De schrijver van dit boek heeft met zijn eigen oogen, acht uren van

Brussel, in de abdij van Villers, iets uit de Middeleeuwen gezien, dat

in ieders bereik ligt--in het midden van 't geen toen de kloosterhof

was, aan den oever der Dyle, het in pace, vier steenen cachotten,

half in den grond half in het water gebouwd. Ieder dezer cachotten

heeft nog het overblijfsel van een ijzeren deur, een geheim gemak,

en een getralied luchtgat, dat buiten twee voet boven de rivier,

binnen zes voet boven den grond is. Langs den muur stroomt de rivier

ter hoogte van vier voet. De bodem is altijd vochtig. De bewoner van

het in pace had dezen vochtigen bodem tot bed. In een dezer cachotten

bevindt zich nog een brok van een in den muur gemetselden halsboei;

in een ander ziet men een soort van vierkante kast, van vier steenen

samengesteld, die te kort is om er in te kunnen liggen, te laag om er

in te staan. Daarin stak men een mensch en legde er een steenen deksel

op. Het bestaat nog. Men ziet, men betast het. Deze in paces, deze

cachotten, deze ijzeren hengels, deze halsboeien, dit lage luchtgat

vlak boven de rivier, deze met een granieten deksel als een graf

gesloten steenen kist, met dit verschil dat daarin de doode levend

was, deze bodem van slijk, dit rioolgat, deze zweetende muren--hoe

"declameeren" zij!

DERDE HOOFDSTUK.

OP WELKE VOORWAARDEN MEN HET VERLEDEN KAN EERBIEDIGEN.

Het kloosterwezen, zooals dat in Spanje bestond en in Thibet bestaat,

is voor de beschaving een soort van tering. Het stremt het leven;

het ontvolkt. Voor Europa is 't een geesel geweest. Voeg daarbij

het zoo dikwerf geweld aangedane geweten, de gedwongen roeping

voor het klooster, het feodaalwezen steunende op het klooster, het

eerstgeboorterecht, dat het te veel der familie aan het klooster

overgaf, de wreedheden, waarvan wij gesproken hebben, de in pace, de

gesloten monden, het inmetselen, zoovele ongelukkigen in den kerker

der eeuwige geloften geworpen, de aanneming van het kloostergewaad,

de begraving van levende zielen! Voeg hierbij, al naar den trap van

verlaging der natiën, de persoonlijke straffen, en wie ge zijn moogt,

ieder zal beven voor de pij en den sluier, voor deze twee lijkdoeken

van menschelijke uitvinding.

Evenwel, in weerwil der wijsbegeerte, in weerwil van den vooruitgang,

blijft op enkele punten, en in zekere oorden de kloostergeest nog

in 't midden der negentiende eeuw volharden, en een zonderlinge

verlevendiging van het ascétisme verbaast thans de beschaafde

wereld. De halsstarrigheid der verouderde instellingen om te blijven

bestaan gelijkt de ransig geworden pommade, die ons haar met geweld

welriekend wil maken, de eisch van den bedorven visch, die gegeten wil

worden, van het kinderkleed dat den volwassen man zou willen dekken, en

de liefde der lijken die zouden wederkomen om de levenden te omhelzen.

Ondankbaren! zegt de kleeding. Ik heb u in 't slechte weder

beschermd. Waarom wilt ge mij niet meer? Ik kom uit de verre zee,

zegt de visch. Ik ben roos geweest, zegt de pommade. Ik heb u bemind,

zegt het lijk. Ik heb u beschaafd, zegt het klooster.

Hierop slechts dit antwoord: Voorheen!

't Schijnt zonderling, wanneer men aan den onbepaalden duur van

gestorven dingen en van menschelijke heerschappij door inbalseming

gelooft; wanneer men de bouwvallige leerstukken herstelt, de

straalkransen opnieuw verguldt, de kloostermuren wit, de reliquikasten

opnieuw wijdt, het bijgeloof versterkt, het fanatisme aanvuurt,

nieuwe stelen en handvatsels aan wijwaterskwasten en sabels maakt,

het kloosterdom en de militaire oppermacht weder opricht, wanneer

men aan het heil der maatschappij gelooft door de woekerplanten te

vermeerderen, en het verledene aan het tegenwoordige opdringt. En

echter zijn er voorstanders dezer theorieën. Deze theoretici,

overigens schrandere lieden, handelen zeer eenvoudig; zij leggen

op het verledene een vernis, 't welk zij maatschappelijke orde,

goddelijk recht, zedelijkheid, familie, eerbied voor de voorouders,

oud gezag, heilige overleveringen, legitimiteit, godsdienst noemen,

en zij roepen: Ziet! neemt dit, goede lieden!--Deze logica kenden

reeds de ouden. De wichelaars gebruikten ze. Zij bestreken een zwarte

vaars met krijt en zeiden: zij is wit. Bos cretatus.

Wat ons aangaat, wij eerbiedigen het een en ander van--en sparen

geheel--het verledene, mits het zich tevreden houdt dood te zijn. Zoo

het levend wil zijn, vallen wij het aan en trachten het dan te dooden.

Bijgeloof, bigotterie, kwezelarij, vooroordeel, deze spooksels,

hoewel zij spooksels zijn, hebben een taai leven, zij hebben tanden

en nagels; men moet ze een voor een aangrijpen en verstikken, hen

bestrijden en onvermoeid bestrijden; want 't is het lot des menschen

eeuwig in strijd met spookbeelden te zijn. Een schim is moeielijk

bij de keel te grijpen en neder te werpen.

Een klooster in Frankrijk in den vollen middag der negentiende eeuw is

een uilennest, dat het daglicht durft tarten. Een ascetisch klooster,

dat in het midden der stad van 89, van 1830 en van 1848, Rome in Parijs

doet bloeien, is een anachronisme. In gewone tijden behoeft men,

om een anachronisme op te lossen en te doen verdwijnen, het slechts

het jaartal voor te spellen. Maar wij leven in geen gewonen tijd.

Laat ons strijden!

Laat ons strijden, maar met verstand. De waarheid heeft het

eigenaardige, dat zij nooit buitensporig is. Waarom zou zij

overdrijven? Er zijn dingen die vernietigd, er zijn andere dingen

die eenvoudig toegelicht en beschouwd moeten worden. Welk een kracht

heeft een welwillend, ernstig onderzoek!

Brengen wij geen vlam dáár waar het licht voldoende is.

In de negentiende eeuw zijn wij dus over 't algemeen, bij alle volken,

in Azië evenals in Europa, in Indië evenals in Turkije, tegen de

kloosters en het ascetisme. De kloosters gelijken moerassen. Hun

overgang tot bederf is duidelijk, hun stilstand is ongezond; hun

gisting maakt de volken koortsig en verzwakt ze; hun vermenigvuldiging

wordt een egyptische plaag. Niet zonder huivering kunnen wij aan

die landen denken, waar het van fakirs, bonzen, santons, caloyers,

marabouts, talapoins en dervischen als van ongedierte wemelt.

Er blijft dus de godsdienstige vraag over. Deze vraag heeft

verschillende geheimzinnige, schier vreeselijke zijden: het zij ons

vergund ze nader te beschouwen.

VIERDE HOOFDSTUK.

HET KLOOSTER UIT HET GEZICHTSPUNT VAN BEGINSELEN.

Menschen vereenigen zich en wonen gemeenschappelijk. Volgens welk

recht? Volgens het recht van vereeniging.

Zij sluiten zich op. Volgens welk recht? Volgens het recht dat ieder

mensch heeft om zijn deur te sluiten of te openen.

Zij gaan niet uit. Volgens welk recht? Volgens het recht van te

gaan en te zijn, naar verkiezing; 't welk het recht van te huis te

blijven insluit.

Te huis, wat doen zij dáár?

Zij spreken zacht; slaan de oogen neder; werken. Zij verzaken de

wereld, de steden, het zingenot, de vermaken, de ijdelheden, den

hoogmoed, het eigenbelang. Zij zijn in grof linnen of in grove wol

gekleed. Niemand hunner bezit iets in eigendom. Bij zijn intrede maakt

hij die rijk was zich arm. Wat hij bezit, geeft hij aan allen. Hij die,

zooals men 't heet, van adel, edelman en heer was, is de gelijke van

hem, die boer was. De cel is voor allen dezelfde. Allen ondergaan

dezelfde kruinschering, dragen dezelfde pij, eten hetzelfde zwarte

brood, slapen op hetzelfde stroo, sterven op dezelfde asch. Zij dragen

denzelfden zak op den rug, hetzelfde koord om de lendenen. Zoo men

overeengekomen is barvoets te gaan, gaan allen barvoets. Is er een

prins, die prins is dezelfde schim als de anderen. Geen titels. Zelfs

de familienamen zijn verdwenen. Zij hebben slechts voornamen. Allen

gaan gebogen onder de gelijkheid der doopnamen. Zij hebben de

vleeschelijke familie ontbonden en in hun gemeenschap de geestelijke

familie aangenomen. Zij hebben geen andere verwanten meer dan alle

menschen. Zij helpen de armen, verplegen de kranken. Zij verkiezen hen,

wien zij gehoorzamen. De een zegt tot den ander "mijn broeder."

Valt mij niet in de rede met de woorden: "dit is een denkbeeldig

klooster!"

't Is voldoende dat het een mogelijk klooster zij, om 't in aanmerking

te nemen.

't Is ook om die reden, dat ik in 't voorgaande boek op eerbiedige

wijze van een klooster gesproken heb. De middeleeuwen en Azië er buiten

gelaten, en met voorbehoud der historische en politieke kwestie,

beschouw ik, uit een zuiver, wijsgeerig oogpunt, de kloosterlijke

samenleving, mits zij volkomen vrijwillig gekozen wordt, steeds met een

gevoel van belangstelling en in sommige opzichten, van eerbied. Waar

de gemeenschap is, is de gemeente, waar de gemeente is, is het

recht. Het kloosterleven is de uitkomst der woorden: gelijkheid,

broederschap! O, hoe grootsch is de vrijheid; welke schitterende

herscheppingen bewerkt zij. De vrijheid is machtig om het klooster

in een republiek te herscheppen.

Gaan wij verder.

Maar deze mannen, of deze vrouwen, de achter deze vier muren zittenden,

kleeden zich in grove wol, allen zijn gelijk, zij noemen elkander

broeders en zusters. Goed; maar doen zij nog iets anders?

Ja.

Wat?

Zij beschouwen de duisternis, zij knielen, en vouwen de handen samen.

Wat beteekent dat?

VIJFDE HOOFDSTUK.

HET GEBED.

Zij bidden.

Tot wien?

Tot God.

Wat beteekent, tot God bidden?

Bestaat een oneindige buiten ons? Is dat oneindige één, blijvend,

eeuwig, noodzakelijk zelfstandig, wijl het oneindig is, en begrensd

moest zijn, zoo het het stoffelijke miste; noodzakelijk intelligent,

wijl het oneindig is, en het eindigen zou zoo het de intelligentie

miste. Wekt dit oneindige in ons het denkbeeld van uitvloeisel,

terwijl wij ons zelven slechts het denkbeeld van bestaan kunnen

toeschrijven? Met andere woorden, is het niet het volstrekte, waarvan

wij het betrekkelijke zijn.

Is nu niet een oneindig in ons, evenals een oneindig buiten

ons is? Plaatsen zich deze twee oneindigen (welk een ontzettend

meervoud?) niet het een boven het ander. Is het tweede oneindige,

om zoo te spreken, niet aan het eerste onderworpen? is het er de

spiegel, de weerkaatsing, de echo niet van, een afgrond in een anderen

afgrond? Is ook dat tweede oneindige intelligent? Denkt het, bemint

het, heeft het een wil? Zoo de twee oneindigen intelligent zijn,

heeft ook ieder hunner een wil, en in het oneindige boven is een

"ik", evenals in 't oneindige beneden. Het ik beneden is de ziel;

het ik boven is God.

Bidden is nu: door de gedachten het oneindige beneden met het oneindige

boven in aanraking brengen.

Ontnemen wij den menschelijken geest niets; ontnemen deugt niet. Men

moet hervormen en herscheppen. Sommige geestvermogens van den mensch

zijn naar het onbekende gericht; de gedachte, de bespiegeling,

het gebed. Het onbekende is een oceaan. Wat is het geweten? 't

Is het kompas in het onbekende. Gedachte, bespiegeling, gebed zijn

geheimzinnige stralen. Eerbiedigen wij ze. Waarheen gaan deze verhevene

stralen der ziel? naar het duister; of liever gezegd naar het licht.

De grootheid der democratie bestaat in niets van de menschheid te

loochenen en niets te verloochenen. Naast het recht van den mensch,

staat, ten minste even hoog, het recht der ziel.

De wet is het fanatisme te vernietigen, en het oneindige te

vereeren. Bepalen wij er ons niet bij, voor den boom "schepping"

te knielen en zijn groote gesternde takken te aanschouwen. 't

Is onze plicht aan de menschelijke ziel te arbeiden, het geheim

tegen het wonder te beschermen, het onbegrijpelijke te aanbidden,

het bespottelijke te verwerpen, slechts van het onverklaarbare het

noodzakelijke toe te staan, het geloof te veredelen, den godsdienst

van bijgeloovigheden te zuiveren; van God een helder begrip te vormen.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET VOLSTREKT NUT VAN HET GEBED.

Wat de wijze van bidden betreft; iedere wijze is goed, zoo zij slechts

oprecht zij. Men draaie het boek om, en is toch in het oneindige.

Er is een wijsbegeerte, wij weten het, die het oneindige loochent. Er

is ook een ziekelijke filosofie, die de zon loochent; deze filosofie

heet blindheid.

Van een zintuig, dat ons ontbreekt, de bron der waarheid te maken,

is als de overtuiging van den blinde. Merkwaardig is die hoogmoedige,

aanmatigende, en medelijdende houding, welke deze in 't blinde tastende

filosofie tegenover de wijsbegeerte aanneemt, die God ziet. Men meent

een mol te hooren roepen: Hoe kunnen zij zoo dwaas zijn, aan een zon

te gelooven?

Er zijn, wij erkennen het, beroemde, geleerde Atheïsten. Maar deze,

die hun eigen macht alleen tot de waarheid voert, zijn in den grond

zelf niet zeker of zij wel Atheïsten zijn; 't is voor hen niet veel

meer dan een punt van definitie; in allen gevalle, gelooven zij niet

aan God, als groote geesten bewijzen zij het bestaan van God.

Hen begroeten wij als wijsgeeren, hoewel wij onverbiddelijk hun

filosofie veroordeelen.

Verder:

't Is verwonderlijk hoe gemakkelijk men zich met woorden kan tevreden

stellen. Een noordsche, bovennatuurkundige, min of meer nevelachtige

school, heeft gemeend in het menschelijk verstand een omwenteling te

bewerken, door voor het woord "kracht" het woord "wil" te stellen.

Te zeggen: de plant wil; in plaats van: de plant groeit; 't

zou inderdaad vrucht dragen, zoo men er bij voegde: de wereld

wil. Waarom? wijl er dit uit zou volgen: de plant wil, zij heeft dus

een ik; de wereld wil, zij heeft dus een God.

Voor ons evenwel, die in tegenoverstelling met deze school, niets

à priori verwerpen, schijnt een wil in de plant, door deze school

geleerd, moeielijker aan te nemen, dan een wil in de wereld, dien

zij loochent.

Den wil van het oneindige, dat is van God, te loochenen, kan niet

geschieden zonder het oneindige te loochenen. Wij hebben het bewezen.

De loochening van het oneindige voert regelrecht naar het

"nihilisme." Alles wordt "een begrip des geestes."

Met het nihilisme is geen discussie mogelijk. Want de logische nihilist

twijfelt dat zijn tegenpartij bestaat, en is zelfs niet eens zeker

of hij zelf wel bestaat.

Uit zijn gezichtspunt is het mogelijk, dat hij voor zich zelven niets

anders zij dan "een begrip van zijn geest."

Intusschen ziet hij niet, dat hij al het door hem geloochende in zijn

geheel toestaat, alleen door het woord "geest" te noemen. Kortom,

een filosofie die alles op het woordje "neen" laat uitloopen, laat

geen weg voor de gedachte open.

Voor neen, is slechts een antwoord: ja.

Het nihilisme heeft geen gevolg.

Er is geen niet. Nul bestaat niet. Alles is iets. Niets is niets.

De mensch leeft meer nog van overtuiging dan van brood.

't Is niet voldoende te zien en te bewijzen. De wijsbegeerte moet

kracht hebben, en de verbetering van den mensch haar doel en streven

wezen. Socrates moet in Adam dringen en Marcus Aurelius voortbrengen;

met andere woorden, uit den gelukkigen mensch den wijzen mensch

tevoorschijn brengen; het Paradijs in een school veranderen. De

wetenschap moet een versterking des harten zijn. Genieten! Welk een

treurig doel en nietige eerzucht. Het dier geniet. Denken is de ware

triumf der ziel. De gedachte naar den dorst der menschen te richten,

aan allen de kennis Gods in te geven, onder hen het geweten en de

wetenschap te verbroederen, hen door deze geheimzinnige verbroedering

rechtvaardig te maken, ziedaar de taak der ware wijsbegeerte. De moraal

is een ontluiking van waarheden. Beschouwing voert tot handelen. Het

positieve moet practisch zijn. Het ideale moet voor den menschelijken

geest adembaar, drinkbaar en eetbaar zijn. Het ideale heeft het recht

te zeggen: "Neem, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed." De wijsheid

is een heilige gemeenschap. Op deze voorwaarde houdt zij op, een dorre

liefde voor de wetenschap te zijn, om de eenige, oppermachtige wijze

der menschelijke verbroedering en van wijsbegeerte tot godsdienst

bevorderd te worden.

De wijsbegeerte moet geen rustplaats zijn voor het geheimzinnige,

om het op zijn gemak te kunnen beschouwen, zonder andere vrucht dan

de nieuwsgierigheid te bevredigen.

Terwijl wij echter de ontwikkeling onzer gedachte tot een andere

gelegenheid uitstellen, bepalen wij ons bij de opmerking, dat wij den

mensch noch als uitgangspunt, noch den vooruitgang als doel begrijpen,

zonder deze twee drijfveeren: gelooven en beminnen.

De vooruitgang is het doel, het ideaal is de type.

Wat is het ideaal? God!

Het ideaal, het volstrekte, het volmaakte, het oneindige;--zijn alle

woorden van dezelfde beteekenis.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VOORZORGEN TEGEN BERISPING.

De geschiedenis en de wijsbegeerte hebben eeuwige plichten, die tevens

eenvoudige plichten zijn; Cajaphas als bisschop, Draco als rechter,

Trimalcion als wetgever, Tiberius als keizer te bestrijden, is klaar

en duidelijk, zonder eenige duisternis. Maar het recht om afgezonderd

te leven, zelfs met zijn bezwaren en misbruiken, wil bevestigd en

vergund zijn.

Wanneer men van de kloosters spreekt, van deze plaatsen van dwaling

of onnoozelheid, van verbijstering of goeden wil, van onwetendheid of

zelfopoffering, van straf of martelaarschap, moet men schier altijd

ja en neen, beide, zeggen.

Een klooster is een tegenstrijdigheid. Als doel, de zaligheid; als

middel, de opoffering. Het klooster is de verhevenste zelfzucht,

die tot de verhevenste zelfverloochening voert.

Afstand te doen om te heerschen, schijnt de leus van het kloosterwezen

te zijn.

In het klooster lijdt men om te genieten. Men trekt een wissel op

de eeuwigheid. Men disconteert voor aardsche duisternis hemelsch

licht. In het klooster wordt bij voorbaat de hel aangenomen, om den

hemel te erven.

Het nemen van den sluier of de pij is een zelfmoord, die met de

eeuwigheid wordt beloond.

Wij meenen, dat bij zulk een onderwerp geen scherts te pas komt. Alles

is er ernstig, zoowel het goede als het kwade.

De weldenkende fronst de wenkbrauwen, maar glimlacht niet

boosaardig. Wij begrijpen den tegenstand, niet de kwaadwilligheid.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

GELOOF, WET.

Nog eenige woorden.

Wij laken de kerk, wanneer zij van kuiperijen vervuld is; wij verachten

het geestelijke, dat op het wereldlijke aast; maar alom eeren wij

den denkenden mensch.

Wij buigen ons voor ieder die knielt.

Een geloof is voor den mensch noodzakelijk. Wee hem die niets gelooft!

Men is niet werkeloos als men zich in zijn gedachten verdiept. Er is

een zichtbare en een onzichtbare arbeid.

Beschouwen is ploegen; denken is handelen. De over elkander geslagen

armen, de saamgevouwen handen doen iets. Ook de ten hemel gerichte

blik is een werk.

Thales bleef vier jaren onbewegelijk. Hij vestigde de wijsbegeerte.

Voor ons zijn de kloosterlingen geen lediggangers, en de eenzamen

geen luiaards.

Over de duisternis te denken is iets zeer ernstigs.

Zonder iets van 't geen wij gezegd hebben terug te nemen,

gelooven wij, dat het den levenden betaamt gestadig aan het graf te

denken. Hieromtrent zijn priester en wijsgeer het eens. "Men moet

sterven." De abt van la Trappe is eenstemmig met Horatius.

Iets van het graf in zijn leven te mengen is de wet van den wijze;

't is de wet van den asceet. Beiden ontmoeten elkander hierin.

Er is stoffelijke wasdom; dezen willen wij. Er is ook zedelijke

grootheid; haar vereeren wij.

Onbedachtzame en oppervlakkige geesten vragen:

"Waartoe deze beweginglooze figuren naast het geheimzinnige? Waartoe

dienen zij? Wat doen zij?"

Helaas, in de duisternis die ons omgeeft en ons wacht, niet wetende

wat de onmetelijke verspreiding van ons maken zal, antwoorden wij:

"Er is misschien niets verhevener dan 't geen deze zielen doen." En

wij voegen er bij: "Er is misschien niets nuttiger."

Zij die altijd bidden, bidden mede voor hen, die nooit bidden.

Voor ons komt alles op de gedachten aan, die zich aan het gebed paren.

't Is grootsch als Leibnitz bidt; 't is schoon als Voltaire

aanbidt. Deo exerit Voltaire.

Wij zijn vóór den godsdienst, tegen de godsdiensten.

Wij behooren tot hen die aan de armzaligheid der formuliergebeden,

en aan de verhevenheid van het gebed gelooven.

In de tegenwoordige minuut, overigens, die gelukkig aan de negentiende

eeuw haar gestalte niet zal achterlaten; in dit uur, nu zoo velen

het hoofd laag en de ziel niet hoog hebben; onder zoovelen wier

zedenleer genieten heet, en die zich slechts met het kortstondige,

wanstaltige, stoffelijke bezighouden,--schijnt ons ieder eerwaardig,

die zich zelven verbant. Dit klooster is een verloochening. Het offer,

het moge verkeerd gebracht zijn, is evenwel een offer. 't Is grootsch,

een strenge dwaling als plicht te beschouwen.

Op zich zelf en als ideaal beschouwd, en om de waarheid door een

onpartijdig onderzoek van al de zienswijzen te ontdekken, heeft het

klooster--bovenal het vrouwenklooster--want in onze maatschappij

lijdt de vrouw het meest, en in de ballingschap des kloosters ligt

een protest--onbetwistbaar iets majestueus.

Dit zoo streng en treurig kloosterlijk leven, waarvan wij eenige

trekken hebben geschetst, is geen leven, want 't is geen vrijheid;

't is geen graf, want 't is niet de voleindiging des levens; 't is

het zonderling oord, waar men, als van den top eens hoogen bergs,

aan den eenen kant de diepte ziet waar wij zijn, aan den anderen kant

de diepte waar wij komen zullen; 't is een enge, nevelachtige grens,

die twee werelden scheidt, en te gelijker tijd door beide verlicht

en verduisterd wordt; waar de verflauwde straal des levens met de

schemerende straal des doods samensmelt; 't is de flikkering van

het graf.

Wij, die niet gelooven wat deze vrouwen gelooven, doch evenals zij in

het geloof leven, nooit hebben wij, zonder een soort van godsdienstige,

teedere huivering, zonder een soort van bewonderend medelijden, deze

nederige en verheven zielen aanschouwd, welke zelfs op den rand dezer

geheimenis durven leven, wachtende tusschen de wereld, die gesloten,

en den hemel, die niet geopend is, gekeerd naar het licht, dat men

niet ziet, slechts gelukkig in de meening te weten waar het is, naar

den afgrond en het onbekende strevende, met het oog op de strakke

duisternis gericht, geknield, bewogen, verstommend, bevend en in

sommige oogenblikken door de diepe ademtocht der eeuwigheid opgeheven.

BOEK VIII.

DE KERKHOVEN NEMEN WAT MEN ZE GEEFT.

EERSTE HOOFDSTUK.

HOE MEN IN HET KLOOSTER KOMT.

't Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd

"uit den hemel was gevallen."

Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau

vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord,

was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij

in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte,

welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die

de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank

hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman,

den ouden Fauchelevent, gehecht.

Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent,

gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas

met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette

in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo

te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd:

"dus moet ik nu hier blijven."--Deze woorden hadden den ganschen

nacht Fauchelevent door 't hoofd gewoeld.

Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.

Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was,

begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder

ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in

het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan

er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster

tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er

mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo

men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis

zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hij er blijven mocht,

wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 19 / 24 段