijd werden de godinnen door priesteressen voorgesteld,

van wie het haar geschoren was en die op haar hoofd wollen banden

droegen. Aan den arm van de eene bevond zich een band met den naam

van Isis en de ander droeg eveneens een band, doch met den naam

van Nephthys.

Set.

De cultus van Set dateert uit de grijze oudheid en ofschoon men hem

later als het gepersonificeerde kwaad beschouwde, was dit niet zijn

oorspronkelijke rol. Volgens de priesters van Heliopolis was hij de

zoon van Geb en Nut en derhalve een broer van Osiris, Isis en Nephthys,

echtgenoot van de laatst genoemde en vader van Anubis.

Deze verwantschapsbetrekkingen werden op een betrekkelijk laat

tijdstip gemaakt.

In de pyramiden-teksten treedt Set als een vriend der dooden op en

zelfs stond hij Osiris bij, toen deze door middel van een ladder den

hemel trachtte te bereiken. Ook werd hij door Horus vergezeld en als

diens gelijke beschouwd.

Langzamerhand echter beschouwde men hen als doodsvijanden, die alleen

door den wijzen Thoth verhinderd werden, elkander geheel en al te

vernietigen. Horus de Oudere was de god van de lucht bij dag en

Set de god van de lucht bij nacht. De een was inderdaad de directe

tegenstander van den ander.

De afleiding van den naam geeft aanleiding tot vele moeilijkheden. Zijn

hieroglyph wordt uitgelegd als de voorstelling van een dier, of een

steen, waarschijnlijk een symbool van het steenachtige of verlaten

landschap aan beide zijden van den Nijl. Wat het dier betreft,

dat hem zou voorstellen, dit is tot nog toe op geen enkele wijze

geïdentificeerd, doch verschillende uitleggers zien hierin een

afbeelding van een kameel, of een okapi. In elk geval moet het een

bewoner van de woestijn zijn geweest, welke den mensch vijandig is.

Evenals Horus de god van het Noorden was, zoo was Set die van het

Zuiden. Dr. Brugsch ziet in Set de symbolische voorstelling van de

benedenwaartsche beweging van de zon en maakt hem aldus tot bron

van de verderfelijke zonnehitte. Men dacht, dat hij, wanneer de

dagen begonnen te korten en de nachten te lengen, het licht van den

zonnegod stal. Hij was eveneens behulpzaam bij de maandelijksche

afname van de maan. Stormen, aardbevingen, eclipsen en alle andere

natuurverschijnselen, welke duisternis veroorzaakten, werden aan zijn

invloed toegeschreven en vanuit een ethisch gezichtspunt was hij de

god van zonde en kwaad.

Wij vinden, dat de mythen van den strijd tusschen Set en Horus zich

ontwikkelden, uit de eenvoudige tegenstelling tusschen den dag en den

nacht, tot den strijd tusschen de twee goden. Ra en Osiris, inplaats

van Horus, worden soms tegenover Set gerangschikt.

De strijd symboliseert de zedelijke idee van de overwinning van het

goede over het kwade en men dacht dat zij van de gestorvenen, die van

schuld waren vrijgesproken, Set overwonnen hadden, zooals Osiris dit

gedaan had.

In zijn strijd tegen den zonnegod nam Set de gedaante van den

monsterslang Apep aan en werd door een leger kleinere slangen en

reptielen van allerlei soort vergezeld. In later tijd vinden wij hem

met Typhon geïdentificeerd.

Alle dieren van de woestijn en die, welke in de wateren huisden,

werden als kinderen van Set beschouwd, zoo ook dieren, zelfs menschen,

met rood haar. Zulke dieren werden zelfs dikwijls geofferd, om Set

gunstig te stemmen. In de maand Pachons werden een antilope en een

zwart zwijn aan hem geofferd, om hem af te schrikken, de volle maan

aan te vallen en op het groote feest van Heru-Behudeti werden die

vogels en visschen, van welke men geloofde, dat zij tot zijn gevolg

behoorden, met de voeten vertrapt, onder het aanheffen van den kreet,

dat Ra over zijn vijanden getriumpheerd had.

Ook bezat hij een koninkrijk in de Noordelijke luchtstreken en

de Groote Beer was zijn bijzondere verblijfplaats. Evenals in

sommige andere landen beschouwde men het Noorden als de plaats van

de duisternis, de koude en den dood. Zoo vinden wij, dat men bij de

Mexicanen en Maya het Noorden als de verblijfplaats van den god van den

dood beschouwde en dat onder de latere bevolking de hieroglyph voor het

Noorden een been is, voor het hoofd van den god van den dood geplaatst.

Van de godin Reret, met het hoofd en het lichaam van een hippopotamus,

geloofde men, dat zij den boozen invloed van Set in bedwang hield. Er

bestaat een afbeelding van haar, waarop zij de duisternis aan een

ketting gebonden vasthoudt en men beschouwde haar als een vorm

van Isis.

Waarschijnlijk begon ongeveer tegen den tijd van de 22e dynastie

de vereering van Set te verminderen en in dezen tijd kreeg hij de

gedaante van een duivelsche godheid. Men heeft de theorie verkondigd,

dat de Hyksos, die het land binnendrongen, hem met eenige van hun

eigen goden identificeerden en dit feit was voldoende, om hem bij de

Egyptenaren in discrediet te brengen.

Set en de Ezel.

Plutarchus in zijn werk: "De Iside et Osiride" heeft een belangwekkende

passage betreffende de gelijkenis tusschen den ezel en Set.

Hij zegt daar het volgende:

"Hierdoor is hun schandelijke behandeling van die personen te

verklaren, van wie zij gelooven, dat zij door de roodheid van hun

gelaat een gelijkenis met hem vertoonen, en hieruit is tevens

de gewoonte van de Kopten ontstaan om een ezel in een afgrond

te storten. Ja, de inwoners van Busiris en Lycopolis dreven hun

afschuw voor dit dier zoo ver, dat zij nooit van trompetten gebruik

maakten, daar het geluid van dezen eenige overeenkomst met het gebalk

van een ezel vertoonde; in één woord, dat dier werd door hen als

onrein beschouwd, alleen door de gelijkenis, welke het met Typho

heeft. Hiermede is in overeenstemming te brengen, dat de koeken,

welke zij gedurende de laatste 2 maanden Pauni en Phaophi offeren,

de afbeelding van een ezel vertoonen, welke daarin is gestempeld.

Om dezelfde reden bevelen zij uitdrukkelijk, als zij aan de Zon

offeren, dat allen, die naderen, om de godheid te aanbidden, noch

goud dragen aan het lichaam, noch aan een ezel voeder geven.

Het is bovendien duidelijk, dat zelfs de Pythagoreërs Typho tot

den rang der demonen rekenden, daar hij tot het even getal 56

behoort. Immers evenals de driehoek tot de natuur van Pluto, Bacchus

en Mars behoort, de eigenschappen van het vierkant aan Rhea, Venus,

Ceres, Vesta en Juno eigen zijn en die van den twaalfhoek aan Jupiter,

op dezelfde wijze is de figuur van den 56-hoek aan de natuur van

Typho eigen; daar al de bovengenoemden in het systeem van Pythagoras

als even zoovele genii of demonen beschouwd worden, moet de laatste

op gelijke wijze opgevat worden.

Door het vermeende roode uiterlijk van Typho maakten de Egyptenaren

bij hun offers van geen andere ossen gebruik, dan die, welke deze

kleur hadden. Ja zoo ver gingen zij hierbij, dat, indien er ook

maar één zwart, of wit haar op het dier voorkwam, dit voldoende was

dit voor hun offer ongeschikt te verklaren. Het was hun meening,

dat offers niet uit die dingen behooren te bestaan, welke aan de

goden aangenaam en welgevallig zijn, doch integendeel eerder uit die

schepsels, waarin de zielen van zondige en onrechtvaardige menschen

in den loop der zielsverhuizing zijn opgesloten.

Hieruit ontsproot de gewoonte, welke door hen vroeger werd bewaard,

een plechtige verwensching over het hoofd van het dier, dat geofferd

moest worden, uit te spreken en later dit af te snijden en in de rivier

den Nijl te werpen, hoewel zij dit nu aan vreemdelingen overlaten.

Het was daarom niet geoorloofd een os aan de goden te offeren, indien

niet het stempel van de z.g. Sphragistae op dezen gestempeld was;

deze priesters waren speciaal voor dit doel aangewezen en van hun

dienstverrichting was ook hun naam afgeleid.

Dit stempel vertoont een man, op zijn knieën liggend, met de handen

op den rug gebonden, terwijl de punt van een zwaard op zijn keel

is gericht.

Niet door de kleur alleen meenen zij, dat er een zekere gelijkenis

tusschen den ezel en Typho bestaat, doch tevens door zijn dommen en

zinnelijken aard. Met deze opmerking stemt het feit overeen, dat zij

aan Ochus, dien zij van alle Perzische heerschers het meest haatten,

den scheldnaam "Ezel" gaven en dit gaf aanleiding tot het volgende

antwoord van dien vorst, dat ons door Dino verhaald wordt: "Maar deze

ezel zal van jullie os eten", en daarom doodde hij den Apis. In sommige

gedeelten van zijn mythe wordt Set in de gedaante van een zwart zwijn

voorgesteld. Voornamelijk is dat het geval, als hij door Ra aan Horus

getoond wordt en hij het oog van den laatsten uit diens hoofd rukt.

Anubis.

Anubis, of zooals de Egyptenaren hem noemen, An-pu, was, volgens

eenigen, de zoon van Osiris en Nephthys en volgens anderen, de zoon van

Set. Hij had den kop van een jakhals en het lichaam van een man en was

klaarblijkelijk het symbool van dat dier, dat rondom de graven sluipt.

Zijn vereering gaat tot zeer oude tijden terug en misschien was hij

eertijds een totem. Hij was de gids van de dooden in de onderwereld, op

hun weg naar de woning van Osiris. In verschillende mythologieën is een

hond de metgezel van de dooden in de onderwereld. In prae-historische

graven heeft men de bewijzen hiervoor gevonden. Zoowel in Mexico,

als in Peru, werden honden bij de begrafenis geofferd en dit gebruik

was inderdaad wijd en zijd verspreid.

Het is nu juist onwaarschijnlijk, dat Anubis den prae-historischen

jakhals, die half en half een huisdier was, typifieert, of een vroeger

type van den hond, van welken men veronderstelde, dat hij de dooden

door de onderwereld geleidde.

Plutarchus vertelt, dat de Egyptenaren meenden, dat er een zekere

gelijkenis tusschen Anubis en den hond bestond.

Anubis werd in het bijzonder te Lycopolis, Abt en elders vereerd. Hij

neemt een voorname plaats in het Boek der Dooden in en wel voornamelijk

in die gedeelten, welke met de rechtvaardiging en de balseming der

dooden verband houden.

Hij was het, die de balseming van Osiris verrichtte. Hij verleende

inderdaad zeer groote hulp aan de treurende zusters en dit is wellicht

een typisch voorbeeld van de zorgzame en behulpzame eigenschappen

van den hond.

Dit treft ons des te meer, indien men moet aannemen, dat hij de

zoon van Set is en de geheele evolutie van de godheid kan wellicht

beteekenen, dat de hond, toen hij nog in half wilden staat verkeerde

en nog niet geheel en al huisdier, een wezen was, dat zich alleen 's

nachts vertoonde en een twijfelachtige waarde bezat, doch dat, toen

hij eenmaal als huisgenoot was opgenomen, zijn goede eigenschappen

eerst recht te voorschijn kwamen.

Het is waarschijnlijk dat, als men de onderzoekingen tot op een zeer

ver verwijderd tijdstip kon voortzetten en er tevens schilderingen

uit dien tijd over waren, wij zouden vinden, dat Anubis afgeschilderd

werd als de trouwe hond, die de gestorvenen op hun reis naar de

Duat voorgaat.

Later, toen iedere god door de hulp van het priesterlijk vernuft zijn

speciale functie had gekregen en misschien in een tijdvak, waarin de

jakhals, of hond, totemistisch waren, vinden wij nog steeds een gids,

die de dooden door de duisternis geleidt, maar met het uiterlijk en de

attributen van een volwassen godheid. Hoe hij het nu gebracht heeft tot

mummie-maker van Osiris, schijnt zeer lastig te verklaren; misschien

dat het verband, dat tusschen een begraafplaats en een jakhals bestaat,

hier eenig licht kan aanbrengen. Hij was het symbool voor het graf.

Professor Petrie vermeldt in dit verband, dat de sporen van den

jakhals de beste gidsen naar de Egyptische graven zijn. Een rede van

Anubis in het Boek der Dooden, (hoofdstuk 102), spreekt voor zijn

beschermend karakter. "Ik ben gekomen", zegt hij daar, "om Osiris te

beschermen". In verscheidene landen wordt de hond met den gestorvene

afgemaakt, om hem tegen verschillende, afzichtelijke vijanden, die

hij op zijn weg naar den Hades zou kunnen ontmoeten, te beschermen

en het is niet onwaarschijnlijk, dat Anubis in vroegere tijden een

gelijke rol speelde.

Het is de plicht van Anubis, toe te zien, dat de balans van de groote

weegschaal, waarop het hart van de gestorvenen gewogen wordt, in

behoorlijken toestand verkeert. Zooals Thoth voor de goden optreedt,

zoo treedt Anubis voor den doode op, wien hij eveneens tegen den

"Verteerder van de Dooden" beschermt.

De zielen van de afgestorvenen werden tevens door hem door de

onderwereld geleid, terwijl hij hierbij door Up-uaut, een anderen god,

in de gedaante van jakhals voorgesteld, werd bijgestaan; diens naam

beteekent: "Hij, die de wegen opent". Deze goden worden soms met elkaar

verward, maar in sommige teksten worden zij afzonderlijk genoemd.

De naam van den lateren god is voor zijn waarschijnlijke, vroegere

functie teekenend. Anubis opende, volgens Dr. Budge, de wegen van het

Noorden en Up-uaut die van het Zuiden. Anubis was verder, volgens hem,

de personificatie van den zomerzonnestilstand en Ap-unt (Up-uaut)

van dien van den winter. Hij beweert verder dat, wanneer zij met de

twee Utchats, of oogen van Ra, verschenen, zij de vier kwartieren

van hemel en aarde en de vier jaargetijden symboliseeren. Plutarchus

heeft eveneens een passage over de astronomische beteekenis van Anubis,

doch deze is ver van duidelijk.

In Heliopolis werd Anubis eenigszins met Horus verward, zooals men uit

zijn attributen kan opmaken en in zeker opzicht nam hij het karakter

van de oude fusie tusschen Horus en Set aan, en was in deze opvatting

de personificatie van den dood en het vergaan. In den "Gouden Ezel",

van Apuleius, vinden wij, dat Anubis vereerders had in Rome en hierbij

is het opmerkelijk, dat men hem voorstelt met een hondenkop afgebeeld.

Thoth.

Thoth, of Tehuti, was een zeer samengestelde godheid Laten wij

zijn attributen opsommen, voordat wij zijn beteekenis trachten te

ontwarren. Men spreekt over hem als den teller van de sterren, den

meter en teller van de aarde, terwijl hij tevens de machtige heer der

boeken en schrijver der goden was en kennis bezat van de goddelijke

gave der spraak.

Over het algemeen werd hij in menschelijke gestalte afgebeeld, met het

hoofd van een ibis, doch somtijds verschijnt hij ook in de geheele

gestalte van dien vogel. Op zijn hoofd droeg hij de wassende maan,

een schijf, de Atefkraan en de kronen van het Noorden en het Zuiden.

In het Boek der Dooden wordt hij geschilderd als schrijver, die

het schrijfriet en het palet in de hand houdt, terwijl hij op de

tafeltjes de getuigenissen van de dooden opschrijft, wier hart voor

hem gewogen wordt.

Er is geen reden te vermoeden, dat Thoth van een totemistisch karakter

was, daar hij tot de cosmogonische, of natuurgoden, behoort en geen

andere, of weinigen van dezen, tot dit type behooren. Een andere

vorm, waarin Thoth voorkomt, is die van een aap, met een hondenkop

voorzien en deze is, zooals men vastgesteld heeft, het symbool voor

het evenwicht.

De voornaamste plaats, waar hij vereerd werd, was Hermopolis;

hier veronderstelde men, dat Ra ontstaan was. Men schreef Thoth

de geestelijke vermogens van Ra toe en inderdaad de gezegden van Ra

schenen van zijn lippen gevloden te zijn. Hij was de verpersoonlijking

van de goddelijke gave van de spraak. Doch wij loopen de zaak

vooruit. Laten wij eerst zijn oorspronkelijke beteekenis trachten te

ontdekken, voordat wij de meer ingewikkelde attributen opsommen, welke

in later tijd in overstelpende hoeveelheid zijn deel geworden zijn.

Het is zeer duidelijk, dat Thoth oorspronkelijk een maangod

is. Hij wordt "de groote god" en "de god van den hemel"

genoemd. Onder primitieve volken is de maan de groote regelaar van de

jaargetijden. Een maankalender is altijd in gebruik vóór de invoering

van de zonnetijdrekening. Aldus is de maan de groote meter van het

leven, in de oudste tijden.

Oude volken spreken aldus over de zaai-, de lente-, de graan- of

oogstmaand en zoo voorts. Thoth was dus een meter, omdat hij een

maangod was en omgekeerd, vanwege zijn beteekenis van maangod, was

hij een meter.

Als Aah-Tehuti is hij het symbool voor de nieuwe maan, daar de tijd

door de oudste volken vanaf haar eerste verschijning berekend wordt.

Zijn oog is de volle maan, evenals het oog van Ra de zon in den

middag beteekent. Doch het linkeroog van Ra is eveneens de symbolische

voorstelling hiervan, of van het koude gedeelte van het jaar, wanneer

de zonnestralen niet zoo sterk zijn.

Somtijds wordt zij ook "het zwarte oog van Horus" genoemd, terwijl het

witte oog dan de zon voorstelt. Dit is een staaltje, hoe de attributen

van de Egyptische godheden geheel en al verward worden.

Daar hij een maangod was, werd hij tot op zekere hoogte met het vocht

verbonden en in hoofdstuk 95 van het Boek der Dooden lezen wij over

hem in zijn kwaliteit van regen- en dondergod.

Thoth als Zielerechter.

Het was echter als zielerechter, dat Thoth in de oogen van de

Egyptische priesters van groot gewicht was. Hij oefende dit ambt uit

door zijn kennis van de letters en zijn gave, om te weten, wat recht,

of in evenwicht was.

Hij bezat verder de macht, de manier aan te geven, waarop woorden

correct moesten uitgesproken worden. Zooals reeds is opgemerkt, was de

wijze van spreken en de toon, waarop de woorden uitgesproken werden,

van grooten invloed, zoowel bij gebeden, als bij magische beweringen,

om succes, of mislukking tengevolge te hebben.

Thoth nu leerde het geheim hiervan aan den mensch en dit wilden de

Egyptenaren voornamelijk leeren. Door middel van Thoth's formules

werden de poorten van de Duat voor de gestorvenen geopend en werden

zij tegen verschrikkingen gevrijwaard. Men geloofde verder, dat het

Boek der Dooden het werk van Thoth was, evenals het "Boek van het

Ademhalen", een veel later werk.

De Grieksche schrijvers over Egyptische aangelegenheden stelden Thoth,

wien zij Trismegistos, of Hermes den driemaal Grooten, noemden, als

de voornaamste bron van alle leeren en wijsheid voor. Zij schrijven

aan hem de uitvinding der astronomie, astrologie, wiskunde, geometrie

en medicijnkunde toe. De letters van het alphabet waren eveneens zijn

uitvinding en hieruit kwam de schrijf- en leeskunst voort. Volgens

hen waren de Boeken van Thoth 42 in getal en in 6 klassen verdeeld,

terwijl zij over wetten en theologie, den dienst van de goden,

geschiedenis, aardrijkskunde, schrijfkunst, astronomie, astrologie,

godsdienstige geschriften en medicijnen handelden. Het is bijna zeker,

dat het meeste van dit materiaal het werk van Alexandrijnsche Grieken

was, door oude Egyptische wetenschap vervalscht.

Maat.

De godin Maat gelijkt zeer veel op Thoth en wordt inderdaad als de

tegenhangster van dien god beschouwd.

Zij was een van de oorspronkelijke godinnen, want toen de boot van

Ra boven de wateren van den afgrond van Nu voor het eerst boven kwam,

had zij haar plaats naast Thoth. Haar symbool is de struisvogelveer,

welke zij of vasthoudt, of als versiering draagt.

Budge beweert, dat de reden voor de combinatie van de struisveer met

Maat, onbekend is, evenals de oorspronkelijke beteekenis van haar

naam. Het is echter waarschijnlijk, dat de gelijkzijdigheid van de

veer, haar verdeeling in halven, haar tot een passend symbool voor

de balans, of het evenwicht, maakte.

Onder de Maya van Midden-Amerika toont de veer het meervoudig getal

aan. Het woord beteekent, naar men ons mededeelt, "dat wat recht

is". De naam Maat nu beteekende bij de oude Egyptenaren iets, wat waar,

echt, of werkelijk was. Aldus was de godin de personificatie van wet,

orde en waarheid. Zij gaf de regelmaat aan, waarmede Ra in de lucht

opkwam en daalde en, door Thoth bijgestaan, zijn dagelijkschen loop

hem iederen dag voorschreef.

In deze kwaliteit wordt zij de dochter van Ra en het oog van Ra

genoemd. Als de personificatie der rechtvaardigheid was haar moreele

macht onmetelijk en onverbiddelijk. Zij werd langzamerhand als dat

noodlot beschouwd, waarvan ieder man zijn verdiende loon ontvangt. Zij

zat in een hal in de onderwereld, om de bekentenissen van de dooden aan

te hooren, terwijl de deur door Anubis bewaakt werd. De gestorvenen

moesten twee en veertig rechters in deze hal tevreden stellen, eerst

daarna konden zij tot Osiris toegelaten worden, wien zij verzekerden,

dat zij Maat tevreden gesteld hadden en door haar van schuld gereinigd

waren.

Het Boek der Dooden.

Het Boek der Dooden, in het Egyptische Pert em hru getiteld, een

titel welke vertaald wordt als: "verschijnend over dag", of "dag

der openbaring", is een groot lichaam van godsdienstige compositie,

dat voor het gebruik der dooden in de onderwereld tezamen gebracht is.

Het is waarschijnlijk, dat de naam voor de Egyptenaren een beteekenis

had, welke men onmogelijk in eenige moderne taal kan overbrengen en

dit wordt door een ander van zijn titels: "Het hoofdstuk om de Khu

(geest) te volmaken", voldoende aangetoond.

Men weet, dat teksten, welke zich met het welzijn van de dooden en hun

leven in de onderwereld bezighielden, onder de Egyptenaren zeker reeds

in 4000 v.C. bekend waren. De oudste vorm van het Boek der Dooden,

welke ons bekend is, komen wij in de Pyramiden-teksten tegen.

Met de uitvinding der mummieficatie ontstond een meer compleet

begrafenis-ritueel, op de hoop gebaseerd, dat dergelijke ceremonies

het lichaam tegen bederf zouden vrijwaren, het voor altijd bewaren

en het tot een gelukzalig bestaan onder de goden zouden brengen.

Bijna onmiddellijk voor den tijd der dynastieën schijnt aan den

cultus van Osiris een zeer groote prikkel te zijn toegevoegd. Hij was

nu de god der dooden par excellence geworden en zijn dogma leerde,

dat uit het voor bederf bewaarde een ander schoon astraal lichaam te

voorschijn zou komen, de toekomstige woning van den geest van den

gestorvene. Daarom werd het noodzakelijk, zoo uitgebreid mogelijke

maatregelen voor het bewaren van de menschelijke overblijfselen

te nemen.

De meeste teksten, welke in het Boek der Dooden voorkomen, zijn

ouder dan de tijd van Mena, den eersten historischen koning van

Egypte. Het is nog mogelijk te zien, dat vele van deze teksten

herzien, of uitgegeven waren, lang voordat de copieën, welke ons

bekend zijn, gemaakt zijn. De schrijvers van beroep, die de oude

teksten overschreven, schijnen reeds ongeveer in 3300 v.C. zoo door den

inhoud daarvan in verwarring gebracht te zijn, dat zij ternauwernood

hun bedoeling verstonden. [18]

Bij Dr. Budge lezen wij het volgende: "In elk geval zijn wij

gerechtigd, de oudste bewerking op dat tijdstip te stellen, waarop

de z.g. Egyptische beschaving begint." [19]

Een oude ontdekking.

Een inscriptie op den sarcophaag van koningin Khnem-nefert, de vrouw

van Mentu-hetep, een koning der 11e dynastie (pl.m. 2500 jaar v.C.),

vertelt ons, dat een zeker hoofdstuk van het Boek der Dooden onder

de regeering van Hesep-ti, den 5en koning der 1e dynastie, die

pl.m. 4266 v.C. leefde, ontdekt werd.

Deze sarcophaag geeft ons twee copieën van bedoeld hoofdstuk, welke

aan elkander aansluiten. Dat een hoofdstuk van het Boek der Dooden,

van pl.m. 2500 v.C., tot een datum teruggebracht kon worden, welke

2000 jaar vroeger valt, is verbazingwekkend en wat te denken over

een traditie, welke gedurende betrekkelijk ongeletterde eeuwen een

godsdienstige formule bijna onverzwakt bewaard heeft!

Aldus werd 42 eeuwen voorheen een gedeelte van het Boek der

Dooden als buitengewoon oud, mysterieus en moeilijk te begrijpen,

beschouwd. Men moet ook goed op het feit letten, dat de inscriptie op

het graf van koningin Khnem-nefert ons vertelt, dat 't hoofdstuk in

quaestie ongeveer 4266 v.C. ontdekt werd. Het was dus alleen op dat

vroeger tijdstip ontdekt, hoe lang was echter het verloop tusschen

dat tijdstip en den tijd, waarop het voor het eerst opgeschreven werd?

De inhoud van het hoofdstuk op den sarcophaag van de koningin vertelt:

"dat dit hoofdstuk gevonden werd in de woningen beneden den Bewoner

in de Hennu Boot, door den meesterknecht van de bouwers, in den

tijd van den koning van het Zuiden en Noorden, Hesep-ti, wiens woord

waar is" en de Nebseni Papyrus beweert, dat het hoofdstuk in de stad

van Khemennu, of Hermopolis, gevonden werd, op een blad van albast,

in letters van lapis-lazuli geschreven, onder den voet van den god.

Dit blijkt ook uit den Turijn-Papyrus, welke uit den tijd der 26e

dynastie dateert en hieruit zien wij, dat de naam van den vinder

Heru-ta-ta-f, den zoon van Cheops, was en dat deze op dat tijdstip

een reis ondernam, om de tempels te inspecteeren.

Maspero betwijfelt het gewicht van de vermelding van bedoeld hoofdstuk,

op het graf van koningin Khnem-nefert, maar Naville beschouwt het

hoofdstuk in quaestie als het oudste van het Boek der Dooden.

Een bas-relief uit de 2e dynastie draagt een inscriptie, welke aan

de schim van een zeker priester duizend brooden en duizend kruiken

bier enz. belooft, een belofte, welke later zoo algemeen voorkomt.

Wij zien dus, dat in het jaar 4000 v.C. het als een godsdienstplicht

beschouwd werd, de dooden van offers, uit spijs en drank bestaande,

te voorzien en het schijnt zeer waarschijnlijk, dat het in dezen tijd

reeds een vaste gewoonte geworden was. Deze passage kan den tekst op

den sarcophaag van de vrouw van Mentu-hetep wellicht bevestigen.

Eenige eeuwen later, ongeveer in den tijd van Seneferu (pl.m. 3766

v.C.), was de vereering der dooden, uit een architectonisch standpunt,

aanmerkelijk uitgebreid en grootere en meer imponeerende graven

werden voor hen gebouwd. Succesvolle oorlogen hadden aan Egypte

grooten rijkdom gebracht en haar bewoners waren thans beter in staat

de buitengewone uitgaven, welke de kostbaarste cultus, welke de

godsdienstgeschiedenis kent, te bestrijden.

Onder de regeering van Men-kau-Ra schijnt men een herziening van eenige

gedeelten van den tekst van het Boek der Dooden ter hand genomen te

hebben De rubrieken, welke op sommige hoofdstukken betrekking hebben

en van welke wij lezen, dat zij op een blad van albast geschreven

waren, in letters van lapis-lazuli, in den tijd van dien vorst,

zijn een bevestiging hiervan.

Wij vinden in de regeering van Unas (3333 v.C.) geen tekst, welke

naar het Boek der Dooden, als één geheel, verwijst; de pyramide van

dezen koning werd in 1851 door Maspero geopend. De muren hiervan

waren met teksten bedekt, welke door hun archaistisch karakter en

spelling buitengewoon moeilijk te ontcijferen waren, en hieronder

bevonden zich vele uit het Boek der Dooden.

Gedurende zijn opgravingen te Saqquarah, wist Maspero in de

pyramiden van Teta (3300 v.C.) door te dringen en hierin ontdekte hij

inscripties, waarvan sommige met die van de pyramide van Unas identisch

waren, zoodat het bestaan van een volledig Boek der Dooden. gedurende

den tijd van den eersten koning der 6e dynastie, bewezen was.

Teksten, welke de genoemden aanvulden, werden in het graf van Pepi I

(3233 v.C.) gevonden. Hieruit zal men kunnen opmaken, dat vóór het

einde van de 6e dynastie, waarschijnlijk vijf copieën van een reeks

teksten, welke het Boek der Dooden in die periode vormden, bestonden

en, zooals opgemerkt is, bestaat er een wezenlijk bewijs, dat het

ceremonieel hiervan in de tweede en waarschijnlijk reeds in de 1e

dynastie in zwang was. De teksten hiervan werden voortdurend gecopiëerd

en gebruikt tot de 2e eeuw van de Christelijke jaartelling.

Het schijnt, dat ieder hoofdstuk van het Boek der Dooden uit een

onafhankelijke bron stamt, en het is waarschijnlijk, dat hun opname in

het werk over vele eeuwen verspreid was. Het is mogelijk, dat eenige

teksten een verandering in de theologische opvatting weergeven, doch

ieder hoofdstuk stond op zichzelf. Men kan echter in de opvolging

der hoofdstukken een traditioneele methode ontdekken.

De Drie Recensies.

Er bestonden drie uitgaven van het Boek der Dooden, n.1. die uit

Heliopolis, de Thebaansche en de Saïtische. Die uit Heliopolis werd

door de priesters van het College van Anu, of On, bij de Grieken als

Heliopolis bekend, uitgegeven, en is op teksten gebaseerd, welke niet

meer te ontdekken zijn.

De pyramiden van Unas, Teta en Pepi bevatten de oorspronkelijke teksten

van deze recensie; deze vertegenwoordigt het theologisch systeem,

door de priesters van Ra ingevoerd. De hoofdbestanddeelen van den

oorspronkelijken Egyptischen godsdienst worden hierin echter behouden,

terwijl de eenige wijziging hierin de invoering van den zonnedienst

van Ra is.

In later tijd echter werden de priesters van Ra genoodzaakt de

suprematie van Osiris te erkennen en deze theologische nederlaag is

in de moderne teksten zichtbaar. Tusschen de 6e en 11e dynastie

gaven de priesters van On van tijd tot tijd een aantal nieuwe

hoofdstukken uit.

De Thebaansche recensie was van de 18e tot de 22e dynastie zeer

in zwang en werd gewoonlijk op papyri geschreven en in hieroglyphen,

op doodkisten, geschreven.

De Saïtische recensie is zeker op een of ander tijdstip vóór de 26e

dynastie gerangschikt en werd op lijkkisten en papyri geschreven,

eveneens in hieratisch en demotisch schrift. Deze werd voortdurend

tot het eind van het Ptolemaeïsch tijdperk gebruikt.

Zooals wij reeds hierboven opmerkten, stond het Boek der Dooden

den mensch ten dienste vanaf het oogenblik, dat hij bewoner van

de onderwereld werd, Magie was de hoofdbron voor het bestaan in

die streken en tenzij een geest met de formules bekend was, welke

de achting van de verschillende goden en demonen en zelfs van de

onbezielde voorwerpen konden opwekken, was hij hulpeloos.

De oudste Egyptenaren noemden de streek, waarheen de gestorvenen

verhuisden, Duat. Zij geloofden, dat deze uit het lichaam van Osiris

gevormd was. Men dacht, dat deze donker en duister was, vurige

afgronden en vreeselijke monsters bevatte en op haar beurt door een

rivier en een hoogen bergrug omgeven was.

Het gedeelte, dat het dichtst bij Egypte was, stelde men zich als

een woestijn, door bosschen afgewisseld, voor; door deze kon de

ziel van den afgestorvene niet heenworstelen, zonder de hulp van een

welwillenden geest, welke de paden door deze streek van wanhoop kende.

Een dichte duisternis bedekte alles en, onder bescherming

hiervan, oefenden de vreeselijke bewoners van deze plaats allerlei

vijandelijkheden tegen den nieuw-aangekomene uit; alleen door het

gebruik van bepaalde machtwoorden kon hij de overhand over deze

wezens verkrijgen.

Er was echter één liefelijke plaats in deze verschrikkelijke

streek,--de z.g. Sekhet Hetepet, de Elyseïsche velden, welke Sekhet

Aaru, of de Rietvelden bevatten, waar god Osiris en zijn gezelschap

woonden. In den beginne had hij over dit gedeelte van de Duat alleen

de heerschappij, doch langzamerhand slaagde hij er in deze over het

geheele doodenland uit te strekken en werd hij hierover de heerscher.

Wij vinden ook van een god van de Duat, Duati genaamd, melding

gemaakt, doch deze schijnt meer een personificatie van de streek

geweest te zijn.

Nu was de wensch van ieder goed mensch het koninkrijk van Osiris te

betreden en met het oog hierop maakte hij een uitgebreide studie van

de gebeden en den ritus van het Boek der Dooden, om gemakkelijker

het rijk der gelukzaligheid te kunnen binnengaan.

Dit konden zij op twee manieren bereiken, n.1. te land, of over

water. De weg over water was niets minder vreeselijk, dan die over

land, daar de doortocht der ziel door stroomen vuur en kokend water

versperd werd en de oevers van de rivieren, waarlangs men varen moest,

door ontelbare booze geesten bevolkt waren.

De Rietvelden.

Wij zien uit de Thebaansche recensie, dat er zeven hallen, of woningen,

in de Rietvelden waren; deze allen moest de ziel doorgaan, voordat zij

door den god in eigen persoon werd ontvangen. Drie goden bewaakten de

deur van iedere hal, de deurwachter, de nachtwacht en de ondervrager.

Voor den nieuw aangekomene was het noodzakelijk, iederen god bij zijn

naam aan te spreken. Ook waren er namen voor de deuren, welke men

in zijn geheugen geprent moest hebben. De naam van iederen god was

in werkelijkheid een tooverformule, uit een bepaald aantal woorden

bestaande.

De Rietvelden waren in 15 streken verdeeld en aan het hoofd van elk

van dezen stond een god. De eerste van dezen heette Amentet, waar de

zielen woonden, welke van aardsche offeranden leefden; dezen bestuurde

Menuqet. De tweede was Sekhet Aaru, de eigenlijke Rietvelden; de muren,

welke dezen omringden, waren uit de materie gebouwd, waaruit de lucht

gemaakt wordt.

Hier woonden de zielen, welke 9 ellen hoog waren, onder het bestuur

van Ra Heru-Khuti en deze plaats was het centrum van het koninkrijk

van Osiris. De derde streek was een plaats van vuur. In de vierde

streek woonde de vreeselijke slang, Sati-temui, welke op de dooden

aasde, die in de Duat ronddoolden. De vijfde streek werd door geesten

bewoond, welke zich met de schaduwen van de zwakke en hulpelooze

zielen voedden. Het schijnt, dat zij het uiterlijk van een vampier

hadden. De overige streken waren ongeveer aan dezen gelijk.

Osiris' Reis.

Wij vinden nog andere beschrijvingen van de Duat in "Het Boek der

Ingangen" en "Het Boek van Hem, die in de Duat is"; hierin wordt een

schets gegeven van de reis, welke de zonnegod door de andere wereld

maakt, nadat hij op aarde is ondergegaan.

Terstond na zijn ondergang neemt hij de gedaante van Osiris aan,

welke een ram, met het hoofd van een man, voorstelt. Wanneer hij in

de voorkamer van de Duat, in het Westen, aankomt, wordt zijn komst

door een loflied, door de Aap-goden aangeheven, aangekondigd, terwijl

slangen uit hun bek vlammen blazen en bij het licht van dezen sturen

de goden, die als gids dienst doen zijn vaartuig.

Alle deuren worden geopend en de dooden, door de aardsche lucht,

welke Osiris met zich medebrengt, verkwikt, worden voor een kort uur

weer tot het leven teruggeroepen. Alle wezens, in dat gedeelte van

de Duat, worden, op bevel van den god, van spijs en drank voorzien.

De dooden, die hier wonen, zijn zij, die niet met goed gevolg het

onderzoek, om tot het paleis toegelaten te worden, doorstaan hebben

en alleen van het stoffelijk voordeel, dat hun door de dagelijksche

passage van den god wordt verschaft, bestaan zij.

Wanneer de zon, welke in dezen vorm onder den naam Af Ra bekend is,

den ingang van de tweede afdeeling van de Duat bereikt, welke Urnes

genaamd is, verlaten de goden van de eerste streek hem en aanschouwen

zijn gezicht niet voor den volgenden nacht. Op dit punt ontmoeten

de booten van Osiris en zijn dienaren de boot van Af Ra en op deze

plaats verlangt Osiris weer, dat de dooden voedsel, licht en lucht

ontvangen. Hier worstelt hij met de slangen Hau en Neha-her, zooals

vele zonnegoden, gedurende den tijd van de duisternis, doen en als

hij hen overwonnen heeft, wordt hij naar de velden van de Graangoden

geleid; hier rust hij een poos uit.

Hier luistert hij naar de gebeden van de levenden, ten behoeve van de

dooden en beziet de offeranden door de eersten gebracht. Gedurende

zijn reis trekt hij door de twaalf afdeelingen van de Duat. Hierbij

komen wij streken tegen, welke waarschijnlijk geheel afgescheiden

rijken der dooden waren, zooals het rijk van Seker een god, die

waarschijnlijk veel ouder dan Osiris is.

Op deze plaats is zijn boot geheel en al overbodig, daar er in het

duistere rijk van Seker geen enkele rivier is, iets, wat geheel en

al in strijd met de idee over Osiris schijnt te zijn. Daarom zegt

hij herhaaldelijk woorden op, welke een buitengewone kracht hebben en

dezen dwingen den god van die plaats hem langs de onderaardsche streken

te geleiden; hieruit komt hij daarna in Amhet, waar zich een stroom

van kokend water bevindt. Doch hij verlaat eerst het rijk van Seker,

wanneer hij de zesde afdeeling bereikt, waar de gestorven koningen

van Egypte en de Khu, of Geest-zielen, wonen.

Op dit punt van zijn reis wendt Af Ra zijn gelaat naar het Oosten

en richt zijn koers naar het Gebergte van den zonsopgang. In de

zevende afdeeling voegen Isis en andere godheden zich bij hem; hier

wordt zijn weg door de listige slang Apep versperd, doch de goden,

die hem bijstaan, steken hun zwaarden door diens lichaam.

Een gezelschap van goden loodst hem door de achtste afdeeling,

maar zijn vaartuig gaat door eigen kracht door de 9e streek en in

de 10e en 11e schijnt hij een aantal meren te passeeren, welke

wellicht een voorstelling van de lagunen van de delta zijn. In de

laatste afdeeling wordt zijn voortgang door een lichtschijf bevorderd,

door een slang omringd, welke op den voorsteven van zijn boot rust.

De twaalfde streek bevat de groote massa hemelsche wateren, Nu

genaamd en hier woont Nut, de personificatie van den morgen. Voor

de boot duikt de groote slang Ankh-neteru op en twaalf goden, die de

reeplijn vasthouden, trekken den god door het lichaam van het monster

en brengen Af Ra uit diens mond te voorschijn, niet als Af Ra echter,

want gedurende dien doortocht wordt hij in Khepera veranderd en in

diens gestalte wordt hij door twaalf godinnen naar den hemel gesleept;

dezen leiden hem voor Shu, den god van de atmospheer van de aardsche

wereld.

Shu plaatst hem in de opening van den muur, welke het eind van de

twaalfde afdeeling vormt en thans vertoont hij zich aan de oogen

der stervelingen als een lichtschijf, terwijl hij zijn mummie-vorm,

waarin hij door de Duat ging, heeft afgelegd.

Zijn voortgang wordt door de toejuichingen van de goden, die hem

begeleiden, gevolgd; dezen overvallen en vernietigen zijn vijanden

en zingen lofliederen te zijner eere.

De Duat, in het Boek der Poorten beschreven, verschilt aanmerkelijk

van die in "Het Boek van Hem, die in de Duat is", doch ook deze

laatste heeft twaalf afdeelingen en een ongeveer gelijke reis wordt

daarin geschetst.

De voornaamste goden, die in het Boek der Dooden genoemd worden, zijn

de volgende: Tem, of Atmu, Nu, Ra, Khepra, Ptah, Ptah-Seker, Khnemu,

Shu, Set, Horus, Thoth, Nephthys, Anubis, Amen en Anu, inderdaad het

grootste aantal van de voornaamste goden van Egypte.

Behalve dezen waren er nog verscheidene mindere goden en een groot

gezelschap van geesten, demonen en andere bovennatuurlijke wezens. Vele

van deze demonen waren zeer oude vormen van half vergeten goden. Men

moet wel letten op het feit, dat Osiris feitelijk op ieder station van

zijn reis een, of meer, van zijn goddelijke metgezellen achterlaat

en men stelde voor, dat zij sindsdien de beheerschers, of satrapen

van de streken werden, waarin hij hen achtergelaten had. Zoo placht

een Pharaoh, op deze aarde, zijn hovelingen voor bewezen diensten

te beloonen.

In den tijd van het Middenrijk nam de opvatting over Osiris, als

rechter over de dooden, een vaste gestalte aan en werd algemeen

erkend. In een van de hoofdstukken van het Boek der Dooden vinden wij

hem in een ruime hal, waarvan de zoldering met vuur en symbolen der

waarheid bedekt is, zitten. Voor hem bevinden zich het symbool van

Anubis, de vier zonen van Horus, en de Vernietiger van het Westen,

een monster, dat als zijn beschermer fungeert. Aan de achterzijde

zitten de 42 doodenrechters.

De gestorvene verschijnt voor den god en zijn hart wordt in eene

groote weegschaal gelegd om door Anubis gewogen te worden, terwijl

Thoth, de schrijver van de goden, er bij staat, om het resultaat op

zijn plankjes te schrijven. Wanneer hij den uitslag aan Osiris heeft

medegedeeld, wordt de doode man, indien hij tenminste waardig bevonden

is, aan den god voorgesteld; voor dezen zegt hij dan een lang gebed

op en hierin verklaart hij, dat hij geen enkel kwaad bedreven heeft.

Zij, die niet aan het onderzoek beantwoordden, werden weggejaagd en

liepen gevaar, door een vreeselijk monster, Beby genaamd, dat buiten

op hen loerde, verslonden te worden. Zij echter, die rechtvaardig

bevonden waren, namen aan de levenswijze van Osiris en de andere goden,

van welke men zich klaarblijkelijk voorstelde dat zij aan die van de

Egyptische aristocratie gelijk waren, deel.

Zooals reeds opgemerkt is, mocht de gestorvene zichzelf veranderen in

een dier-gestalte, welke hij zelf verkoos. Het leven van den doode,

die rechtvaardig bevonden was, wordt juist geschetst in een inscriptie

op het graf van Paheri, vorst van El Kab, welke als volgt luidt:

"Gij gaat in en uit, met een verheugd hart en met de belooningen van

de goden... Gij wordt een levende ziel, gij hebt macht over brood,

water en lucht. Gij verandert uzelf in een phoenix, een zwaluw,

een sperwer, of een reiger, al naar gij verkiest.

Gij steekt over in de boot en wordt niet gehinderd. Gij zeilt over

het water, wanneer een vloed opkomt. Gij leeft opnieuw en uw ziel

heeft het lichaam niet verlaten.

Uw ziel is een god, tezamen met den verlichter en de uitstekende

zielen spreken met U. Gij zijt onder hen en ontvangt, wat men op

aarde geeft; gij bezit water, lucht en hebt overvloed van datgene,

wat gij begeert. Uw oogen worden U gegeven, om te zien, Uw ooren om

te hooren spreken, Uw mond spreekt, Uw beenen bewegen zich, Uw handen

en armen spannen zich voor U in, Uw lichaam groeit, Uw aderen zijn in

goeden toestand, en gij voelt Uzelf gezond in al Uw ledematen. Gij

hebt Uw oprecht hart in Uw bezit en Uw vroeger hart behoort U. Gij

stijgt op ten hemel en wordt iederen dag opgeroepen tot de offertafel

van Wennofre, gij ontvangt het goede, dat aan hem geofferd wordt en

de gaven van den Heerscher van de necropolis."

Het Boek der Dooden is oogenschijnlijk een allegorische voorstelling

van den gang van de zon door de onderwereld. Het ondergaan van de

zon, in den avond, deed natuurlijkerwijze bij den primitieven mensch

de vraag opkomen, waar het licht, gedurende de uren der duisternis,

bleef, want de zon was voor de oudste menschen een levend wezen.

Hij kon de beweging van de zon door de lucht waarnemen en andere

weldaden, welke hij van haar ontving brachten hem er toe, haar als de

bron van alle goed te beschouwen. Het scheen hem verder toe, dat haar

dagelijksche loopbaan door den aanval van een of anderen vijand werd

afgebroken en het logisch gevolg was natuurlijk de overtuiging, dat

de macht, welke aan de zon vijandig was, een kwade gezindheid moest

hebben. Deze macht werd als een slang, of draak, afgebeeld, welke

tegen den nacht met het licht streed en het voor een poos overwon.

De goden van verschillende godsdienstige stelsels moeten naar de andere

wereld afdalen, om met machten van dood en hel te strijden. Wij kennen

een analoog geval in de Popol Vuh van Midden-Amerika, waarin twee

heldgoden, de zonen en neven van de zon en de maan in den duisteren

afgrond van den Maya Hades afdalen, zijn kracht vernielen en in

triumf terugkeeren.

Men heeft vermoed, dat het Boek der Dooden niets meer, of minder, was

dan het ritueel van een geheime broederschap en dat de verschillende

hallen, welke hierin voorkomen, de symbolische voorstelling van de

verschillende inwijdingsphases, welke de leden moesten doorloopen,

zijn.

Nu is bet merkwaardig, dat T. Athol Joyce, van het Britsch Museum,

in zijn nieuw, interessant werk, getiteld: "Mexican Archaeology"

vertelt, dat het hof van de onderaardsche Maya, waarop in de Popol

Vuh gezinspeeld wordt, volgens het principe van een geheim genootschap

geleid schijnt te zijn, met een bepaalden vorm van inwijding.

Het staat zoo goed als vast, dat de mysteriën van Eleusis en daaraan

gelijke inwijdingsplechtigheden, met het leven in de onderwereld

verbonden werden (en dit is speciaal het geval bij de geschiedenis

van Demeter en Kore, of Ceres) en dat een theatrale voorstelling van

het dwalen van de moeder, terwijl zij haar dochter zoekt, in den loop

der plechtigheid gegeven werd.

Deze Grieksche goden waren, behalve van de dooden, goden van den

landbouw en wel van het koren Goden van de onderwereld echter

bevorderen dikwijls den groei van het graan, daar men geloofde,

dat het koren, onder de aarde, door hun invloed gedijde.

Wij vinden b.v. in de Popol Vuh, dat Xquiq, de dochter van een van

de heerschers der onderwereld, in staat was, in eenige minuten een

maïsveld te oogsten, op een plaats, waar dit tevoren nooit geweest was.

Dit alles schijnt een aanwijzing te zijn voor de waarschijnlijkheid,

dat, ook al bevatte het Boek der Dooden geen vroeg type van

een inwijdingsplechtigheid, het toch een machtigen invloed op de

plechtigheden heeft uitgeoefend, toen dezen ontstonden. De mysteriën

van de Cabiri, om een voorbeeld te noemen, zijn, naar men vermoedt,

van Egyptischen oorsprong.

Aan den anderen kant, is het waarschijnlijk, dat het Beek der

Dooden het ceremonieel van een oudere prae-historische mysterie,

welke door de Egyptenaren uit den tijd der dynastieën vergeten is,

voorstelde. Onbeschaafde stammen, over de geheele wereld, bezitten

zulke mysteriën. De Indianen van Noord-Amerika en de negers van

Australië bezitten zeer uitvoerige inwijdingsceremonies Op deze

wijze is het waarschijnlijk, dat het Boek der Dooden het ritueel van

Neolitische, onbeschaafde volken bewaarde, dat dezen duizenden jaren,

voor de verbinding met den eeredienst van Osiris, uitoefenden.

De Plaats der Straffen.

Hoewel het schijnt, dat niet een gedeelte van de Duat speciaal voor

de slechten gereserveerd werd, werden dezen op voldoende wijze op

allerlei manieren gekweld, om hun bestaan tot een bestraffing, voor

eenige misdaden, gedurende hun leven begaan, te maken.

Aan een eind van deze streek bevonden zich vurige afgronden,

waarbij afschuwelijke goden de wacht hielden, die de lichamen der

gestorvenen lieten vernietigen en in stukken houwen, voordat zij

verbrand werden. Hun bestraffing werd echter door de verschijning van

Ra-Osiris, op zijn nachtelijke reis, verzacht, want, als hij verscheen,

werden de folteringen tijdelijk gestaakt.

De goden, die over de veroordeelden straf uitoefenden, waren de

vijanden van Osiris, personificaties van duisternis, nacht, mist, damp,

storm, wind enz., en dezen werden overdag door de krachtige stralen van

het licht vernietigd Dezen werden in menschelijke gedaante afgebeeld en

ten onrechte vermoedt men, dat de afbeelding van hun vernietiging een

voorstelling van het verbranden van de zielen der veroordeelden was.

Deze booze vijand werd met iederen omloop van de zon vernieuwd,

zoodat het den schijn wekte, of een nieuwe slagorde van vijanden Ra

iederen nacht en iederen morgen aanviel. Gedurende den tijd tusschen

schemering en zonsopkomst werden zij verslagen en gestraft.

De zielen van de verdoemden waren op geen enkele wijze in staat,

den voortgang van Ra te verhinderen, doch in later tijd werden zij

tot op zekere hoogte met de vijanden van Ra geïdentificeerd, woonden

met dezen en hielpen hen bij den aanval tegen den zonnegod.

In den daarop volgenden strijd werden zij door de krachtige

zonnestralen, als pijlen, of speren, voorgesteld, doorboord en de

messen, welke hun lichamen in stukken hakten, waren de zinnebeeldige

voorstelling van de vlammen, welke uit het lichaam van Ra te voorschijn

kwamen. De meren en poelen van vuur, waarin zij ondergedompeld werden,

stelden den aanblik van den Oostdijken hemel bij de opkomst van de

zon voor.

Er is niets in den Egyptischen godsdienst, dat het geloof in een

eeuwigdurende straf wettigt en zulk een gezichtspunt is met het

materiaal van de teksten onvereenigbaar.

Er is inderdaad niets in de Egyptische godsdienstige voorstelling,

dat met de Hel van de Joden, of het Vagevuur en de Hel van het

Middeleeuwsch Europa parallel loopt.

De Egyptische idee over den dood sloot de opvatting over de

wederopstanding van het physieke lichaam, in de onderwereld, niet in

zich, doch men geloofde, dat, als het lichaam vernietigd was, de ka,

of dubbelganger, de schaduw en geest van den mensch, eveneens te

gronde moest gaan.

Het is intusschen vreemd, dat de Egyptische idee van tijdelijke straf,

na den dood, aan de ouderwetsche opvatting over dien toestand, in

Koptische bronnen, kleur gegeven schijnt te hebben. De Koptische

Christenen, uit Egypte, schijnen de idee van bestraffing, in de

Duat, bijna geheel van hun heidensche voorvaderen, of tijdgenooten,

overgenomen te hebben.

Amélineau citeert een Koptisch werk, waarin een doode Egyptenaar

vertelt, dat op het doodsuur straffende engelen, met messen en andere

wapenen, welke zij door zijn lichaam staken, gewapend, zich rondom

hem verzamelden. Andere geesten trokken zijn ziel uit zijn lichaam,

bonden dezen op een zwart paard vast en galoppeerden met dezen naar

Amentet weg.

Daar aangekomen, werd hij eerst op een plaats, welke vol walgelijke

slangen was, gefolterd en daarna werd hij naar buiten, in de

duisternis, geworpen. Hij viel in een put, welke op zijn minst twee

honderd voet diep was; hierin bevonden zich slangen van allerlei soort,

elk van zeven koppen voorzien en werd hij aan een slang, welke tanden

had, op ijzeren staven gelijkende, overgegeven.

Iedere week, van Maandag tot Vrijdag, knaagde dit monster aan den

ongelukkige, alleen des Zaterdags en Zondags hield de foltering op.

Alleen wat het feit betreft, dat hier niet gesproken wordt van

een altijddurende straf, verschilt deze plaats van bestraffing van

gelijksoortige voorstellingen in andere mythologieën; de voorstelling

van de uitgeoefende straf echter, het snijden met messen, het steken

met speren, het brandende vuur en zoo voorts, is eigenlijk dezelfde

voorstelling, als bij andere godsdiensten.

De voorstelling van de Egyptische onderaardsche streken gelijkt verder

geheel en al op die in andere mythologische stelsels.

Men moet niet denken, dat de Egyptenaren, met hun nauwkeurig

uitgewerkte voorzorgsmaatregelen voor de bewaring van het lichaam,

na den dood, in een eeuwige straf gelooven konden. Waarschijnlijk

kunnen zij geloofd hebben in de straf van ieder ander, maar het is

hoogst onwaarschijnlijk, dat eenig Egyptenaar, die zich een tijd aan

de bestudeering van het Boek der Dooden overgegeven had, geloofde, dat

hij zelf verdoemd was. Zijn geheele toekomst hing, volgens dat boek,

van de kennis der machtwoorden, daarin vervat, af en zeer zeker kon

niemand, terwijl hij zoo betrekkelijk gemakkelijke middelen had, om

aan het gevaar te ontsnappen, zoo dwaas zijn, dezen te veronachtzamen.

De Egyptische Hemel.

Zooals reeds opgemerkt is, schijnt men zich bij de Egyptenaren geen

voorstelling van de juiste ligging van den hemel gemaakt te hebben,

maar over het algemeen kan men zeggen, dat de Egyptenaren geloofden,

dat deze zich ergens boven in de lucht bevond. Zij noemden dezen Pet,

een uitdrukking, welke zij gebruikten ter onderscheiding van het

woord Nu, dat de lucht beteekent.

Zij stelden zich den hemel en de lucht als een plaat voor, terwijl de

uiteinden daarvan op een onderstel, door de twee bergen Bakhau en Manu

gevormd, rustten; dit waren de bergen van den zonsop- en ondergang.

In oude tijden stelde men zich voor, dat de hemel uit twee gedeelten

bestond, n.l. het Oosten en het Westen; later echter werd hij in

vier deelen verdeeld en elk van dezen onder de bescherming van een

god geplaatst. Deze streek werd door vier pilaren gestut en elk van

dezen stond wederom onder de bescherming van een godheid; op een

betrekkelijk laat tijdstip werd er nog een pilaar aan toegevoegd,

om het midden te schragen.

In een mythe vinden wij over den hemel gesproken als voorzien van

een menschelijk hoofd, terwijl de zon en de maan de oogen vormen en

de steunsels door het haar gevormd worden. De goden van de vier

kwartieren, die de oorspronkelijke zuilen bewaakten, waren de

z.g. Canopische godheden, elders ook de kinderen van Horus genaamd.

In den hemel huisde de groote god Ra; hij was op een metalen troon

gezeten, waarvan de zijden door leeuwenkoppen en hoeven van stieren

ingelegd waren. Zijn gezellen omringden hem en dezen werden op hun

beurt door de kleinere goden omgeven. Iedere god, die de wereld en

de Duat bestuurde, had eveneens zijn eigen plaats in den hemel.

Onder de lagere goden stonden nog wezens, welke men eenigszins met

engelen zou kunnen vergelijken. De voornaamste onder dezen waren de

Shemsu-Heru, of volgelingen van Horus, die den zonnegod bedienden en,

als het noodzakelijk was, onder zijn bescherming kwamen.

Men beschouwde hen noodzakelijk voor zijn welzijn. Op dezen volgden

de Ashemu, doch hun attributen zijn onbekend en na hen de Henmemet,

misschien zielen, welke menschelijke wezens moesten worden, maar hun

toestand is niet helder. Men stelde het voor, dat zij van graan en

kruiden leefden.

Ook bevonden er zich nog wezens, Utennu en Afa genaamd, doch ook van

hun karakter is absoluut niets bekend. Op dezen volgde een ontelbaar

aantal geesten, zielen enz.; de meesten van dezen hadden op aarde

gewoond en waren gezamenlijk bekend als: "de levenden".

De Egyptenaren geloofden, dat dezen op vastgestelde tijden over de

aarde konden wandelen en weer naar den hemel terugkeeren, een idee,

welke waarschijnlijk hieruit ontstond, dat zij voor een toekomstig

leven, zoowel voor het lichaam, als de ziel en den geest, wilden

zorgen.

Zooals reeds tevoren opgemerkt is, hadden de hemelgoden hun

dubbelgangers op aarde en men geloofde, dat de mensch, tot zekeren

graad, aan deze dubbele natuur deel had. De Egyptische opvatting nu

over den hemel veranderde langzamerhand, gedurende de eeuwen. Een

onderzoek van de oudste gedenkschriften toont ons aan, dat de

idee over een bestaan, na den dood, werd opgevat als een soort van

onbestemde verlenging van het leven dezer wereld. Zulk een idee is

allen primitieven rassen gemeen.

Op den duur echter werd deze opvatting geheel en al veranderd en

een meer geestelijke nam haar plaats in. De ziel (ba) en de geest

(khu), welke gewoonlijk in de hieroglyphen-teksten als een havik

en een halfgod voorgesteld worden, kregen aan het hemelsche voedsel

deel, werden één met de goden en langzamerhand met hst verheerlijkt

lichaam, of de hemelsche stof, vereenigd, zoodat de ziel, de kracht,

de schaduw, de dubbelganger en naam van den gestorvene tezamen in het

eene hemelsche lichaam, onder den naam Sahu bekend, vereenigd werden;

men zou dit als een geestelijk lichaam kunnen beschouwen. Men geloofde,

dat dit uit het doode lichaam groeide en zijn ontstaan werd veroorzaakt

door de magische ceremonies en door de machtwoorden, door de priesters

gedurende den begrafenisdienst gesproken.

Het Leven der Gelukzaligen.

In het Boek der Dooden wordt verteld, dat de geesten in den

hemel 4.601.200 in getal zijn. Men heeft vermoed, dat dit getal

waarschijnlijk de Egyptische optelling was van al de geesten van

menschen, die gestorven en in den hemel opgenomen waren; dit is echter

zeer onwaarschijnlijk, en wel om voor de hand liggende redenen.

De manier, waarop deze geesten hun tijd doorbrachten, is zeer

duister. Sommige leidden den loop der hemellichamen, andere vergezelden

de groote goden, op hun reis door den hemel, terwijl weer andere het

toezicht op wereldsche zaken hielden.

Zij zongen hemelsche liederen, ter eere van Ra, als oppersten heerscher

over de goden en hun hymnen beschreven de wonderen van zijn macht en

glorie. Zij leefden van de lichtstralen, welke van het oog van Horus

vielen, dat wil zeggen, zij werden door het zonlicht gevoed, zoodat

hun lichamen langzamerhand geheel en al uit licht samengesteld werden.

Volgens één mythe leefden de goden zelf van een plant, welke de

levensplant genoemd werd, welke bij een groot meer groeide. Deze

opvatting is in overeenstemming met een idee, welke voorstelde, dat

de gestorvenen in een Paradijs leefden, waar weelderig bloeiende

graanvelden door ontelbare kanalen bevochtigd werden en waar

stoffelijke genoegens, van allerlei soort, hun ten dienste stonden. Het

was misschien deze plaats, waar men het voorstelde, dat het eeuwige

brood, het eeuwige bier, de hemelsche vijgeboom en andere dergelijke

dingen het voedsel van de gestorvenen uitmaakte. Men geloofde verder,

dat de gelukzaligen een gelijke kleeding als de goden droegen, doch

eenige van hen schijnen, volgens hun voorstelling, een linnen gewaad

en witte sandalen, aan hun voeten, gedragen te hebben.

Dit alles doet ons zien, dat de hemel van de oudste Egyptenaren

eenvoudig een verlenging der aardsche toestanden was, of misschien

zou men kunnen zeggen, een verbetering hiervan. Zoo lang de Egyptenaar

de middelen bezat om brood te bakken en bier te brouwen, zoolang hij

heldere kleeren had en beschutting vond op een plaats, welke rondom

door kanalen doorsneden was, beschouwde hij dezen toestand als den

besten van alle hemels. Het koren placht natuurlijk uit zichzelf te

groeien. De geheele idee was materieel, daar het leven eenvoudig,

doch gemakkelijk was.

Aangaande den Egyptischen hemel is er niets sophistisch, zooals bij

het Mohammedaansche of Christelijke rijk der gelukzaligen; zelfs de

manier het te bereiken was primitief, daar de oudste bewoners van

het Nijldal geloofden, dat zij den hemel bereiken konden, door over

de bergen, welke dezen schraagden, te klimmen, terwijl de latere

bewoners het geloof koesterden, dat zij een ladder noodig hadden,

om daarheen te klimmen.

In verscheidene graven werden deze ladders zoo geplaatst, dat de dooden

van hun astrale tegenhangers gebruik konden maken, om de hemelsche

streken te bereiken. Zelfs Osiris had een dergelijke ladder noodig

en werd door Ra en Horus, of door Horus en Set, bijgestaan om deze

te beklimmen.

Men vindt in verschillende papyri van het Boek der Dooden

beschrijvingen van zulke ladders, welke in de graftomben geplaatst

werden. Haar lengte werd door den gestorvene zelf bepaald, in

overeenstemming met de kracht der tooverwoorden, welke hij over

haar uitsprak.

De gestorvene was verder, eveneens door tooverwoorden, in staat,

zich in een vogel, of andere dierengestalten, te veranderen. Het

is moeilijk, de reden van deze veranderingen in het Paradijs aan

te geven, maar de opvatting heeft eenige overeenkomst met die

der Aztec-krijgers, die geloofden, dat, wanneer zij het gebied

van den zonnegod binnengetreden zouden zijn, zij hem op zijn reis

vergezellen zouden en naar de aarde zouden afdalen, in de gedaante

van een kolibrie.

Mythen en Legenden van Egypte · 第 11 / 18 题