op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche
lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In
deze lijkkoets was een doodkist met een wit lijkkleed overdekt, waarop
een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen
geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een
priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het
hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts
en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in
arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.
Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer,
een beitel en een nijptang steken.
Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven
van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort
en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de
ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner
nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof
verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden
wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de
doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter
des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel
onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd
bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het
stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de
andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren
twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat
door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het
kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten,
zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op
dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij
het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der
begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in
het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart,
de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur
opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij
zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op,
ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor
den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.
Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig
bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het
kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde
herberg bij het kerkhof Vaugirard erfde, welke een hoekhuis was en
't gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer
was geschilderd met het onderschrift: "In de goede kweepeer." [9]
Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het
was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne
begraven worden, wijl 't als van den arme geleek, maar liever op
Père Lachaise. Hier te worden begraven is 't zelfde als mahoniehouten
meubelen te hebben, 't is elegant.
Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormalige
Fransche tuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen,
steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des
avonds was 't er treurig en doodsch.
De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken
en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De
hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.
De bijzetting van moeder Crucifixion in 't gewelf onder het altaar,
het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean
Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige
hindernis afgeloopen.
In 't voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion
onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is,
een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het
bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening
van het geweten. Wat men in het klooster "gouvernement" noemt, is
slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het
geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het
wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken
maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat
men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God
overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.
Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide
komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór-
het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans
onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent
twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest
worden, was van geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal
den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken
gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim,
en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen
zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof
inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de
grove handen en zeide halfluid:
"'t Is waarachtig grappig."
Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het
verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man
van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, 't
welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende,
achter de lijkkoets naast Fauchelevent. 't Was een arbeider, die een
buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.
Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:
"Wie zijt ge?"
De man antwoordde:
"De doodgraver."
Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben
ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op
dit oogenblik.
"De doodgraver?"
"Ja."
"Gij!"
"Ik."
"De oude Mestienne is doodgraver."
"Hij was 't."
"Hoe! was?"
"Hij is dood."
Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven
kon. 't Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor
anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.
Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:
"'t Is niet mogelijk!"
"'t Is zóó."
"Maar de oude Mestienne is doodgraver," herhaalde hij flauw.
"Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier,
vriend."
Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.
Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.
Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was
geworden.
Fauchelevent begon luide te lachen.
"Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne
dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? 't Spijt
mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook
vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch
gaan drinken."
De man antwoordde: "Ik heb gestudeerd; ik drink niet."
De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de
breede laan van het kerkhof.
Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van
kreupelheid.
De doodgraver ging voor hem.
Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.
't Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager,
zeer sterk zijn.
"Kameraad!" riep Fauchelevent.
De man keerde het hoofd om.
"Ik ben de doodgraver van het klooster."
"Mijn collega alzoo," zei de man.
Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij
met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij
mompelde:
"Welzoo! is de oude Mestienne dood?"
De man antwoordde:
"Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. 't
Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden."
Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:
"De goede God..."
"De goede God," hernam de man hoogdravend: "Voor de filosofen de
eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen."
"Willen wij geen kennis maken?" stamelde Fauchelevent.
"Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar."
"Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die
zijn glas ledigt stort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert
men niet."
"Eerst het werk."
Fauchelevent dacht: "ik ben verloren."
Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen
voerde.
De doodgraver hernam:
"Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten,
mag ik niet drinken."
En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij
er bij:
"Hun honger is de vijand van mijn dorst."
De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan
in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer,
maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de
grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en
't ging met moeite verder.
Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.
"Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;" fluisterde hij.
"Man," antwoordde de andere, "ik moest eigenlijk geen doodgraver
zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij
voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs,
en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog
openbaar schrijver."
"Ge zijt dus geen doodgraver?" hernam Fauchelevent, zich als een
drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.
"Het een belet het andere niet. Ik cumuleer."
Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: "Laat ons gaan
drinken."
Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst
was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich
niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent
den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt
door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn
te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt
niet aan om het te betalen.
De doodgraver hernam glimlachend:
"Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt
overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men
wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In
de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de
parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot
mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends
schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik,
vriend."
De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid
naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.
"Men kan echter geen twee heeren dienen," vervolgde de doodgraver. "Ik
moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand."
De lijkkoets hield stil.
De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de
priester.
Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde,
waarachter men een open kuil zag.
"Wel! dat is een grap!" herhaalde Fauchelevent ontsteld.
ZESDE HOOFDSTUK.
TUSSCHEN VIER PLANKEN.
Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.
Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in 't leven blijven en met
moeite ademen kon.
't Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door
Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij
rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde
volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker
toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.
De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust,
en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.
In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama
kunnen volgen, die hij met den dood speelde.
Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde
Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het
schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op
den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een
dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz
reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was,
en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.
Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde
hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was,
't welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen
volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers
de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in
den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale
richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den
bodem van 't graf en voelde een kille huivering.
Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hij hoorde tamelijk
duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:
Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam,
et alii in opprobrium, ut videant semper.
Een kinderstem zeide:
"De profundis."
De plechtige stem hernam:
"Requiem aeternam dona ei, domine."
De kinderstem antwoordde:
"Et lux perpetua luceat ei."
Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige
regendroppels. 't Was waarschijnlijk het wijwater.
Hij dacht: 't zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De
priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de
herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen
terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.
De plechtige stem hernam:
"Requiescat in pace."
De kinderstem antwoordde:
"Amen."
Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die
zich verwijderden.
Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.
Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen
des donders
't Was een schop aarde die op de doodkist viel.
Een tweede schop volgde.
Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstopt
Een derde schop aarde viel.
Toen een vierde.
Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor
het bewustzijn.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
ZICH NIET VAN ZIJN STUK LATEN BRENGEN.
Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.
Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap
in het rijtuig gestegen en vertrokken waren, zag Fauchelevent, die
zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade
nemen die rechtop in den hoop aarde stond.
Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.
Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de
armen over elkander en zeide:
"Ik betaal!"
De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:
"Wat, landman?"
Fauchelevent herhaalde: "Ik betaal!"
"Wat?"
"Den wijn."
"Welken wijn?"
"Van Argenteuil."
"Waar?"
"In de Goede Kweepeer."
"Loop naar den duivel," zei de doodgraver.
En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een
doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op 't punt zelf in het
graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:
"Voor dat de "Goede Kweepeer" gesloten is."
De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:
"Ik betaal," en vatte den arm des doodgravers. "Luister, kameraad. Ik
ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. 't Is een werk dat
's nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken."
Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij:
Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?
"Landman," zei de doodgraver, "zoo ge volstrekt wilt, 't is mij wèl,
maar wij drinken na den arbeid, niet eerder."
En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.
"'t Is echte Argenteuil."
"Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd
hetzelfde. Ga voort."
En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.
Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat
men zegt.
"Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!"
"Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd," zei de doodgraver.
Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.
Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:
"Weet ge, 't zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen,
zoo wij hem zonder deken achterlieten."
Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents
blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er
op gevestigd.
De zon was nog niet beneden den horizont en 't was nog licht genoeg
om in dien zak iets wits te kunnen zien.
Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem
verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent,
achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.
De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.
Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent
hem bedaard in de oogen en vroeg:
"Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?"
"Welke kaart?" vroeg de doodgraver zijn werk stakende.
"De zon gaat onder."
"Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten."
"Het hek van 't kerkhof zal gesloten worden."
"Nu, en dan?"
"Hebt ge uw kaart bij u?"
"Mijn kaart!" herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken,
eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.
"Neen," zeide hij, "ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben."
"Vijftien francs boete," zei Fauchelevent.
De doodgraver werd leikleurig-bleek.
"Goede God!" riep hij, "vijftien francs boete!"
"Ja, drie vijffrancsstukken," zei Fauchelevent.
De doodgraver liet zijn spade vallen.
Nu was de beurt aan Fauchelevent.
"Nu, nu, rekruut," zeide hij, "geen wanhoop. Het is niet noodig,
dat ge u om 't leven brengt en van den kuil gebruik maakt. 't Is niet
meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik
ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden
raad geven. 't Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom
reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten."
"'t Is waar," antwoordde de doodgraver.
"In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep,
en van hier gaan voor dat het hek gesloten is."
"Ge hebt gelijk."
"Alzoo vijftien francs boete."
"Vijftien francs."
"Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?"
"Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de
straat Vaugirard No. 87."
"Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen."
"'t Is waar."
"Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart,
komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw
kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik
zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope"
"Ge redt mij 't leven, landman."
"Maak nu dat ge weg komt," zei Fauchelevent.
De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.
Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte
had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog
hij zich over den kuil en zeide halfluid:
"Vader Madeleine!"
Geen antwoord.
Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij
er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:
"Zijt ge er!"
Stilte in de doodkist.
Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer
en opende het deksel.
Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten
oogen te voorschijn.
Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen
tegen den kant van den kuil, op 't punt van op de doodkist te zinken,
en aanschouwde Jean Valjean.
Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.
Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:
"Hij is dood!"
Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander,
dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.
Hij riep uit:
"Zóó heb ik hem dan gered!"
Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te
spreken. 't Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet
natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot
zich zelven.
"'t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel
gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men
hem noodig had; hij is 't, die Madeleine heeft doen sterven. Vader
Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! 't Is uit.--Mijn
God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat
zal de groentevrouw zeggen? Is 't, in 's Hemels naam, mogelijk
dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder
mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt,
verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! 't is
een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien
men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig,
ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite
waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar
hoe heeft hij 't toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was
het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader
Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer
de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!"
Hij rukte zich de haren uit het hoofd.
In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. 't
Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.
Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings
zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean
had de oogen geopend en staarde hem strak aan.
Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te
zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek,
verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken,
niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean
Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.
"Ik was in slaap geraakt," zeide Jean Valjean, zich oprichtende.
Fauchelevent zonk op de knieën.
"Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!"
En zich weder oprichtende riep hij: "Ik dank u, vader Madeleine!"
Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had
hem tot zich zelven gebracht.
De blijdschap is de ebbe van den schrik. 't Was voor Fauchelevent
schier even moeielijk, als 't voor Jean Valjean was geweest, tot
besef te komen.
"Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang
geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik:
Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo
razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij
naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge dood
waart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen
hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een
geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar
ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!"
"Ik ben koud," zei Valjean.
Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug,
en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden
herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste
geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige
plaats waar zij zich bevonden.
"Spoeden wij ons," riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch
nemende, waarvan hij zich voorzien had.
"Maar eerst een slok," zeide hij.
De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean
Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.
Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel
opspijkeren.
Drie minuten later waren zij uit den kuil.
Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het
kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden
was niet te vreezen. Deze "rekruut" was te huis bezig met zijn kaart
te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent
was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.
Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven
de ledige doodkist.
Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:
"Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel."
De nacht daalde.
Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was
hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den
dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich,
om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.