Hoofdstuk III

Priesterschappen, mysteries en tempels.

Priesterschappen.

De macht en het wezen van het priesterschap veranderde met het

wisselen der eeuwen in hooge mate. De priesters waren waarschijnlijk

ten allen tijde onafhankelijk van de koninklijke macht en er waren

inderdaad in de Egyptische geschiedenis tijdstippen, waarop de troon

der Pharaohs ernstig in gevaar werd gebracht, of zelfs geheel en al

door de kerkelijke partij werd overschaduwd.

Uitgestrekte stukken land hadden de honderden tempels, waarvan het

Egyptische land krioelde, verrijkt en dezen gaven aan een leger van

ambtenaren bezigheid. In het Nieuwe Rijk b.v. wedijverde de macht

van god Amen met die van den Pharaoh zelf. In den tijd van Ramses III

telde deze invloedrijke eeredienst niet minder dan 80.000 dienaren,

en zijn rijkdom kan hieruit worden bewezen, dat hij het vee bij

duizendtallen kon tellen. De koningen echter trachtten den invloed

van de priesterschappen te verminderen door hun eigen verwanten of

aanhangers tot de voornaamste priesterambten te benoemen.

Oudtijds trokken de grootgrondbezitters den titel en de werkzaamheden

van opperpriester in hun gebied tot zich en vereenigden aldus de

feodale en kerkelijke diensten. Onder hen stond een groot aantal

priesters, zoowel leeke-, als beroepspriesters. In later tijd echter

werd dit systeem veranderd in een, waarin een strenge tucht de

inrichting van een beroepsklasse noodzakelijk maakte en de plichten

van deze waren scherp omlijnd en gespecialiseerd.

Desniettemin echter en in tegenstelling met het algemeen geloof

combineerde de priesterschap zich nooit tot een kaste, welke

uitdrukkelijk van het leekendom was gescheiden, doch deze ging voort

met hen samen te werken.

Leden van een priesterschap werden aangeduid met den naam van hen neter

(dienaar van den god) of uab (de zuivere). In sommige streken voerden

de opperpriesters bijzondere namen zooals Khorp hemtiu (hoofd van

de werklieden), in den tempel van Ptah, of Ur ma (de groote ziener),

te Heliopolis. Te Mendes was hij bekend onder een titel, welke vrij

vreemd klonk voor een kerkelijk dignitaris, n.l. bestuurder der

soldaten en te Thebe als: eerste profeet van Amen. De priesters,

die het ceremonieel leidden, waren onder den naam van kheri-heb bekend.

De plichten van de priesters waren moeilijk. Zij hadden zich te houden

aan een zeer streng wetboek, wat reinheid en tucht betrof. Voortdurende

reinigingen volgden elkander op en de kleeding van den geestelijke

moest frisch en zonder smetten zijn. Deze bestond geheel uit helder

wit linnen, daar het dragen van wol en andere stoffen streng verboden

was, ja daarvoor huiverde men zelfs. Het hoofd was geheel geschoren

en men droeg geen hoofddeksel.

De dagtaak van een priester was nauwkeurig bepaald. Indien hij dienst

had, wiesch hij zich zorgvuldig en ging dan naar het heilige der

heiligen, zei daar bepaalde formules op en deed dezen vergezeld gaan

van voorgeschreven bewegingen; dit vormde een inleiding om het zegel,

hetwelk het heiligdom afsloot, te ontsluiten. Indien hij daarna van

aangezicht tot aangezicht voor den god stond, knielde hij neer en

nadat hij andere ritueele verrichtingen had volbracht, toonde hij

den god een klein beeld van Maat, de godin van de waarheid.

De god, die voor dit oogenblik niet in staat werd geacht in het

ceremonieel te deelen, werd daarop onthaald op een maaltijd, waarvan

de voornaamste bestanddeelen rundvleesch, ganzenvleesch, brood en bier

waren; wanneer men veronderstelde, dat hij zijn maaltijd had genuttigd,

werd hij wederom naar zijn altaar teruggebracht en verscheen niet

voor den volgenden morgen.

Bij het gansche ritueel van deze morgenoffers schijnt het, dat de

priester, die den dienst verrichtte, Horus vertegenwoordigt, den

zoon van Osiris; deze, evenals alle zonen van de Egyptenaren, die

hun plicht vervullen, zorgt voor het welzijn van zijn vader, na diens

dood. Aldus is het ritueel door de Osiris-mythe opgesmukt. Het overige

van den dag bracht de priester met overpeinzingen, met het beoefenen

van verschillende kunsten en wetenschappen, zoowel in theorie als

in praktijk en verrichtingen van openbare godsdienstplechtigheden,

door. Zelfs de nacht bracht nog haar bezigheden met zich; immers de

reiniging werd in middernachtelijke uren verricht en de priester werd

tot dit doeleinde omstreeks middernacht gewekt.

Het priestercollege van Thebe.

De oude reizigers in Egypte, met name Herodotus en Strabo, spreken

met enthousiasme over de bekwaamheid van den Egyptischen priester

en het hooge standpunt, dat hij in zijn philosophisch denken

had bereikt. Strabo maakt o.a. met bewondering melding van het

priestercollege in Thebe De leden hiervan waren waarschijnlijk

de meest geleerde en scherpzinnige theologen en philosophen in

oud-Egypte. Colleges van bijna even groot gewicht bestonden ook elders,

b.v. te Anu, het On, of Heliopolis der Grieken.

Iedere nome, of provincie, bezat zijn eigen grooten tempel en deze

ontwikkelde het geloof van de provincie, zonder acht te slaan op dat

van eenige mijlen verder. De goden van den nome werden ondergeschikt

aan de godheid par excellence, den "Bestuurder der Goden". "Schepper

van het Heelal" en den gever van alle goede gaven aan zijn volk.

Men moet echter niet denken dat, ook al was de priesterschap, als

lichaam, rijk, de leden daarvan niet onder het moeilijke leven te

lijden hadden. Aldus kwam het, dat, hoewel de beste condities aan den

dienst in die groote tempels waren verbonden, dezen in het geheel niet

met personeel overvuld waren. Te Abydus maakten slechts 5 priesters het

personeel uit, terwijl Siut er 10 had. Aan den anderen kant bezaten

de kleinere tempels inkomsten, welke geenszins in verhouding stonden

tot hun omvang.

Een studie over dit onderwerp toont ons de inkomsten aan van de

hoogepriesters der kleine heiligdommen. "Aan den Westrand van den

Fayum", aldus schrijft Erman, "bij het meer Moeris, was de tempel

van Sobk (Sebek) van het Eiland, Soknopaios, zooals de Grieken dezen

noemen. Deze had een hoogepriester, die de geringe jaarwedde van 344

drachmen ontving en al de overige priesters kregen dagelijks tezamen

ongeveer èèn schepel tarwe, als belooning voor hun moeite. Zij waren

zelfs niet vrijgesteld van den vasten arbeid bij de indijking en toen

deze voor hen verminderd werd, werd deze gebruikt voor de vrome werken

van hun medeburgers.

De inkomsten van den tempel, zoowel de geregelde, alsook datgene, wat

als offer werd gegeven, werd voor de benoodigde plechtigheden benut,

want bij ieder feest moest fijn lijnwaad worden aangeschaft om de

drie beelden van den god te bekleeden en ieder keer kostte dit 100

drachmen; 20 drachmen werden bij iedere gelegenheid voor de zalven,

de olie en de myrrhe gebruikt, om daarmede de beelden te zalven; 500

drachmen werden voor de wierook besteed, terwijl 40 drachmen benoodigd

waren om offers te brengen op den geboortedag van den heerscher.

En nog beweerden deze priesters, die niet veel hooger dan landbouwers

en de lagere stedelijke bevolking stonden, dat hun oude heiligheid

niet verminderde".

Ook priesteressen verrichtten bezigheden in de tempels. In vroegere

tijden waren zij bij de altaren van goden en godinnen werkzaam en

alleen in lateren tijd vinden wij haar minder werkzaam in de tempels,

aan goden gewijd en hier traden zij hoofdzakelijk als musiceerenden op.

Mysteriën.

Het is een algemeen dwaalbegrip, dat er boeken vol geschreven zijn over

de Egyptische mysteriën, deze schilderachtige en bovennatuurlijke

inwijdingsplechtigheden, van welke men veronderstelde, dat zij

plaatsvonden in onderaardsche duisternis, omgeven van alle vormen

van geheimen ritus en gewoonten. De waarheid is echter, dat menschen,

die dit onderwerp behandelen, buitengewoon zeldzaam zijn en zekerlijk

niet van dien aard, dat zij ons de hoop kunnen verschaffen eenige

opheldering over de mysteries der Egyptische priesterlist te kunnen

geven. Het zal beter zijn ons tot de analoge gevallen der Grieksche

praktijk te wenden, of zelfs tot die van wilde en halfbeschaafde

volken, van wie een groot deel van hun mysteriën in de laatste jaren

aan het licht is gebracht.

Er is slechts weinig bekend betreffende de Egyptische

mysteriën. Herodotus is voor ons de zegsman, dat zij bestonden en

het is waarschijnlijk, dat hij die op het oog had, welke het lijden

en den dood van Osiris moesten voorstellen. Deze schrijver toch zegt:

"Te Saïs in den tempel van Minerva, onder den tempel en dicht bij den

muur van Minerva staan in een lage kapel eenige groote beschilderde

steenen en hieraan is een lage ruimte, welke het aanzien van een

kerker heeft, verbonden; deze is geheel bedekt met steenen, welke op

wonderlijke wijze zijn bewerkt; de grot zelf is aan beide zijden op

prachtige wijze gegraveerd en wedijvert in grootte met dien op Delos,

genaamd Trochoïdes; hierin bedriegt ieder zijn eigen gevoelens en

fantasieën gedurende den nacht en dit noemen de Egyptenaren mysteriën

Doch indien ik hierover meer vertelde, zou ik, wat de godheid moge

verhoeden, dat onthullen, waarover zij mij verboden te spreken".

In hoofdstuk 1 van het "Boek der Dooden" ontmoeten wij den volgenden

zin "Ik zag naar de verborgen dingen in Re-stau", een toespeling

op de plechtigheden, welke in het heiligdom van Seker, den doodsgod

in Saqquara, werden voltrokken. Dezen gaven een voorstelling van de

geboorte en den dood van den zonnegod en werden tusschen middernacht

en ochtendschemering gevierd. Verder leest men in hoofdstuk 125 van

het Boek der Dooden (Papyrus van Ani): "Ik ben Re-stau binnengegaan

(de andere wereld van Seker, dichtbij Memphis) en heb het Verborgene

gezien, dat daar is".

Hoofdstuk 118 (Saïte Recension) moet worden opgezegd: "op den dag

der nieuwe maan, op den zesden feestdag, op den 15en feestdag, op het

feest van Uag, op het feest van Thoth, op den geboortedag van Osiris,

op het feest van Menu, in den nacht van Heker, gedurende de mysteriën

van Maat, gedurende de viering van de mysteriën van Akertet" en zoo

voorts. Herodotus, van wien men vermoedt, dat hij in deze mysteriën

was ingewijd, houdt zich buitengewoon over dezen gesloten en juist

wanneer hij onze belangstelling heeft opgewekt, bemerkt hij op 't

juiste moment, dat zijn lippen voor dat onderwerp verzegeld zijn.

Is er echter wel iets zoo buitengewoons bij deze schijnbaar

verschrikkelijke dingen? Theosophen en anderen willen ons doen

gelooven, dat in de duistere crypten van Egyptische betoovering

spiritistische oproepingen en tooverkunsten van een duister soort

werden beoefend. Wat is waarschijnlijk?

De Grieksche mysteriën.

Laat ons in het kort de mysteriën van het oude Griekenland

onderzoeken. Wij vinden, dat dezen voor het meerendeel prae-Helleensch

waren en dat de overwonnen bevolking zich in een mysterieus

waas hulde, om zijn godsdienstige ceremonies voor de oogen van de

indringers te verbergen. Deze vroegere bevolking nu erfde een grooten

beschavingsinvloed van Egypte.

De gewichtigste der mysteriën waren wellicht die van Eleusis en wij

mogen dezen als een voorbeeld voor alle Grieksche mysteriën stellen. De

hoofdpersonen in deze mysterieuse cultuur waren Demeter, Kore (of

Persephone) en Pluto. Nu waren deze allen goden van de onderwereld en

evenals alle andere goden van den Hades over de geheele wereld, zijn

zij tot den landbouw terug te brengen. Veel aangaande het wezenlijk

ritueel bij de opvoering der Mystae blijft nog onzeker, maar één

ding is zeker en wel dat de ceremonie eigenlijk een passiespel was

en hierin de wederwaardigheden van Demeter en Kore werden opgevoerd,

een symbolische voorstelling van den groei van het graan. Hippolytus

heeft verteld, dat aan de deelnemers der Eleusinische mysteriën een

korenhalm werd getoond. Het geheele mysterie wordt aldus als een

symbolische voorstelling van den wasdom van het graan verklaard. Hoe

de plechtigheden, welke hierop betrekking hadden, het aanzien hebben

gegeven aan die, waarvan de deelnemers als het ware een geheim verbond

vormden, is niet geheel duidelijk.

De negers van Australië en sommige stammen van Midden-Amerika hebben

genootschappen en plechtigheden, welke bijna met die van Eleusis

identisch zijn, doch waarom zij in zulk een geheimzinnig waas gehuld

zijn, is moeilijk te begrijpen.

Men heeft verteld, dat de mysterieuse mise en scène van deze

godsdienstige vereenigingen in de meeste gevallen haar ontstaan te

danken had aan de verschrikkingen der onderwereld en het miasma, dat

uit deze te voorschijn kwam en een ritueele reiniging noodzakelijk

maakte, doch dit schijnt niet geheel en al voor uitlegging vatbaar. In

de Popul Vuh van Midden-Amerika vinden wij melding gemaakt van dingen,

welke het werk schijnen te zijn van een geheim genootschap onder

de goden van de onderwereld, en eenige van dezen zijn goden van

den wasdom.

Het schijnt, dat wij in het Boek der Dooden, dat wellicht uit

prae-historische tijden stamt en zeer waarschijnlijk het overblijfsel

is van een neolithischen cultus, met de verschijnselen aan den wasdom

verbonden, in eenig opzicht een dergelijk gezelschap geschetst zien.

Op deze bladzijde vinden wij wachtwoorden en contraseinen en al het

toovermateriaal, dat noodzakelijk is voor het bestaan van zulk een

geheimen cultus, als waarover wij spraken. Wij kunnen dus aannemen,

dat de Egyptische mysteriën veel geleken op die van Griekenland, dat

hun ritueel hetzelfde karakter vertoonde als het Boek der Dooden en dat

zij beiden uit eenzelfde bron stamden. Al deze mystische vereenigingen

schijnen van neolithischen oorsprong te zijn en voor het meerendeel

op den landbouw te berusten.

Indien wij nu bij Herodotus en andere schrijvers de neiging bespeuren,

deze mysteriën intact te bewaren, staan wij nog eens tegenover de

oorspronkelijke quaestie.

Waarom waren deze plechtigheden mysteriën? In de eerste plaats is alle

groei geheimzinnig en de primitieve mensch beschouwde dit wellicht in

zeker opzicht als tooverkunst. Ten tweede moet men wel degelijk in

het oog houden, dat al deze mysteriën, tenminste in de Oude Wereld,

onder den grond werden gehouden en dat daar de symbolische voorstelling

van den groei van het graan in scène was gezet, waarschijnlijk met

het doel de machten van den wasdom tot grootere werkzaamheid aan te

zetten door den invloed der magie.

De Egyptische tempel.

De oudste tempelvorm was slechts een hut van gevlochten teenen, en

diende als bewaarplaats van de symbolen van den god; het altaar was

een rieten mat. De oudste tempels ontleenden hun ontstaan aan den muur,

welke rondom den naamzuil stond, welke later van een dak werd voorzien.

Met de komst van het Nieuwe Rijk kreeg de wijze van tempelbouw een meer

gecompliceerd karakter, hoewel de wezenlijke plattegrond, van de oudste

tot de laatste tijden, in wezen onveranderd bleef. De eenvoudigste

vorm was een ringmuur, terwijl de pylon of ingangspoort door torens

geflankeerd was; hiervoor werden gewoonlijk twee reusachtige beelden

van den koning en twee obelisken geplaatst; hierop volgde het inwendige

heiligdom, de naos, hetwelk de symbolen der godheid bevatte.

Dit was kunstig bewerkt, verdeeld in drie lanen of sphinxen, verder

boven van kolommen en een hypostyl of zuilenhal voorzien. Op deze

wijze vergrootten verscheidene Egyptische koningen de bouwwerken van

hun voorgangers.

Deze tempels stonden in het midden van bevolkte steden, terwijl de

ringmuur het lawaai en rumoer van de nauwe straten buiten sloot. Een

breede weg, recht door het bewoonde kwartier aangelegd en aan beide

zijden door rijen leeuwen, rammen en andere heilige dieren geflankeerd,

leidde naar den grooten pylon, den hoofdingang. Voor den ingang

bevonden zich twee obelisken en eveneens een beeld van den koning,

die den tempel had gesticht, als beschermer van het heiligdom.

Aan iedere zijde van den ingang verhief zich een hooge toren,

vierkant van vorm, met zijden naar den binnenkant afloopend. Dezen

waren natuurlijk voor verdedigingsdoeleinden bestemd en op deze wijze

kon de doorgang door de pylons met succes tegen den vijand versperd

worden, terwijl men vanuit de poorten in den muur uitvallen kon

ondernemen. Lange masten werden aan den voet van den pylon vastgehecht.

Vroolijk gekleurde wimpels waaiden vanaf deze masten om den invloed

van het booze ver te houden; eveneens had het symbool van de zon,

de gevleugelde discus, welke zich boven de groote poorten bevond,

hetzelfde doel. Deze poorten werden dikwijls uit hout vervaardigd,

een zeer kostbare grondstof, zooals wij reeds zagen en bedekt met

een laag glinsterend goud.

De buitenmuren werden versierd met levendig geschilderde reliëfs

en inscripties, welke de daden van den stichter afbeeldden, want de

tempel was zoowel een persoonlijk monument, alsook een heiligdom van

den beschermgod.

Aan de binnenzijde van den pylon bevond zich een groote hof in de

open lucht, gewoonlijk met een zuilengaanderij aan beide zijden; in

groote tempels echter, zooals bij die in Karnak, bevond zich één rij

zuilen. Hier werden de groote feesten gevierd, en een groot aantal

burgers mocht hieraan deelnemen. Door een lagen ingang kwam men van

hieruit in de hypostyl; de vensters van deze bevonden zich dicht

bij de zoldering, zoodat er een schemerlicht heerschte, terwijl het

heiligdom in diepere duisternis was gehuld.

Het heilige der heiligen.

Het heilige der heiligen was de voornaamste kamer van den tempel. Hier

stond de naos, een hokje, rechthoekig van vorm en van voren open,

met een deur van traliewerk voorzien. Dit diende als bewaarplaats

van de goddelijke symbolen, of in sommige gevallen voor de kooi van

het heilige dier.

Aan beide zijden van het heiligdom waren donkere kamers, als

bergplaatsen gebruikt voor de heilige gewaden, de standaards, bij de

processies gedragen, de heilige bark, het tempelgereedschap en zoo

voorts. Men moet wel bedenken, dat in dezelfde mate als men van het

helle licht van het voorste hof naar de diepste duisternis van het

Heilige der Heilige voortschreed, evenzeer de zoldering minder hoog

werd. De muren en zuilen aan de binnenzijde waren met reliëfs in de

schitterendste kleuren versierd; dezen gaven een voorstelling van

den ritus en de aanbidding, welke den god van den tempel werd bewezen.

Rondom den tempel bevond zich de temenos, door een muur ingesloten;

hierin bevonden zich andere kleinere tempels met heilige boomen en

vogels, meren, waarop de heilige bark dobberde, de woningen van de

priesters en soms ook paleizen, temidden van tuinen.

Aan de buitenzijde zag men wegen, welke naar verschillende richting

leidden, sommige met vertakkingen van tempel tot tempel, door steden,

dorpen en velden, terwijl zijwaarts trappen naar den Nijl afdaalden;

hier werden de booten voor anker gelegd. Langs deze wegen bewogen

zich de processies met het beeld van de godheid; hierlangs ging ook

de vorst in koninklijken luister om den god offeranden te brengen en

hierlangs werden ook de dooden gedragen om vervoerd te worden naar

de graven aan de overzijde van den Nijl.

Dikwijls heeft men Griekenland het land der tempels genoemd. Doch met

grooter recht zou men dezen naam op Egypte kunnen toepassen; immers

daar verhieven zich reeds tempels van reusachtige afmeting, lang

voordat Hellas zich op de kennis der bouwkunst kon beroemen. Nog staan

zij daar, deze reusachtige heiligdommen, nog bijna even voltooid,

als toen zij door den beitel van den ouden hoogepriester werden

gevormd en geteekend. En zoo lang als een koesterende liefde voor het

verleden zich in het hart van den mensch zal vormen, zoo lang zullen

zij blijven bestaan.

Mythen en Legenden van Egypte · 第 9 / 18 题