I 5510 v.C. 3400 v.C.
II 5247 ,,
III 4945 ,, 2980 ,,
IV 4731 ,, 2900 ,,
V 4454 ,, 2750 ,,
VI 4206 ,, 2625 ,,
VII 4003 ,, 2475 ,,
VIII 3933 ,,
IX 3787 ,, 2445 ,,
X 3687 ,,
XI 3502 ,, 2160 ,,
XII 3459 ,, 2000 ,,
XIII 3246 ,, 1788 ,,
XIV 2793 ,,
XV 2533 ,,
XVI 2249 ,,
XVII 1731 ,,
XVIII 1580 ,, 1580 ,,
XIX 1322 ,, 1350 ,,
XX 1202 ,, 1200 ,,
XXI 1102 ,, 1090 ,,
XXII 958 ,, 945 ,,
XXIII 755 ,, 745 ,,
XXIV 721 ,, 718 ,,
XXV 715 ,, 712 ,,
XXVI 664 ,, 663 ,,
XXVII 525 ,, 525 ,,
XXVIII 405 ,,
XXIX 390 ,,
XXX 378 ,,
Onderzoekingen van Egypte.
Egypte met haar grootsche ruïnes, in duisternis en geheimzinnigheid
gehuld, prikkelde sinds langen tijd de nieuwsgierigheid van den
reiziger; de overleveringen immers over een hoogstaande beschaving,
over haar godsdienst, bestuur en beschaving, leefden in de herinnering
der menschen voort en daar heeft de mensch uit tempels, pyramiden,
paleizen en steden daadwerkelijke bewijzen over het bestaan van dat
oude koninkrijk gezocht en gevonden.
En niet alleen is de geschiedenis van Egypte voor de moderne wereld
ontsluierd, doch tevens is die van andere volken en machten opgespoord;
onder dezen van Perzië, Griekenland en Rome.
Het oudste voorbeeld voor de verzameling van Egyptische oudheden in
Engeland is van het jaar 1863, toen een waardevolle zuil, welke tot
het Oude Rijk behoorde, uit Saqquara werd overgebracht en aan het
Ashmolean Museum te Oxford ten geschenke werd aangeboden, terwijl in
de 18e eeuw een poging werd gedaan de Egyptische ruïnes te beschrijven
en de ligging van eenige steden, door klassieke schrijvers vermeid,
vast te stellen.
In 1798 vergezelde een wetenschappelijke commissie de militaire
expeditie van Napoleon tegen Egypte en veel waardevolle arbeid is door
deze geleerden volvoerd en het resultaat hiervan vult verscheidene
deelen van de "Description de l'Egypte", terwijl de groote verzameling
van oudheden, door hen bijeengebracht, w.o. de bekende steen van
Rosette, welke de sleutel bleek te bevatten van het geheim der
Egyptische hieroglyphen, in het jaar 1801 in Britsch bezit kwam.
In dit jaar, onder Mehemet Ali, werd Egypte voor Europeanen
opengesteld en vanaf dien tijd werd een groot aantal oudheden aan dat
land onttrokken en vond zijn weg naar de Europeesche verzamelingen
en musea, voornamelijk het Britsch Museum, en de musea te Leiden,
Berlijn en Turijn. De uitgebreidste verzameling van Egyptische
voorwerpen bevindt zich te Caïro.
Oudste onderzoekingen.
In 1821 vond de ontcijfering van de Steen van Rosette, door
Champollion, plaats en dit feit was een nieuwe aansporing voor
onderzoek en verzameling. Champollion zelf, tezamen met Rosellini,
werd door de gouvernementen van Frankrijk en Toscane voor een expeditie
naar Egypte uitgezonden en veel werd gedaan door het copieeren van
zuilen en inscriptie's.
De regeering van Pruisen echter nam in het jaar 1842 het initiatief
tot een grootere onderneming, onder Lepsius, en deze strekte haar
onderzoekingen tot Nubië en Khartoum uit en verder tot Syrië en
Palestina. Deze expeditie, met haar wetenschappelijke methode,
leverde een kostbaar resultaat op.
De officieele bescherming der oude monumenten en ruïnes, tegen de
exploitatie door opkoopers, of vernieling door vandalen, werd het
eerst door Mehemet Ali ter hand genomen; deze benoemde Mariette
tot dezen moeilijken post en onder zijn verstandig en kundig beheer
werd veel waardevols tot stand gebracht. Dit is onder de Britsche
souvereiniteit tot ontwikkeling gekomen.
De oude bouwterreinen worden door het Gouvernement gehuurd en de
Oudheidkundige Dienst beschikt over een ruime jaarlijksche subsidie
en heeft vele Europeanen en inboorlingen tot haar beschikking. Alle
provincies ressorteeren onder haar en geen opgravingen zijn zonder haar
toestemming geoorloofd en dezen worden alleen aan verantwoordelijke
personen toegestaan en wel onder deze voorwaarde, dat de helft van
de te vinden voorwerpen het eigendom zullen worden van het Egyptisch
Gouvernement, terwijl de vinders de andere helft mogen behouden.
Sir Gaston Maspero, directeur van het Museum te Caïro, heeft veel
tot de volmaking der Egyptische archaeologie bijgedragen.
Reeds in het jaar 1862 zag de Schotsche archaeoloog Rhind de
noodzakelijkheid in tot een bepaald wetenschappelijk systeem van
opgraven te geraken, indien men werkelijk waardevolle resultaten wilde
verkrijgen, en hij beklaagde zich over het gebrek aan zulke methodes in
zijn tijd. In 1883 werd van dit systeem van onderzoek te Tanis, onder
professor Flinder Petrie, het eerst gebruik gemaakt. Ieder voorwerp,
hetzij groot of klein, hetwelk men bij het ontgraven van een tempel,
stad of graf vond, werd bij een verzameling gevoegd en verklaard,
om zijn aandeel in het bewijsmateriaal aan te brengen. Deze methode
geeft aan elk voorwerp zijn waarde.
De aandacht is niet alleen op één gebied geconcentreerd, sinds
niets vernield of verloren is gegaan en de kennis van de kunsten
en nijverheid, de gebruiken, de literatuur en de godsdienst van het
oude Egypte is langzaam bijeengebracht en alles neemt de hem passende
plaats in de geschiedenis, welke voor ons ontvouwd wordt, in.
Veel van het mysterieuse, dat over Egypte hing, is verdwenen, doch de
betoovering, welke zij in het verleden uitoefende, is bijna even groot
als ooit te voren. Deze is niet door de meer inwendige kennis van haar
oude beschaving verminderd, maar integendeel honderdvoudig vergroot.
Het stilzwijgen van vele eeuwen is verbroken, de hieroglyphen hebben
haar geschiedenis aan den modernen mensch verteld en deze luistert met
steeds grootere belangstelling naar de stem van het verledene. Het
zand der woestijn is weggevaagd en oude bouwwerken staan opnieuw in
het zonlicht te schitteren en geven hun geheimen, welke eeuwen lang
bedekt waren, prijs.
De graven vertellen voor de zooveelste maal van verdriet over
den dood en de eeuwenoude verlangens der menschen. Nog afgezien
van de letterkundige overblijfselen, papyri en inscripties is het
materiaal onmetelijk groot. De oude topographie van het land is door
de overblijfselen van wegen, kanalen, steengroeven en mijnen bekend
geworden.
De platte gronden der steden met haar tempels, versterkingen en
particuliere woningen zijn uitvoerig besproken, zoodat de getuigenis
van den bouw, tot de decoratieve teekeningen der kunstenaars toe,
bijna geheel compleet zijn. De plattegrond van iedere stad is,
over het algemeen genomen, bijna dezelfde als van verscheidene,
welke tot verschillende tijdvakken behooren; men hoogde de ruïnes
van oude bouwwerken op en de nieuwe gebouwen begonnen verscheidene
voeten hooger.
Deze aldus gevormde ophoogingen zijn somtijds 80 of 90 voet hoog. Deze
fundeeringen schrikten de Egyptische architecten er niet van af hooge
gebouwen er op te plaatsen, zooals bijvoorbeeld die in Memphis, want
in verscheidene steden bestaan nog heden muren van 30 of 40 voet
hoog. Om dezen te dragen werden zij aan den voet dikker gemaakt en
het fundament weder versterkt.
Onder de ruïnes van kalksteen, van huizen afkomstig, vindt men soms
stukken zandsteen, graniet en albast, uit tempelruïnes aangesleept
en dit bewijst, dat de Egyptenaren uit die lang vervlogen dagen
precies hetzelfde deden als hun nakomelingen en de verwaarloosde en
ineengestorte monumenten van hun steen beroofden.
Plattegrond der steden.
De plattegrond van een uitgegraven stad toont ons, dat de huizen om
een tempel en diens vierkanten bouw zijn samengebracht.
Deze diende als versterking en tot toevluchtsoord voor het geval, dat
de stad werd aangevallen. De plattegrond van steden, in een bepaalde
periode gebouwd, was gewoonlijk voorzien van breede geplaveide straten,
welke rechte hoeken vormden en voorzien waren van steenen goten, om
het water af te voeren. De gebouwen werden op een vaste lijn geschikt.
In steden echter, welke het product van verschillende eeuwen vormen,
vindt men een zeer groote onregelmatigheid. Men ziet er huizen in
een doolhof van donkere lanen en donkere, nauwe straten. Over het
algemeen vindt men in iedere straat een plein, door wilde vijgeboomen
beschaduwd, dat men twee- of driemaal per maand voor marktplaats
gebruikte.
De armere klassen waren in hutten gevestigd, gewoonlijk niet meer dan
12 of 16 voet in lengte, en weinig beter dan de hutten der fellahs
van heden ten dage. De huizen der middenklasse, van winkeliers,
lagere beambten en hoogere bedienden hadden een beter aanzien, maar
waren vrij klein.
Gewoonlijk bevatten zij een half dozijn kamers en sommigen waren
twee of drie verdiepingen hoog, terwijl nauwe binnenplaatsen hen van
de straat afscheidden; vaker echter grensde het huis direct aan de
straat en werd met drie zijden om een binnenplaats gebouwd.
Men heeft veelvuldige bewijzen, dat zeer zorgvuldige hygiënische
toestanden in het oude Egypte bekend waren, want zelfs vrij armoedige
huizen in Kahûn kunnen zich op een steenen regenbak beroemen en deze
weelde was algemeen, uitgezonderd bij de allerarmsten. In Tell el
Amarna heeft men in een huis van een aanzienlijk beambte, tot de 18e
dynastie behoorende, een mooi bewerkt bad en een kunstig systeem om
het water aan te voeren, ontdekt.
De inrichting van het gewone huis was ongeveer dezelfde als in het
Oosten van onze dagen; de benedenverdieping bevatte bergplaatsen,
schuren en stallen; de daarop volgende verdieping diende om er in
te huizen en te slapen; het dak om er zomers te rusten, terwijl de
vrouwen hier ook babbelden en kookten. Een trap, welke zich aan de
buitenzijde van het huis bevond, nauw en zeer steil, leidde naar de
bovenvertrekken. Dezen waren langwerpig van vorm en de deur alleen
diende voor ventilatie en verlichting. Soms werden de muren bij
wijze van versiering met wit bestreken, met rood en geel versierd,
of met huiselijke tafereelen beschilderd.
Paleizen en heerenhuizen.
De paleizen en heerenhuizen stonden gewoonlijk in het midden van een
tuin of hof, met boomen beplant, en omringd door muren, van schietgaten
voorzien, alleen door een ingang onderbroken, welke dikwijls de
maatschappelijke hooge positie der familie aantoonde. Soms vond men
een gaanderij, door zuilen geschraagd, en met standbeelden versierd;
bij andere een staatsiepoort, gelijkend op die, welke men bij den
ingang van tempels aantreft.
"Het inwendige", aldus zegt Maspero, "geleek bijna altijd op een
kleine stad, in kwartieren verdeeld door onregelmatige muren. In
sommige gevallen stond het woonhuis op een meer afgelegen afstand,
terwijl de graanschuren, stallen en kantoren der bedienden over
verschillende deelen van de afgesloten ruimte waren verdeeld".
Schilderingen en plattegronden op de muren van graven aangetroffen,
de overblijfselen van huizen te Tell el Amarna en van het paleis van
Akhenaten, hebben nog een nadere aanvulling gebracht in de details,
welke ons kunnen onderrichten. De schilderachtige plattegrond van
een Thebaansch huis, half paleis, half villa, wordt door Maspero
aldus beschreven.
"De ingesloten ruimte is rechthoekig en omgeven door een muur, van
schietgaten voorzien. De hoofdingang komt uit op een weg, door boomen
beplant, langs een kanaal, of een Nijlarm.
De tuin wordt symmetrisch verdeeld door lage, steenen muren. In het
midden bevindt zich een groot traliewerk, gestut door vier rijen kleine
zuilen; aan den rechter- en linkerkant zijn vier bassins vol eenden
en ganzen, twee broeikassen met bladeren bedekt, twee zomerhuizen,
lanen van wilde vijgeboomen en dadelpalmen. Achterin bevindt zich dan
het huis zelf, recht tegenover den ingang, twee verdiepingen hoog,
doch van kleine afmetingen, bedekt door een beschilderde kroonlijst".
Op een der graven van Tell el Amarna kan men een voorstelling zien
van het paleis van Aï, die later den Egyptischen troon beklom. Dit
is van grooter formaat, rechthoekig van vorm, met een breedere voor-
dan zijgevel. De trappen, welke naar den terrasvormigen zolder leiden,
geven toegang tot twee kleine kamers, beiden aan den achterkant. Het
woonhuis zelf bevond zich in den uitbouw en was het heiligdom der
familie en alleen intieme vrienden hadden recht daar binnen te treden.
De overblijfselen van het paleis van Akhenaten in Tell el Amarna zijn
volgens hetzelfde plan ingedeeld; alleen is hier een paviljoen voor de
koningin aan toegevoegd; dit bevat een ruime hal, van een afmeting van
51 bij 21 voet. In dit paleis bevindt zich een andere hal van 423 bij
234 voet. Deze bevatte 542 leemen pilaren, van ongeveer 100 vierkante
c.M. Deze hal stond in verbinding met 5 kleinere. "De pilaren waren
wit gemaakt en de zoldering was met afbeeldingen van wijnranken en
druiventrossen, op een gelen achtergrond, beschilderd".
Vele paleizen en huizen vertoonen verscheidene kenmerken van de
decoratieve kunst van die dagen. Overblijfselen van de architectuur
uit het Oude Rijk zijn niet menigvuldig, maar de plattegrond schijnt
niet veel van die uit de latere perioden te hebben verschild.
De kleine voorwerpen, welke men ontdekt heeft, zooals huisraad,
kleeren, wapens, amulets, schilderen ons het huiselijk leven van het
oude Egypte, terwijl tempels, versterkingen en monumenten ons over
den godsdienst, de wijze van oorlogvoeren en den ondernemingsgeest
in dien ver van ons verwijderd liggenden tijd inlichten.
Deze opgravingen strekken zich over een groote tijdruimte uit. Boven-,
Beneden- en Midden-Egypte en Nubië zijn op uitgebreide schaal
onderzocht, eveneens het Sinaï-Schiereiland en Syrië, met haar talrijke
gedenkteekenen van verovering. In Nubië is, volgens een deskundige, de
armoede van het land en de schaarsche bevolking in aanmerking genomen,
het percentage der nog aanwezige monumenten grooter dan in Egypte.
Verscheidene tempels, graven, kanalen, versterkingen, grotten en
pyramiden heeft men nog in goeden staat aangetroffen. In Boven-Egypte
kan men de groote pyramiden en de nekropolis van Memphis vinden,
benevens kleinere pyramiden, meer naar het Zuiden en tevens kan het
zich op de bewonderenswaardige ruïnes van Thebe, aan beide zijden van
de rivier, beroemen, daarbij nog op de graven en kanalen van Assuan
en de tempels van Philae, doch hiermede is de lijst van uitgegraven
bouwwerken nog niet uitgeput, daar het bekend is, dat verscheidene
nog geheimen verbergen, tot dusver onaangeroerd.
Levenswijze in Oud-Egypte.
Het bestaan van Egypte, als een inheemsche monarchie, strekt zich
over een zoo langdurige periode uit, dat het buitengewoon moeilijk
is over de methode van bestuur of de levenswijze van het volk te
generaliseeren. Hierbij moet tevens worden opgemerkt, dat geen enkele
beschaving, met een verleden van duizenden jaren, minder verandering
in staatkundige of inwendige aangelegenheden vertoont.
Het staat vast, dat, toen eenmaal door de Egyptenaren een landelijke
levenswijze was aangenomen, zij de gebruiken en gewoonten daarvan
bewaarden tot den tijd van de invasie van buiten; en voor zoover de
lagere klassen betreft, kan er weinig twijfel aan bestaan, of hun
dagelijksch leven ging van eeuw tot eeuw kalm en onveranderlijk
voorbij. De kennis der folklore heeft ons bewezen, hoe weinig
verandering de loop der tijd in de levenswijze en de gedachten van dat
volk aanbrengt, welks omgeving zoodanig is, dat krachten van buiten
zelden eenigen invloed hierop uitoefenen. Speciaal was dit met de
bewoners van het Nijldal het geval; dezen toch waren gedurende eenige
eeuwen, door geografische en andere redenen, van de invallen van andere
beschaafde volken verschoond. Ten tijde, dat vreemde indringers zich
met hen vermengden, hadden zij zich zoo stevig gevestigd en waren
zij zoo krachtig door de traditie beïnvloed, dat zij practisch voor
de uitwerking van rasvermenging immuun waren.
Men moet ook niet vergeten, dat zulke indringers, als Egypte kende,
hun vrouwen niet met zich plachten te nemen en dat hun huwelijk met
Egyptische vrouwen gewoonlijk in een, of drie geslachten, de uitwerking
had, dat zij geheel en al in de inheemsche bevolking opgingen, zoodat
het gehalte van het ras vrijwel onveranderd bleef. Verder was hun
aantal, vergeleken bij de bevolking van Egypte, betrekkelijk klein.
De omgeving van het Nijldal is buitengewoon goed geschikt voor
de continuïteit van het rastype, zooals duidelijk blijkt uit het
voortbestaan van de gestalte bij de huis- en andere dieren. Ontelbare
malen heeft men daar buitenlandsche schapen, geiten en ezels ingevoerd
en wel met dit resultaat, dat zij korten tijd daarna geheel opgingen
in het domineerende Egyptische type van hun soort, met nauwelijks
eenige verandering.
Het paard en de kameel werden betrekkelijk laat in Egypte ingevoerd
en deze late invoering is een duidelijk bewijs voor de geïsoleerde
ligging van het land.
Het feodale systeem was over het algemeen in oud-Egypte wijd en
zijd verbeid en de Pharaoh hield zich voornamelijk bezig met het
controleeren van zijn hoogere onderdanen. Dezen vormden hun vorstelijke
waardigheid tot een centrale macht en zelfs zij, die geen aanspraak op
koninklijk bloed konden maken, kochten bezittingen van aanmerkelijke
grootte op. Het krioelde van ambtenaren in het Nijldal en het schijnt,
dat zij zich niet lieten leiden door een hoogen graad van politieke
moraal, ten minste in de praktijk schoten zij hierin te kort. Aan
de leden der koninklijke familie schonk men gemeenlijk aanzienlijke
posten en op deze wijze werd het land inderdaad door een erfelijke
bureaucratie bestuurd. Een kanselier, of vizier, was onmiddellijk
verantwoording aan den monarch schuldig voor den toestand van het land,
de financiën en het wettelijk bestuur.
Handel.
Wij weten slechts weinig over de handelsaangelegenheden van het
oude Egypte. Overal hield men waarschijnlijk markten in de open
lucht. Munten waren onbekend tot aan den tijd der Perzische invasie
en ook toen werden gouden ringen, zilver en brons als ruilmiddel
gebruikt. Ruilhandel echter domineerde voornamelijk. Koren was het
stapelproduct van Egypte en het schijnt, dat dit tot een bepaalde
hoeveelheid naar andere landen werd uitgevoerd, evenals papyrusrollen
en linnen; maar al het zilver en koper moest worden ingevoerd, zoo
ook kostbare houtsoorten, verder de huiden van zeldzame dieren,
ivoor, specerijen, wierook en steenen voor het vervaardigen van
buitengewoon vaatwerk.
Vele van zijn import-artikelen bereikten Egypte in den vorm van
belasting, maar er bestaan nog getuigschriften van expedities, door
den koning uitgezonden, om buitenlandsche zeldzame voorwerpen op te
sporen. Een groot deel van den Egyptischen handel was in handen van
vreemdelingen. De Phoeniciërs openden klaarblijkelijk een verbinding
met Egypte op zijn vroegst in de 3e dynastie. In lateren tijd werd
een uitgebreide handel met Griekenland gedreven en koning Psammetichus
I [12] stichtte de stad Naucratis, als centrum van den Griekschen
handel in Egypte.
Landbouw was de ruggegraat van de Egyptische welvaart; de natuurlijke
gesteldheid van den bodem--vruchtbaar, zwart slib, door den Nijl
achtergelaten, welke eveneens voor irrigatie diende--maakte de praktijk
van den landbouw vrij eenvoudig. De groote hitte hielp eveneens
mede om het graan spoedig te doen rijpen. De bebouwing was bijna
het geheele jaar mogelijk, maar eindigde gewoonlijk met den oogst,
welke tegen het eind van April werd ingehaald; vanaf dit tijdstip
tot aan Juni werd den landbouwer een rusttijd toegestaan.
Men zaaide een groote verscheidenheid van vruchten; durra, waaruit
men brood maakte, linzen, erwten, boonen, radijs, latuwen, uien en
vlas werden allen verbouwd. Fruit was vertegenwoordigd door druiven,
granaatappels, vijgen en dadels. Hout was zeldzaam en werd, zooals
reeds is opgemerkt, voor het meerendeel geïmporteerd. Oudtijds was
het waarschijnlijk overvloediger, maar de invoering van de kameel
en de geit veroorzaakte de uitroeiing hiervan, daar deze dieren de
bast van de boomen afstroopten en de takken afscheurden. Wijn werd in
hoofdzaak in het district Mareotis, dichtbij Alexandrië, gefabriceerd
en schijnt een zeer aangenamen geur te hebben gehad. De papyrusplant
werd vanaf de vroegste tijden op groote schaal verbouwd; de stengel
werd gebruikt voor den bouw van booten en het vervaardigen van touw
en eveneens voor schrijfmateriaal.
Wetboeken.
Het schijnt, dat de Egyptische wetten mondeling werden overgeleverd
en geen overblijfsel van eenig specifiek wetboek is tot ons
gekomen. Koninklijke besluiten en verordeningen werden somtijds
uitgevaardigd en dezen werden gewoonlijk in steen gegrift en zorgvuldig
bewaard. In den tijd der Ptolemaeën werden handelsrechtbanken ingesteld
en dezen beslechten processen van allerlei soort; maar de traditioneele
wet van het land schijnt aan het volk goed bekend te zijn geweest en
door hun regeerders volledig erkend.
Een geliefkoosde manier tot herstel van grieven was zich op den koning,
of een van de feodale vorsten te beroepen. Hoven, om bepaalde gevallen
te verhooren, werden in de oudste tijden bijna altijd uit leden der
koninklijke familie, of grondbezitters, samengesteld en later uit
hun ambtenaren. Daarnaast bleef het recht van hooger beroep op den
koning bestaan.
Men liet bewijs onder eede toe en een geliefkoosde eed luidde: "Bij
den koning" of "Bij het leven van den koning". Bij uitzondering alleen
maakte men van pijniging gebruik voor bewijslevering. De straffen
waren verschillend. In verscheidene gevallen werd den beschuldigde
toegestaan zichzelf het leven te benemen. Voor geringere vergrijpen
waren de afranseling, of de verminking, b.v. door het afsnijden van
den neus, verbanning of geldboete de gebruikelijke straffen.
Gedurende het Oude Rijk was onthoofding het gebruikelijke middel om de
doodstraf uit te oefenen. Het opstellen van contracten was algemeen en
dezen dienden tot een wettig getuigenmiddel. Vanaf den tijd der 22e
dynastie worden dezen in grooten getale gevonden en hebben gewoonlijk
betrekking op verkoop, of leening.
Hoewel een vrouw eigendom kon erven, had zij niet het volledig
recht daarover te beschikken, doch indien zij gescheiden was, kon
haar huwelijksgift niet verbeurd worden verklaard. Vele van deze
oude documenten houden zich met het koopen en verkoopen van slaven
bezig. Intusschen is het niet duidelijk, of de toestemming van den
slaaf zelf voor zijn verkoopen noodig was, of niet.
Wetenschappen.
Kennis en wetenschap waren natuurlijk aan de godsdienstidee
ondergeordend, daar deze in het Egyptische leven de hoofdrol
speelde. Over de architectuur hebben wij reeds elders gehandeld. Het
heeft den schijn, dat wetenschappelijke ondernemingen van alle
mogelijke soort niet werden uitgevoerd door eenige gegeven formules,
maar louter door wet, of gezag. Wondervolle resultaten werden op
de eenvoudigste wijze verkregen en de methoden, volgens welke de
pyramiden werden opgericht, hebben nog iets van een mysterie.
De dagen der feesten werden astronomisch bepaald en men heeft
vastgesteld, dat de ligging van de pyramiden en andere grootsche
bouwwerken op dezelfde manier werd gekenmerkt door de opkomst van de
ster Sothis of Sirius.
Een groot gedeelte van de Egyptische uitvindingen schijnt van een
merkwaardigen ouderdom, maar de gave van uitvinding schijnt in later
tijden te zijn belemmerd, of verloren te zijn gegaan. Pogingen tot
vooruitgang waren absoluut onbekend, zelfs toen de Egyptenaren met
vreemdelingen in aanraking kwamen en alle nieuwigheden met achterdocht
werden beschouwd.
De Landbouw.
Het is onzeker, tot welken graad het volk den adel navolgde in het
streng, godsdienstig programma, dat deze voor zich had opgesteld. Er
kan geen twijfel aan bestaan, of zij waren bijgeloovig als geen ander
volk, maar dat zij zich zelf als passende onderdanen beschouwden
van dezelfde andere wereld, waaraan de aristocratie was gebonden,
is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijk dachten zij, dat zij een hoekje
zouden kunnen vinden in het duistere rijk van Osiris en dat zij daar
niet volkomen in het niet zouden zinken, maar dat hun ka's behoorlijk
gevoed zouden worden door de offerande, hun door hun kinderen gebracht.
De Egyptische landbouwer was in buitengewone mate een zoon van de
aarde, een hard werker, geduldig en tevreden, waar het voedsel,
onderdak en kleeren betrof, zooals de fellah van den tegenwoordigen
tijd. Het lot van de vrouw van den Egyptischen landbouwer was,
evenals dat van haar echtgenoot, zwaar.
Gewoonlijk huwelijkte men haar op ongeveer vijftienjarigen leeftijd
uit en op haar 30e jaar was zij dikwijls reeds grootmoeder. De zorg
voor haar huis en kinderen mocht echter niet al haar tijd in beslag
nemen, want op sommige tijdstippen verwachtte men van haar, dat zij
haar man op het veld bijstond en hier was waarschijnlijk meer slaag
dan dank haar deel.
Rechtvaardigheid werd niet zeer onpartijdig toegepast en herstel van
grieven werd door iemand van de boerenklasse niet gemakkelijk verkregen
en het is vreemd, dat de toestanden, onder welke de boerenstand leefde,
geen voedsel voor opstand verschaften.
Waarschijnlijk was de eenige reden, dat deze niet uitbrak, in de
omstandigheid gelegen, dat de toestand van slavernij te diep was
ingeworteld; hierbij kwam tevens nog, dat de Egyptenaren, evenals de
meeste Oosterlingen, fatalisten waren.
Kleeding.
De kleederdracht verschilde aanzienlijk in de respectievelijke
dynastieën. Zooals wij reeds opmerkten, bezaten de Pharaohs een
bijzondere kleeding en in zekeren zin was die van de hoogere rangen
der samenleving daarnaar gevormd.
Het klimaat stond het dragen van zware stof niet toe en derhalve
was fijn lijnwaad veelvuldig in gebruik. De bovenste deelen van het
lichaam werden slechts gedeeltelijk bedekt en onder den adel in de
oude tijden werd een soort linnen hemd gedragen. De kleederdracht der
vrouwen bestond vanaf de oudste tijden uit een kleed, reikende van
den oksel tot de enkels, met riemen over de schouders vastgemaakt. De
mannendracht was gewoonlijk een soort van lendendoek. Het dragen
van pruiken was vrij algemeen en was al in prae-historische tijden
ontstaan.
Op een of ander vroeg tijdstip had de inheemsche rituaal
voorgeschreven, dat het hoofd moest geschoren worden, zoodat het
dragen van de lange pruik, of de goedsluitende muts met oorlappen,
feitelijk een noodzakelijkheid werd.
Wij vinden echter, dat sommige dames weigerden haar haardos op te
offeren, en bij het welbekende beeld van Nefert kunnen wij de banden
van natuurlijk haar opmerken, welke netjes over de wenkbrauwen zijn
gladgestreken en uit de zware pruik gluren, welke zij draagt. Alle
klassen droegen sandalen van leer, of gevlochten papyrus.
Wat zijn uiterlijke verschijning betreft, was de Egyptenaar slank
en overtrof den Europeaan belangrijk in hoogte. Het ras was voor
het meerendeel van een lang voorhoofd voorzien, met een dun middel
en hoekig.
Op lateren leeftijd werd hij gewoonlijk corpulent, maar gedurende zijn
jeugd en vroegste mannelijke leeftijd had hij een mager en gespierd
uiterlijk. Hij had echter breede schouders en een goed ontwikkelde
borstkas. Het onderzoek van duizenden mummies, door Dr. Elliot Smith
verricht, heeft bewezen, dat het Egyptische ras in later tijd beter
werd in physiek en spierkracht.
Wat het karakter betreft, was de Egyptenaar ernstig en misschien een
weinig van stilzwijgende natuur en in dit opzicht niet ongelijk aan
den Schot en den Spanjaard. Zijn aard en zijn volkslitteratuur zijn
op sommige plaatsen een welsprekend bewijs voor een filosofie van het
laissez-faire. Het is waarschijnlijk, dat het strenge godsdienstige
wetboek, waaronder hij leefde, hem soms dreef tot een walging voor
zijn omgeving. Het amusement van den Egyptischen landbouwer nam
soms den vorm aan van dronkenschap en nog bestaan er schilderijen,
waarop men ziet, dat de landbouwer op de schouders van zijn knechts
naar huis wordt gedragen.
Men kan niet ontkennen, dat onder de hoogere klassen de filosofie
van genoegen een zeer krachtigen steun had gekregen, voornamelijk in
latere tijden. Waarschijnlijk dachten zij, dat, indien zij "Het boek
der dooden" ter harte namen, zij van een zalige toekomst verzekerd
waren en dat hierin hun geheele moreele plicht was vervat.
Wat hun ethisch standpunt betreft, kan men zeggen, dat zij eerder
zonder moraal, dan immoreel, waren en dat goed en kwaad, volgens onze
opvatting, aan hen onbekend waren. De Egyptenaren echter, als ras,
bezaten een aangeboren liefde voor rechtvaardigheid en rechtschapenheid
en zij zullen altijd in de rij der naties hun plaats innemen als een
volk, dat, misschien meer dan eenig ander, heeft medegewerkt tot den
opbouw der orde, betamelijkheid en welvoeglijkheid.