Inleiding.
De verschillende groepen van geloof, welke tezamen den Egyptischen
godsdienst hebben gevormd (indien er tenminste van één Egyptischen
godsdienst sprake kan zijn), hebben gedurende eenige duizenden
jaren dezelfde phases doorloopen, welke aan ieder, die zich met
de bestudeering der vergelijkende mythologie heeft bezig gehouden,
bekend zijn.
Indien wij in aanmerking nemen, dat de godgeleerden van het oude Egypte
niet in staat zijn geweest, een pantheon der Egyptische godenleer te
scheppen, waarin aan ieder god, of godin, een bepaalde invloedssfeer
kon worden aangewezen, hetzij op wereldlijk, hetzij op geestelijk
gebied, dan mag men toch zeker vragen, hoe een hedendaagsch beoefenaar
der mythologie in staat zal zijn, in deze moeilijke en duistere
problemen, welke de godenleer van het Oude Nijldal ons opgeeft,
voldoende licht aan te brengen.
Het antwoord is echter gemakkelijk. De nieuwere wetenschap der
vergelijkende godsdienstgeschiedenis breidt zich van jaar tot jaar
meer uit en haar licht verspreidt zich, weliswaar langzaam, doch zeker,
in de groote duisternis, welke de oude godsdienst omhult.
Laten wij dus bij het licht van deze tooverlamp (een zoo wondervolle is
zelfs door een vervaardiger van Oostersche sprookjes niet uitgevonden)
dwalen door de donkere pyramiden, door de koele schaduwen der
tempelruïnes, ja, door het kronkelend labyrinth van den Egyptischen
geest zelf, vertrouwende, dat wij door het licht, dat wij bij ons
dragen, er in zullen slagen de raadselen van dit geheimzinnige land
eenigermate op te lossen.
Een van de eerste gedachten, welke terstond bij ons oprijzen is,
dat het verwondering zou baren, indien er bij een zoo groote menigte
goden, die de Egyptische godsdienst aanwijst, geen verwarring ware
ontstaan bij de aanduiding over hun oorspronkelijk wezen en hun
eigenlijken aard.
Dat deze werkelijk bestond, bewijzen ons de overgeleverde teksten,
welke een groote moeilijkheid opleveren om de juiste eigenschappen
van bepaalde godheden te definieeren en hen tot één groep, of klasse,
terug te brengen. De reden van deze verwarring behoeft men niet ver te
zoeken. De goden van een bepaalde landstreek vermenigvulden zich op
zulk een verbazingwekkende wijze, dat, terwijl wij in de teksten der
eerste dynastieën slechts de namen van tweehonderd godheden ontmoeten,
de latere Thebaansche herziening van het "Boek der Dooden" ongeveer
vijfhonderd er bij voegt; hierbij moeten nog geteld worden ongeveer
achthonderd namen van wezens, welke in de mythologie voorkomen.
Plaatselijke goden.
Een andere oorzaak, welke tot de verwarring aanleiding gaf was,
dat in iedere groote stad van Boven- of Beneden-Egypte en hare
omgeving de godsdienst een localen vorm aannam. Zoo kwam het, dat
de groote goden van het land in iedere provincie onder een anderen
naam bekend waren, hun ritus verschillend was en zelfs de sagen over
hun oorsprong en hun komst een verschillende gedaante aannamen. Vele
groote steden bezaten bovendien eigen, speciale goden en aan dezen
legde men dikwijls de eigenschappen van een, of meer, der grootere
en meer populaire godheden bij.
Het geloof van de stad, welke de koninklijke residentie vormde,
werd de godsdienst par excellence van het geheele koninkrijk, haar
tempel werd het Mekka van alle vrome Egyptenaren en haar god was de
Juppiter van het Egyptisch pantheon.
Nu had men mogen verwachten, dat, toen Egypte één gemeenschappelijke
cultuur, kunst en nationaliteit verkreeg, haar godsdienst eveneens,
zooals dit bij andere volken is geschied, één van vorm en van
eenvoudiger gedaante zou worden.
Dit resultaat is echter nooit bereikt. Juist de omgang met vreemden
was voor de priesters en het volk een aansporing aan hun godsdienstig
conservatisme vast te houden. Ja, men kan zelfs zeggen, dat het volk
zich nog conservatiever heeft betoond, dan de priesters.
Veranderingen in de godsdienstpolitiek, verschil in uitlegging der
heilige teksten kwamen somwijlen uit den boezem der verschillende
priestercolleges voort, of ook wel de koning zelf, de bron van alle
godsdiensten, verklaarde zich voor deze, of gene uitlegging.
Nimmer echter werd in de godsdienstige opvattingen, uit eerbied voor
de publieke opinie, een verandering gebracht, of het was een teruggang
tot een ouder type. Zoo zien wij het schouwspel, hoe verder wij in de
dynastieën voortgaan, dat er van lieverlede een groote kloof ontstaat
tusschen de priesters en het volk; de eersten vatten de godsdienst
meer idealistisch op, de groote massa echter bleef evenzeer trouw
aan den uiterlijken schijn der dingen, als aan het oude, voornamelijk
omdat het oud was.
De evolutie van het geloof in het oude Egypte moet denzelfden loop
hebben doorgemaakt als bij andere volken en iedere veronderstelling,
welke dit op andere wijze tracht te verklaren, is reeds bij voorbaat
bestemd verworpen te worden. In de laatste jaren zijn er verschillende
werken door kundige Egyptologen uitgegeven, welke ten doel hebben een
meer of minder uitgebreid overzicht over de Egyptische mythologie te
geven en haar diepere beteekenis te ontvouwen.
De schrijvers van eenige dezer werken, hoeveel bewondering men
ook voor hen moet koesteren als archaeologen, of als uitleggers der
hieroglyphenteksten, zijn voor het meerendeel slechts in geringe mate
tegen de moeilijkheden, welke de mythologie ons aanbiedt, opgewassen.
Om in deze moeilijke problemen eenig licht aan te brengen is een
speciale oefening hierin een eerste vereischte en een algeheele
vertrouwdheid met de verschijnselen van de oudere godsdiensten in
het algemeen, in al haar verschillende vormen en gedaanten, is een
volstrekte noodzakelijkheid.
In het werk b.v. van een buitenlandsch Egyptoloog van den eersten
rang treedt een volslagen onbekendheid aangaande mythologische
ontwikkeling aan den dag. Hij wil den Egyptischen godsdienst
voorstellen, zooals deze toeschijnt aan iemand, die niets van de
moderne godsdienstwetenschap afweet. Een ander zeer bekend Egyptoloog
schrijft over het z.g. totemisme op de meest elementaire wijze en
werpt de stelling op, dat een zoodanig stelsel nooit in het Nijldal
heeft bestaan. Deze vragen echter zullen op de daarvoor bestemde
plaatsen worden behandeld.
Om met de vormen van den lageren cultus te beginnen--vormen,
welke hoogstwaarschijnlijk uit Afrikaansche bron stammen--het is
zoo goed als zeker, dat de oudere Egyptische godsdienst tot aan den
tijd der Hyksos bleef bestaan; na dezen tijd heeft men de officieele
godsdienst van het land onder een of anderen vorm met de aanbidding
der zon in verband gebracht; men heeft dus alle oorspronkelijke goden
van het land op een bepaald tijdstip met de idee van één zonnegod òf
samengesmolten òf vereenzelvigd.
De Egyptische godsdienst in het Midden- en Nieuwe Rijk was zoowel een
vrucht van filosofische vinding, alsook van latere Grieksche mythe;
voor zoover wij echter kunnen beoordeelen, was hij niet zoo kunstig en
in alle deelen volmaakt. Immers terwijl wij in de teksten ontelbare
toespelingen op bepaalde mythen vinden, komen de mythen zelf in de
Egyptische literatuur zelden voor.
De voornaamste plaats, waar een Egyptische mythe voor ons is bewaard
gebleven, is Plutarchus' verhaal over Isis en Osiris, en dat is een
niet zeer betrouwbaar zegsman. Men heeft nu vermoed, dat de mythen zoo
algemeen onder het volk bekend waren, dat het een overbodig werk zou
geweest zijn, dezen voor een zoo godsdienstig volk als het Egyptische
op te schrijven.
Het is voorzeker een onherstelbaar verlies voor het nageslacht, dat
dezen verloren zijn gegaan en daar wij een volledige kroniek van de
daden der Egyptische goden missen, kunnen wij slechts het materiaal,
dat de teksten en aanverwante voorwerpen ons geven, onderzoeken om
hier en daar een brokstuk van het Egyptische godsdienstwezen op te
diepen en zelfs, als men al deze stukken bijeenvoegt vertoont het
geheel nog slechts een schijn van wezenlijkheid en bondigheid.
Animisme.
Wij zagen reeds, dat bij de oude Egyptenaren, evenals bij de andere
vroegste volken, de godsdienst zich onmogelijk kan ontwikkeld hebben,
zonder dat hij het bij allen gebruikelijke proces heeft doorloopen.
Door middel van verschillende draden, meer of minder sterk, kunnen
wij ontdekken, dat hij de phase heeft doorloopen, bekend onder den
naam van animisme of animatisme. [1]
Dit is het geloof, dat ieder voorwerp, dat den mensch omringt,
werkelijk een ziel en een persoonlijkheid bezit, even goed als
hij zelf.
Reeds op een vroeg tijdstip ontstond bij den mensch het geloof in een
ziel, dit geheimzinnig tweede ik, waaraan zelfs de minst ontwikkelde
rassen gelooven. Het verschijnsel van den slaap, het weder tot
bewustzijn komen na de sluimering en de vreemde gewaarwordingen en
lotgevallen in den droom, zullen de oudste menschen tot de conclusie
gebracht hebben, dat zij een tweede ik bezaten en het was slechts een
uitbreiding van dit denkbeeld, dat hen tot de veronderstelling bracht,
dat deze tweede gestalte na zijn dood zal blijven voortbestaan.
Doch welk bewijs hebben wij, dat de oude bewoners van Egypte deze
phase hebben doorloopen? Afgezien van het geloof in een menschelijke
ziel, ziet het animisme in ieder voorwerp der natuur een levend
wezen. Op deze wijze bezitten boomen, rivieren, winden en dieren
allen de natuurlijke gave van denken en spreken. Hoe is het nu
mogelijk te bewijzen, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden,
dat dergelijke dingen een ziel bezaten, welke bewustzijn had en een
eigen persoonlijkheid?
In de eerste plaats wat betreft het geloof van de oude Egyptenaren,
dat de mensch zelf een ziel bezat. Het Egyptisch symbool voor de ziel
(ba) is een man met het hoofd van een vogel. De opvatting nu over
de ziel, als vogel voorgesteld, is algemeen verbreid onder de meeste
wilde en onbeschaafde volken. Voor onontwikkelde volken is de vogel
altijd een onbegrijpelijk wezen, door zijn eigenaardige vliegkunst:
zijn verschijning in de lucht, waar men zich de woningen der goden
voorstelde, zijn gezang, dat het spreken naderbij kwam, vermeerderden
nog deze opvatting.
Van den vogel ontwikkelde zich bij de wilde volken de idee van den
gevleugelden geest of god, den bode uit den hemel. Zoo gaf men
aan alle bovennatuurlijke wezens in alle mythologische stelsels
vleugels. Verscheidene Indianen uit Amerika gelooven, dat vogels de
zichtbare geesten der afgestorvenen zijn. De Powhattans van Virginia
geloofden, dat de ziel van hun opperhoofd, na zijn dood, in een vogel
overging en de Aztecs, dat de geest van gestorven krijgslieden de
gedaante van een kolibrie aannam en in den zonneschijn van bloem tot
bloem fladderde.
De Boros van Brazilië koesteren het geloof, dat de ziel de gedaante
van een vogel bezit en in den droom in deze gestalte het lichaam
verlaat. [2] De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia stellen zich de
ziel voor, huizende in een ei, dat zich in den hals bevindt. Indien
het ei barst en de ziel er uit vliegt, moet de mensch sterven. Een
toovenaar uit Melanesië was gewoon zijn ziel in de gedaante van
een arend uit te zenden, om te zien, wat er op de schepen, welke
voorbijvoeren, geschiedde. Plinius vermeldt, dat men de ziel van
Aristeos van Proconnesus uit diens mond in de gedaante van een raaf
heeft zien vlieden. Een soortgelijk geloof vindt men in landen,
die even ver van elkaar zijn verwijderd als Bohemen van Malakka.
Uit deze overeenkomstige voorbeelden zien wij, dat de oude Egyptenaren
niet alleen hebben gestaan in hun voorstelling van de ziel in de
gedaante van een vogel. Deze idee behoort tot de natuur van het
animistisch geloof. Nog andere en meer concrete voorbeelden echter
van dit soort van godsdienstvereering vinden wij bij ons onderzoek.
Om een voorbeeld te noemen: sommige voorwerpen, welke men en in
Egyptische graven en elders heeft gevonden, zijn soms gebroken,
klaarblijkelijk met de bedoeling hun geesten te bevrijden, zonder
twijfel om zich met die van hun eigenaar te vereenigen. Het verhaal
verder, in de Osiris-mythe, dat de kist van dezen verward raakte
in de takken van een boom--een duidelijke aanwijzing van een
volksoverlevering, welke een herinnering is aan een oude vorm van
boom-aanbidding--is een tak van het animistisch geloof.
In de teksten komen ons eveneens herhaaldelijk berichten tegen,
welke alle tot een vroegere stadium van animisme kunnen worden
teruggebracht. Zoo was iedere deur in de andere wereld gevoelig en kon
geopend worden na een behoorlijke bezwering. Wij vinden in hoofdstuk 36
van den Papyrus van Asri de vlam der zon toegesproken als een levend
wezen, evenzoo de veerboot van Ra in hoofdstuk 13. "Ik ben de knoest
van den Asenboom", zegt de doode man in hetzelfde hoofdstuk, terwijl
hij doelt op den boom, welke zich zelf om de kist van Osiris wond.
Dit zijn alle verschijnselen, welke met het animisme in verband
staan en men kan dezen nog in grooten getale vermeerderen,
wanneer men slechts een blik slaat in een willekeurig Egyptisch
manuscript. Eveneens is de latere toepassing der magie in het Nijldal
tot op zekere hoogte een overblijfsel van een animistisch geloof.
Fetischisme en Totemisme.
Het z.g. fetischisme komt eveneens veelvuldig in de Egyptische
godsdienstige opvattingen voor. Vele goden beeldt men af met die
fetischen, van welke zij waarschijnlijk zijn afgeleid. Zoo zijn de
pijl van Neith even zoo goed (deze opvatting zal ik later trachten te
bewijzen) als de symbolen van Min en andere godheden, overblijfselen
van het fetischisme.
Fetischisme (elders [3] gaf ik hierover een meer uitgebreide
beschrijving) is een term, welke men gebruikt voor groote of kleine
voorwerpen, door de natuur gevormd, of kunstmatig vervaardigd,
van welke men zich voorstelt, dat zij een bewustzijn, een wil en
bovennatuurlijke eigenschappen bezitten, kortom, een fetisch is de
woning van een wandelenden geest, welke zich in haar heeft gevestigd.
De overblijfselen van fetischisme kan men nog bespeuren in de
amuletten, welke door ieder Egyptenaar, hetzij dood of levend, werden
gedragen. Alle amuletten behooren tot de natuur der fetischen en
dikwijls hoort men de bewering, dat het geluk in haar huist.
Evenals de onbeschaafde volken gelooven aan een krachtigen invloed,
welke het welzijn van den mensch op het oog heeft, zoo kan zelfs
een beschaafd man niet geheel en al de gedachte van zich afzetten,
dat èèn of ander voorwerp, aan zijn horlogeketting bevestigd, niet
een aangeboren eigenschap bezit, om geluk aan te brengen.
Verscheidene van deze amuletten zijn de zinnebeeldige voorstellingen
van godheden, zoo b.v. de afbeelding van een gesp, welke het symbool is
van Isis' bescherming, van het heilig oog, als voorstelling van Horus;
zoo kan wellicht het symbool der evenwijdige vingers een herinnering
zijn aan de fetischistische halssnoeren van vingers, welke men bij
verschillende woeste volken heeft gevonden.
Verscheidene Egyptologen ontkennen, dat het totemisme, als een kracht,
in de godsdienst van het oude Egypte zijn intrede heeft gedaan.
Men kan het totemisme definieeren als de erkenning en de werking
van de denkbeeldige, mystieke betrekking van een persoon, of een
geheele familie, tot de bovennatuurlijke machten of geesten, welke
hem omringen.
Terwijl de fetisch in zeker opzicht de dienaar van haar eigenaar is,
een geest, welke naderbij gelokt is om in een voorwerp te wonen,
ten einde het bevel van een enkel persoon, of een gemeenschap, uit te
voeren, is de totem, of tot één persoon, of tot een familie behoorende,
een patroon en een beschermer en wordt dikwijls in de gedaante van
een dier, of een plant, voorgesteld.
Het fundamenteele verschil tusschen de persoonlijke totem en die van
een familie is nog niet geheel opgehelderd, maar het zal voor ons
doel voldoende zijn de laatste te behandelen.
De meest bekende tegenstander van de theorie, dat sommige godheden van
het oude Egypte van totemistischen oorsprong waren is Dr. E. A. Wallis
Budge, de welbekende Egyptoloog.
In zijn werk getiteld: "Gods of the Egyptians" zegt hij o.a. het
volgende: "Het schijnt nu over het algemeen door de ethnologen te
worden aangenomen, dat er drie hoofdoorzaken waren, welke de menschen
tot het aanbidden van dieren heeft gevoerd; zij hebben hen n.l. of
aangebeden als dieren, of als wezens, waarin een godheid huisde,
of als vertegenwoordigers van de stamvaders der familie.
Er is geen enkele reden om er aan te twijfelen, dat de oudste
Egyptenaren, in het neolithisch tijdvak, de dieren in hun kwaliteit
van dieren en als niet anders hebben vereerd".
Geen van de bovengenoemde stellingen komt de definitie van het
totemisme nabij. De theorie, dat de totem een stamvader der familie is,
wordt thans betwijfeld. Dr. Budge gaat daarna aldus voort: "De vraag
of de Egyptenaren dieren aanbaden, als representanten van stamvaders
of totems, heeft tot vele discussies aanleiding gegeven en men kan
zich daarover niet verbazen, want het onderwerp is zeer lastig.
Wij weten, dat op verscheidene standaards, welke de nomen van Egypte
voorstellen, afbeeldingen van vogels en andere dieren voorkomen,
o.a. van een havik, een stier, een haas enz. Doch het is niet
duidelijk, of men de bedoeling heeft gehad door deze afbeeldingen
"totems" aan te duiden, of niet.
De afbeelding van een vogel of een ander dier, dat zich boven op
een standaard van den nome bevond, was niet bedoeld als fetisch
of stamvader, maar slechts als een wezen, dat als een godheid werd
beschouwd, onder wier bescherming de bevolking van een bepaalde streek
was geplaatst en wij mogen aannemen, dat het niet geoorloofd was,
binnen de grenzen van dat gebied een zoodanigen vogel of een dergelijk
dier te dooden". Totems worden altijd gedragen op banieren, stokken en
schilden en het is door de wet verboden hen te dooden. Hij stelt dan
vast, dat de theorie over de totems eenige opheldering kan brengen bij
bepaalde feiten, welke met de dierenvereering van verschillende woeste
en half-beschaafde stammen in eenige deelen der wereld in verband
staan, maar het kan niet in de bedoeling van den schrijver liggen,
ons een uitlegging van de dierenvereering der Egyptenaren te geven.
Waarom, kan men vragen, zou Egypte alleen van den invloed van het
totemisme bevrijd zijn gebleven? Dr. Budge vervolgt en heeft hierbij de
bedoeling, de geheele theorie over de totems te weerleggen, dat op de
standaards van sommige nomen de afbeeldingen van nog andere voorwerpen,
behalve die van dieren werden vereerd en als goden werden beschouwd,
of dat zij de symbolen van goden zijn geworden, die in hun gedaante
werden vereerd.
Zoo beeldde men op sommige standaards heuvels, pijlen, visschen
en andere dingen af. Dr. Budge meent, dat deze voorwerpen niet van
fetischistischen, of totemistischen, oorsprong kunnen zijn. Dr. Budge
kan, om een voorbeeld te noemen, er geen verklaring voor vinden,
dat drie heuvels met een of anderen god in verbinding kunnen staan.
Dit is echter een mythologisch probleem, dat niet zeer lastig op te
lossen is. In verschillende deelen der wereld zijn bergtoppen, hetzij
afzonderlijk, hetzij groepsgewijze, voorwerpen van directe vereering;
een berg kan vereerd worden, omdat hij de woonplaats van een god is;
dit kan zijn om zich zelf, zooals bijv. de Olympus, de Sinaï en de
berg Karmel, welke later de verheven woonplaats van goden werden,
of zij kunnen ook vereerd worden, omdat zij de geboorteplaatsen van
bepaalde stammen zijn.
Zoo b.v. had in het oude Peru, zooals de Indische schrijver Salcamayhua
ons vertelt, iedere plaatselijke tribus haar z.g. paccarisca of
geboorteplaats, en velen van dezen waren bergen, welke door de
inboorlingen onder de volgende versregel werden aangesproken:
"Gij zijt mijn geboorteplaats,
Gij zijt mijn levenslente,
Bescherm mij tegen den boozen demon,
O paccarisca!"
Natuurlijk waren deze bergen tevens plaatsen, waar een orakel was
gevestigd, evenals die, welke op de Egyptische standaards waren
afgebeeld. Dat zij als orakels werden vereerd alleen om de plaats
zelf en niet als de verblijfplaats van een godheid, kan men wellicht
hieruit bewijzen, dat zij, liever dan de godheid, op de standaards
werden afgebeeld.
Evenmin kan Dr. Budge op mythologische gronden een verklaring vinden
voor de afbeelding van twee pijlen, met de inkervingen naar elkaar
toe gericht en met een dubbele punt naar buiten gekeerd. Pijlen van
deze soort komen als fetisch veelvuldig voor, in alle deelen der
wereld. Onder de Indianen in de Plains is een getal van vier pijlen,
welke heelende kracht bezitten, een palladium van den stam en zij
verzekeren, dat zij dezen vanaf het begin der wereld hebben gehad;
jaarlijks worden dezen bij ceremonies in hun stam gebruikt, zoo
kortelings nog in het jaar 1904.
Zij hadden zelfs een plechtigheid, welke het vastmaken der pijlen
werd genoemd, door bepaalde priesters, voor dit doel aangewezen,
verricht, die deze fetisch moesten bewaken. [4]
Er zijn echter nog veel meer andere, overtuigende bewijzen voor de
totemistische natuur van een groot aantal Egyptische godheden. Het is
b.v. duidelijk, dat Bast, die met den kop van een kat wordt afgebeeld,
en die eerst in de gedaante van een kat werd vereerd, oorspronkelijk
een kat-totem was. De krokodil was de incarnatie van den god Sebek
en woonde in een meer in de buurt van Krokodilopolis.
Ra en Horus worden met een havikkop afgebeeld en Thoth met den kop
van een ibis; Anubis heeft het hoofd van een jakhals. Dat sommige
van deze gestalten totemistisch waren, is niet te betwijfelen. Het
was echter een totemisme, dat in verval was en hierbij was het
oorspronkelijk geloof geconcentreerd op bepaalde dieren, welke men
als goddelijk beschouwde, totems, welke godheden waren geworden,
van vleugels voorzien.
De Egyptenaren droegen standaards, waarop hun totemistische dieren
waren voorgesteld, evenals de inboorlingen van Upper-Darling hun totems
op hun schilden graveeren, of zooals verschillende Amerikaansche
stammen in oorlogstijd stokken dragen, waaraan stukken boomschors
zijn bevestigd, op welke men de totems van dieren heeft geschilderd.
Diodorus heeft een bericht, waarbij op de bescherming door een totem
wordt gezinspeeld. Hij vertelt, dat er in Egypte een verhaal de ronde
deed, dat een der oude koningen door een krokodil van den dood was
gered. Tenslotte werden in eenige nomen van Egypte bepaalde dieren
door de inwoners niet als spijs genuttigd. Dit is ongetwijfeld een
aanwijzing van het bestaan van totemisme en geen meer overtuigend
bewijs kan men hiervoor aanwijzen.
Daarentegen is er geen enkele reden om te vermoeden, dat in later tijd
in Egypte alleen dieren zijn vereerd om totemistische redenen. Het kan
zijn, dat de latere dierenvereering een overblijfsel van totemisme is
geweest, doch het is meer waarschijnlijk, dat deze zuiver symbolisch
van karakter is geweest.
Juist wanneer de gewone vormen van vereering en geloof, welke met het
totemisme verbonden zijn, tenslotte herzien worden, kan het totem
dier zijn dierlijke gestalte behouden, en in plaats daarvan neemt
dit een halfmenschelijke gedaante aan.
Er is een hit-totem, welke door een bepaalde stam van Noord-Amerika
wordt vereerd; deze maakt op het oogenblik een evolutie door en is
een godheid geworden, met vleugels voorzien, maar toch heeft hij nog
steeds zijn gestalte van paard behouden.
Verder is het gemak, waarmede de Egyptische goden zichzelf in dieren
kunnen veranderen, door middel van tooverformules [5], in verschillende
gevallen een evident bewijs voor hun totemistischen oorsprong.
Er is gezegd, dat niet alleen afzonderlijke dieren, maar alle dieren
van een klasse in sommige nomen heilig waren. "Bij deze gevallen",
zegt Wiedemann, "werden de dieren niet als goden vereerd, maar eerder,
omdat zij in het bijzonder door de goden werden vereerd". Daar dit
echter juist onder de volken in de totemistische phase voorkomt,
kan deze bewering niet steekhoudend blijven.
Scheppingsmythen.
Er zijn verschillende berichten, welke op de schepping der wereld en
der menschen betrekking hebben.
In de teksten der Pyramiden vinden wij toespelingen op het bestaan
van acht goden, die de scheppers van het heelal zouden zijn geweest.
Nu en zijn gezellin Nut waren de goden van het firmament en den
regen, welke daaruit te voorschijn komt. Hehu en Hehut schijnen de
personificatie van het vuur te zijn en Kekui en Kekuit stellen de
duisternis voor, welke over de oorspronkelijke watervlakte hing. Kerh
en Kerhet schijnen verder den Nacht of den Chaos te personificeeren.
Sommige van deze goden worden afgebeeld met den kop van een kikvorsch
[6], andere met dien van een slang en in dit verband worden wij
vanzelf aan die goden herinnerd, over wie in de scheppingsmythe in
de Popol-Vuh, het heilige boek der Kiche Indianen van Guatemala
wordt verhaald; twee van deze goden, Xpiyacoc en Xmucane, worden
in dit verhaal genoemd: de oude slangen, met groene veeren bedekt,
een mannelijke en een vrouwelijke.
Wij vinden in dit bericht over de geschiedenis der schepping,
waarvan thans sprake is, de toevoeging van de levenskiemen, in diepe
duisternis gehuld, aanwijzingen, welke aan ieder, die de mythologie
bestudeert, bekend zijn als symptomen der scheppingsgeschiedenis,
over de geheele wereld.
Een papyrus (van het jaar 321 v.C.), welke in het Britsch Museum wordt
bewaard, bevat een aantal hoofdstukken van een magisch karakter,
welke zich ten doel stellen Apepi, den vriend van de duisternis te
vernietigen; in dezen vinden wij twee verhalen over de geschiedenis
der schepping, welke een beschrijving geven van het ontstaan der zon.
In één verhaal vertelt god Ra, dat hij zelf de gestalte van Khepera
aannam, den god, van wien men geloofde, dat hij de gave van schepping
in zich droeg. Hij vertelt verder, dat hij voortging nieuwe voorwerpen
te vormen uit die, welke hij reeds had gemaakt en dat dezen uit zijn
mond te voorschijn kwamen.
"De hemel", aldus verhaalt hij, "bestond niet en de aarde was nog niet
in wording, en de dingen op aarde en de kruipende wezens bestonden
nog niet, maar ik deed hen uit Nu te voorschijn komen, uit het niet".
Dit beteekent dus, dat Khepera het leven in het heelal deed ontstaan
uit een materie, welke uit de diepte van Nu was geschept.
"Ik vond geen plaats", zegt Khepera verder, om te staan. Ik liet een
toovermiddel op mijn eigen hart inwerken. Ik legde den grondslag voor
Maät. Ik maakte iedere gestalte; ik was geheel alleen; ik had Shu
niet uit mijzelf te voorschijn laten komen en de godin Tefnut niet
uit mijzelf gespuwd. Er was geen ander wezen, dat met mij samenwerkte".
Het zooeven gebruikt woord Maät beteekent wet, orde of regelmaat en uit
de toespeling, dat hij een toovermiddel op zijn hart liet inwerken,
mogen wij de conclusie trekken, dat Khepera bij het scheppingsproces
van tooverkunst gebruik maakte, of het kan ook in den stijl van
de Schrift beteekenen, dat hij bij zichzelf nadacht een wereld te
scheppen.
De god gaat dan voort, dat uit den grondslag van zijn hart een menigte
dingen te voorschijn kwam. De zon echter, het oog van Nu, was verborgen
achter Shu en Tefnut en eerst na een onbepaalden tijd rezen deze twee
wezens uit de watermassa op en brachten het oog van hun vader met zich.
In verband hiermede vinden wij, dat de zon, als oog, een zekere
verwantschap met water heeft. Op dezelfde wijze verpandde Odin zijn oog
aan Mimir voor een teug water uit de bron der wijsheid en wij zien,
dat aan bronnen, welke beroemd zijn, doordat zij blindheid kunnen
heelen, dikwijls legenden zijn verbonden van heiligen, die hun eigen
gezicht opofferden. [7]
De kern van deze legende is waarschijnlijk de omstandigheid, dat de
zon, als hij in het water wordt weerkaatst, het uiterlijk van een
oog heeft. Zoo volgde het oog van Nu, Shu en Tefnut, toen zij uit het
water oprezen. Shu is hierbij waarschijnlijk de voorstelling van het
daglicht en Tefnut van de vochtigheid.
Khepera stortte hierop rijkelijk tranen en uit dezen kwamen de
man en de vrouw te voorschijn. De God maakte hierna een ander oog;
waarschijnlijk is hier de maan bedoeld. Hierna schiep hij de kruiden
en planten, al het kruipend gedierte, onder welken de slangen, terwijl
uit Shu en Tefnut, Geb en Nut, Osiris en Isis, Set, Nephtys en Horus
geboren werden. Dezen maken tezamen de groote goden van Heliopolis
uit en hieruit kan men voldoende opmaken, dat het laatste gedeelte
der geschiedenis een maaksel der priesters was.
Er was echter een andere lezing, klaarblijkelijk een scheppingsverhaal,
dat de vereerders van Osiris moest bevredigen. In het begin van
dit verhaal vertelt Khepera ons ineens, dat hij Osiris is, het
begin der oerstof. Dit verhaal was zuiver een vrije bewerking der
scheppingsmythen ten behoeve van den Osiriscultus.
In dit verhaal verhaalt Osiris, dat hij in den beginne geheel alleen
was; uit de onbewegelijke wateren nu van Nu deed hij een goddelijke
ziel opkomen, dat wil zeggen, hij gaf aan de oorspronkelijke watermassa
een ziel uit zich zelf. De mythe gaat dan woord voor woord precies op
dezelfde wijze voort als het verhaal, dat zich met het scheppingswerk
van Khepera bezig houdt. Maar slechts tot zoover, want wij vinden,
dat Nu eenigermate met Khepera is geïdentificeerd en dat Osiris
verklaart, dat zijn oog gedurende een lange reeks van jaren bedekt
was door lange struiken.
Hierop werden de menschen geschapen in een wordingsproces, ongeveer
gelijk als in de eerste legende wordt beschreven. Uit deze verhalen
zien wij, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden, dat een
eeuwige godheid, die in een oer-watermassa woonde, waar hij geen
steun voor zijn voet kon vinden, de watermassa onder zich van een
ziet voorzag; dat hij de aarde schiep, door een toovermiddel op
zijn hart te laten inwerken, bovendien uit zijn eigen bewustzijn
voortkomende en dat dit hem plaats gaf, om daarop te blijven staan;
dat hij verder de duisternis wegvaagde door de zon en de maan uit
zijn oogen te vervaardigen.
Na deze daden volgde de schepping van man en vrouw, die hij bijna
niet bemerkte, n.l. door te weenen en daarna de schepping van planten,
kruipend gedierte en sterren.
Bij dit alles zien wij het overblijfsel van een scheppingsmythe van
een zeer primitief en onbeschaafd type, hetwelk meer gelijkt op de
ruwe verbeeldingskracht van den Roodhuid, dan een opvatting, van
welke men veronderstelt, dat zij is voortgekomen uit het bewustzijn
van het klassieke Egypte.
Alle godsdienstsystemen echter ontspruiten uit dergelijk, weinig
belovend materiaal en hoezeer men zich ook inspant om te bewijzen,
dat de Egyptenaren in dit opzicht van andere rassen verschilden,
kan men deze verdediging niet langen tijd staande houden en wel door
het onomstootbaar bewijs der feiten.
In de teksten der Pyramiden vinden wij aanduidingen op andere goden,
en sommige van dezen dragen zelfs geen naam. In den tekst van Pepi I
b.v. zien wij, dat vereering aan een godheid wordt bewezen, welke drie
gezichten heeft en storm brengt. Dit schijnt dus een wind- of regengod
te zijn geweest en zijn voorkomen is overgebracht op de vier punten
van het kompas, waaruit de vier winden komen. De tekst legt inderdaad
hiervan bewijs af, terwijl zij zegt: "Gij hebt uw speer opgenomen,
welke U dierbaar is, uw gepunt wapen, 't welk in de oevers van de
rivier dringt met zijn dubbele punt, evenals de pijlen van Ra en met
een dubbel heft, evenals de haken van de godin Maftet"
Het gezelschap der Goden.
In de teksten der Pyramiden vinden wij herhaaldelijk melding gemaakt
van verschillende groepen van goden, elk uit 9 bestaande. Eén van deze
gezelschappen der goden of Enneads, heette het Groote en een ander het
Kleine, en eveneens wordt op de negen goden van Horus gezinspeeld. Het
is echter onbekend, of deze groep in eenig opzicht in verband staat
met een van beide andere.
In de pyramidenteksten van Teta lezen wij insgelijks over een dubbele
groep van achttien goden en dezen vinden wij eveneens in den tekst
van Pepi I. Wellicht zijn deze achttien goden eenvoudig de Groote en
Kleine Gezellen van goden bij elkaar genomen. In de teksten evenwel
van Pepi I en Teta vinden wij een derde gezelschap van negen goden
en dezen worden door de priesters van Heliopolis officieel erkend;
deze drie gezelschappen worden voorgesteld door 27 symbolen, op een
rij geplaatst, die het woord neter (god) vormen.
Hoewel men, indien men over deze gezellen der goden spreekt, steeds het
getal negen gebruikt, moet men dit op rekening zetten van de benaming
"Pesedt", welke negen beteekent. In werkelijkheid toch bevat het
"Kleine Gezelschap" elf goden, maar hun oorspronkelijk aantal was
negen, en zooals Gaston Maspéro zegt, kan ieder van hen, voornamelijk
de eerste en de laatste, ontwikkeld worden. Nu kan het zijn, dat
een plaatselijke vereeniging van goden, zooals b.v. in Heliopolis,
de goden van een anderen nome, of district, in zich heeft opgenomen
op een of twee manieren; dat wil zeggen, dat de vreemde god geheel
en al de plaats van den localen god heeft ingenomen, of naast hem is
geplaatst. Aan den anderen kant kunnen vreemde goden in den hoofdgod
van de Pesedt zijn opgegaan.
Wanneer een nieuwe god tot het gezelschap van andere goden werd
toegelaten, sloot dit in zich, dat allen, die met dezen verbonden
waren, op dezelfde wijze werden opgenomen; hun namen echter werden
niet gerangschikt naast die van de vroegere medeleden.
Deze drie vereenigingen van goden werden in het tijdvak der 5e
dynastie geheel en al tot ontwikkeling gebracht en het lijdt geen
twijfel, of de Egyptische theologie heeft de vorming van dit pantheon
aan de priesterkaste, welke te Heliopolis regeerde, te danken.
Aan de derde Pesedt gaven zij geen naam. De goden van het eerste
gezelschap waren Tem, Shu, Tefnut, Qeb, Nut. Osiris, Isis, Set,
Nephtys. Soms treedt Horus als aanvoerder van het gezelschap op,
in plaats van Tem. In den tekst van Unas vinden wij de namen van de
goden van het Kleine Gezelschap opgegeven, maar voor het meerendeel
zijn zij geheel en al onbelangrijk.
Het derde gezelschap wordt zelden vermeld en de namen van zijn goden
zijn onbekend. De aarde, zoowel als de hemel en de onderwereld,
hebben hun aantal goden en het is zeer waarschijnlijk, dat de drie
gezelschappen der goden op een van deze drie streken betrekking
hebben. De leden van elk gezelschap varieeren in verschillende
tijdvakken en in verschillende steden. De groote locale god, of godin,
was altijd het hoofd van het gezelschap in een bepaalde streek.
Zooals reeds is opgemerkt, kon hij met een andere godheid worden
vereenigd. In Heliopolis b.v. was de voornaamste plaatselijke god Tem;
de priesters verbonden den naam van Ra met den zijne en richten tot
hem hun gebeden onder den naam van Ra-Tem. Teksten uit alle tijden
toonen aan, dat de voornaamste locale goden van verschillende steden
tot het laatst hun vooraanstaande plaats behielden.
Het Egyptische land was in provincies verdeeld, genaamd hesput, welke
door de Grieken nomen werden genoemd; in elk van deze districten had
een bepaalde god, of groep van goden, de opperheerschappij, terwijl
het verschil voortsproot uit overwegingen, welke met het verschil
van ras in verband stonden, of anderszins. Voor de bevolking van
iedere nome was hun god de god par excellence, en het is duidelijk,
dat in de oudste tijden de vereering van iedere provincie bijna in een
aparten godsdienst overging. Deze verdeeling van het land moet in een
vroege periode hebben plaatsgevonden en dit heeft gewis bijgedragen
tot het bewaren van het verschil op godsdienstig gebied.
De goden der nomen dateeren uit de tijden vóór de dynastieën,
zooals men kan bewijzen uit inscripties, welke men voor de teksten
der pyramiden dateert. Het aantal dezer provincies varieerde in de
verschillende tijdvakken, maar het getal schijnt tusschen 35 en 40
te hebben afgewisseld.
Het zou geen doel hebben op deze plaats de verschillende goden der
nomen op te sommen, daar verscheidene van hen onbekend zijn; wel
zullen wij vermelden, waartoe zij behoorden. Verschillende nomen
vereerden denzelfden god. Zoo werd, om een voorbeeld te noemen,
Horus in niet minder dan 6 provincies aanbeden, terwijl Khnemu in 3
en Hathor eveneens in 6 districten werden vereerd.
De gods-idee der Egyptenaren.
Het woord, waarmede de Egyptenaren een god en verder alle
bovennatuurlijke wezens van welken aard ook, aanduidden, luidde:
neter. De meeste Egyptologen zijn van meening, dat de hieroglyph,
welke dit woord voorstelt, op een bijl gelijkt, welke aan een langen
steel is bevestigd. Sommige archaeologen zien in deze figuren een
afbeelding van een rol van geel doek, waarvan het onderste gedeelte is
vastgebonden, of vastgeregen, terwijl het bovenste gedeelte volgens
hun meening een lap is, aan den top vastgebonden, klaarblijkelijk
om te worden losgewonden. Eveneens is het vermoeden uitgesproken,
dat het voorwerp een fetisch voorstelt, b.v. een been, zorgvuldig
met doek omwonden en niet doek alleen.
Over de meeste goden, die gedurende de eerste 4 dynastieën zijn
vereerd, weten wij bitter weinig, voornamelijk door het gemis aan
schriftelijke overlevering, hoewel men sommige kent uit de inscriptie
genaamd de "Palermo-steen", welke over verschillende locale godheden
aanwijzingen heeft.
Sommige gedeelten van het "Boek der Dooden" zijn wellicht gedurende
de 1e dynastie herzien en hieruit kunnen wij bewijzen, dat de
godsdienst der Egyptenaren, zooals hij ons uit de latere teksten wordt
geopenbaard, ten naaste bij gelijk was aan dien, welke gedurende de
drie eerste dynastieën bestond.
Eerst in de 5e en 6e dynastie kunnen wij materiaal ontdekken om
het Egyptische pantheon te bestudeeren en wel op de pyramiden van
Unas. Teta, Pepi I en anderen. Het schijnt, dat in deze periode de
eerste phase der Egyptische ontwikkeling is begonnen. Tevens is het
duidelijk, dat het materiaal door de Pyramiden-teksten verschaft,
verschillende lagen van godsdienstige gedachten en opvattingen in
zich bevat, waarschijnlijk door ontelbare menschengeslachten aan de
bouwers der pyramiden nagelaten.
In deze wondervolle teksten vinden wij de duidelijke voorbeelden
van de meest primitieve en onbeschaafde godsdienstige elementen
van animistischen, fetischistischen en totemistischen oorsprong;
deze teksten hebben voor het meerendeel betrekking op de begrafenis
en in verband hiermede houden zij zich het meest met de goden der
onderwereld bezig.
Godheden in de teksten der Pyramiden.
Om deze eerste phase van het godsdienstig denken in Egypte goed te
verstaan, is het zeer zeker noodig in het kort de goden, waarop in de
teksten der Pyramiden gezinspeeld wordt, de revue te laten passeeren
en voor het oogenblik hen, afgescheiden van de rest van het Egyptisch
pantheon, te beschouwen. Op deze wijze moeten wij er ons voor hoeden
deze begrippen bepaaldelijk te betitelen met namen als: watergod,
dondergod, zonnegod en zoo voort.
In weerwil van de nasporingen der laatste halve eeuw, is de wetenschap
der mythologie nog in haar kindsheid en zij, die op dit gebied
arbeiden, beginnen nu te vermoeden, dat slechts variaties of phases
van bepaalde godheden, welke in het geheel geen afzonderlijke wezens
waren, in vele gevallen aanleiding tot het vermoeden hebben gegeven,
dat zij iets tot een afzonderlijke wezen vormden, wat dit in het
geheel niet verdiende.
De goden van het Grieksche of Romeinsche pantheon zijn zonder twijfel
goede voorbeelden van goden, van wie de kenmerkende eigenschappen
geheel en al zijn vastgesteld. Zoo kan men zeggen, dat Mars de god
van den oorlog, Pallas Athene de godin der wijsheid is; dit waren
echter louter de eigenschappen, door deze goden verkregen, welke in
de publieke opinie het meest populair waren.
Onderzoekingen van jongeren datum hebben het bewijs geleverd, dat de
meeste goden der Grieken en Romeinen tot oudere vormen kunnen worden
teruggebracht; sommige van hen bezitten verschillende attributen,
andere daarentegen zijn van eenvoudiger vorm dan de latere opvatting
over hen zou doen vermoeden.
Verschillende goden, die later een andere strekking hebben gekregen,
zijn zonder twijfel met de natuurverschijnselen verbonden. Op deze
wijze ontstond er een verbinding tusschen de goden van den regen en
den donder en bliksem; het bezit van een lichtenden pijl is vaak een
aanduiding op de jacht of den oorlog; alle maangodheden zijn tevens
goden der vochtigheid en beschermers der geboorten. Sommige regengoden
zijn tevens de beheerschers der winden, van de dooden, het weerlicht,
den oorlog, de jacht, de beschaving en zoo voorts.
De zonnegod, in zijn kwaliteit van beheerscher van den hemel, kan
tevens alle meteorologische verschijnselen veroorzaken. Hij is de god
van den wasdom, den rijkdom, daar het goud de gele kleuren van zijn
stralen bezit; hij kan tevens de reizigers beschermen, daar hij zelf
den hemel doortrekt en zoo bestuurt hij onbeperkt alle onderdeelen
van het menschelijk bestaan.
Men kan zich verder voorstellen, dat uit het polytheisme langzamerhand
een soort van monotheisme is ontstaan, waarbij één god de heerschappij
over het geheele menschdom verkreeg of, om het anders uit te drukken,
het is mogelijk, dat één god zoo populair werd, of de priesters
van dezen zoo machtig werden, dat alle andere godsdiensten bij zijn
verbreiding en groei in het niet zonken.
Aan den anderen kant echter kan het polytheisme zeer goed ontstaan
zijn uit een vroegeren vorm van monotheisme, [8] terwijl dit weer op
zijn beurt een voortbrengsel is van een volslagen fetisch of totem,
want de attributen van een grooten eenvoudigen god kunnen in de
handen van een volk, dat zich nog gedeeltelijk in een phase van
animisme bevindt, zoo van een persoonlijkheid doordrongen worden,
dat zij geheel en al aparte wezens schijnen te zijn.
Bij de behandeling van de goden, waarop in de Pyramiden-teksten wordt
gezinspeeld en van wie verscheidene klaarblijkelijk zijn afgeleid,
moeten wij ons herinneren, dat, hoewel het noodzakelijk is, hen meer
of minder te omschrijven, men de stof van dit hoofdstuk in het oog
moet houden.
Het is toch niet ons doel geheel en al over de natuur of de
karakteristiek van de goden, in de Pyramiden-teksten vermeld,
beschouwingen te houden, doch zuiver en alleen een korte schets van hen
te geven, zoodat de lezer in staat is zich een idee te vormen over den
Egyptischen godsdienst in het algemeen gedurende de oudste dynastieën.
De godin Net of Neith, die in de Pyramiden-teksten van Unas wordt
vermeld, is een gestalte, waarin wij een personificatie van den mist
of den regen kunnen ontdekken, daar zij met een pijl wordt afgebeeld,
het symbool van den bliksem. Horus met zijn havik-hoofd (waarschijnlijk
oorspronkelijk een havik-totem), is een van de manifestaties van den
zonnegod, van wien hij wellicht is afgeleid en met wien hij verwant
is. Khepera, dien men eveneens, in de teksten van Unas vindt, is
een andere vorm van den zonnegod. Het bezit van de afbeelding van
den kever is een symbolische voorstelling van de wijze, waarop de
zon zich wentelt langs den hemel, zooals de Egyptische kever, of
scarabaeus zijn eieren over het zand voortwentelt.
Khnemu, met een hoofd van een ram voorzien, wiens naam beteekent
vernietiger, of vereeniger, was klaarblijkelijk de totemistische
godheid van een vreemd volk, dat zich in Egypte vestigde, welke het
tot een godheid bracht, of misschien het geloof aan één god wist te
verwekken, dan wel tenminste voor schepper werd gehouden en in den
Egyptischen godsdienst met al zijn attributen is opgenomen. Sebet, de
krokodillengod, Ra en Ptah, twee andere gestalten van den zonnegod,
Nu, de waterachtige massa van den hemel, deze allen komen eveneens
in de Pyramiden-teksten van Unas en Teta voor, evenals Hathor.
Oudste begrafenissen.
De Egyptische godsdienstige leerstellingen bevorderden zorgvuldig de
idee het menschelijk lichaam na den dood voor bederf te vrijwaren. In
de oudste periode werpen de begrafenissen van dien tijd het meeste
licht op de natuur van het godsdienstig geloof.
Het lijk werd, als het begraven werd, in een zoodanige houding
neergelegd, dat men kan vermoeden, dat het tevoren dubbel was
gevouwen. De knieën raakten de kin aan en de handen werden over
het gelaat uitgespreid. Het hoofd werd naar het Westen gekeerd. In
den lateren prae-historischen tijd werd het lichaam dikwijls stevig
omwonden met lappen, welke strak werden aangetrokken, om alle beenderen
evenwijdig aan elkander te doen liggen. In nog later prae-historischen
tijd werd een minder stijve lichaamshouding toegelaten, welke een
ruimere ligging gedoogde.
In nog lateren prae-historischen tijd omwond men het lijk met linnen
kleedingstukken. Het werd met allerlei voorwerpen omringd, welke
voor zijn gebruik, voedsel of verdediging in de andere wereld waren
bestemd, of wellicht voor het gebruik van zijn _ka_; zoo treft men
steenen vaatwerk aan met bier, verschillende soorten zalf, steenen
messen en speerpunten, halssnoeren en andere voorwerpen, welke de
overledene gedurende zijn leven had gebruikt. Men plaatste verder
amuletten op zijn lichaam om dit tegen den invloed van booze geesten,
zoowel op deze wereld, als in het leven hiernamaals, te beschermen.
In het Oude Rijk, dat men het tijdvak der Pyramiden kan noemen, komt
een nieuwe wijze van begraven in zwang, en wel een eenvoudige soort van
mummificatie. Men heeft goede reden aan te nemen, dat dit gebruik uit
de vereering van Osiris, den god der dooden, is ontstaan en dat dit
op krachtige wijze zijn invloed heeft doen gelden op de toekomstige
begrafenisgebruiken en alle theologische gedachten en gebruiken.
Tusschen den tijd echter, welken wij den prae-historischen kunnen
noemen en dien van de Pyramiden, waren nog verschillende andere
wijzen van begraven gebruikelijk. De Pharaoh werd, gedurende de
eerste dynastie, in een ruim rechthoekig gewelf van baksteen, dat
verschillende kamers bevatte, doch van buiten af ontoegankelijk was,
bijgezet. In een van deze kamers werd het lichaam van den koning
neergelegd en in de andere vertrekken verschillende offeranden en
gereedschappen geplaatst.
Het geheel was louter een verdere phase van de prae-historische wijze
van begraven. In het uitwendige van de graftombe bevonden zich nissen,
door welke de _ka_ van den gestorven koning in staat zou zijn naar
believen de graftombe te verlaten en weer binnen te gaan.
Rondom het geheele gewelf was een muur gebouwd, van tijd tot tijd
werden versche offeranden voor den gestorven heerscher in de nissen
geplaatst en waarschijnlijk was over het geheel een hoogte van aarde,
of baksteen aangebracht.
De naam van den monarch werd in hieroglyphen op een groote, marmeren
gedenkplaat aan de buitenzijde gegrift, zonder eenige nadere aanduiding
over zijn leven, karakter, of daden. Verscheidene van deze oude
koningsgraven bevatten tevens de graven van vrouwen, bedienden en
honden. Deze wijze van offering, welke inderdaad tot het Neolithisch
tijdvak behoort, had ten doel den koning gezelschap te geven en hem
van dienst te zijn bij zijn verlangens en behoeften in het nieuwe
leven; later echter hield men met deze offers op en in plaats van
het offer zelf werden de beeltenissen van vrouwen, of onderkoningen,
in de koninklijke tombe aangebracht.
De Pyramiden.
Langzamerhand is uit deze rustplaats de grootsche opvatting der
pyramiden ontstaan. Inderdaad is de pyramide niets anders dan een groot
grafgewelf, een reusachtige grafheuvel, waarop in plaats van steenen
of rotsblokken, groote blokken graniet werden opgestapeld. Dikwijls
is de grafkamer, welke zij bevat, niets anders dan een gewelf, dat
men door een nauwen doorgang, of galerij, kan bereiken, en dat men
terstond na de begrafenis van den koning zorgvuldig dichtmetselde.
Oorspronkelijk waren deze grafkamers van geen enkele versiering
voorzien en eerst tegen het einde van het Midden-Rijk werd het
gewoonte ze met teksten te beschrijven, welke op het toekomstig
leven betrekking hadden. Op deze wijze ontstonden deze wondervolle
pyramiden-teksten, uit welke wij zooveel over het leven van het oude
Egypte hebben geleerd.
Aan de Oostzijde van de pyramide werd een tempel gebouwd, welke
aan de vereering van den gestorven monarch was gewijd en in
welke plichtsgetrouw en punctueel offeranden aan zijn schim werden
gebracht. Daar hij na zijn dood tot een godheid werd verheven, werd
zijn beeld in deze kwaliteit van godheid in een vertrek geplaatst,
dat speciaal hiervoor was ingericht.
De eigenlijke steenmassa, waaruit de pyramide zich heeft ontwikkeld,
kan teruggebracht worden tot de beschermende muur van de graftombe. In
de derde dynastie heeft men deze kleine afsluitmuur met een dak
voorzien en tot een stevige massa van metselwerk uitgebreid, welke door
de Arabieren Mastaba werd genoemd, eigenlijk een afgeknotte pyramide.
Dit metselwerk werd later gedurende dezelfde dynastie in steen
nagebootst, zooals bij Saqquara en door herhaalde toevoegingen en
successievelijke bekleedingen van metselwerk vergroot. Ten slotte
kreeg het geheel een omhulsel van blokken kalksteen en krijgen wij
een bouw zooals de pyramide van Medum.
Pyramidenbouw.
De bouw in den vorm van pyramiden is typisch Egyptisch en zelfs daar
beperkt zij zich tot het tijdvak tusschen de 4e en 11e dynastie,
of voor 3000 v.C. Ten onrechte heeft men de teocalli van Mexico
en Midden-Amerika, ook trappentempels genoemd, over 't algemeen
met de pyramiden vergeleken; deze laatsten toch waren een plaats
van vereering, terwijl de Egyptische vorm alleen een begraafplaats
was. Een vast plan lag aan deze reusachtige bouw ten grondslag. Sommige
schrijvers hebben opgemerkt, dat de pyramiden door het bloote toeval
zijn ontstaan en door woeste krachten. Het is er ver van af, dat
dit juist is; integendeel, zij werden met groote zorg gebouwd en
wiskunstige berekeningen, buitengewoon ingewikkeld, liggen aan het
plan van den bouw ten grondslag.
De oudste pyramiden werden samengesteld uit horizontale lagen van ruw
gehouwen steenblokken, voornamelijk door hun eigen gewicht bijeen
gehouden, doch de tusschenruimten werden met kalk aangevuld. In de
latere phase van den bouw bestond de kern hoofdzakelijk uit puin,
waarvan steenen en leem de voornaamste bestanddeelen uitmaakten. Dit
werd aan de buitenzijde met een fijn steenen omhulsel bedekt en
zorgvuldig bekleed en de doodenkamers geven een gelijke zorgvuldige
constructie te aanschouwen. Dezen werden gewoonlijk beneden den
beganen grond gemaakt en door een gang aan de Noordzijde der pyramide
kreeg men tot dezen toegang. Gewoonlijk waren de doodenkamers één- of
meermalen door granieten blokken uit één stuk versperd en soms werden
zij door steenen deuren afgesloten, welke om een spil konden draaien,
opdat de priesters, indien zij dat begeerden, er binnen konden gaan.
De eerste pyramide wordt op naam gezet van Cheops of Khufu en bevindt
zich bij Gizeh. De tweede wordt toegeschreven aan Dad-ef-ra en werd
bij Abu Roash gebouwd. Khafra werd in de tweede pyramide van Gizeh
bygezet en de pyramide bekend onder den naam van "Bovenste", welke
zich op dezelfde plaats bevindt, werd door het lichaam van Menkaura
ingenomen. De kleinere bouwwerken bij Gizeh naast de groote en derde
pyramide werden voor de familieleden van Khufu en Khafra opgericht.
Verloren gegane pyramiden.
Verscheidene pyramiden, waarop in de teksten toespelingen worden
gemaakt, zijn of geheel en al verdwenen, of kunnen niet meer
geïdentificeerd worden.
Zoo is de plaats, waar Shepseskaf is begraven en welke onder den
eigenaardigen naam van "de Koele" bekend is, onbekend. Wij kunnen
ons de zorgvuldig geschoren priesters voorstellen, die een toevlucht
zochten in de dicht beschaduwde gangen, om zich tegen de gloeiende
Egyptische zon beschutten. Zonder eenigen twijfel vond de _ka_ van
Shepseskaf de schaduw van zijn begraafplaats aangenaam genoeg, wanneer
hij met zijn mummie het damspel beoefende in zijn ontoegankelijke
vertrekken. Men weet thans, dat de pyramide van Menkauhor, "het
goddelijkste gebouw" zich ergens in de buurt van Saqquara bevindt,
doch welke van de statige bouwwerken daar ter plaatse aan hem kan
worden toegeschreven, kan men onmogelijk uitmaken.
Hetzelfde is het geval met de pyramide van Assa, welke op tafeltjes
wordt vermeld te Saqquara, Karnak en elders. Deze was "de Schoone"
genaamd. Evenmin kan "de schoon oprijzende" van Rameses en het
"krachtige leven" van Neferarkara voldoende worden aangewezen.
Het is zeer onwaarschijnlijk, dat deze bouwwerken zoo geheel en al
in puin zijn gestort, dat er geen enkel spoor van is overgebleven,
tenzij zij van steenen, uit leem vervaardigd, zijn gebouwd. De
pyramide van Amenemhat III, welke uit deze grondstof was gebouwd,
bestaat echter nog, evenals die van Senusert III bij Dahshur.
Er is in den laatsten tijd zooveel geschreven over de pyramiden,
dat het geen doel zou hebben, verder op dit onderwerp in te gaan in
een werk als het onze, daar dit zich slechts ten doel stelt over de
mythologie der Egyptenaren te verhalen en een schets te geven van hun
beschaving en kunst. De lezer kan in het algemeen weinig belangstelling
koesteren in louter afmetingen en ruimtebeschrijvingen.
Mummies.
Zooals reeds is opgemerkt, was de mummieficeering blijkbaar een
uitvinding, bij den dienst van Osiris behoorende. De priesters van
Osiris leerden, dat het menschelijk lichaam een heilig voorwerp was en
dat het niet mocht overgelaten worden aan de wilde dieren der woestijn
omdat hieruit het schitterend en herboren omhulsel van den gereinigden
geest zou ontstaan. Het schijnt, dat men in prae-historischen tijd
proeven heeft genomen het lichaam voor bederf te bewaren, of door het
in de zon te laten drogen, of door het lichaam met een harsachtig
preparaat in te smeren en in den loop der eeuwen ontwikkelde deze
eenvoudige behandeling zich tot de kunst van het balsemen, tot in de
kleinste bijzonderheden nauwkeurig uitgevoerd, met weliswaar duister,
doch schilderachtig ceremonieel.
In de tijden van het Midden-Rijk, zooals men kan zien uit de graven van
Beni Hassan, heerschte het gebruik de inwendige organen te verwijderen
en dezen in een kruik te leggen, in vier afdeelingen verdeeld, welke
betiteld waren met de namen der 4 hemelgoden, die hen bewaakten.
In sommige graven uit dezen tijd maakten zij, die voor de begrafenis te
zorgen hadden, eenvoudig pakjes, van welken men, door een opschrift
op dezen, veronderstelde, dat zij de bedoelde organen bevatten,
terwijl zij zonder eenigen twijfel geloofden, dat deze schriftelijke
verklaring een magische kracht had en evenzeer voldoende was, als
wanneer zij werkelijk daar aanwezig waren.
Tot de periode van het Nieuwe Rijk vinden wij niet, dat het proces
van mummieficeering eenigen graad van nauwkeurige bewerking heeft
bereikt. In het begin werd zij tot de Pharaohs alleen beperkt, daar
dezen met Osiris werden geïdentificeerd; de noodzakelijkheid evenwel
van een gevolg, hetwelk hen in de duistere woningen van de Tuat moest
dienen, schreef voor, dat hun hovelingen eveneens werden gebalsemd.
De gewoonte werd daarna door de rijken overgenomen en drong van rang
tot rang door, totdat ten laatste zelfs het lijk van den armsten
Egyptenaar op zijn minst aan een proces van indompeling in een bad
van natron onderworpen was.
In de 20e dynastie bereikte de kunde haar hoogtepunt. In dezen
tijd was het proces zeer kostbaar en een mummieficeering, welke
tot in alle nauwkeurigheid was uitgewerkt kostte ongeveer f 7200,
volgens onze munt berekend.
Wanneer de verwanten van den gestorvene de beroepsbalsemers
raadpleegden, toonden dezen hun verschillende modellen van mummies
en uit dezen kozen zij er een. Het lijk werd daarna aan de balsemers
toevertrouwd. Om te beginnen spoten zij een bijtend vocht in de
hersenholte, hierna werd de zacht gemaakte inhoud van deze door middel
van met haken voorziene instrumenten door de neusgaten verwijderd.
Een mummiemaker, wiens beroep hem bijna tot een pariah maakte, voor
zoo heilig hield men namelijk het menschelijk lichaam, maakte met
een steenen mes een insnijding in het lichaam, een werktuig, dat
hierdoor bewijst eenmaal in den prae-historischen tijd van nut te
zijn geweest. De voornaamste inwendige organen werden uit het lichaam
verwijderd, gewasschen en in palmwijn gedoopt.
Hierna onderging het lichaam een uitdrogingsproces en werd in sommige
tijden of van het vleesch ontdaan terwijl de huid alleen overbleef,
of met zaagsel, dat zorgvuldig door inkervingen in het lichaam werd
gebracht, opgevuld, zoodat de natuurlijke vorm geheel en al werd
hersteld.
De holten, door het wegnemen der organen ontstaan werden wellicht
opgevuld met myrrhe, cassia of andere kruiden. Wanneer het lichaam
weer was dichtgenaaid, werd het daarop in een bad van natron gelegd
en wel gedurende een tijd van zeventig dagen en vervolgens in linnen
gewikkeld, dat in een kleverige vloeistof was gedoopt. Een kist
werd vervaardigd, welke den vorm van het menschelijk lichaam had en
op levendige en kunstige wijze beschilderd was met afbeeldingen van
goden, amulets, symbolen en eenige voorstellingen van een begrafenis.
Een afbeelding van het gelaat van den gestorvene kwam nog bij deze
schilderingen en de korte vleugel, het zinnebeeld van den levenden
Egyptenaar, prijkte in meer of minder fraaie kleuren boven dit
conventioneele doodenmasker, dat over het algemeen slechts weinig
gelijkenis met den doode vertoonde.
De kruiken, waarin de ingewanden werden gelegd, hadden deksels, welke
zoo gesneden waren, dat men er de afbeelding van een menschelijk
hoofd uit kon opmaken, maar na de 18e dynastie werden de hoofden
van de vier zoons van Horus, Medi, met het menschelijk hoofd, Hapi,
die met den kop van een aap wordt afgebeeld, de jakhals Tuamutef
en de valk Qebhsennuf, de beschermgeesten van het Noorden, Zuiden,
Oosten en Westen op de deksels der kruiken afgebeeld.
In de kruiken werden de maag, de longen, het hart, de lever en
de galblaas gelegd. Deze kruiken werden in de graftombe naast de
mummie geplaatst, zoodat deze, bij zijn herrijzenis, gemakkelijk de
beschikking er over kon hebben. Nu is het een treffende bijzonderheid,
dat wij een gelijkenis met deze genii vinden onder de oude Maya van
Midden-Amerika, die vier goden bezaten aan ieder punt van het kompas
geplaatst, om den hemel te schragen. Hun namen waren Kan, Muluc, Ix
en Cauac, of volgens andere schrijvers Hobnil, Kanzicnal, Zaczini en
Hozanek en men heeft vastgesteld, dat de Maya bij hun begrafenissen
gebruik maakten van grafkruiken, bacabs genaamd, welke de ingewanden
van den doode bevatten [9]. Vreemd genoeg maakten de oude Mexicanen
eveneens gebruik van een soort mummificeeren, evenals de inwoners
van Peru [10].
Begrafenisoffers.
Het huisraad in de graven der Egyptenaren uit de hoogere standen was
kunstig bewerkt en kostbaar; men vindt daar stoelen, kruiken, wapens,
spiegels, ja soms zelfs wagens en pruiken! Vanaf den tijd van het
Midden-Rijk (de 18e dynastie) werden kleine beeldjes, ushabtiu genaamd,
in elke graftombe geplaatst. Dezen stelden verschillende beroepen voor
en men veronderstelde, dat zij de gestorvenen in de andere wereld
bijstonden, of dienden. De muren van de grafkamer en de zijden van
sarcophaag werden gewoonlijk ingenomen door teksten uit het "Boek
der Dooden" of formules, geloften inhoudende, brooden, ganzen, bier
en andere behoeften aan den ka van den gestorvene te zullen offeren.
De begrafenisplechtigheid was statig en indrukwekkend. Soms gebeurde
het, dat het lijk over water moest gevoerd worden en in dat geval
had de processie plaats door middel van fraai geschilderde booten;
in het andere geval bewoog zich de schare van rouwdragenden langzaam
langs den Westelijken oever van de rivier den Nijl.
De begrafenisplechtigheid schijnt bijna altijd een theatraal
karakter te hebben gedragen en was een symbolische voorstelling
van de nachtelijke reis van Ra-Osiris. De voorgeschreven gebeden
werden opgezegd en daarna werd wierook verbrand. De nabestaanden van
den gestorvene waren luidruchtig in hun klachten en werden in dezen
bijgestaan door mannen, die van dit klagen een beroep maakten; dezen
begonnen luide en doordringend te klagen, wanneer de stoet langzaam
de mastaba, of graftombe naderde, waarin de mummie zou worden bijgezet.
Deze werd uit de kist genomen, wanneer zij de deur van haar toekomstig
verblijf had bereikt en rechtop tegen den muur van de mastaba geplaatst
door een priester, die een masker van god Anubis, met het hoofd van
een jakhals, droeg. Was men zoo ver gekomen, dan begon een nieuwe
uitvoerige plechtigheid, bekend onder de benaming van het openen
van den mond. Onder vele formules en symbolen werd de mond van den
gestorvene door middel van een haak geopend, waarna men geloofde,
dat hij in staat was te spreken, te eten of te drinken. Een speciale
lectuur is over dit gebruik ontstaan, bekend onder den naam van:
"Het boek betreffende het openen van den mond". Zorgvuldig bewerkt
en talrijk waren de werktuigen, welke men voor deze plechtigheid
gebruikte: de pesh-ken, of haak, vervaardigd van een steen van rose
kleur, het mes van grijs-groenachtige steen, de vazen, kleine steenen
messen, welke het "metaal van het Noorden" en het "metaal van het
Zuiden" voorstelden, de zalven, olie enz.
Onbegrensd was het ceremonieel, indien de overledene een man van
aanzien was, daar op zijn minst 28 formules moesten worden opgezegd,
terwijl verschillende van dezen vergezeld gingen van reiniging,
zuivering en verwisseling van kleeding door de priesters, die den
dienst leidden. De kist, welke de mummie bevatte, werd daarna in
het grafgewelf neergelaten door een lang touw en door de doodgravers
aangenomen.
De Ka.
De gestorvene was eigenlijk voor het bestaan in de onderwereld aan
de genade van de levenden overgeleverd. Indien zijn nabestaanden
niet doorgingen met offers te brengen, dan was hij inderdaad in een
ellendigen toestand, want zijn _ka_ moest in dat geval sterven. Deze
ka was zijn dubbelganger en kwam op hetzelfde tijdstip als hij op
de wereld.
De ka moet scherp onderscheiden worden van de _ba_, of ziel, welke
gewoonlijk na den dood van hem, die haar bezat, de gedaante van een
vogel aannam en zij was inderdaad in staat de gedaante aan te nemen,
welke zij wenschte, indien de begrafenisplechtigheden correct in acht
genomen waren.
Sommige Egyptologen zien in de ka een bijzondere, actieve kracht, welke
het menschelijk wezen met leven vervult en zien hierin een equivalent
met de Hebreeuwsche uitdrukking voor "geest", in onderscheid met
"ziel". In het boek Genesis hooren wij, dat God den levensadem in
den mensch blies en hij leefde. Op gelijke wijze legde de God der
Egyptenaren zijn arm achter de oergoden en terstond kwam zijn ka over
hen en zij leefden.
Als de mensch stierf, verliet zijn ka het lichaam, maar hield toch
niet op hierin belang te stellen en bij gelegenheid bezielde hij het
weer. Het was voor de ka, dat de Egyptische graven zoo goed voorzien
waren van eten en drinken en alle noodzakelijke behoeften, om niet
te zeggen weelde, voor het bestaan.
De Ba.
De ba bleef niet, zooals we reeds zagen, bij het lichaam, maar nam na
den dood vleugels aan. Onder onbeschaafde volken--b.v. de inboorlingen
van Amerika--heerscht dikwijls de opvatting, dat de ziel de gedaante
en eigenschappen van een vogel bezit. Het gemak, waarmede de vogel
zich door het onmetelijk luchtruim voortbeweegt, zijn vermogen om
te vliegen, hetwelk men niet begrijpt, zijn geheimzinnig gezang,
zijn verwantschap met den hemel zijn oorzaak, dat hij tegelijk een
vreemd en benijdenswaardig wezen is.
Zulk een vrijheid, aldus redeneeren primitieve menschen, moet de
bevrijde ziel hebben, wanneer zij niet meer gekluisterd is aan het
lichaam, dat haar belemmert. Evenzoo moeten goden en geesten van
vleugels voorzien zijn en zoo zal het met hem zelf zijn gesteld,
hoopt hij, wanneer hij zijn sterfelijk omhulsel heeft afgeschud en
op vleugels naar de hemelsche woningen zal opstijgen.
Zoo gelooven de Bororos van Brazilië, dat de ziel de gestalte van
een vogel bezit. De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia koesteren
het geloof, dat de ziel in een ei huist, dat zich in den nek bevindt
en dat bij den dood het ei wordt geopend en de vogel, door dat ei
uitgebroed, wegvliegt.
Uit de Boheemsche folklore leert men, dat men onder het volk zich de
ziel als een witten vogel voorstelt. De Maleiers en Battakkers van
Sumatra beelden het onsterfelijk deel van den mensch eveneens in
de gestalte van een vogel af, zoo ook de inboorlingen van Java en
Borneo. Wij zien dus, dat de Egyptische opvatting in verschillende
landen haars gelijke heeft. Nergens echter vinden wij een zoo diep
gevestigd geloof, dat zich gedurende een onafgebroken tijdperk heeft
staande gehouden, als in het Nijldal.
Geen enkel volk heeft zooveel gewicht gehecht aan de vereering
der dooden, noch dezen in zoo hoog aanzien gehouden, als de
Egyptenaren. Wij overdrijven niet, indien wij zeggen, dat het leven
van een Egyptenaar, tenminste van een, die tot de hoogere standen
behoorde, een voortdurende voorbereiding tot den dood was. Het
is echter waarschijnlijk, dat hij, door de kracht der gewoonte
en omgeving, zich van deze omstandigheid niet bewust was. Het is
gevaarlijk een stelling op te werpen met betrekking tot een geheel
volk. Doch indien ooit eenig volk het leven beschouwde zuiver en
alleen als een oefenschool, of voorbereiding tot de eeuwigheid,
dan was het zeker wel dit geheimzinnige en bekoorlijke menschenras,
waarvan de uitgestrekte ruïnes de oevers van de oudste rivier van de
wereld bedekken en als het ware met minachting neerzien op de minder
majestueuze ondernemingen van een beschaving, welke zich van het
tooneel van hun myriaden verwonderlijke dooden heeft meester gemaakt.