Hoofdstuk IV

De vereering van Osiris.

Osiris.

Een van de voornaamste figuren in het Egyptisch pantheon, doch

tevens een, waarvan de oorsprong moeilijk op is te sporen, is

Osiris of As-ar. De oudste en eenvoudigste aanduiding voor den naam

wordt uitgedrukt door twee hieroglyphen, welke een troon en een

oog voorstellen. Intusschen geeft dit weinig aanwijzing voor de

beteekenis van den naam. Zelfs de latere Egyptenaren waren met de

afleiding daarvan onbekend, want zij dachten, dat de beteekenis was:

"de kracht van het oog", d.w.z. de kracht van den zonnegod Ra.

De tweede lettergreep van den naam, ar, kan misschien in verbinding

staan met Ra, zooals we later zullen zien. In de tijden der dynastieën

werd Osiris als de god van den dood en de onderwereld beschouwd. Hij

nam inderdaad dezelfde positie in die streken in als Ra onder de

levenden. Wij moeten ons tevens herinneren, dat het onderaardsch

koninkrijk het rijk van de duisternis was.

Het ontstaan van Osiris is buitengewoon duister. Uit de teksten

kunnen wij niet te weten komen, waar, of wanneer men het eerst met

zijn vereering begonnen is, maar het is zeker, dat deze ouder is dan

eenige tekst. De oudste centra van zijn vereering onder de dynastieën

waren Abydos en Mendes.

Misschien wordt hij afgebeeld op het bovenste gedeelte van den scepter

van Narmer, te Hieraconpolis gevonden en op een houten plaquet van

Udy-mu (Den) of Hesepti, den 5en koning der 1e dynastie; dezen

ziet men afgebeeld voor hem dansende.

Dit zou dus bewijzen, dat er gedurende de 1e dynastie te Abydos

een middelpunt van Osiris-vereering was. Toespelingen echter in de

Pyramidenteksten lichten ons in, dat nog, voor dien, heiligdommen voor

Osiris in verschillende deelen van het Nijldal zijn opgericht. Zooals

in een hoofdstuk van het Boek der Dooden geschetst wordt, woont

Osiris vreedzaam in de onderwereld met de rechtvaardigen, terwijl

hij de zielen der afgestorvenen oordeelt, wanneer zij voor hem zijn

verschenen. Dit paradijs was onder den naam van Aaru bekend en het is

de moeite waard om op te merken, dat, hoewel men oorspronkelijk aannam,

dat het zich in de lucht bevond, men het later in de onderwereld

plaatste.

Men beeldt Osiris gewoonlijk af, in mummiewindsels gehuld, terwijl

hij de witte kegelvormige kroon van het Zuiden draagt. Dr. Budge

zegt aangaande hem: "Alles wat de teksten van alle tijden over

hem overleveren, laten ons zien, dat hij een inheemsch god van

Noord-Oost-Afrika was en dat zijn woonplaats en afkomst waarschijnlijk

Libye was".

In elk geval mogen wij aannemen, dat Osiris een Afrikaansch god van

oorsprong was en hij een inboorling was van den bodem van het Zwarte

Vasteland.

Brugsch en Sir Gaston Maspero zagen beiden in hem een watergod

[13] en meenden, dat hij over 't algemeen een personificatie van de

scheppende en voedende kracht van den Nijl en van de overstrooming

in het bijzonder was. Ook Dr. Budge is deze theorie toegedaan,

maar indien Osiris een god van den Nijl alleen is, waarom is

hij dan uit de Libysche woestijn, welke zich op geen rivier kan

beroemen, geïmporteerd? Rivieren ontstaan in den regel niet in

zandstreken. Voordat wij echter verder gaan, zal het goed zijn,

de Osiris-mythe te vertellen.

De Osiris-mythe.

Plutarchus is onze voornaamste bron voor de Osiris-legende. In

de Egyptische teksten kan men geen complete vertaling van het

verhaal vinden, ofschoon dezen de verhalen van de Grieksche mythe

bevestigen. Het volgende is een korte uiteenzetting van de mythe,

zooals in Plutarchus' "De Iside et Osiride", wordt verhaald:

Rhea (de Egyptische Nut, de godin van den hemel) was de vrouw van

Helios (Ra). Zij werd echter door Kronos (Geb) geliefd en beantwoordde

zijn genegenheid. Toen Ra de ontrouw van zijn vrouw ontdekte, was

hij vreeselijk vertoornd en sprak een vervloeking tegen haar uit,

terwijl hij zeide, dat haar kind in geen enkele maand, of jaar,

zou geboren worden.

Nu kon de vloek van Ra, den almachtige, niet afgewend worden, want

Ra was de opperste van alle goden. In haar nood riep Nut de hulp

in van den god Thoth (den Griekschen Hermes), die haar eveneens

beminde. Thoth wist, dat de vervloeking van Ra vervuld moest worden,

maar hij vond door een zeer slim plan een uitweg voor de moeilijkheid.

Hij ging tot Silene, de godin der maan, wier licht met dat van de zon

wedijverde en daagde haar tot een spel uit. De inzet was aan beide

zijden hoog, maar Silene zette een deel van haar licht in, het 17e

deel van elk van haar verlichtingen en verloor.

Zoo komt het, dat haar licht somtijds vermindert en afneemt, zoodat

zij niet langer de mededingster van de zon is. Uit het licht, dat

hij van de maangodin Thoth had gewonnen, maakte Thoth vijf dagen en

voegde dezen bij het jaar, dat in dien tijd uit 360 dagen bestond en

wel op zoodanige wijze, dat zij noch tot het voorafgaande, noch tot

het volgende jaar, noch tot eenige maand behoorden.

Op deze vijf dagen werd Nut van haar vijf kinderen verlost. Osiris werd

op den eersten dag geboren, Horus op den tweeden, Set op den derden,

Isis op den vierden en Nephtys op den vijfden [14]. Bij de geboorte

van Osiris hoorde men een stem, welke door de geheele wereld klonk en

zeide: "De beheerscher der geheele aarde is geboren!" Een overlevering,

welke van de vorige in gering opzicht verschilt, vertelt, dat een zeker

man, Pamyles genaamd, bezig was met waterdragen voor den tempel van

Ra te Thebe en een stem hoorde, welke hem beval de geboorte van den

"goeden en grooten koning Osiris" alom bekend te maken en dat hij

dit onmiddellijk deed. Hierom werd de opvoeding van den jeugdigen

Osiris aan Pamyles toevertrouwd. Aldus zou het feest der Pamilia

zijn ontstaan.

Na verloop van tijd werden de profetieën aangaande Osiris vervuld en

hij werd een groot, wijs koning. Het Egyptische land bloeide onder zijn

bestuur, zooals het nooit tevoren had gedaan. Evenals verscheidene

andere halfgoden stelde hij zich tot taak, zijn volk te beschaven,

daar dit bij zijn komst zich in zeer barbaarschen toestand bevond en

zich overgaf aan kannibalisme en andere wilde praktijken.

Hij gaf het volk een wetboek, onderwees het in den landbouw en leerde

het den ritus de goden te vereeren. En toen hij erin geslaagd was orde

en wetten in Egypte te grondvesten, ging hij naar ver verwijderde

landen, om zijn beschavingswerk voort te zetten. Zoo vriendelijk en

goed was zijn methode om kennis aan de gemoederen van de barbaren

bij te brengen, dat zij den grond, waarop hij liep, aanbaden.

Set, zijn vijand.

Hij had echter één verbitterden vijand, n.l. zijn broer Set, den

Griekschen Typhon. Gedurende de afwezigheid van Osiris, bestuurde zijn

vrouw Isis het land zoo goed, dat de plannen van den goddeloozen Set

om aan dat bestuur aandeel te krijgen, niet konden slagen.

Tegen den terugkeer echter van den koning vormde Set het plan zich

geheel en al van zijn broer te bevrijden. Om zijn doel te bereiken

verbond hij zich met Aso, de koningin van Aethiopië en 72 andere

samenzweerders. Nadat hij in net geheim het lichaam van den koning

had gemeten, liet hij een prachtige kist maken, rijkelijk versierd,

welke juist het lichaam van Osiris kon bevatten.

Toen deze voltooid was, noodigde hij zijn gezellen en zijn broer

op een groot feest. Osiris was weliswaar herhaalde malen door de

koningin tegen zijn broer gewaarschuwd, maar daar hij zelf geen kwaad

uitoefende, vreesde de koning dit ook niet in anderen en aldus nam

hij de uitnoodiging voor het feestmaal aan.

Toen dit afgeloopen was, liet Set de prachtige kist in de feestzaal

brengen en zei, als in scherts, dat deze aan hem zou behooren, die

daarin zou passen. De eene gast na den ander legde zich in de kist

neer, doch geen enkele paste er in, totdat de beurt aan Osiris kwam.

Geheel en al van verraad onbewust, legde de koning zich in de

groote kist. In een oogenblik hadden de samenzweerders het deksel

dichtgenageld en goten er kokend lood over heen, uit vrees, dat er

eenige opening in zou zijn. Daarop lieten zij de kist in den Nijl

drijven, bij de monding van Tanis. Deze dingen vonden plaats volgens

sommigen, in het 28e levensjaar van Osiris; volgens anderen in zijn

28e regeeringsjaar.

Toen dit nieuws de ooren van Isis bereikte, werd zij door droefheid

getroffen, sneed een lok van heur haar af en trok rouwgewaad aan. Daar

zij zeer goed wist, dat de dooden niet kunnen rusten, voordat hun

lichamen onder de gebruikelijke plechtigheden zijn begraven, ging

zij op reis, om het lijk van haar echtgenoot te zoeken. Gedurende

langen tijd leverde haar reis geen enkel resultaat op, hoewel zij

iederen man en iedere vrouw, die zij ontmoette, vroeg, of zij niet

de rijkelijke versierde kist hadden gezien.

Ten slotte kwam het bij haar op eenige kinderen, die bij den Nijl

speelden, te ondervragen en toevallig waren zij in staat te vertellen,

dat de kist door Set en zijn gezellen naar de monding van den Nijl bij

Tanis was gebracht. Vanaf dien tijd hield men het in Egypte er voor,

dat kinderen een bijzondere gave van voorspellen hebben.

De tamarindeboom.

Langzamerhand werd de koningin door de werkzaamheid van demonen

nauwkeurig ingelicht en kwam zij te weten, dat de kist op de kust

van Byblos was aangespoeld en door de golven tegen een tamarindetak

was aangedreven; deze was op verwonderlijke wijze tot een prachtigen

boom opgeschoten en sloot de kist van Osiris in zijn stam in.

De koning van dat land, Melcarthus genaamd, had zich over de hoogte

en schoonheid van den boom verwonderd, had dezen omgehakt en daarvan

een zuil laten maken, om daarmede de zoldering van zijn paleis te

stutten. In deze zuil nu was de kist, welke het lijk van Osiris

bevatte, verborgen.

Isis haastte zich daarop in allerijl naar Byblos en zette zich daar bij

een bron. Tot niemand, die haar naderde, wilde zij een woord spreken,

behalve tot de meisjes van den koning; dezen sprak zij liefderijk toe,

en maakte heur haar door haar adem welriekender dan het door eenige

bloemengeur zou geworden zijn.

Toen de meisjes naar het paleis waren teruggekeerd, ondervroeg de

koningin haar, hoe het kwam, dat heur haar zoo'n heerlijken geur

van zich gaf en hierop vertelde zij haar ontmoeting met de schoone

vreemdelinge. Koningin Astarte, of Athenais, verzocht haar daarop

naar het paleis te komen, verwelkomde haar hartelijk en stelde haar

tot voedster aan van een der prinsen.

Isis' smart.

Isis voedde den knaap, door hem haar vinger te geven, om daarop te

zuigen. Iederen nacht, als allen zich ter ruste hadden begeven,

placht zij groote blokken hout in het vuur te leggen en het kind

daartusschen te duwen; daarop veranderde zij zichzelf in een zwaluw

en was gewoon jammervolle klaagliederen over haar gestorven echtgenoot

te laten hooren.

Geruchten over deze zonderlinge handelwijze werden door de

dienstmaagden van de koningin aan haar meesteres aangebracht en

deze besloot zelf te onderzoeken, of deze geruchten waar waren,

of niet. Daarom verborg zij zich in de groote hal en toen de nacht

was aangebroken, sloot Isis de deuren, legde blokken op het vuur en

drukte het kind tusschen het brandende hout.

De koningin sprong, onder luid geschreeuw, op haar toe en rukte den

knaap uit de vlammen. De godin berispte haar heftig en verklaarde,

dat haar daad haar zoon van de onsterfelijkheid had beroofd.

Hierop vertelde Isis aan de doodelijk verschrikte Athenais, wie zij

was en tevens haar geheele geschiedenis en vroeg de zuil. Toen aan

haar verzoek was voldaan, hakte ze den boom open, nam de kist met

het lijk van Osiris er uit en weeklaagde zoo luid, dat een van de

prinsen van schrik stierf. Daarop nam zij de kist met zich over zee

naar Egypte en werd op deze reis door den oudsten zoon van Melcarthus

vergezeld. De latere dood van het kind wordt op verschillende wijze

door overleveringen, welke met elkaar in tegenspraak zijn, verhaald. De

boom, welke het lichaam van den god had bevat, werd nog langen tijd

in Byblos bewaard en vereerd.

Toen zij in Egypte was aangekomen, opende Isis de kist en beweende het

stoffelijk overschot van haar echtgenoot lang en smartelijk. Daarop

echter dacht zij aan haar zoon Harpocrates, of Horus het kind, dien

zij in Buto had achtergelaten; zij liet de kist op een geheime plaats

achter en ging op reis, om hem te zoeken.

In dien tusschentijd ontdekte Set, die met het maanlicht op haar jacht

maakte, de rijk versierde kist en in zijn woede scheurde hij het lijk

in 14 stukken en verspreide dezen naar alle kanten van het land.

Toen Isis deze nieuwe wandaad had vernomen, nam zij een boot van

papyrus-riet en ging nog eens op weg om de overblijfselen van haar

echtgenoot op te sporen.

Na dezen tijd plegen de krokodillen geen boot, van papyrus vervaardigd,

aan te raken, waarschijnlijk, omdat zij denken, dat deze de godin

bevat, die nog altijd zoekende is. Overal waar Isis een gedeelte van

het lichaam vond, begroef zij het en bouwde een heiligdom, om aan de

plaats een gedenkteeken te geven. Hierdoor komt het, dat er zooveel

graven van Osiris in Egypte zijn. [15]

Horus' wraak.

In dezen tijd had Horus den mannelijken leeftijd bereikt en Osiris, uit

de Duat, waar hij als koning over de dooden heerschte, teruggekeerd,

moedigde hem aan, het kwaad, zijn ouders aangedaan, te wreken. Horus

bond daarom den strijd met Set aan, en de overwinning viel nu eens

den een, dan weer den ander ten deel. Eén oogenblik werd Set door

zijn tegenstander gevangen genomen en aan Isis ter bewaking gegeven,

doch deze gaf hem de vrijheid, tot groote verbazing en verontwaardiging

van haar zoon.

Horus was zelfs zoo boos, dat hij zijn moeder de kroon van het

hoofd rukte. Thoth intusschen gaf haar een helm, in den vorm van een

runderkop. Een andere lezing vertelt, dat Horus het hoofd van zijn

moeder afsneed, doch dat Thoth, de toovenaar, het er weer opzettte,

doch thans in den vorm van dat van een koe.

Volgens het verhaal gaat de strijd tusschen Horus nog steeds voort en

heeft geen van beiden tot nog toe de overwinning behaald. Als Horus

zijn vijand eindelijk geheel zal overwonnen hebben, zal Osiris naar

de aarde terugkeeren en nog eens als koning over Egypte heerschen.

Sir J. G. Frazer over Osiris.

Over de bijzonderheden van deze mythe heeft Sir J. G. Frazer [16]

getuigd dat: "Osiris een van de personificaties is van den wasdom,

waarvan de jaarlijks terugkeerende dood en wederopstanding in zoo

vele verschillende landen zijn gevierd", dat hij een god is analoog

met Adonis en Attis.

"De gelijkenis over het algemeen van de mythe en den ritus van Osiris

met dien van Adonis en Attis", zegt Frazer, "is in het oog vallend. In

beide gevallen zien wij een god, wiens ontijdige en gewelddadige dood

door een hem beminnende godin wordt bejammerd en jaarlijks door zijn

aanbidders wordt gevierd.

Het karakter van Osiris, als godheid van den wasdom, blijkt

duidelijk uit de legende, welke vertelt, dat hij de eerste was, die

de menschen het gebruik van het koren leerde en ook uit het gebruik

zijn jaarlijksch feest met den akkerbouw te beginnen. Ook vertelde

men van hem, dat hij den wijnbouw had ingevoerd.

In een van de kamers in den grooten tempel van Isis te Philae, aan

Osiris gewijd, wordt het lichaam van Osiris afgebeeld met korenaren,

welke uit zijn lichaam te voorschijn komen en daarbij ziet men de

afbeelding van een priester, die de korenaren, uit een kan, welke hij

in de hand heeft, begiet. Het daarbij behoorend opschrift vertelt,

dat dit de gestalte is van hem, wiens naam men niet mag noemen, van

Osiris van de mysteriën, die ontspringt uit de terugkeerende wateren".

Een meer aanschouwelijker wijze Osiris als personificatie van het graan

af te beelden, kan moeilijk bedacht worden, terwijl het opschrift,

bij de schildering behoorende, aanduidt, dat deze personificatie de

kern van de mysteriën van den god was, het geheim, dat alleen den

ingewijden werd ontsluierd.

Bij de beoordeeling van het mythisch karakter van Osiris moet aan

dit gedenkteeken groot gewicht worden gehecht. Het verhaal, dat

stukken van zijn lichaam door het land verspreid werden, kan een

mythische uitdrukking zijn, of voor het zaaien, of voor het wannen

van het graan. De laatste interpretatie wordt nog waarschijnlijker

door het verhaal, dat Isis de afgescheurde ledematen van Osiris op

een korenzeef legde.

Het kan ook zijn, dat de legende een herinnering is aan het gebruik,

een menschelijk slachtoffer te dooden, als een voorstelling van de

levenskracht van het graan en het verdeelen van zijn vleesch, of het

verstrooien van zijn asch, om het land vruchtbaar te maken.

Maar Osiris was meer dan een geest van het koren; hij was ook een

boomgeest en dit zal wel zijn oorspronkelijk karakter zijn geweest,

omdat de boomvereering in de godsdienstgeschiedenis natuurlijkerwijze

ouder is dan de vereering der graanvruchten.

Zijn karakter als boomgeest wordt aanschouwelijk voorgesteld door

Firmicus Maternus. Nadat een pijnboom geveld is, wordt het midden

uitgehold en van het aldus uitgeholde hout een beeld van Osiris

vervaardigd en dit wordt weer in de holte van den boom begraven. Ook

hier kan men zich moeilijk voorstellen, hoe de opvatting van een boom,

door een persoonlijk wezen bewoond, eenvoudiger kan worden uitgedrukt.

Het aldus vervaardigde beeld van Osiris werd een jaar bewaard en

daarna begraven, juist zooals met het beeld van Attis werd gedaan,

dat in den pijnboom werd vastgehecht. De ceremonie van het vellen

van den boom, zooals dit door Firmicus Maternus wordt beschreven,

schijnt door Plutarchus te worden aangeduid. Het was waarschijnlijk

de ritueele tegenhanger van de mythische ontdekking van het lichaam

van Osiris, ingesloten in de tamarinde. Wij mogen onderstellen, dat

de oprichting van de Tatu-zuil, bij het einde van het jaarlijksch

feest ter eere van Osiris, identisch was met de plechtigheid, door

Firmicus beschreven; men moet er verder wel op letten, dat in de

mythe de tamarindeboom een zuil was, in het paleis van den koning.

Evenals het gebruik een pijnboom te vellen en een beeld daarin te

verbergen bij den dienst van Attis voorkomt, behoorde dit gebruik

misschien tot die klasse, waaronder het aanbrengen van den meiboom

het meest bekend is.

Wat den pijnboom in het bijzonder betreft, de boom van Osiris te

Denderah is een conifeer en de kist, welke het lichaam van Osiris

bevatte, wordt hier afgeschilderd door den boom te zijn ingesloten. Op

de monumenten ziet men dikwijls een denappel, welke als offer aan

Osiris wordt aangeboden en een manuscript spreekt van den ceder,

als uit hem ontsproten. De vijgeboom en de tamarinde zijn eveneens

zijn boomen. In inscripties zegt men dat hij in dezen huist en zijn

moeder Nut wordt dikwijls in een vijgeboom afgeschilderd.

In een graf te How (Diospolis Parva) ziet men een tamarinde, welke

de kist van Osiris overschaduwt en in de rij van beelden, welke de

mystieke geschiedenis van Osiris in den grooten tempel te Philae

illustreeren is o.a. een tamarinde afgebeeld, welke twee mannen met

water begieten.

"De inscriptie op dit laatste monument", aldus spreekt Brugsch, "laat

geen twijfel over, of men geloofde, dat de groei van de aarde verbonden

was met den groei aan den boom en dat de afbeelding betrekking heeft

op het graf van Osiris te Philae, waarvan Plutarchus vertelt, dat

het overschaduwd werd door een plant methide, welke slanker was dan

een olijfboom".

Deze afbeelding, men dient dit goed te bedenken, zien wij in dezelfde

kamer, waarin de god is afgebeeld met een lichaam, waaruit korenhalmen

te voorschijn komen. Op andere inscripties wordt hij aangeduid als:

"hij, die zich in den boom bevindt", "de eenzame in de acacia"

enz. Op de monumenten wordt hij soms als mummie, door een boom of

planten bedekt, voorgesteld. Het komt verder geheel met het karakter

van Osiris, als boomgeest, overeen, dat men zijn aanbidders verbood

boomtakken kwaad te doen en met zijn karakter, als god van den wasdom

in het algemeen, strookt de omstandigheid, dat men niet toestond

waterputten, welke van zooveel gewicht voor de irrigatie van de

zuidelijke landen zijn, dicht te werpen.

Frazer bestrijdt verder de theorie van Lepsius; volgens dezen toch

moet hij met den zonnegod Ra geïdentificeerd worden. Osiris, zegt

de Duitsche geleerde, werd zelfs in het Boek der Dooden Osiris-Ra

genoemd en Isis, zijn echtgenoote, wordt dikwijls de koninklijke

gezellin van Ra genoemd. Frazer nu meent, dat deze identificeering

wellicht een politieke beteekenis gehad heeft.

Hij geeft toe, dat de Osiris-mythe wellicht ontleend is aan de

dagelijksche opkomst en ondergang van de zon en hij stelt in het

licht, dat de meeste schrijvers, die de gewone theorie zijn toegedaan,

uitdrukkelijk aantoonen, dat hier sprake is van den dagelijkschen en

niet den jaarlijkschen omloop der zon. Maar waarom, vraagt Frazer op

zijn beurt, was het dan noodig, dat er een jaarlijksch feest werd

gevierd? Dit feit alleen schijnt voor de uitlegging der mythe, als

beschrijving van den op- en ondergang der zon, fataal. Hoe kan men

verder zeggen, ook al is het mogelijk te spreken over een dagelijkschen

dood van de zon, dat zij in stukken wordt gescheurd?

Plutarchus beweert, dat, volgens sommige Egyptische wijsgeeren,

Osiris een personificatie van de maan was, omdat de maan, met haar

vochtig en vruchtbaar licht, de voortbrenging der dieren en den groei

der planten begunstigt.

Onder wilde volken wordt de maan als een groote bron van vochtigheid

beschouwd. Men denkt, dat onder haar bleeke stralen de plantengroei

bloeit en men gelooft van haar, dat zij de vermeerdering van menschen,

dieren en planten bevordert.

Frazer nu somt verschillende redenen op, welke volgens hem bewijzen,

dat de beteekenis van Osiris niets anders dan de maan zelf is. In

het kort zijn het dezen, dat men zegt, dat hij acht en twintig jaar

heeft geleefd (de mythische uitdrukking voor een maand) en dat men

vertelt, dat zijn lichaam in veertien stukken gescheurd is. Dit zou

een uitlegging kunnen zijn voor de afnemende maan, daar het den indruk

geeft, dat deze iederen dag van de 14, welke de tweede helft van de

maanmaand uitmaken, een gedeelte van zichzelf verliest. Typhon vond

het lijk van Osiris bij volle maan; op deze wijze zou het verscheuren

van zijn ledematen bij 't afnemen der maan begonnen zijn.

Primitieve denkbeelden over de maan.

De primitieve mensch legt de afname van de maan als een werkelijke

inkrimping uit en het schijnt hem toe, dat zij voortdurend in stukken

wordt gebroken, of weg-gevreten. De Indianen van Z.-W. Oregon spreken

over de maan als een voorwerp, dat in stukken wordt gebroken en de

Dacotas gelooven, dat, als de maan vol is, een menigte muizen aan den

eenen kant begint te knabbelen, totdat zij haar geheel opgepeuzeld

hebben.

Om tot de bewijsvoering van Frazer terug te keeren, deze haalt

Plutarchus aan en stelt vast, dat bij nieuwe maan van de maand

Phanemoth (het begin der lente), de Egyptenaren een feest vierden,

dat zij noemden: "het binnengaan van Osiris in de maan" en dat zij bij

gelegenheid der plechtigheid "de begrafenis van Osiris" genaamd, een

kist maakten, in den vorm van een halve maan, omdat "de maan, wanneer

zij de zon nadert, halvemaanvormig wordt en verdwijnt"; en dat verder

eens per jaar, bij volle maan, biggen (waarschijnlijk een symbool voor

Set of Typhon) gelijktijdig aan de maan en aan Osiris werden geofferd.

In een hymne, van welke men veronderstelt, dat zij

door Isis aan Osiris wordt gericht, leest men dat Thoth:

Uw ziel plaatste in de bark Maat

Onder den naam, dien gij draagt als maangod.

En op een andere plaats:

Gij, die komt tot ons als een kind iedere maand,

Wij zullen u altijd blijven vereeren.

Uw uitstraling verhoogt den glans

Van de sterren van Orion aan het firmament.

In deze hymne wordt Osiris op onweerlegbare wijze met de maan

geïdentificeerd [17].

Frazers theorie over Osiris komt hierop neer, dat hij is te beschouwen

als een god van den wasdom, of van het graan en dat deze later

geïdentificeerd, of verward werd met de maan. Maar men mag veilig

aannemen, dat het vanwege zijn wezen als maangod was, dat hij den

rang kreeg van god van den wasdom.

Een korte beschouwing over de omstandigheden, welke aan

de maanaanbidding verbonden zijn, kunnen ons wellicht tot een

dergelijke onderstelling leiden. De zon vereischt, als god,

slechts weinig nader onderzoek. Reeds op een vroeg tijdstip in de

menschelijke gedachte werden de verschijnselen van den groei aan zijn

werkzaamheid toegeschreven en het is waarschijnlijk, dat wind, regen

en andere uitingen van de atmospheer, eveneens aan zijn invloed werden

toegeschreven, of als zijn uitstralingen werden beschouwd. Speciaal

is dit het geval in het tropisch klimaat, waar de snelheid van den

plantengroei zoodanig is, dat de mensch aldaar een absoluut bewijs

van de zonnekracht ontvangt.

Naar analogie hiervan wordt ook de zon van den nacht, de maan, als

groeikracht beschouwd en de primitieve volken schrijven aan haar

krachten toe, welke aan die van de zon gelijk zijn.

Tevens moet bij hen, om de een of andere reden, voor ons verborgen,

de gedachte zijn opgekomen de maan als een groote bewaarplaats van

magische kracht te beschouwen. Het ligt in de rede, dat de twee

schijven van den dag en van den nacht al spoedig voor goddelijke

wezens werden gehouden.

Voor den primitieven mensch is de zon natuurlijkerwijze van goddelijken

oorsprong, want de barbaarsche landbouwer hangt voor zijn bestaan

van hem af en achter haar is geen geschiedenis van een evolutie uit

een ouderen vorm.

Zoo is het eveneens met den maangod. In de Lybische woestijn is de maan

's nachts een voorwerp, dat het geheele landschap beheerscht en het

is moeilijk te gelooven, dat haar intense schittering en haar alles

doordringend licht geen diepen indruk van eerbied en vereering op de

nomaden uit die streken zou gemaakt hebben.

Inderdaad de eerbied voor zulk een voorwerp kan zeer goed de vereering

van een zuiver koren- en boomgeest voorafgaan, daar deze in zulk

een omgeving weinig speelruimte voor de openbaring van zijn kracht

kan nebben. Wij merken verder op, dat deze maangod van de Nubiërs

uit het Neolithisch tijdperk, in een vruchtbaarder land ingevoerd,

spoedig geïdentificeerd werd met den wasdom, door vochtigheid verricht

en op deze wijze met den Nijl zelf.

In zijn kwaliteit van god over de dooden levert Osiris geen groote

moeilijkheid tot verklaring op en in deze ééne figuur vatten wij de

verbinding van de ideeën van de maan, de vochtigheid, de onderwereld

en den dood tezamen, inderdaad alle verschijnselen van geboorte

en vergaan.

Osiris en de Persephone-mythe.

De lezer moet ongetwijfeld de in het oog springende gelijkenis tusschen

de mythe van Osiris en die van Demeter en Kore, of Persephone,

hebben opgemerkt. Inderdaad sommige avonturen, en wel voornamelijk

dat betreffende het kind van den koning van Byblos, zijn geheel en al

identisch met gebeurtenissen uit het leven van Demeter. Het is daarom

zeer waarschijnlijk, dat beide mythen uit een en dezelfde bron stammen.

Terwijl wij echter in het Grieksche voorbeeld een moeder naar haar

kind zien zoeken, zoekt in de Egyptische mythe een vrouw naar de

overblijfselen van haar echtgenoot. In de Grieksche mythe treffen

wij Pluto als den echtgenoot van Persephone en den beheerscher der

onderwereld aan, en tevens, evenals Osiris, voor een god van het

graan en den wasdom gehouden, terwijl Persephone, evenals Isis,

waarschijnlijk de personificatie van het graan zelf is.

In de Grieksche mythe hebben wij verder een mannelijke en twee

vrouwelijke hoofdpersonen, in de Egyptische slechts een mannelijke

en een vrouwelijke. De analogie kan wellicht nog nader gebracht

worden door de godin Nephthys, die een zuster-godin van Isis was,

of in elk geval aan haar verwant, aan het Egyptische verhaal toe te

voegen. Aldus zou het den schijn kunnen hebben, dat de Helleensche

mythe door Egyptische invloeden, misschien door Cretensische

bemiddeling, vervalscht was.

Er rest ons nog Osiris, als heerscher in de onderwereld, aan een

beschouwing te onderwerpen. Tot in zeker opzicht is dit reeds in het

hoofdstuk, dat over het Boek der Dooden handelt, geschied. De god van

de onderwereld is in bijna alle voorkomende gevallen een god van de

groeikracht der planten en niet omdat Osiris de god der dooden was,

beschermde hij de vruchtbaarheid, doch omgekeerd. Om duidelijker te

spreken, Osiris was eerst een god der vruchtbaarheid en eerst later

werd hij de god der onderwereld, dit was echter niets toevalligs,

het was het logisch resultaat van zijn wezen als god der groeikracht.

Een nieuwe theorie over Osiris.

Wij moeten ook zijn personificatie van Ra in het kort beschouwen;

dezen toch ontmoet hij, gaat in hem over en onder zijn naam gaat hij

's nachts door zijn eigen gebied. Dit zou kunnen duiden op een fusie

van de zon- en de maanmythe, de mythe van de zon, welke 's nachts

onder de aarde voortschrijdt, vermengd met die van de nachtelijke

reis van de maan, langs het hemelgewelf.

Osiris was een maangod. Deze omstandigheid verklaart de helft van

de mythe; de andere helft moet als volgt verklaard worden: Ra,

de zonnegod moet 's nachts de onderwereld doorwandelen, indien hij

's morgens in het Oosten wil opgaan. Osiris echter, als maangod en

misschien als oudere god, alsook in zijn kwaliteit van god van de

onderwereld, maakt zich reeds van de baan, welke hij moet passeeren,

meester. De banen van beide goden worden vereenigd en wellicht is

er eenig bewijs voor deze redevoering in de omstandigheid, dat in

het rijk van Seker, Afra (of Osiris) de richting van zijn reis van

het Noorden naar het Zuiden wijzigt naar een punt vlak O.-waarts,

naar de bergen van den zonsopgang.

De samensmelting van de twee mythen is geheel en al logisch, daar

de maan gedurende den nacht in dezelfde richting gaat, als de zon

gedurende den dag heeft ingeslagen, en wel van O. naar W.

Gemakkelijk zal men kunnen zien, hoe het kwam, dat men Osiris niet

alleen als god en rechter van de dooden, maar ook als symbool van de

wederopstanding van het menschelijk lichaam beschouwde.

Frazer hecht groot gewicht aan een schildering van Osiris, waar men

zijn lichaam met ontkiemende korenaren bedekt ziet; voor Frazer is

dit een evident bewijs, dat Osiris eigenlijk een korengod is. Het

komt ons echter voor, dat deze schildering louter een symbool van

de wederopstanding is. De omstandigheid, dat Osiris hier wordt

voorgesteld in de rustige houding van een doode, geeft aan deze

opvatting groote waarschijnlijkheid. De korenaar is over de geheele

wereld een symbolische voorstelling van de wederopstanding.

Bij de Eleusinische mysteriën toonde men aan de novices een korenaar,

als symbool voor de lichamelijke wedergeboorte en Loskiel, een van

de Moravische broeders, citeert een Indiaan uit Noord-Amerika, die

aldus spreekt: "Wij Indianen zullen niet voor goed sterven. Zelfs

de graankorrels, welke wij onder de aarde verbergen, groeien op en

worden levend".

Onder de Maya van Midden-Amerika en onder de Mexicanen heeft de

godin van de maïs een zoon, de groene, jonge teedere loot van den

maïsplant en deze herinnert ons sterk aan Horus, den zoon van Osiris,

dien wij eveneens als een typisch voorbeeld van de wederopstanding

kunnen aannemen.

Later werd de mythe van den wasdom, welke met Osiris verbonden is,

in een theologisch leerstuk, betreffende de wederopstanding van den

mensch, gemetamorfoseerd en men geloofde, dat Osiris eenmaal een

menschelijk wezen was geweest, dat gestorven en verscheurd was. Zijn

lichaam was echter weer door Isis, Anubis en Horus, op bevel van

Thoth, hersteld.

Met dit proces schijnt een magische ceremonie gemengd te zijn en deze

werd op haar beurt door de Egyptische priesters bij iederen doode

toegepast en wel in vereeniging met de balseming en de begrafenis

van de dooden, in de hoop der wederopstanding.

Men beschouwde nu Osiris als de voornaamste oorzaak hiervan en hij was

in staat het leven na den dood te schenken, omdat hij zelf dood was

geweest. Men gaf hem den naam van "Eeuwigheid en onvergankelijkheid"

en hij was het, die maakte, dat man en vrouw herboren werden.

De opvatting over de wederopstanding schijnt vanaf zeer oude tijden

in Egypte in zwang te zijn geweest. Het "Boek der Dooden", dat men

zeer goed "Het Boek van Osiris" zou kunnen noemen, is de voornaamste

bron over Osiris; hierin leest men over zijn dagelijksche bezigheden

en zijn nachtelijke reizen in zijn onderaardsch koninkrijk.

Isis.

Men moet Isis, of Ast, als een van de oudste en gewichtigste

opvattingen over een vrouwelijke godheid in Egypte opvatten In den

tijd der dynastiën beschouwde men haar als de tegenhangster van

Osiris en wij mogen veilig aannemen, dat zij in de duistere tijden

vóór de dynastiën een gelijke positie innam. De philologie voor den

naam schijnt onbegrijpelijk. Geen andere godheid is waarschijnlijk

over een zoo uitgebreid tijdvak vereerd, want haar eeredienst verdween

volstrekt niet met dien van andere Egyptische goden, en bloeide later

èn in Griekenland èn in Rome en wordt nog ernstig uitgeoefend in het

hedendaagsch Parijs.

Isis stamde wellicht uit Libye en wordt gewoonlijk voorgesteld als

een vrouw, gekroond met het symbool van haar naam, terwijl zij in

haar hand een scepter van papyrus houdt. Boven haar kroon steken een

paar horens uit, welke een discus ophouden en deze wordt op zijn beurt

door haar hieroglyph, welke een zetel of troon voorstelt, bedekt. Soms

stelt men haar ook met schitterende en veelkleurige vleugels voor,

waarmede zij zich in beweging zet, om het lijk van Osiris te bezielen.

Geen enkele andere godin was bij de Egyptenaren zoo populair;

waarschijnlijk is de moeite en de ellende, waarvan haar mythe vol

was, de reden hiervoor. Deze omstandigheid trok de sympathie van het

volk tot haar, doch dit was niet de eenige reden, waarom zij bij

de Egyptische volksmassa zoo geliefd was; zij was toch de groote,

weldoende godin-moeder en de vertegenwoordigster van den menschelijken

geest, in zijn meest geliefden vorm.

In haar mythe, wellicht de schoonste en meest treffende, welke ooit uit

het menschelijk brein te voorschijn kwam, vinden wij de ontwikkeling

van een zuivere graangodin tot een gevoelvolle vrouw en moeder, die

over den dood van haar man treurt en alle pogingen in het werk stelt,

om hem tot het leven terug te brengen.

Isis als voorstelling van den wind.

Hoewel Isis ongetwijfeld verscheidene gedaanten bezit en men haar

als de groote korenmoeder van Egypte kan beschouwen, is het zeer

waarschijnlijk, dat zij in één van haar phases den wind van den

hemel voorstelt. Het schijnt, dat dit door hen, die zich met de

Egyptologie bezighielden, niet opgemerkt is, maar het bewijs schijnt

zeer gemakkelijk.

Osiris, als voorstelling van het koren, sterft, wordt weer levend

en naar alle kanten over het land verspreid. Isis is daarna niet

te troosten en jammert luide over zijn verlies; zij is zoo luid en

hartroerend in haar klacht, dat de prins van Byblos, dien zij voedt,

van schrik sterft.

Heerlijke geuren draagt zij met zich, zooals de dienstmaagden van

de koningin van Byblos vertellen. Zij verandert zich daarna in een

zwaluw. Zij doet den dooden Osiris weer leven, door hem met haar

vleugels toe te waaien en zijn mond en neusgaten met lieflijke lucht

te vullen.

Nu moet men goed letten op het feit, dat zij een van de weinige

Egyptische godinnen is, die vleugels dragen. Zij is een groot

reizigster en jammert en snikt onophoudelijk.

Indien deze hoedanigheden en omstandigheden geen zinnebeelden van

den wind zijn, zal een vernuftiger hypothese, dan hierboven vermeld

is, noodzakelijk zijn voor de mythologische betrekking. Isis toch

weeklaagt, evenals de wind, zij gilt in den storm, zij draagt

den geur van kruiden en bloemen door het land met zich, zij neemt

de gestalte van een zwaluw aan, een van de snelste vogels en het

typisch voorbeeld van de snelheid van den wind, zij gebruikt daarna

het element, waarover zij de meesteres is, om den dooden Osiris

te doen herleven; zij bezit verder vleugels, zooals alle godheden,

die met den wind verbonden zijn, hebben en evenals de rest van haar

soort gaat zij voortdurend heen en weer door het land.

Wij willen hierbij niet de hypothese opwerpen, dat zij een windgodheid

par excellence was, doch in een van haar phasen verpersoonlijkt zij

zonder twijfel de kracht van den lentewind, welke doet herleven en

welke jammert en huilt over het graf van het slapende graan en nieuwe

levensaderen aan het werkelooze zaad brengt.

Isis is een van die godheden, welke door toevallige, of andere

omstandigheden, bestemd waren tot grootheid te geraken.

Zij bereikte van een Libysche geest, welke op een of andere manier

met den groei van het graan verbonden was, gedurende haar regeering

van meer dan vier duizend jaar zulk een hoogte, dat alle mogelijke

eigenschappen aan haar werden toegewezen.

Dit is zonder uitzondering het geval met godheden, welke gelukkig

zijn. Niet alleen nemen zij de eigenschappen van hun medegoden tot

zich, maar zelfs eigenschappen, welke met hun oorspronkelijk karakter

niet overeenkomen, worden hen, vanwege hun populariteit, in groote

mate toegewezen.

Dit was eveneens met Tezcatlipoca, een Mexicaanschen god,

oorspronkelijk van de lucht, doch later de god van het noodlot en het

geluk en eigenlijk de hoofdgod van het pantheon der Aztec, het geval,

en zoo kan men nog veel meer voorbeelden aanhalen.

Aldus is Isis de geefster van leven en voedsel aan de dooden

in de Duat, d.w.z. zij brengt met zich de frissche adem van den

hemel in de onderwereld en zooals de luchtgod Tezcatlipoca met de

rechtvaardigheid geïdentificeerd werd, zoo werd ook Isis met Maat,

de godin der rechtvaardigheid, vereenzelvigd.

Isis is wellicht tevens de personificatie van den morgenwind, waaruit

de zon geboren wordt. In de meeste landen steekt op het oogenblik,

dat de zon opkomt, een wind op en van dezen kan men zeggen, dat

hij de zon aankondigt. In haar mythe vinden wij eveneens, dat,

toen zij het huis, waarin zij door Set gevangen was gezet, verliet

(het zomerverblijf van den wind, welke gedurende dien tijd Egypte

geheel en al verlaat), zij door zeven schorpioenen werd voorafgegaan,

de hevig stekende rukwinden van den winter.

Zij wezen haar den weg door poelen en moerassen. Vrouwen sloten de

deur voor haar gezicht; een kind werd door de schorpioenen gestoken,

maar Isis bracht het weer tot het leven terug, d.w.z. het kind herstelt

bij de nadering van beter weer. Verder wordt haar eigen zoon Horus

door een schorpioen gestoken, ongetwijfeld een toespeling op het

feit, dat de hitte van de zon door de winterkoude verzwakt wordt,

totdat deze door Isis, den zachten lentewind, hersteld wordt.

Attributen van Isis.

De Isis-mythe vond bij de Egyptenaren een zoodanig geloof, dat zij

inderdaad geheel met haar vertrouwd geraakten en volkomen geloofden,

dat zij eens werkelijk als vrouw had bestaan.

Meer allegorisch opgevat was zij het vrouwelijke wezen, dat de

grond vruchtbaar maakte. Zij was tevens een machtig toovenaarster,

zooals is op te maken uit het groot aantal goddelijke en menschelijke

wezens, dat zij van den dood bevrijdde. Zij bezat woorden van groote

aandrijvende kracht. Haar astronomisch symbool was de ster Sept; deze

was het kenmerk van de lente en de nadering van de overstrooming van

den Nijl en dit feit verhoogt aldus de waarschijnlijkheid, dat zij

in een van haar phases de godin der lentewinden was.

Als de lichtgeefster in dat jaargetijde werd zij Kuth genoemd en als

godin van de vruchtbare aarde Usert. Als de macht, welke de krachten

van de lente in beweging zette en de overstrooming van den Nijl

deed afnemen, was zij Sati en als de godin van de vruchtbare waters

Anqet. Verder was zij de godin van de bebouwde landen, godin van den

oogst en van het voedsel. Aldus personificeerde zij, alles tezamen

genomen, de krachten, welke, den wasdom van het voedsel bevorderen.

Zij personificeert de macht van het lentegetijde, de kracht van de

aarde om te groeien en graan op te leveren, het moederschap en alle

attributen en aanverwante eigenschappen, welke daaruit ontspringen.

Het is in dit verband niet noodzakelijk haar vereering in Griekenland,

Rome en Westelijk Europa na te gaan, daar deze geheel en al van de

oorspronkelijke vereering verschilde. De waardige aanbidding van de

Groote Moeder nam onder de Europeesche auspiciën een orgiastisch

karakter aan en deze deed een beroep op de valsche mystiek van

Griekenland, Rome, Gallië en Britannië, juist als heden ten dage op

zijn Transatlantisch, of Parijsch prototype. Maar de kracht van dezen

cultus in het land, waar hij ontstaan is, kan blijken uit het feit, dat

hij tot het einde van de 5e eeuw v.C. niet geheel en al was verzaakt.

Horus.

Zooals wij gezien hebben, werd de god Ra als valk afgebeeld, maar

er was een andere god, in gelijke gestalte, die voor hem in het

Egyptische land werd vereerd. Dit was n.1. de god Heru of Horus "Hij,

die daar boven is". Deze god bezat verschillende gedaanten.

Als Horus de Oudere wordt hij beschreven als een man, met het hoofd

van een valk en men geloofde, dat hij de zoon van Geb en Nut was. Horus

werd misschien eigenlijk beschouwd als het uiterlijk van den hemel en

als Horus de Oudere stelde hij den hemel bij dag voor, in tegenstelling

met Set, die den aanblik van den nachtelijken hemel voorstelde.

Horus de Jongere, of Harpocrates, zooals hij door de Grieken, ter

onderscheiding van Horus den Oudere, werd genoemd, wordt als jongeling

voorgesteld en was de zoon van god Horus en de godin Rat-Tauit, die

te Hermonthis, in de gestalte van een hippopotamus, vereerd schijnt

te zijn.

Horus de Jongere stelt de eerste stralen van de opkomende zon voor en

hij had niet minder dan zeven vormen, waaronder hij werd voorgesteld.

Het zou niet overeenkomstig het doel van dit werk zijn, al de

verschillende gedaanten van Horus in détails te beschrijven; daarom

zal het voldoende zijn, de meest belangrijke van dezen op te sommen.

De Horus van de Twee Horizons, de Harmachis van de Grieken, was een van

de hoofdgestalten van den zonnegod Ra en was de verpersoonlijking van

de zon, in haar dagelijkschen loop, van zonsop- tot zonsondergang. Hij

sloot dus de personificaties van Ra, Tem en Khepera in zich en

deze omstandigheid geeft ons een goed voorbeeld van het wijd en

zijd verbreide systeem van onderling verband, dat in de Egyptische

mythologie overheerschte en dat bij een andere mythologie niet tot

dien graad voorkwam.

Waarschijnlijk was een aantal van deze Horus-goden plaatselijk. Aldus

vinden wij dat Harmachis voornamelijk in Heliopolis en Apollinopolis

werd vereerd. Zijn meest bekende monument is de Sphinx, bij de

pyramiden van Gizeh. Het eerst vinden wij de Sphinx vermeld in

inscripties uit de dagen van Thothmes IV; op deze plaats lezen wij

in den tekst, welke op de zuil, tusschen de pooten van de Sphinx is

gegrift, de volgende legende over Thothmes en de Sphinx.

De droom van Thothmes.

Daar was een koning in Egypte, Thothmes genaamd een machtig vorst, zeer

ervaren in den oorlog en de jacht. Hij had een aangenaam uiterlijk,

bezat een schoonheid, welke bijna gelijk was aan die van Horus, dien

Isis in het Noordelijke Marshes voortbracht en was zeer geliefd bij

goden en menschen.

Hij was gewoon op jacht te gaan in de gloeiende heete woestijn,

alleen, of slechts door eenige begeleiders vergezeld en men vertelt

het volgende over zijn jachtavonturen.

Op zekeren dag, het was nog voor den tijd, waarop hij den

Egyptischen troon besteeg, was hij zonder gevolg in de woestijn aan

het jagen. Het liep tegen den middag en de zon stak zoo vreeselijk,

dat hij genoodzaakt was de schaduw van den machtigen Harmachis, den

Sphinx, op te zoeken. De god was groot en machtig, en zijn beeld was

zeer majestueus, met het gezicht van een man en het lichaam van een

leeuw, met een adder boven zijn wenkbrauwen. In verscheidene tempels

bracht men hem offers en in vele steden vereerde men hem.

Thothmes legde zich nu in de koele schaduw neer om te rusten en

sliep spoedig in. Terwijl hij sliep, droomde hij en zie, daar opende

de Sphinx zijn lippen en sprak tot hem; het was thans niet meer de

stomme rots, maar de god zelf, de groote Harmachis. Aldus sprak hij

tot den droomende:

"Zie mij aan, Thothmes, want ik ben de zonnegod, de heerscher over

alle volken. Harmachis is mijn naam en Ra en Khepera en Tem. Ik ben uw

vader en gij zijt mijn zoon en door mij zal al het goede over U komen,

indien gij naar mijn woorden wilt luisteren. Het Egyptische land zal

het uwe zijn, zoowel het Noorden, als het Zuiden. In voorspoed en

geluk zult gij gedurende vele jaren heerschen".

Hier hield de god op en het scheen Thothmes toe, of de god zich

inspande, zich uit het hem overstelpende zand te bevrijden, want

alleen zijn hoofd was zichtbaar.

"Het is, zooals ge ziet", aldus hernam Harmachis, "het woestijnzand

bedekt mij. Volbreng snel, wat ik U opdraag, mijn zoon Thothmes".

Voordat Thothmes nog kon antwoorden, verdween het visioen en ontwaakte

hij. De levend geworden god was verdwenen en in zijn plaats stond

weer het machtige beeld, uit stevige rotsblokken gehouwen, voor hem.

En hier moet de geschiedenis noodzakelijkerwijs eindigen. Zij is

op een zuil gegrift, in den kleinen tempel, welke zich tusschen de

klauwen van den Sphinx bevindt en het overige van de inscriptie is

zoozeer uitgewischt, dat het niet te ontcijferen is.

Heru Behudeti.

Een van de grootste en meest gewichtige gestalten van Horus is

Heru-Behudeti, die den middag voorstelt en daarom de zonnehitte,

wanneer deze het grootst is. Het was in deze gedaante, dat Horus den

strijd tegen Set opnam. Zijn voornaamste heiligdommen waren te Edfu,

Philae, Mesen, Aat-ab en Tanis; op deze laatste plaats werd hij in

de gedaante van een leeuw, die zijn vijanden vertrapt, vereerd.

Over het algemeen echter schildert men hem af met den kop van havik,

terwijl hij in zijn hand een wapen houdt, gewoonlijk een knots, om

zijn karakter als verwoester te symboliseeren. In de oude Arthurromans

en verder in verschillende andere middeleeuwsche legenden, welke een

mythologische afstamming bezitten, lezen wij, hoe sommige ridders in

den strijd met hun vijanden krachtiger werden, wanneer de zon aan

den hemel grooter werd, doch, wanneer diens stralen afnamen, hun

kracht hen in den steek liet. Dit geschiedde met Belin, met koning

Arthur, die duizenden in zijn razernij neervelde en met St. George,

den patroon van Engeland, oorspronkelijk een Egyptischen halfgod.

Al deze figuren waren waarschijnlijk op een vroeg tijdstip van hun

ontwikkeling zonnegoden. Hun geboorte en ontstaan zijn in het duister

gehuld, evenals die van het licht, waarvan zij het symbool zijn,

d.w.z. zij ontspringen uit het duister.

De oorsprong van Arthur, om een voorbeeld te noemen, was hem zelf

onbekend, tot den mannelijken leeftijd en hetzelfde geldt voor

Beowulf. De zonnehelden werden dikwijls, als zij in kracht toenamen

evenals de zon, welke zij typeeren, dol en sloegen met zulk een

meedoogenlooze woede om zich heen, dat zij duizenden op een manier,

waartoe een gewone paladijn niet in staat zou zijn, neervelden.

Dit is een typische voorstelling voor de kracht en de woede van de

zon in den middag, in het Oostersch klimaat. Daar Heru-Behudeti de god

van de middagzon was, was de onmeedoogende krijgsman, die zijn knots

zwaait (misschien een aanduiding voor een zonnesteek), en boog en

pijlen hanteert, een symbool voor zijn vreeselijke stralen, welke het

spook van den nacht en zijn demonische menigte moesten vernietigen. De

afbeelding, als leeuw, was zeer juist, want wat is zoo geweldig als

de tropische zon? Tegen den middag was hij de al-veroveraar en had

het spook van den nacht vertrapt. Op deze wijze stelt hij eveneens

de kracht van het goede, tegenover het kwade, voor.

Alsnu volgt de mythe van den strijd met Set en de troepen van zijn

duivelsche metgezellen.

De mythe van de gevleugelde schijf.

In het 363e jaar van de heerschappij van Ra-Horakhti op aarde,

gebeurde het, dat de god met een machtig leger in Nubië was. Set,

de Booze, was tegen hem opgestaan, want Ra was in jaren vooruitgegaan

en Set was de listigste en meest verraderlijke van alle wezens. Hij

was het ook, die zijn tweelingbroeder Osiris, den grooten en goeden

koning, gedood had en hierom verlangde Horus, de broer van Osiris,

vurig hem van het leven te berooven.

Met zijn strijdwagens, ruiters en voetknechten landde Ra aan den

oever van de groote rivier en kwam te Edfu, waar Horus van Edfu zich

met hem vereenigde.

"O Ra", aldus sprak Horus, "groot zijn uwe vijanden en op listige

wijze spannen zij tegen u samen".

"Mijn zoon", antwoordde Ra, "wapen u en trek tegen mijn vijanden op

en vernietig hen spoedig".

Hierop trachtte Horus de hulp van god Thoth te verkrijgen, den

bedrevene in alle tooverkunsten en met diens hulp veranderde hij

zichzelf in een groote zonneschijf, met schitterende vleugels, naar

beide zijden uitgespreid. Hij vloog daarna recht op de zon aan en van

den hemel zag hij zoo woest op zijn en Ra's vijanden neer, dat zij

noch behoorlijk konden zien, noch hooren. Ieder man beschouwde zijn

buurman als een vreemde en een geschreeuw werd aangeheven, dat de

vijand hen overvallen had. Zij keerden de wapens tegen elkander, het

grootste gedeelte werd verslagen en enkele overlevenden verstrooiden

zich. Horus dwaalde een tijd over het slagveld, in de hoop Set te

vinden, doch zijn aartsvijand bevond zich daar niet; hij verborg zich

in het Noordelijke land.

Daarop keerde Horus naar Ra terug en deze omarmde hem hartelijk. Horus

nam nu Ra en de godin Astarte met zich mede en toonde hun het slagveld,

met lijken overdekt.

Ra, de koning der goden, zeide daarna tot zijn gevolg: "Komt, laat

ons naar den Nijl gaan, want onze vijanden zijn verslagen".

Set had echter nog een groot gevolg; hij beval nu aan eenige van

zijn metgezellen, zich in krokodillen en nijlpaarden te veranderen,

om de opvarenden van de heilige bark te kunnen verzwelgen en tevens

onkwetsbaar te zijn door hun dikke huid.

Horus echter had zijn smeden verzameld en elk van dezen vervaardigde

een ijzeren lans en een ketting en sprak over dezen eenige van zijn

altijd machtige tooverspreuken uit. Tevens zei hij de formules op

van het "Boek, dat in staat is, de Nijlpaarden te dooden".

Toen de vreeselijke dieren een aanval deden, was de god tegen hen

gewapend; verscheidene dieren werden door de betooverde wapens

doorboord en stierven, terwijl de overblijvenden vluchtten. Zij,

die naar het Zuiden vluchtten, werden door Horus achtervolgd en ten

slotte ingehaald. Er volgde thans een nieuwe hevige strijd en hierin

werden de aanhangers van Set opnieuw overwonnen.

Overeenkomstig het verlangen van Ra werd een heiligdom opgericht,

om als gedenkteeken van deze overwinning te dienen en zijn beeld werd

hierin geplaatst.

Er moest echter nog een andere ontmoeting plaats hebben, voordat de

volgelingen van Set geheel en al vernietigd werden.

De slachting van de monsters.

Horus en Ra zeilden hierop Noordwaarts, naar de zee, om Set en

diens bondgenooten op te sporen en zij hoopten alle krokodillen en

nijlpaarden te vernietigen, daar hun vijanden zich in hun gestalte

hadden gehuld.

De dieren echter hielden zich onder water verborgen en vier dagen

verliepen er, voordat Horus hen in het gezicht kreeg. Terstond viel hij

hen aan en richtte met zijn wapens groote verwoesting onder hen aan,

tot groote vreugde van Ra en Thoth, die den strijd vanuit de boot

gadesloegen. Honderd twee en veertig werden er bij deze gelegenheid

gevangen genomen.

Nog altijd ging Horus voort met de vervolging van zijn vijanden,

steeds in de gedaante van een brandende, gevleugelde schijf, tot

aan zonsondergang, vergezeld door de godinnen Nekhbet en Uazet in de

gestalte van twee slangen. Nog eens haalde hij de bondgenooten van Set

in, ditmaal op de Westersche wateren van Mert. Bij deze gelegenheid,

evenals bij de andere, was Horus overwinnaar en ongeveer 400 gevangenen

werden naar de boot van Ra gebracht en daarna gedood.

Doch nu werd Set zeer vertoornd en besloot in eigen persoon met

Horus den strijd aan te binden. Verschrikkelijk waren inderdaad zijn

geschreeuw en zijn verwenschingen, toen hij hoorde, welke verliezen

zijn leger geleden had. Horus en zijn gezellen trokken daarna Set

tegemoet en lang en verschrikkelijk was daarop de strijd. Ten slotte

nam Horus iemand gevangen, terwijl hij in de meening verkeerde, dat

het Set was. Het ongelukkige wezen werd voor Ra gesleept en deze gaf

hem over aan hen, die hem gevangen genomen hadden, met het verzoek

met hem naar goedvinden te handelen.

Horus doodde daarna den gevangene, sneed zijn hoofd af, sleurde hem

door het stof en sneed zijn lijk in stukken, zooals Set met Osiris

had gedaan.

Het was echter slechts een van Sets metgezellen, die op zoo ellendige

wijze was omgekomen. Het duivelsche wezen zelf bevond zich nog in

vrijheid en zwoer zijn vijanden wraak. In de gedaante van een slang

verborg hij zich onder de aarde en de wetenschap, dat hij ongedeerd

was, gaf zijn volgelingen moed.

Nog eens echter werden zij door Horus verslagen en deze doodde een

groot aantal van hen. De goden bleven gedurende zes dagen op het

kanaal en wachtten af, of hun vijand zou verschijnen, doch niemand

vertoonde zich. Daarop verspreidde Horus zijn volgelingen, om de

overblijfselen van Set's leger te vernietigen.

De twee laatste gevechten werden bij Thalû (Zalu) en te Shaïs in Nubië,

geleverd. Te Thalû nam Horus de gestalte van een vreeselijken leeuw

aan en sloeg honderd twee en veertig vijanden neer. Te Shaïs vertoonde

hij zich nog eens in de gedaante van een groote lichtgevende schijf,

met schitterende vleugels en met de godinnen Nekhbet en Nazet aan

iedere zijde, in de gestalte van gekroonde slangen. Ook bij deze

gelegenheid kwam Horus als overwinnaar uit den strijd.

Deze mythe eindigt op verschillende manieren. In één verhaal lezen

wij, dat de gevangene, die Horus liet onthoofden, niemand anders dan

Set was; deze werd echter weer levend en nam de gedaante van een slang

aan. In dit verhaal wordt Horus van Edfû vergezeld door Horus het kind,

den zoon van Isis en Osiris.

In dezelfde inscriptie, welke het verhaal geeft over de gevechten,

worden Horus de Oudere en Horus het Kind ten slotte met elkaar

verward. Zoo doodt Horus het Kind Set, terwijl Horus de Oudere

de gevechten levert. Men moet hen echter voor een en denzelfden

houden. Volgens één verhaal leverde Horus, toen hij Set gevangen had

genomen, hem aan Isis over en deze sneed hem het hoofd af.

Een andere lezing verhaalt echter, dat de beslissende strijd nog

niet geleverd is en dat Horus ten slotte zijn vijand geheel en al

zal vernietigen, als Osiris en de goden nog eenmaal naar de aarde

zullen terugkeeren.

Andere Horus legenden.

Nog een ander verhaal vermeldt, dat, toen Horus het Kind een man

geworden was, Set voor den dag kwam en hem tot een doodelijk gevecht

uitdaagde. Daarom vertrok Horus in een boot, welke door Isis prachtig

versierd was en die deze door formules betooverd had, zoodat de

inzittenden niet overwonnen konden worden.

Ondertusschen had de aartsvijand der goden de gestalte van een

reusachtig, rood nijlpaard aangenomen. Hij veroorzaakte een woesten

storm, welke over de booten van Horus en zijn gezelschap losbarstte,

zoodat de wateren tot razernij werden opgezweept en indien de booten

niet door toovermiddelen beschermd waren, zouden allen ongetwijfeld

zijn omgekomen.

Horus hield echter onverschrokken zijn koers. Hij had de gedaante van

een jongeling van reusachtigen lichaamsbouw aangenomen en stak boven de

vergulde voorsteven van zijn boot, welke evenals het zonlicht temidden

van den storm en de duisternis straalde, uit. Een groote harpoen werd

door hem gehanteerd, zoo groot, dat een gewoon sterveling deze niet

had kunnen slingeren.

In het water loerde het nijlpaard op de boot, om deze te vernietigen

en zijn vijanden te dooden. Het was hem echter niet beschoren, dit ten

uitvoer te brengen, want zoodra het zich boven het water vertoonde,

werd de zware harpoen naar zijn hoofd geslingerd en drong in zijn

hersens.

Dit was het einde van Set, den Booze, den moordenaar van Osiris en

den vijand van Ra. Ter eere van Horus den Overwinnaar werden er hymnen

en overwinningskoren door het geheele land gezongen.

In de mythen van de gevechten van Horus kan men gemakkelijk de

zonnemythe onderscheiden, iets wat men in bijna alle mythologische

opvattingen tegenkomt. Horus, in de Edfû tekst Horbehûdti,

d.w.z. Horus van Edfû genaamd, was oorspronkelijk een zonnegod en was

als zoodanig met Ra equivalent, doch na een tijd werden de twee goden

als afzonderlijke wezens beschouwd, terwijl men Ra voor den hoogsten

hield en Horus hem als helper in den oorlog diende. De gevleugelde

schijf en zijn geheele gevolg waren de verpersoonlijking van de

krachten van het licht, terwijl de listige Set en zijn gezellen een

symbool voor de duisternis waren. Zoo komt het, dat, terwijl Horus

steeds zijn vijanden overwon, hij nooit geheel en al succes had

(tenminste volgens den meest verspreiden vorm van de overlevering),

daar hij hen slechts schijnbaar vernietigde.

Daar Horus zijn vijand in de gestalte van een gevleugelde

schijf vernietigd had, werd dit symbool als een buitengewoon goed

voorbehoedmiddel tegen geweld en vernietiging beschouwd. Daarom werd

het herhaaldelijk en overal aangebracht in tempels, op monumenten,

zuilen en zoo voorts en men geloofde, hoe meer men het aanbracht, des

te krachtiger het toovermiddel werkte. In zijn eenvoudigsten vorm is

het beeld slechts dat van een gevleugelde schijf, doch allengs komt

er een slang aan iedere zijde van de schijf, als voorstelling van de

godinnen Nekhbet en Uazet, bij.

Oorspronkelijk was de mythe, welke zich met Hor-Behûdti, of Horus van

Edfû, bezighield, in werkelijkheid een plaatselijke, hoewel deze na

verloop van tijd een grootere uitbreiding verkreeg. In andere vormen

van de legende kregen andere goden de hoofdrol van vernietiger van

de vijanden van Ra.

Met deze legende van licht en duisternis werd een andere vereenigd,

n.1. die, welke verhaalt, hoe Horus den dood van Osiris wreekt. Nu

moet men wel opmerken, dat er in deze tweede mythe eenige verwarring

bestaat tusschen Horus den Oudere en Horus het Kind, respectievelijk

broer en zoon van Osiris.

In de Edfû tekst wordt er van Osiris geen melding gemaakt, maar

dat deze mythe een vervolg op de Osiris-mythe is, wordt hierdoor

aangeduid, dat Set aan Isis en Horus het Kind ter bestraffing wordt

overgegeven. In de latere gedaante van de geschiedenis is het conflict

niet meer eigenlijk tusschen licht en duisternis, maar eerder tusschen

de machten van het goed en kwaad.

In deze legende is een van de meest merkwaardige omstandigheden,

dat de volgelingen van Horus van metalen wapens voorzien waren. Zijn

volgelingen worden in de Egyptische tekst Mesniu, of Mesnitu, genoemd,

wat waarschijnlijk: metaalwerker, of grofsmid beteekent.

De vereerders van Horus van Behudet spreken voortdurend over hem

als van den "Heer van de Smedenstad", of Edfû, waar hij volgens de

overlevering het bedrijf van smid had uitgeoefend, zooals wij uit een

inscriptie weten. In den tempel van die stad bevond zich achter het

heiligdom een vertrek, Mesnet genaamd, een woord dat metaalgieterij

beteekent en hier maakte de smedenkaste der priesters den god haar

opwachting.

Uit afbeeldingen op tempelmuren zien wij, dat dezen met korte mantels

en een soort van kraag, welke veel op een cape lijkt, waren uitgedost

en dat zij hun speren met de punt naar beneden droegen en daarbij

nog een wapen voerden, dat veel op een dolk gelijkt.

Horus van Behudet, die hem vergezelt, is op gelijke wijze gekleed en

men ziet hem op de afbeelding een nijlpaard treffen met een speer,

waarom hij een dubbele metalen ketting heeft gewonden. Dit illustreert

de geschiedenis van het verslaan van Set door Horus van Behudet en

wij mogen aannemen, dat de legende een meer of minder historische

basis bezit.

Wij zien hier een stam, of kaste, van metaalwerkers, welke met een

oogenschijnlijk meer primitieven stam oorlogvoert; dezen verslaan

zij met hun wapens en binden hen met hun kettingen en slachten hen

daarna op hun gemak. Het is opmerkelijk, dat zij hen niet op staanden

voet dooden. Waarvoor bewaren zij hen dan? Zonder eenigen twijfel

om geofferd te worden. Zij vormden een kaste van zonaanbidders,

en menschenbloed was in het oude Egypte even noodzakelijk voor

het bestaan van de zon als in het oude Mexico; immers ook daar

onthield de militaire kaste, welke zich onder het patronaat van de

zon plaatst, zich ervan, een vijand in den slag te dooden, indien zij

hem krijgsgevangen kon maken, om hem daarna op hun gemak te offeren.

De legende zou een aanwijzing kunnen zijn, dat wij hier de

lotgevallen van West-Aziatische indringers aanschouwen, die, na op

Egyptischen bodem geland te zijn, zichzelf van Edfu meester maakten

en, terwijl zij noordwaarts marcheerden, door wapengeweld zich in

het land vestigden. Deze geschiedenis, of stuk geschiedenis, werd

waarschijnlijk, door invloed van priesters, met de legende van Horus,

den hemelgod in oudste tijden, vereenigd.

Een andere, gewichtige gedaante van Horus was die van Horus, zoon van

Isis en Osiris. Hij was de personificatie van de opkomende zon, zooals

verschillende andere gestalten van Horus en hij bezat verschillende

gedaanten. Zijn heiligdommen waren zoo talrijk, dat hij op een of

ander tijdstip met alle andere Horus-goden geïdentificeerd werd,

doch hoofdzakelijk stelde hij de nieuwe zon voor, welke dagelijks

weer ontstaat en hij was de zoon en opvolger van Osiris.

Hij was buitengewoon populair, daar hij de wederopstanding na den

dood typeerde. Zooals Osiris den dag van gisteren voorstelde, zoo

vertegenwoordigde Horus, zijn zoon, in den Egyptischen geest den dag

van heden. Hoewel sommige teksten ons vertellen, dat Osiris zijn

vader was, eischen andere deze functie voor Ra op, maar deze twee

zijn in dit opzicht een en dezelfde.

Osiris werd de vader van Horus, nadat hij dood was; dit is de oorsprong

van verschillende zon-halfgoden. Zooals reeds gezegd is, is de geboorte

van zulke wezens gewoonlijk eigenaardig, of in duister gehuld.

Terwijl Isis Horus, haar kind, verzorgde en voor de vervolgingen van

Set bevreesd was, zocht zij in de moerassen van de Delta beschutting

en verborg zichzelf en haar kind temidden van een dichte massa

papyrus-planten.

Het kon nu de Egyptenaren uit de Delta toeschijnen, dat de zon uit

de met papyrus overdekte moerassen, welke zich aan beide zijden van

den horizon uitstrekten, oprees en op deze wijze kunnen wij deze

mythe eenvoudig op allegorische wijze uitleggen. De omstandigheden

van de ontsnapping van Isis uit de handen van Set zijn reeds in de

Osiris-mythe in détails behandeld.

Mythen en Legenden van Egypte · 第 10 / 18 题