wij zouden anders sneller kunnen gaan."
"O," antwoordde Jean Valjean, "een paar schreden, en ik ben weder
vlug ter been."
Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het
gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent,
die de kaart van den doodgraver in de hand had, ze in de bus; de
portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.
"'t Gaat alles best!" zei Fauchelevent, "ge hebt waarlijk een goed
denkbeeld gehad, vader Madeleine."
Zonder belemmering gingen zij door de barrière Vaugirard. In den
omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.
't Was eenzaam in de straat Vaugirard.
"Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine," zei Fauchelevent de
oogen naar de huizen opheffende. "Wijs mij eens No 87."
"'t Is hier."
"Er is niemand in de straat," hernam Fauchelevent, "geef mij het
houweel en wacht mij een paar minuten."
Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping,
door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert
en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.
"Binnen!"
't Was Gribier's stem.
Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was,
gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch
vol. Een pakkist--misschien een doodkist--verving er een ladetafel,
een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende
er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van
een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles
lag overhoop en door elkander. 't Was alsof er een aardbeving had
plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude
kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder
had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag
de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. 't Was blijkbaar,
dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van
allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij
zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan
de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde
van het gevolg zijner daad niet op.
Hij trad binnen en zeide:
"Ik breng uw spade en houweel terug."
Gribier aanschouwde hem verstomd.
"Gij hier, landman?"
"Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart
vinden," en hij legde spade en houweel op den vloer.
"Wat beteekent dat?" vroeg Gribier.
"Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik
ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld
en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven
en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut."
"Ik dank u, landman!" riep Gribier verrukt, "een volgenden keer zal
ik het gelag betalen."
ACHTSTE HOOFDSTUK.
HET GOED AFGELOOPEN VERHOOR.
Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen
en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De
eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.
't Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden
Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald,
waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende
en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht;
zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten
als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen
gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te
ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van 't geen zij sedert
twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks
op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest
zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee
woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: "zeg niets." De
vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.
Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean
wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker,
die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou
vermoed hebben.
Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle
deuren werden voor hem geopend.
Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: "uitgaan en
binnenkomen", opgelost.
De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur
op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren
geleden nog van de straat in den achtermuur der plaats tegenover de
koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in,
en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar
Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.
De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een
kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een
bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit
de spreekkamer.
De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger
dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:
"Zijt gij de broeder?"
"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent.
"Hoe heet gij?"
Fauchelevent antwoordde:
"Ultime Fauchelevent."
Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die
overleden was.
"Van waar zijt ge?"
Fauchelevent antwoordde:
"Van Picquigny bij Amiens."
"Hoe oud zijt ge?"
Fauchelevent antwoordde:
"Vijftig jaar."
"Wat doet ge!"
Fauchelevent antwoordde:
"Tuinier."
"Zijt ge een goed Christen?"
Fauchelevent antwoordde:
"Allen zijn het in mijn familie."
"Behoort u dit meisje?"
Fauchelevent antwoordde:
"Ja, eerwaardige moeder."
"Zijt gij haar vader?"
Fauchelevent antwoordde:
"Haar grootvader."
De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:
"Hij antwoordt goed."
Jean Valjean had geen woord gezegd.
De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de
kapittelmoeder:
"Zij zal leelijk zijn."
De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het
spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:
"Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans
zijn er twee noodig."
Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin,
de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te
lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander
spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak
de stilte om elkander te zeggen: "'t Is een hulptuinier."
De kapittelmoeders voegden er bij: "'t Is een broeder van vader
Fauvent."
Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den
knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime
Fauchelevent.
De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking
geweest der priorin: "zij zal leelijk zijn."
Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette
op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.
Dit alles is zeer logisch.
Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er
echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn,
laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het
klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en
van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit
ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.
Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was
drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats
bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het
klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het
altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een
doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op
het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig
gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het
klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als
een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij
het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak
aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op
beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over
en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des
konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering
voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een
briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan
een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs,
die evenals hij, Della Genga heette; men leest er deze regels in:
"'t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier,
een heilig man, genaamd Fauvan is." Van al dien triomf drong niets
tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten,
harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn
roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens
portret in de Illustrated London News met dit opschrift voorkomt:
"os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft."
NEGENDE HOOFDSTUK.
BESLUIT.
Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.
't Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij
overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval
niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat
de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette
had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en
het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar
gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds
zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven
gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van
spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: "Had ik 't geweten, vader,
ik zou haar meêgenomen hebben."
Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de
kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg
op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde. 't Was dezelfde
rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van
Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean
borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met
een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters
zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, 't welk hij zich wist te
verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed
en droeg steeds den sleutel er van bij zich.--Vader, vroeg Cosette
hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?
Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent
onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen
belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede
had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk,
daar hij veel van een snuifje hield, snoof hij in de aanwezigheid van
Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter,
dewijl Madeleine de snuif betaalde.
De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den "anderen Fauvent."
Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten,
zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens
tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden,
steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging,
en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen,
die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij
zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.
't Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield
en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze
buurt nauwkeurig bewaken.
Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden
is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag
er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om
gelukkig te wezen.
Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.
Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.
Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men
weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren
vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean
afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje
had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de
draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat
boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:
KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.
In naam des Konings.
GOED VOOR TIEN LIVRES,
wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.
Serie 3. No. 10390.
STOFFLET.
Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen
tuinier, een voormalig Chouan, die in het klooster overleden was en
wien Fauchelevent was opgevolgd.
Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer
nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel
lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten
en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de
boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er
heerlijke vruchten van.
Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl
de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek
het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde
zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en
opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette
bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap,
dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender
tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar
in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere
meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.
Zelfs Cosette's gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was
er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van
's menschen gelaat.
Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean
Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op,
om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.
God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er
toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te
houden en te volmaken. 't Is zeker, dat een der zijden van de deugd
aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel
gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij 't zelf wist,
tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem
in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij
den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was
hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij
zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem
op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.
Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.
Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en
't geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog
onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien,
welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als
de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij
het klooster; en als hij overwoog, dat hij tot het bagno had behoord,
en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek
hij beide met belangstelling in zijn geest.
Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze
diepten der gedachten.
Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij
stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde
men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts
twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste
maanden van 't jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen;
men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een
linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken
geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden
sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid
door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt,
zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden,
en zij leefden onder den stok en in schande.
Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn
oogen had.
Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen,
spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld,
heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de
geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen;
zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten
zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen
dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een
zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht
was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder,
al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes
maanden van 't jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts
veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde
zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op
twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs
de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten
zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks
verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen
geknield bidden.
Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren
achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde
en met uitgestrekte armen daarop liggen.
De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.
Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord,
gewelddadigheden gepleegd; 't waren roovers, falsarissen, giftmengers,
brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen
gedaan? Zij hadden niets gedaan.
Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de
andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in
den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door
heiligheid reeds tot den hemel behoorende.
Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in 't geheim
toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide
stem. En welke misdaden! en welke gebreken!
Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende
geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is,
die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds
een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar
duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende
glans.
Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke
bevrijding, een wettelijke grens steeds in 't vooruitzicht, en
daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in 't ver
verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid,
't welk de menschen den dood noemen.
In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was
men door zijn geloof geboeid.
Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking,
tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede
tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat
verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.
En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten
deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk,
boetedoening.
Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke
boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der
anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg
hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?
Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid
des menschen, de boetedoening voor anderen.
Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij
verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean
Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.
Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppunt van
mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun
misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig
aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige
zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor
de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd
blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen
van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond
worden.
En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!
Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te
hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een
koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die
terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om
te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.
Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware
't een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest,
diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles,
zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten,
en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een
zinnebeeld van zijn lot?
Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere,
waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte
aan ontvluchting bij hem opgekomen.
Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen--om--wie te
bewaren? Engelen.
De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij
hier om lammeren.
't Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was
zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze
maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure
wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en
gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog
woei door de kooi der duiven.
Waarom?
Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven
verborgenheid.
Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven,
gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.
Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot
de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door
liefde, het klooster door ootmoed.
Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin
verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster,
door 't welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar
de plek waar hij wist dat de zuster, die de "Verzoening" verrichtte,
in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.
Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.
Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze
vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille
klooster--oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde
zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als
van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van
deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er
over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste
omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle
deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede
toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw
voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad,
en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.