Onderzoekingen, geschiedenis en gebruiken.
Het Nijldal.
De rivier de Nijl is de oorzaak van het speciale karakter van Egypte
en onderscheidt het van de overige deelen van de Sahara. Bij zijn
jaarlijksche overstrooming laat deze rivier rijkelijk slib achter,
dat de vruchtbare vlakten aan beide oevers vormt, welke zulk een
contrast vormen met de eentonige, bruine woestijn.
Oostelijk en Westelijk van den Nijl strekken zich groote woestijnen
uit, hier en daar door groene oases onderbroken en terwijl het
landschap, in het algemeen genomen, te eentonig is om interessant te
zijn, vertoont de Delta zelf den aanblik van een rijkelijk bebouwde
vlakte, bezaaid met de hooge, sombere en donkere wallen van oude
steden en dorpen, omzoomd door palmboomen.
In Boven-Egypte is het Nijldal nauw en ingesloten door tamelijk
hooge bergen, welke echter nergens in bergspitsen uitloopen. Soms
naderen dezen de rivier in den vorm van voorgebergten en worden door de
beddingen van oude stroompjes verdeeld. Dezen zijn vrij schilderachtig,
doch overigens is het landschap niet bekoorlijk voor de oogen. Wel
echter wat de kleur betreft. "Het heldere groen van de velden, de
roodachtig bruine of de donkergroene kleur van de groote rivier, welke
een contrast vormt met de kale, gele rotsen, onder een schitterend
zonlicht en een helder blauwen hemel, bieden een schoon aspect aan".
Oorsprong van het ras.
De quaestie van de oorsprong van het ras bij de bevolking van het oude
Egypte is een van de meest ingewikkelden. In graven en andere oude
overblijfselen der beschaving vinden wij sporen van verschillende
rassen, welke op verschillende tijdstippen in het land kwamen, doch
deze data van vestiging zijn zoo gebrekkig, dat het zeer gevaarlijk zou
zijn, hierover te generaliseeren. Volgens professor Sergi uit Rome, de
grondlegger van de theorie, dat een groote beschaafde tak in een vroeg
tijdperk aan de Zuidelijke kusten der Middellandsche Zee ontstond,
behoorden de oude Egyptenaren tot den Oostelijken tak van dit ras,
tezamen met Nubiërs, Abessiniërs, Galla, Masai en Somalis. Het bewijs
der taal is vaag, want hierbij zou het, evenals in andere gevallen,
slechts met het oog op beschaving in aanmerking kunnen komen.
Een andere theorie neemt aan, dat het Nijldal in oude tijden bevolkt
was door een dwergenvolk, doch dat dit uit zijn bezit is verdreven door
volken, die aan de Middellandsche Zee woonden. De theorie, dat volken
aan de Middellandsche Zee Egypte direct vanuit hun oorspronkelijke
woonplaatsen binnenvielen, is lijnrecht in strijd met de andere
opvatting, welke het land in oude tijden laat bewonen door een volk,
dat zich bezighield met bewerking van steenen en dat uit Palestina
afkomstig zou zijn.
Indien men de tijdrekening nauwkeurig beschouwt, zal het blijken,
dat dit volken waren, aan de Middellandsche Zee wonende, welke reeds
lang ervaren waren in het bewerken van steen, daar dit materiaal in
ruime mate bij hen aanwezig was.
Waarschijnlijk volgden hierna successievelijk invasies uit het Oosten
en Arabië en de landen daaraan grenzend en vandaar kwam een volk,
aan de Babyloniërs verwant, en met hun beschaving vertrouwd, welke
zij in een gemeenschappelijke woonplaats met dezen hadden gedeeld,
doch dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld.
Dezen gaven hun Semitische woordenschat aan de Hamitische syntaxis van
het volk, dat zij in het Nijldal vonden. Hoewel zij de taal hervormden,
slaagden zij er slechts gedeeltelijk in den godsdienst te wijzigen,
daar deze voor het grootste gedeelte van het Osiris-type bleef,
doch zich ook met de vereering van Horus, in de gedaante van een
havik, vermengde, welke door de vreemdelingen was ingevoerd. Eveneens
ontbreekt het niet aan hen, die meenen, dat deze immigranten uit Arabië
Hamieten waren, die reeds een grooten trap van beschaving bereikt
hadden. Dezen zouden door Semitische horden vanuit het Noorden in het
nauw zijn gebracht, de Roode Zee zijn overgestoken en zich eerst in
Berenice gevestigd hebben.
De Egyptenaren, tot de dynastie behoorend, zijn Hamieten, een
omstandigheid, welke dit laatste gezichtspunt kracht schijnt
bij te zetten en tevens verschillen zij in type niet veel van de
tegenwoordige Galla, doch hadden wellicht proto-Semitische elementen
[11]; men stelt zich voor, dat zij zich geconcentreerd hebben in de
nauwe en vruchtbare strook langs de oevers van den Nijl.
De geschiedenis der dynastieën van het oude Egypte strekt zich op
zijn minst over een periode van meer dan 3000 jaren uit. Met het oog
op chronologische moeilijkheden, vond men het geschikt het dynastieke
systeem, dat door Manetho, een Egyptischen priester, die in de 3e
eeuw v.C. leefde, uitgedacht werd, te aanvaarden.
Manetho nu verdeelde de Egyptische geschiedenis in 31 dynastieën en
hiervan vullen 26 den tijd tusschen Mena en de Perzische verovering,
terwijl de overige de periode der Perzische, Helleensche en Romeinsche
suprematie vullen. Met de Perzische overheersching echter begint
de ontbinding van het Egyptische rijk en eigenlijk eindigt op dit
tijdstip de Egyptische geschiedenis.
Hoewel Manetho's dynastieke indeeling door moderne Egyptologen is
aanvaard, wordt zijn chronologie niet zoo algemeen aangenomen, hoewel
deze door één authoriteit op dit gebied, professor Flinders Petrie,
wordt ondersteund.
Tegenwoordig is de opvatting overheerschend de minimum chronologie te
aanvaarden, welke bekend is onder den naam van Berlijnsche school;
deze plaatst Mena's verovering op 3400 v.C. en de 12e dynastie
op ongeveer 2000 v.C., terwijl de opvatting van professor Petrie,
welke minder algemeen wordt aangenomen, deze gebeurtenissen stelt op
respectievelijk 5500 v.C. en 3400 v.C.
Het is gebruikelijk de verschillende dynastieën in drie perioden te
verdeelen, n.l. het Oude Rijk, omvattende de 1e-8e dynastie, het
Midden-Rijk, omvattende de 9e-18e dynastie, en het Nieuwe Rijk,
loopende van de 18e-26e dynastie.
Deze verdeelingen echter vullen geen enkele onderbreking in den loop
der Egyptische geschiedenis, doch worden alleen uit gewoonte gebruikt.
De volgende tafel geeft een vergelijking te zien tusschen het systeem
van dateering, dat bij hen, die de Egyptische geschiedenis bestudeeren,
in zwang is, overeenkomstig professor Petrie en de Berlijnsche school,
door professor Breasted voorgestaan: