Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij

bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond

Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? 't Is moeielijk, over

kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in

de armen is 't onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat

kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was,

had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van 't geen

daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen

afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet

in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk

van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden,

meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk

ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn

schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was

betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet

mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk,

in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen,

het klooster tot wijkplaats genomen, en 't was natuurlijk dat hij

er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen

en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met

het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde,

sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in

Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort

in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft

mij het leven gered.

Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.

Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er

bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest

kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.

Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik

hem redden na 't geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief

ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook

dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.

Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch

Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige

taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had

dan zijn dankbaarheid, zijn goeden wil en een weinig van die oude

boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk

gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten

van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was

een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan 't einde

zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer

stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar

te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er

naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn

bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en

dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij

reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke

in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem

had gemaakt.

Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij

hebben hem een "armen Picardischen boer" genoemd. Deze benaming

is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij

thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader

leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; 't

geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid

scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken,

tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver

voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken

en zweepslagen, welke, naar 't schijnt, de paarden noodig hebben, was

er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet

zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden,

en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent

was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar

beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een

vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid,

die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want

hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht

was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen

dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of

domheid aanduiden.

Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht,

opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten

en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten

halve op en zeide:

"Nu ge hier zijt, hoe zult ge 't maken om er weer uit te komen?"

Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean

uit zijn gepeins.

Beide mannen raadpleegden.

"Vooreerst," zei Fauchelevent, "moet ge beginnen den voet niet buiten

deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin

en wij zijn gesnapt."

"'t Is waar."

"Ge zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,"

hernam Fauchelevent, "ik wil zeggen een zeer slecht, want eene

der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde

zien. 't Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van

veertig uren. Het geheele klooster is op de been. 't Geeft drukte. Zij

die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen

bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid,

dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor

de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de

overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan

ik niet instaan."

"Maar," merkte Jean Valjean op, "het huisje staat tegen den muur

en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan

't van uit het klooster niet zien."

"En de nonnen komen nooit hier," voeg ik er bij.

"Welnu?" riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven,

dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent

antwoordde:

"Ja, maar de meisjes!"

"Welke meisjes?" vroeg Jean Valjean.

Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd

had, hoorde men één slag van de klok.

"De non is dood!" zeide hij, "'t is de doodsklok."

En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.

De klok werd weder gehoord.

"'t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig

uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke

minuut geklept worden.--Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft

een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze

dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. 't Zijn duiveltjes,

die cherubijntjes."

"Wie?" vroeg Jean Valjean.

"De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij

zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen

gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij

hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. 't Is

de doodsklok."

"Nu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen."

En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds

gevonden zijn.

Fauchelevent hernam:

"Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan

wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel,

dat men mij een bel aan 't been heeft gebonden, als aan een wild dier."

Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.--"Dit

klooster zou ons kunnen redden," prevelde hij. En luid zeide hij:

"Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven."

"Neen," zei Fauchelevent, "'t is om hier uit te komen."

Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.

"Hier uit te komen!"

"Ja, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier

uitgaan."

Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:

"Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge

uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk,

dat men door de deur binnenkomt."

Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. "Ha!" zei Fauchelevent,

"men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is

vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag

gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden

weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te

weten hoe ge zijt binnengekomen."

Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van

in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit

een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad

te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor,

dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden

en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten,

en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.

"Onmogelijk!" zeide hij. "Houd het er voor, dat ik van boven ben

gevallen."

"Ik geloof het," hernam Fauchelevent. "Ge behoeft het mij niet te

zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te

bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in

een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier,

die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat

de lijkarts ze kome schouwen. Dat alles behoort tot de plechtigheid

van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet

gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier

op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat

kan er gebeurd zijn?--Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?"

"Cosette."

"Is zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?"

"Ja."

"'t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur

die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn

draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. 't Is zeer

natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet

het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel

verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin

te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof

is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in 't oor schreeuwen,

dat 't een nichtje van mij is en zij 't tot morgen moet bewaren. Dan

keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat

moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?"

Jean Valjean schudde het hoofd.

"Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader

Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette,

in een overdekte draagkorf hieruit te brengen."

Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn

linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.

Een derde gelui gaf een afleiding.

"De lijkarts vertrekt," zei Fauchelevent. "Hij heeft geschouwd en

gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel

heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders

in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de

kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en

half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek

bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag

binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat

vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in

galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en

gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis. De profundis!"

Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half

geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean

aanschouwde haar weder en luisterde niet meer naar Fauchelevent. Niet

gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging

bedaard met zijn gepraat voort:

"Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit

kerkhof zal worden afgeschaft. 't Is een oud kerkhof, dat buiten den

regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. 't Is jammer,

want 't is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er

doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den

avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den

prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren

al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine...."

"Is begraven," zei Jean Valjean treurig glimlachend.

Fauchelevent herhaalde het woord.

"Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou 't een wezenlijke

begrafenis zijn."

Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk

met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.

"Nu is 't mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik

ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine,

en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge

honger hebt."

Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!

Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn

krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.

In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen

op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem

antwoordde: "In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid," dat wil zeggen,

"binnen."

Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den

tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het

kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel

in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.

TWEEDE HOOFDSTUK.

FAUCHELEVENT TEGENOVER EEN BEZWAAR.

Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige

omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen,

bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad,

vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin,

de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur,

moeder Innocentia.

De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel

staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers

liet glijden, hief de oogen op en zeide:

"Ha, zijt gij 't, vader Fauvent?"

Men had zijn naam in 't klooster zoo verkort.

Fauchelevent boog nogmaals.

"Ik heb u doen roepen, vader Fauvent."

"Ik ben hier, eerwaardige moeder."

"Ik heb u iets te zeggen."

"Ook ik," zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig

deed beven, "heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen."

De priorin staarde hem aan.

"Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?"

"Een verzoek."

"Nu, spreek."

De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde

tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn

te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht

er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer

dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er

gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk

bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar

hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande

vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan

zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen

met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was

als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens

gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het

verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,

zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde

hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield

zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster

hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De

kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme

nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk

en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en

den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze

werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen

praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van

het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die

hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij

nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven,

de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De

congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel,

tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk

te vervangen geweest.

Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de

eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige

toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken,

over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den

zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het

nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de

maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er

eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had--(de priorin maakte

een beweging)--een bejaarde broeder,--(tweede beweging der priorin,

maar weer gerustgesteld)--dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij

hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was,

dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van

hem, spreker, zelf;--dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat

voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen

zijn ontslag te verzoeken;--dat zijn broeder een dochtertje had,

't welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen

worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.

Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van

haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:

"Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?"

"Waartoe?"

"Om tot hefboom te dienen."

"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent.

Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de

belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de

kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent

bleef alleen.

DERDE HOOFDSTUK.

MOEDER INNOCENTIA.

Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette

zich op den stoel.

Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten

bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen

beiden mede:

"Vader Fauvent?"

"Eerwaardige moeder?"

"Gij kent de kapel?"

"Ik heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren."

"En zijt ge wel eens wegens bezigheden in 't koor geweest?"

"Twee of drie malen."

"Er moet een steen worden opgeheven."

"Een zwaren?"

"De zerk naast het altaar."

"De zerk die het gewelf sluit?"

"Ja."

"Daarvoor zouden twee mannen noodig zijn."

"Moeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen."

"Een vrouw is nooit een man."

"Wij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij

kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven

van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367."

"Ik evenmin."

"De verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een

klooster is geen timmerwerf."

"En een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!"

"En gij kunt een hefboom krijgen?"

"Dit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past."

"In den steen is een ring."

"Ik zal den hefboom er door steken."

"De steen is zoo ingericht, dat hij draait."

"Goed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen."

"En de vier koormoeders zullen u helpen."

"En als het gewelf open is?"

"Moet het weder gesloten worden."

"Is dat alles?"

"Neen."

"Geef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder."

"Wij stellen vertrouwen in u, Fauvent."

"Ik ben hier om alles te doen."

"En om te zwijgen."

"Gewis, eerwaardige moeder."

"Als het gewelf open is..."

"Zal ik het weder sluiten."

"Maar eerst..."

"Wat, eerwaardige moeder?"

"Er moet iets in nedergelaten worden."

Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling

scheen aan te duiden, hernam de priorin:

"Vader Fauvent...."

"Eerwaardige moeder?"

"Ge weet dat van ochtend een moeder is overleden."

"Neen."

"Hebt ge dan de klok niet gehoord?"

"Men hoort niets aan 't einde van den tuin."

"Waarlijk?"

"Ik hoor nauwelijks als ik gescheld word."

"Zij is bij 't aanbreken van den dag gestorven."

"Van ochtend was de wind niet naar mijn kant."

"'t Is moeder Crucifixion. Een zalige."

De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in

stilte, en hernam:

"Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd,

alleen door moeder Crucifixion te zien bidden."

"Ha ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder."

"De moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen."

"Ik ken die kamer."

"Geen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. 't

Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt."

"Vaker!"

"Wat?"

"Vaker!"

"Wat zegt gij?"

"Ik zeg vaker."

"Vaker dan wat?"

"Eerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker."

"Ik begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?"

"Om te zeggen als gij, eerwaarde moeder."

"Maar ik heb niet vaker gezegd."

"Ge hebt het niet gezegd, maar ik heb 't gezegd om als gij te zeggen."

Op dit oogenblik sloeg het negen uren.

"Te negen ure 's morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament

des altaars geëerd en geloofd," zei de priorin.

"Amen," zei Fauchelevent.

Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het "vaker." 't

Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden

ontward hebben.

Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.

De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed,

en zeide toen luid:

"In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood

zal zij wonderen doen."

"Zij zal ze doen;" antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende

nu niet meer te struikelen.

"Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend

geweest. 't Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals

kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God

te geven met de woorden: Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een

uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een

zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar

kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de

engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij

een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou

zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij

glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat

sterven was zaligheid."

Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:

"Amen."

"Vader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen."

De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers

glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:

"Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd,

die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en

heerlijke vruchten voortbrengen."

"Eerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in

den tuin."

"Zij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige."

"Gelijk gij, eerwaardige moeder."

"Zij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk

verlof van onzen heiligen vader Pius VII."

"Die kei... Buonaparte gekroond heeft."

Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer

onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten

verdiept was, hem niet. Zij hernam:

"Vader Fauvent?"

"Eerwaardige moeder?"

"De heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op

zijn graf dit enkele woord grifte: Acarus, dat aardworm beteekent;

't werd gedaan. Is 't zoo niet?"

"Ja, eerwaardige moeder."

"De welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden

begraven; 't werd gedaan."

"'t Is waar."

"De heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den

Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte,

't welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat

de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men

moet de dooden gehoorzamen."

"Het zij zoo!"

"Het lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille

werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning

van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht,

hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men

dit ontkennen?"

"Volstrekt niet, eerwaardige moeder."

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 20 / 24 段