Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar
vingers glijden, toen hernam de priorin:
"Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist,
waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft."
"Dat is recht."
"'t Is een voortzetting van den slaap."
"Ik zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?"
"Ja."
"En wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?"
"Zoo is het."
"Ik ben ten dienste van het hoogwaardig klooster."
"De vier koormoeders zullen u helpen."
"Om de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig."
"Neen, om ze neder te laten."
"Waarin?"
"In het gewelf."
"Welk gewelf?"
"Onder het altaar."
Fauchelevent ontstelde en riep:
"In het gewelf onder het altaar?"
"Onder het altaar."
"Maar..."
"Gij kunt een ijzeren stang krijgen."
"Ja, maar..."
"Gij licht den steen met den stang in den ring op..."
"Maar..."
"Men moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der
kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te
blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van
moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te
zeggen bevolen."
"Maar 't is verboden."
"Door de menschen verboden, door God geboden."
"Zoo men het te weten kwam?"
"Wij vertrouwen u."
"O, ik, ik ben als een steen van uw muur."
"Het kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals
geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder
Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar
zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen
gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen
komen uit de graven."
"Maar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie...."
"De H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus
Pogonat wederstaan."
"Maar de commissaris van politie..."
"Chonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering
van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der
religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend."
"Maar de inspecteur der prefectuur..."
"De wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde
generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde: Stat crux
dum volvitur orbis [8]."
"Amen," zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op
deze wijze uit de verlegenheid redde.
Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang
gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis
verliet, met een aantal dilemma's en syllogismen, die hij in zijn
hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij
ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om
hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en
te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een
woordenstroom als van een opengezette sluis:
"Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde
Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines
in Bourgogne is gezegend, wijl 't hem heeft zien geboren worden. Zijn
vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen
om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop
van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd
novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie
van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede
Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men
apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen,
verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie
van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers,
Eon de l'Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der
vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius
III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed
tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig
op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino;
de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het
Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig
patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd
bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen,
een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden
geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant
St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan
den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur
van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de
reglementen, het bestuur--kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men
ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het
recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie
is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschikt gemaakt aan den
commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!"
Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De
priorin hernam:
"Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats
twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een
tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten,
en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die
het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en
den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden
geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne
godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij
Christus' kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn
wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht
meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van
Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een
rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist
niet eens, dat Charles de Gondren--Bérulle, François Bourgoin--Gondren,
Jean François Senault--Bourgoin, en pater Santa Marta--Jean François
Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij
een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar
wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken
gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk
maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst
aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius,
bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was,
en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat
Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan
een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor
de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de
blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk
een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in
naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden,
noch aan de dooden, schuldig is. 't Is verboden heilig te sterven. De
begrafenis is een burgerlijke zaak. 't Is afgrijselijk! De heilige Leo
II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre
Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de
dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des
keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons,
verzette zich in dezelfde zaak tegen Otto, hertog van Bourgondië. De
vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden
wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van
Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement
van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het
lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij
van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te
Monte Cassino op Zaterdag, den 21en der maand Maart van het jaar 543,
overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik
haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken
wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin,
Trithème, Marolicus en dom Luc d'Achery."
De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:
"'t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?"
"'t Is overeengekomen, eerwaardige moeder."
"Kan men op u rekenen?"
"Ik zal gehoorzamen."
"Goed."
"Ik ben geheel ten dienste van het klooster."
"Afgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel
dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het
klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw
ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In
de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder
Ascension en gij."
"En de zuster aan den paal."
"Zij zal niet omzien."
"Maar hooren."
"Zij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der
wereld onbekend."
Wederom een pauze. De priorin vervolgde:
"Gij moet uwe schel afleggen. 't Is niet noodig dat de zuster aan
den paal gewaar worde, dat gij er zijt."
"Eerwaardige moeder?"
"Wat, vader Fauvent?"
"Is de arts voor de lijkschouwing er geweest?"
"Hij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts
geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?"
"Ik let slechts op het mijne."
"Dat is zeer goed, vader Fauvent."
"Eerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn."
"Waar zult ge dien krijgen?"
"Waar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb
een hoop ijzerwerk achter in den tuin."
"Vergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht."
"Eerwaardige moeder?"
"Wat?"
"Zoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk
als een Turk."
"Haast u zooveel mogelijk."
"Haastig zal 't niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper
behoeven. Ik ga kreupel."
"Kreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik
II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den
pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en
de kreupele."
"Twee wijn-amen zijn beter dan een," mompelde Fauchelevent, die
werkelijk eenigszins hardhoorend was.
"Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet
te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De
dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te
voren verricht zijn."
"Ik zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit
is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren
zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen
er zijn. 't Ware beter twee mannen. Om 't even! ik zal mijn hefboom
meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten
en 't gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te
zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld,
eerwaardige moeder?"
"Neen."
"Wat nog?"
"De ledige doodkist."
Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.
"Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?"
"Buiten begraven."
"Ledig?"
Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging,
als om een moeielijke vraag op te lossen.
Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast
de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik
er het lijkkleed over."
"Ja, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den
grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is."
"O! dui...!" riep Fauchelevent.
De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan,
wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.
Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.
"Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. 't Zal hetzelfde
zijn, alsof er iemand in lag."
"Gij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo
voor de ledige kist?"
"Ik belast er mij mede."
Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest,
verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere
ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan,
zeide de priorin met vriendelijke stem:
"Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis,
uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt."
VIERDE HOOFDSTUK.
JEAN VALJEAN HEEFT HET VOORKOMEN ALSOF HIJ AUSTIN CASTILLEJO HAD
GELEZEN.
De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen;
zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in
groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan
zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar
voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean
haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:
"Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar
zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man,
die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan
wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar,
zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge
gehoorzamen en niet spreken!"
Cosette knikte ernstig met het hoofd.
Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem
en vroeg:
"Welnu?"
"Alles en niets is in orde," zei Fauchelevent. "Ik heb het verlof
u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlaten moet ik er u
uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk."
"Ge draagt haar weg?"
"Zal zij stil zijn?"
"Daarvoor sta ik in."
"Maar gij, vader Madeleine?"
Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:
"Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!"
Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: "Onmogelijk!"
Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende,
mompelde:
"Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde
zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in 't geheel niet naar
een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers
zullen 't voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er
achter komen."
Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.
Fauchelevent hernam:
"Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen
moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin
wacht u."
Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor
een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat
het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam
te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het
kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die 's morgens gestorven
was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed
had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden
begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar
dat men aan deze doode in 't bijzonder niets kon weigeren. Dat de
priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt
wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de
doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen,
en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin,
om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder
als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder
mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast
had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis,
tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen,
zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er
nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.
"Welke ledige doodkist?" vroeg Valjean.
"De doodkist, welke het bestuur zendt," antwoordde Fauchelevent.
"Welke doodkist en welk bestuur?"
"Zoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is
overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag
zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof
te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat
er niets in de doodkist is."
"Leg er iets in."
"Eene doode? ik heb geen doode."
"Neen."
"Wat dan?"
"Een levende."
"Welken levende?"
"Mij," zei Jean Valjean.
Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder
zijn stoel gesprongen.
"Gij?"
"Waarom niet?"
Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de
zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.
"Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion
is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal
't geschieden."
"Och, ge schertst, ge spreekt niet in ernst."
"In vollen ernst. Moet ik niet van hier?"
"Zekerlijk."
"Ik heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel
moest vinden."
"Nu?"
"De draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn."
"Een wit laken. De nonnen worden in 't wit begraven."
"Goed. Een wit laken."
"Ge zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine."
Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in
het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven,
brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men
een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.
Jean Valjean hernam:
"'t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is
een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in
zijn werk? Waar is de doodkist?"
"De ledige?"
"Ja."
"Beneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op
twee schragen, en is door 't lijkkleed bedekt."
"Hoe lang is de doodkist?"
"Zes voet."
"Hoedanig is de lijkkamer?"
"'t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in
den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee
deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert."
"Welke kerk?"
"De kerk aan de straat; de kerk voor iedereen."
"Hebt ge de sleutels van deze twee deuren?"
"Neen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert;
de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk."
"Wanneer opent de portier deze deur?"
"Alleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra
de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten."
"Wie spijkert de kist dicht?"
"Ik."
"Wie legt er het lijkkleed op?"
"Ik."
"Zijt gij alleen?"
"Geen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. 't
Staat zelfs op den muur geschreven."
"Zoudt ge mij van nacht, als alles in 't klooster slaapt, niet in
die kamer kunnen verbergen?"
"Neen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de
lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg
en waarvan ik den sleutel heb."
"Hoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?"
"Tegen drie uren 's namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis
op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. 't Is tamelijk ver van hier."
"Ik zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw
gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger
krijgen."
"Ik zal u eten brengen."
"Zoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren."
Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.
"Onmogelijk!"
"Hoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?"
Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het,
zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden
doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat
de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de
ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de
dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen
te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg
te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar
geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te
sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.
Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt,
het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo
men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van
Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien,
daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste
te brengen en het haar te doen verlaten.
Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:
"Maar hoe zult ge lucht krijgen?"
"Ik zal ademen."
"In deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk."
"Ge hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes
ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist."
"Goed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?"
"Hij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent," voegde
Jean Valjean er bij, "er moet een besluit worden genomen: hier gevangen
genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden."
Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder
vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende
deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft
wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen,
die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven
dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de
gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen
vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten
zijn. Fauchelevent behoorde tot die weifelaars. De koelbloedigheid
van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:
"'t Is waar, ik zie geen ander middel."
Jean Valjean hernam:
"Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren."
"Dat bekommert mij juist volstrekt niet," riep Fauchelevent. "Zoo gij
zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te
kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. 't Is
de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik
steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren
zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten
van het hek van 't kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het
graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer,
een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers
slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de
gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik
blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn
vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo
hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de
herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; 't is niet
moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is
't altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om
weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan
hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar,
ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil."
Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid
drukte.
"'t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan."
"Zoo er niets tusschenbeide komt," dacht Fauchelevent. "Het zou anders
vreeselijk kunnen worden."
VIJFDE HOOFDSTUK.
DRONKENSCHAP IS NIET VOLDOENDE OM ONSTERFELIJK TE ZIJN.