Priesterschappen, mysteries en tempels.
Priesterschappen.
De macht en het wezen van het priesterschap veranderde met het
wisselen der eeuwen in hooge mate. De priesters waren waarschijnlijk
ten allen tijde onafhankelijk van de koninklijke macht en er waren
inderdaad in de Egyptische geschiedenis tijdstippen, waarop de troon
der Pharaohs ernstig in gevaar werd gebracht, of zelfs geheel en al
door de kerkelijke partij werd overschaduwd.
Uitgestrekte stukken land hadden de honderden tempels, waarvan het
Egyptische land krioelde, verrijkt en dezen gaven aan een leger van
ambtenaren bezigheid. In het Nieuwe Rijk b.v. wedijverde de macht
van god Amen met die van den Pharaoh zelf. In den tijd van Ramses III
telde deze invloedrijke eeredienst niet minder dan 80.000 dienaren,
en zijn rijkdom kan hieruit worden bewezen, dat hij het vee bij
duizendtallen kon tellen. De koningen echter trachtten den invloed
van de priesterschappen te verminderen door hun eigen verwanten of
aanhangers tot de voornaamste priesterambten te benoemen.
Oudtijds trokken de grootgrondbezitters den titel en de werkzaamheden
van opperpriester in hun gebied tot zich en vereenigden aldus de
feodale en kerkelijke diensten. Onder hen stond een groot aantal
priesters, zoowel leeke-, als beroepspriesters. In later tijd echter
werd dit systeem veranderd in een, waarin een strenge tucht de
inrichting van een beroepsklasse noodzakelijk maakte en de plichten
van deze waren scherp omlijnd en gespecialiseerd.
Desniettemin echter en in tegenstelling met het algemeen geloof
combineerde de priesterschap zich nooit tot een kaste, welke
uitdrukkelijk van het leekendom was gescheiden, doch deze ging voort
met hen samen te werken.
Leden van een priesterschap werden aangeduid met den naam van hen neter
(dienaar van den god) of uab (de zuivere). In sommige streken voerden
de opperpriesters bijzondere namen zooals Khorp hemtiu (hoofd van
de werklieden), in den tempel van Ptah, of Ur ma (de groote ziener),
te Heliopolis. Te Mendes was hij bekend onder een titel, welke vrij
vreemd klonk voor een kerkelijk dignitaris, n.l. bestuurder der
soldaten en te Thebe als: eerste profeet van Amen. De priesters,
die het ceremonieel leidden, waren onder den naam van kheri-heb bekend.
De plichten van de priesters waren moeilijk. Zij hadden zich te houden
aan een zeer streng wetboek, wat reinheid en tucht betrof. Voortdurende
reinigingen volgden elkander op en de kleeding van den geestelijke
moest frisch en zonder smetten zijn. Deze bestond geheel uit helder
wit linnen, daar het dragen van wol en andere stoffen streng verboden
was, ja daarvoor huiverde men zelfs. Het hoofd was geheel geschoren
en men droeg geen hoofddeksel.
De dagtaak van een priester was nauwkeurig bepaald. Indien hij dienst
had, wiesch hij zich zorgvuldig en ging dan naar het heilige der
heiligen, zei daar bepaalde formules op en deed dezen vergezeld gaan
van voorgeschreven bewegingen; dit vormde een inleiding om het zegel,
hetwelk het heiligdom afsloot, te ontsluiten. Indien hij daarna van
aangezicht tot aangezicht voor den god stond, knielde hij neer en
nadat hij andere ritueele verrichtingen had volbracht, toonde hij
den god een klein beeld van Maat, de godin van de waarheid.
De god, die voor dit oogenblik niet in staat werd geacht in het
ceremonieel te deelen, werd daarop onthaald op een maaltijd, waarvan
de voornaamste bestanddeelen rundvleesch, ganzenvleesch, brood en bier
waren; wanneer men veronderstelde, dat hij zijn maaltijd had genuttigd,
werd hij wederom naar zijn altaar teruggebracht en verscheen niet
voor den volgenden morgen.
Bij het gansche ritueel van deze morgenoffers schijnt het, dat de
priester, die den dienst verrichtte, Horus vertegenwoordigt, den
zoon van Osiris; deze, evenals alle zonen van de Egyptenaren, die
hun plicht vervullen, zorgt voor het welzijn van zijn vader, na diens
dood. Aldus is het ritueel door de Osiris-mythe opgesmukt. Het overige
van den dag bracht de priester met overpeinzingen, met het beoefenen
van verschillende kunsten en wetenschappen, zoowel in theorie als
in praktijk en verrichtingen van openbare godsdienstplechtigheden,
door. Zelfs de nacht bracht nog haar bezigheden met zich; immers de
reiniging werd in middernachtelijke uren verricht en de priester werd
tot dit doeleinde omstreeks middernacht gewekt.
Het priestercollege van Thebe.
De oude reizigers in Egypte, met name Herodotus en Strabo, spreken
met enthousiasme over de bekwaamheid van den Egyptischen priester
en het hooge standpunt, dat hij in zijn philosophisch denken
had bereikt. Strabo maakt o.a. met bewondering melding van het
priestercollege in Thebe De leden hiervan waren waarschijnlijk
de meest geleerde en scherpzinnige theologen en philosophen in
oud-Egypte. Colleges van bijna even groot gewicht bestonden ook elders,
b.v. te Anu, het On, of Heliopolis der Grieken.
Iedere nome, of provincie, bezat zijn eigen grooten tempel en deze
ontwikkelde het geloof van de provincie, zonder acht te slaan op dat
van eenige mijlen verder. De goden van den nome werden ondergeschikt
aan de godheid par excellence, den "Bestuurder der Goden". "Schepper
van het Heelal" en den gever van alle goede gaven aan zijn volk.
Men moet echter niet denken dat, ook al was de priesterschap, als
lichaam, rijk, de leden daarvan niet onder het moeilijke leven te
lijden hadden. Aldus kwam het, dat, hoewel de beste condities aan den
dienst in die groote tempels waren verbonden, dezen in het geheel niet
met personeel overvuld waren. Te Abydus maakten slechts 5 priesters het
personeel uit, terwijl Siut er 10 had. Aan den anderen kant bezaten
de kleinere tempels inkomsten, welke geenszins in verhouding stonden
tot hun omvang.
Een studie over dit onderwerp toont ons de inkomsten aan van de
hoogepriesters der kleine heiligdommen. "Aan den Westrand van den
Fayum", aldus schrijft Erman, "bij het meer Moeris, was de tempel
van Sobk (Sebek) van het Eiland, Soknopaios, zooals de Grieken dezen
noemen. Deze had een hoogepriester, die de geringe jaarwedde van 344
drachmen ontving en al de overige priesters kregen dagelijks tezamen
ongeveer èèn schepel tarwe, als belooning voor hun moeite. Zij waren
zelfs niet vrijgesteld van den vasten arbeid bij de indijking en toen
deze voor hen verminderd werd, werd deze gebruikt voor de vrome werken
van hun medeburgers.
De inkomsten van den tempel, zoowel de geregelde, alsook datgene, wat
als offer werd gegeven, werd voor de benoodigde plechtigheden benut,
want bij ieder feest moest fijn lijnwaad worden aangeschaft om de
drie beelden van den god te bekleeden en ieder keer kostte dit 100
drachmen; 20 drachmen werden bij iedere gelegenheid voor de zalven,
de olie en de myrrhe gebruikt, om daarmede de beelden te zalven; 500
drachmen werden voor de wierook besteed, terwijl 40 drachmen benoodigd
waren om offers te brengen op den geboortedag van den heerscher.
En nog beweerden deze priesters, die niet veel hooger dan landbouwers
en de lagere stedelijke bevolking stonden, dat hun oude heiligheid
niet verminderde".
Ook priesteressen verrichtten bezigheden in de tempels. In vroegere
tijden waren zij bij de altaren van goden en godinnen werkzaam en
alleen in lateren tijd vinden wij haar minder werkzaam in de tempels,
aan goden gewijd en hier traden zij hoofdzakelijk als musiceerenden op.
Mysteriën.
Het is een algemeen dwaalbegrip, dat er boeken vol geschreven zijn over
de Egyptische mysteriën, deze schilderachtige en bovennatuurlijke
inwijdingsplechtigheden, van welke men veronderstelde, dat zij
plaatsvonden in onderaardsche duisternis, omgeven van alle vormen
van geheimen ritus en gewoonten. De waarheid is echter, dat menschen,
die dit onderwerp behandelen, buitengewoon zeldzaam zijn en zekerlijk
niet van dien aard, dat zij ons de hoop kunnen verschaffen eenige
opheldering over de mysteries der Egyptische priesterlist te kunnen
geven. Het zal beter zijn ons tot de analoge gevallen der Grieksche
praktijk te wenden, of zelfs tot die van wilde en halfbeschaafde
volken, van wie een groot deel van hun mysteriën in de laatste jaren
aan het licht is gebracht.
Er is slechts weinig bekend betreffende de Egyptische
mysteriën. Herodotus is voor ons de zegsman, dat zij bestonden en
het is waarschijnlijk, dat hij die op het oog had, welke het lijden
en den dood van Osiris moesten voorstellen. Deze schrijver toch zegt:
"Te Saïs in den tempel van Minerva, onder den tempel en dicht bij den
muur van Minerva staan in een lage kapel eenige groote beschilderde
steenen en hieraan is een lage ruimte, welke het aanzien van een
kerker heeft, verbonden; deze is geheel bedekt met steenen, welke op
wonderlijke wijze zijn bewerkt; de grot zelf is aan beide zijden op
prachtige wijze gegraveerd en wedijvert in grootte met dien op Delos,
genaamd Trochoïdes; hierin bedriegt ieder zijn eigen gevoelens en
fantasieën gedurende den nacht en dit noemen de Egyptenaren mysteriën
Doch indien ik hierover meer vertelde, zou ik, wat de godheid moge
verhoeden, dat onthullen, waarover zij mij verboden te spreken".
In hoofdstuk 1 van het "Boek der Dooden" ontmoeten wij den volgenden
zin "Ik zag naar de verborgen dingen in Re-stau", een toespeling
op de plechtigheden, welke in het heiligdom van Seker, den doodsgod
in Saqquara, werden voltrokken. Dezen gaven een voorstelling van de
geboorte en den dood van den zonnegod en werden tusschen middernacht
en ochtendschemering gevierd. Verder leest men in hoofdstuk 125 van
het Boek der Dooden (Papyrus van Ani): "Ik ben Re-stau binnengegaan
(de andere wereld van Seker, dichtbij Memphis) en heb het Verborgene
gezien, dat daar is".
Hoofdstuk 118 (Saïte Recension) moet worden opgezegd: "op den dag
der nieuwe maan, op den zesden feestdag, op den 15en feestdag, op het
feest van Uag, op het feest van Thoth, op den geboortedag van Osiris,
op het feest van Menu, in den nacht van Heker, gedurende de mysteriën
van Maat, gedurende de viering van de mysteriën van Akertet" en zoo
voorts. Herodotus, van wien men vermoedt, dat hij in deze mysteriën
was ingewijd, houdt zich buitengewoon over dezen gesloten en juist
wanneer hij onze belangstelling heeft opgewekt, bemerkt hij op 't
juiste moment, dat zijn lippen voor dat onderwerp verzegeld zijn.
Is er echter wel iets zoo buitengewoons bij deze schijnbaar
verschrikkelijke dingen? Theosophen en anderen willen ons doen
gelooven, dat in de duistere crypten van Egyptische betoovering
spiritistische oproepingen en tooverkunsten van een duister soort
werden beoefend. Wat is waarschijnlijk?
De Grieksche mysteriën.
Laat ons in het kort de mysteriën van het oude Griekenland
onderzoeken. Wij vinden, dat dezen voor het meerendeel prae-Helleensch
waren en dat de overwonnen bevolking zich in een mysterieus
waas hulde, om zijn godsdienstige ceremonies voor de oogen van de
indringers te verbergen. Deze vroegere bevolking nu erfde een grooten
beschavingsinvloed van Egypte.
De gewichtigste der mysteriën waren wellicht die van Eleusis en wij
mogen dezen als een voorbeeld voor alle Grieksche mysteriën stellen. De
hoofdpersonen in deze mysterieuse cultuur waren Demeter, Kore (of
Persephone) en Pluto. Nu waren deze allen goden van de onderwereld en
evenals alle andere goden van den Hades over de geheele wereld, zijn
zij tot den landbouw terug te brengen. Veel aangaande het wezenlijk
ritueel bij de opvoering der Mystae blijft nog onzeker, maar één
ding is zeker en wel dat de ceremonie eigenlijk een passiespel was
en hierin de wederwaardigheden van Demeter en Kore werden opgevoerd,
een symbolische voorstelling van den groei van het graan. Hippolytus
heeft verteld, dat aan de deelnemers der Eleusinische mysteriën een
korenhalm werd getoond. Het geheele mysterie wordt aldus als een
symbolische voorstelling van den wasdom van het graan verklaard. Hoe
de plechtigheden, welke hierop betrekking hadden, het aanzien hebben
gegeven aan die, waarvan de deelnemers als het ware een geheim verbond
vormden, is niet geheel duidelijk.
De negers van Australië en sommige stammen van Midden-Amerika hebben
genootschappen en plechtigheden, welke bijna met die van Eleusis
identisch zijn, doch waarom zij in zulk een geheimzinnig waas gehuld
zijn, is moeilijk te begrijpen.
Men heeft verteld, dat de mysterieuse mise en scène van deze
godsdienstige vereenigingen in de meeste gevallen haar ontstaan te
danken had aan de verschrikkingen der onderwereld en het miasma, dat
uit deze te voorschijn kwam en een ritueele reiniging noodzakelijk
maakte, doch dit schijnt niet geheel en al voor uitlegging vatbaar. In
de Popul Vuh van Midden-Amerika vinden wij melding gemaakt van dingen,
welke het werk schijnen te zijn van een geheim genootschap onder
de goden van de onderwereld, en eenige van dezen zijn goden van
den wasdom.
Het schijnt, dat wij in het Boek der Dooden, dat wellicht uit
prae-historische tijden stamt en zeer waarschijnlijk het overblijfsel
is van een neolithischen cultus, met de verschijnselen aan den wasdom
verbonden, in eenig opzicht een dergelijk gezelschap geschetst zien.
Op deze bladzijde vinden wij wachtwoorden en contraseinen en al het
toovermateriaal, dat noodzakelijk is voor het bestaan van zulk een
geheimen cultus, als waarover wij spraken. Wij kunnen dus aannemen,
dat de Egyptische mysteriën veel geleken op die van Griekenland, dat
hun ritueel hetzelfde karakter vertoonde als het Boek der Dooden en dat
zij beiden uit eenzelfde bron stamden. Al deze mystische vereenigingen
schijnen van neolithischen oorsprong te zijn en voor het meerendeel
op den landbouw te berusten.
Indien wij nu bij Herodotus en andere schrijvers de neiging bespeuren,
deze mysteriën intact te bewaren, staan wij nog eens tegenover de
oorspronkelijke quaestie.
Waarom waren deze plechtigheden mysteriën? In de eerste plaats is alle
groei geheimzinnig en de primitieve mensch beschouwde dit wellicht in
zeker opzicht als tooverkunst. Ten tweede moet men wel degelijk in
het oog houden, dat al deze mysteriën, tenminste in de Oude Wereld,
onder den grond werden gehouden en dat daar de symbolische voorstelling
van den groei van het graan in scène was gezet, waarschijnlijk met
het doel de machten van den wasdom tot grootere werkzaamheid aan te
zetten door den invloed der magie.
De Egyptische tempel.
De oudste tempelvorm was slechts een hut van gevlochten teenen, en
diende als bewaarplaats van de symbolen van den god; het altaar was
een rieten mat. De oudste tempels ontleenden hun ontstaan aan den muur,
welke rondom den naamzuil stond, welke later van een dak werd voorzien.
Met de komst van het Nieuwe Rijk kreeg de wijze van tempelbouw een meer
gecompliceerd karakter, hoewel de wezenlijke plattegrond, van de oudste
tot de laatste tijden, in wezen onveranderd bleef. De eenvoudigste
vorm was een ringmuur, terwijl de pylon of ingangspoort door torens
geflankeerd was; hiervoor werden gewoonlijk twee reusachtige beelden
van den koning en twee obelisken geplaatst; hierop volgde het inwendige
heiligdom, de naos, hetwelk de symbolen der godheid bevatte.
Dit was kunstig bewerkt, verdeeld in drie lanen of sphinxen, verder
boven van kolommen en een hypostyl of zuilenhal voorzien. Op deze
wijze vergrootten verscheidene Egyptische koningen de bouwwerken van
hun voorgangers.
Deze tempels stonden in het midden van bevolkte steden, terwijl de
ringmuur het lawaai en rumoer van de nauwe straten buiten sloot. Een
breede weg, recht door het bewoonde kwartier aangelegd en aan beide
zijden door rijen leeuwen, rammen en andere heilige dieren geflankeerd,
leidde naar den grooten pylon, den hoofdingang. Voor den ingang
bevonden zich twee obelisken en eveneens een beeld van den koning,
die den tempel had gesticht, als beschermer van het heiligdom.
Aan iedere zijde van den ingang verhief zich een hooge toren,
vierkant van vorm, met zijden naar den binnenkant afloopend. Dezen
waren natuurlijk voor verdedigingsdoeleinden bestemd en op deze wijze
kon de doorgang door de pylons met succes tegen den vijand versperd
worden, terwijl men vanuit de poorten in den muur uitvallen kon
ondernemen. Lange masten werden aan den voet van den pylon vastgehecht.
Vroolijk gekleurde wimpels waaiden vanaf deze masten om den invloed
van het booze ver te houden; eveneens had het symbool van de zon,
de gevleugelde discus, welke zich boven de groote poorten bevond,
hetzelfde doel. Deze poorten werden dikwijls uit hout vervaardigd,
een zeer kostbare grondstof, zooals wij reeds zagen en bedekt met
een laag glinsterend goud.
De buitenmuren werden versierd met levendig geschilderde reliëfs
en inscripties, welke de daden van den stichter afbeeldden, want de
tempel was zoowel een persoonlijk monument, alsook een heiligdom van
den beschermgod.
Aan de binnenzijde van den pylon bevond zich een groote hof in de
open lucht, gewoonlijk met een zuilengaanderij aan beide zijden; in
groote tempels echter, zooals bij die in Karnak, bevond zich één rij
zuilen. Hier werden de groote feesten gevierd, en een groot aantal
burgers mocht hieraan deelnemen. Door een lagen ingang kwam men van
hieruit in de hypostyl; de vensters van deze bevonden zich dicht
bij de zoldering, zoodat er een schemerlicht heerschte, terwijl het
heiligdom in diepere duisternis was gehuld.
Het heilige der heiligen.
Het heilige der heiligen was de voornaamste kamer van den tempel. Hier
stond de naos, een hokje, rechthoekig van vorm en van voren open,
met een deur van traliewerk voorzien. Dit diende als bewaarplaats
van de goddelijke symbolen, of in sommige gevallen voor de kooi van
het heilige dier.
Aan beide zijden van het heiligdom waren donkere kamers, als
bergplaatsen gebruikt voor de heilige gewaden, de standaards, bij de
processies gedragen, de heilige bark, het tempelgereedschap en zoo
voorts. Men moet wel bedenken, dat in dezelfde mate als men van het
helle licht van het voorste hof naar de diepste duisternis van het
Heilige der Heilige voortschreed, evenzeer de zoldering minder hoog
werd. De muren en zuilen aan de binnenzijde waren met reliëfs in de
schitterendste kleuren versierd; dezen gaven een voorstelling van
den ritus en de aanbidding, welke den god van den tempel werd bewezen.
Rondom den tempel bevond zich de temenos, door een muur ingesloten;
hierin bevonden zich andere kleinere tempels met heilige boomen en
vogels, meren, waarop de heilige bark dobberde, de woningen van de
priesters en soms ook paleizen, temidden van tuinen.
Aan de buitenzijde zag men wegen, welke naar verschillende richting
leidden, sommige met vertakkingen van tempel tot tempel, door steden,
dorpen en velden, terwijl zijwaarts trappen naar den Nijl afdaalden;
hier werden de booten voor anker gelegd. Langs deze wegen bewogen
zich de processies met het beeld van de godheid; hierlangs ging ook
de vorst in koninklijken luister om den god offeranden te brengen en
hierlangs werden ook de dooden gedragen om vervoerd te worden naar
de graven aan de overzijde van den Nijl.
Dikwijls heeft men Griekenland het land der tempels genoemd. Doch met
grooter recht zou men dezen naam op Egypte kunnen toepassen; immers
daar verhieven zich reeds tempels van reusachtige afmeting, lang
voordat Hellas zich op de kennis der bouwkunst kon beroemen. Nog staan
zij daar, deze reusachtige heiligdommen, nog bijna even voltooid,
als toen zij door den beitel van den ouden hoogepriester werden
gevormd en geteekend. En zoo lang als een koesterende liefde voor het
verleden zich in het hart van den mensch zal vormen, zoo lang zullen
zij blijven bestaan.