voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het
voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij
betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter
een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.
Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster
de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aan onbezielde
voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het
schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat
naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd,
duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf,
de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht
worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis
in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was
een bijzonder getal. Voor de priorin was 't één en één; voor de
onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der
school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den
klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden
een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte
met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar
hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is,
kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen
er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud
leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien;
de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan
men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een
"afschuwelijken ouden bochel" afgeschilderd wordt.
Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.
Zoodanig was dit merkwaardig huis.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
POST CORDA LAPIDES.
Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te
hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden
zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds
een denkbeeld.
Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel
het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten
Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg,
die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier
straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een
vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een
tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging
van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen
een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galg
besloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat
Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze,
statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus;
het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van
dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur,
waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags
werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener
non uit het klooster werd gedragen. 't Was de algemeene kerkdeur. De
elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer
diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters
en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de
kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der
blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet
zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin,
die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat
de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin,
stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom,
van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen,
verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest,
de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze
paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende,
waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het
einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen
van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot
aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor
het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit
alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd,
muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap
dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat,
en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van 't geen
vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van
Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar
van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond,
die, "het speelhuis der elf duizend duivels" werd genoemd.
Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De
namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er
naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout
geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep
de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.
NEGENDE HOOFDSTUK.
EEN EEUW ONDER EEN NONNEN BORSTDOEK.
Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van 't geen eertijds het
klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een
blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog
een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van
dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen
zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.
In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit
de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in
de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil,
zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat,
met wie zij goed bekend was geweest. 't Was haar vermaak en trots,
bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde
wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek
en in welk klooster straten waren.
Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren
vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen,
zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem
aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan
Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan
Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige
vader.--En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk
gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.
Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij
zeide, dat in haar jeugd "de bernardijnen niet voor de musketiers uit
den weg gingen." 't Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij
verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en
Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot
personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair
door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke
overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers
aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker
las men dit opschrift: "apenwijn," op den tweeden: "leeuwenwijn,"
op den derden: "schapenwijn," op den vierden: "varkenswijn." Deze
vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard
nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweede
vergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.
Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan
zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks
niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op,
't geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij
het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot
zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij,
die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp
sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de
volhardendsten op haar halsstarrigheid.
't Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen
en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar
en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk
een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte
reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw
overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar
de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen
doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. 't Was een schotel van
Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts,
gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de
vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke
liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt
weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles
is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse
schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld
te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman
in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.
Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl,
zooals zij zeide, "het spreekvertrek te somber was."
TIENDE HOOFDSTUK.
OORSPRONG DER EEUWIGDURENDE AANBIDDING.
Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld
te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel
en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder
in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een
andere orde was, waren bruine gordijnen in plaats van zwarte blinden,
en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke
neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de
wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht,
geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.
In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische
kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd
gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de
vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.
Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de
benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel
andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux
behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder
dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in
weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en
in St. Jean en Grève, ontheiligd; 't was zulk een vreeselijke en
zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding
bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval
een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijke
nuncius officiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee
achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin
de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des
altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen
niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door
een "Eeuwigdurende aanbidding" in een vrouwenklooster. Beiden, de
eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar,
genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke
schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus
te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van
Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde "dat geen
jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch
kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal
medebracht." Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn
goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven
werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.
Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding
des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd
"geheel nieuw gebouwd" in de straat Cassette voor de gelden der dames
de Boucs en de Chateauvieux.
Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen
van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,
gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten
en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen
staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der
bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In
1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner
nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de
benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin
bleven de twee orden geheel gescheiden.
ELFDE HOOFDSTUK.
EINDE VAN KLEIN-PICPUS.
Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van
Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven
dezer orde in 't algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden
allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der
menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt,
een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken
vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.
Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine
klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen
noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren
heengegaan. Volaverunt.
De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke
strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen
nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen
koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna
honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel
zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring
der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar
gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst
van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen,
dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal
smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. 't Is een
onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij
drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van
dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig
jaar, de andere drieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval
heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.
Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen
voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen
binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige
geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster
binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo
nieuw schijnen. 't Is de gesloten tuin. Hortus conclusus. Wij hebben
van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten
minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij
begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver
van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste
zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire,
die zelfs het kruis bespot.
't Was, in 't voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire;
want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas
verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis,
zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De
vermoording van een wijze.
De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men
verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van 't
verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in 't menschelijk
hart zijn. Veel wordt gesloopt, en 't is goed dat men het sloope,
mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.
Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. 't
Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De
namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich
gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn
pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het
verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de
geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.
De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie
van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze
beschermt.
BOEK VII.
PARENTHESIS.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET KLOOSTER, ALS ABSTRACTE IDÉE.
Dit boek is een drama, waarvan het oneindige de hoofdpersoon is.
De tweede persoon is de mensch.
Dit gesteld, en wijl een klooster op onzen weg lag, zijn wij er
moeten binnengaan. Waarom? Wijl het klooster, zoowel eigen aan het
Oosten als aan het Westen, aan den ouden als aan den nieuweren tijd,
aan het heidendom, aan het boudhisme, aan het mahomedanisme, aan het
Christendom, een optisch werktuig is, dat de mensch op het oneindige
richt.
't Is hier de plaats niet om wijdloopig sommige ideeën te
ontwikkelen; evenwel moeten wij--ons alle uitzonderingen en zelfs onze
verontwaardiging bepaald voorbehoudende,--zeggen dat, telkens wanneer
wij in den mensch het, goed of kwalijk begrepen, oneindige ontmoeten,
wij ons van eerbied doordrongen gevoelen. In de synagoge, in de moskee,
in de pagode, in de wigwam is een afschuwelijke zijde, welke wij
verfoeien, maar ook een verhevene zijde, welke wij vereeren. Welk
een bespiegeling voor den geest en welke peillooze overdenking is
niet de weerkaatsing van God in den mensch!
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET KLOOSTER ALS HISTORISCH FEIT.
Uit het gezichtspunt der geschiedenis, der rede en der waarheid is
het kloosterleven verwerpelijk.
De kloosters, zoo zij bij een natie te talrijk zijn, zijn als knoopen,
die den band der samenleving belemmeren, 't zijn hinderende gebouwen,
middelpunten van luiheid, dáár waar middelpunten van werkzaamheid
zijn moesten. De kloostergemeenschap is voor de groote maatschappij
wat de mistel voor den eik, wat de wrat voor het menschelijk lichaam
is. Hun bloei en hun omvang verarmen het land. De kloosterregel,
goed in de kindsheid der beschaving, nuttig om door het geestelijke de
ruwheid te verminderen, is schadelijk voor den mannelijken leeftijd der
volken. Maar wanneer hij verslapt en een tijdperk van ongeregeldheden
intreedt, wanneer hij dan nog voortgaat tot voorbeeld te dienen,
wordt hij nadeelig, om dezelfde redenen die hem in het tijdperk zijner
zuiverheid heilzaam deden zijn.
De kloosterlijke afzondering heeft haar tijd gehad. De kloosters,
nuttig voor de eerste opvoeding der nieuwere beschaving, belemmerden
haar groei en zijn schadelijk voor haar ontwikkeling. Evenzeer als
instelling en als wijze van vorming voor den mensch zijn de kloosters,
goed in de tiende eeuw, betwistbaar in de vijftiende, verwerpelijk in
de negentiende. De klooster-melaatschheid heeft reeds twee schoone
natiën, Italië en Spanje, de eene het licht, de andere de luister
van Europa, sinds eeuwen tot op het gebeente afgeknaagd, en eerst
nu, in den tijd, dien wij beleven, begint de genezing dier volken,
dank zij de heilzame en krachtige gezondheidsleer van 1789.
Het klooster, in 't bijzonder het vroegere vrouwenklooster,
zooals het bij den aanvang onzer eeuw nog in Italië en Oostenrijk
en Spanje verschijnt, is een der somberste voortbrengselen der
Middeleeuwen. Zoodanig klooster is het vereenigingspunt van
alle verschrikkingen. Het eigenlijke Katholieke klooster is vol
van den zwarten glans des doods. Bovenal het Spaansche klooster
is treurig. Daar verheffen zich in de duisternis, onder donkere
gewelven, in nevelen gehulde koepeldaken, babylonische, kolossale
altaren, zoo hoog als de kerken; daar hangen aan kettingen, in diepe
duisternis, groote witte crucifixen, daar liggen op het ebbenhout
groote naakte, meer dan bloedige, bloedende ivoren Christusbeelden
uitgestrekt, afgrijselijk en toch heerlijk, wier ellebogen de knoken,
wier knieschijven de vliezen, wier wonden het vleesch vertoonen,
gekroond met zilveren doornen, vast gespijkerd met gouden nagels,
met bloeddroppels van robijnen op het voorhoofd en diamanten tranen
in de oogen.
Do diamanten en robijnen schijnen vloeiend, en doen beneden, in
de schaduw, gesluierde wezens weenen, wier lendenen gestriemd en
verwond zijn door den geesel met ijzeren punten en het haren kleed,
wier borsten door het teenen vlechtwerk plat zijn gedrukt, wier knieën
door het gebed ontveld zijn; vrouwen, die zich echtgenooten wanen,
spoken die serafijnen meenen te zijn. Denken deze vrouwen? Neen. Hebben
zij een wil? Neen. Beminnen zij? Neen! Leven zij? Neen. Haar zenuwen
zijn been geworden, haar gebeente is versteend. Haar sluier is uit
nacht geweven. Onder dien sluier gelijkt haar adem eenigerwijs den
akeligen ademtocht des doods. De abdis, een spooksel, zegent en
verstijft ze van schrik. Daar is het onbevlekte woest. Zóó zijn de
oude kloosters in Spanje, verblijven van schrikbarende godsvrucht,
spelonken van maagden, ontzettende plaatsen.
Het Katholieke Spanje was meer roomsch dan Rome zelf. Bij uitnemendheid
was het Spaansche klooster het Katholieke klooster. Men rook er het
Oosten. De aartsbisschop, de kizlar-aga des hemels, grendelde en
bewaakte dat voor God bewaarde zielen serail. De non was de odaliske,
de priester de gesnedene. De vurigste werden in den droom uitverkoren
en bezaten Christus. Des nachts daalde de fraaie, naakte jonge man van
het kruis, en werd de verrukking der cel. Hooge muren behoedden voor
iedere verstrooidheid de geheimzinnige sultane, die den gekruisigde
tot sultan had. Een blik naar buiten was een ontrouw. Het in pace
verving den lederen zak. Wat men in het oosten in zee wierp, werd
in het westen in de aarde geworpen. Hier zoowel als daar, wrongen
vrouwen de handen; de golf voor deze, het graf voor de andere; hier
verdronkenen, daar begravenen. Gruwzame gelijkenis.
Nu de verdedigers van het verleden deze feiten niet meer
kunnen loochenen, beginnen zij er om te lachen. Men heeft een
zeer gemakkelijke, maar zonderlinge wijze in de mode gebracht
om de openbaringen der geschiedenis van de hand te zetten, de
verklaringen der wijsgeeren te verminken, en alle hinderlijke feiten
en sombere kwestiën te ontgaan. "Stof tot declameeren," zeggen de
behendigen. Declamatiën, herhalen de dommen. Jean Jacques Rousseau
declameert; Diderot declameert; Voltaire declameert over Calas, Labarre
en Sirven. Ik weet niet wie onlangs ontdekt heeft, dat Tacitus een
declamateur, dat Nero een offer was, en dat men waarlijk met dien
armen Holofernus medelijden moest hebben.
De feiten zijn intusschen moeielijk ter zijde te stellen en staan vast.