Een kapittel-moeder. "Waarom weent ge, mijn kind?"

Het kind. (zes jaar oud) snikkend. "Ik heb aan Alix gezegd, dat ik

mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken

en ik ken ze"

Alix, de groote (negen jaar oud). "Neen, zij kent ze niet."

De moeder: "Waarom niet, mijn kind?"

Alix. "Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan,

haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden."

"Nu?"

"Zij heeft niet geantwoord."

"Spreek, wat hebt ge gevraagd?"

"Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de

eerste vraag, die ik vond."

"Hoe was deze vraag?"

"'t Was: Wat gebeurde er vervolgens?"

't Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den

eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:

"Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch."

Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt,

die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet

te vergeten:

"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.

"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.

"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te

hebben geslagen."

Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig

mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:

"Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen

stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna

plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf

in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch,

en hij at de jonge haantjes op."

Dan nog dit gedicht:

"Er kwam een stokslag,

Polichinel sloeg de kat.

't Deed haar geen goed, maar 't deed haar pijn.

Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis."

't Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door

een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid

opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en

mompelde in haar hoekje:

"Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet."

Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels

door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De "zeer groote

meisjes"--boven de tien jaren--noemden haar Agathoclès [6].

Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal,

die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving,

was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden "vol dieren." Al

wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der

vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een

bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek,

den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek

was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud

dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat

gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter

onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een

dezer vier natiën, al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende

den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk

bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje,

met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire,

een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:

"Wie is deze?"

"Een spinnekop, Monseigneur!"

"Zoo! en gene?"

"Een krekel."

"En zij?"

"Een rups."

"Zoo waarlijk; en wat zijt gij?"

"Ik ben een duizendbeen, Monseigneur."

Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin

dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar,

in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.

Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid

tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook "troonhemelen"

en "wierookvaten," namelijk zij, die de koorden van den troonhemel

droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden

van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier "maagden" gingen vooraan. 't

Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag

in de slaapzaal kon hooren vragen:

"Wie van u is maagd?"

Mevrouw Campan verhaalt van een "kleine," een zevenjarig meisje, dat

tot een "groote" van zestien jaren, die aan 't hoofd der processie

ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: "Gij zijt

een maagd, en dat ben ik niet."

VIJFDE HOOFDSTUK.

VERSTROOIDHEDEN.

Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit

gebed, 't welk men het "witte Vader ons" noemde en dat de kracht had

de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.

"Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God

in den hemel bracht.

"Toen ik 's avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bij mijn bed

liggen, één aan het voeteneinde, twee aan 't hoofdeinde, de maagd

Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en

niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn

moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn

mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf

gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven;

de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den

H. Johannes.--H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van de Ave

Salus.--Hebt ge er den goeden God niet gezien?--Hij is aan den

kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een

klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds,

en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven."

In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele

laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige

jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.

Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze

eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels,

ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen

van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de

tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander

in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der

kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen,

of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen

voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De

kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week,

die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te

vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze

stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een

kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld,

werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de

week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels,

waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten,

en soms 't geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch,

wierpen. Dit werd gestraft.

Zij, die de stilte stoorde, moest een "kruis met de tong"

maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit

einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich

aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.

In het klooster was een boek, waarvan slechts "één exemplaar"

is gedrukt, en dat verboden is te lezen. 't Is de regel van den

H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.

Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij

begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst

waren verrast te zullen worden, borgen zij 't haastig weer weg. Zij

hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden

blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der

jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.

Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen

stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen,

gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter

sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer

op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt,

en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige

pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van

Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:

"Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar

boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te

leggen, dan steekt men het ooft onder 't oorkussen en des avonds eet

men 't in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats."

Dit was een harer grootste geneugten.

Eenmaal, 't was wederom bij gelegenheid van een bezoek des

aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de

jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap

dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets

ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen,

maar niemand geloofde er aan. Op 't oogenblik dat de aartsbisschop

voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot

onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide:

"Monseigneur, een dag vacantie als 't u belieft." De jonkvrouw

Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat

men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: "Wat, mijn

lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen

u drie dagen!" De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop

had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het

pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!

Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven

der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet

binnendrongen. Om dit te bewijzen willen wij hier beknopt een waar,

onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat

met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts,

opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.

Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige

persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en

"madame Albertine" noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat

zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide,

dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen,

die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.

Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit

haar groote zwarte oogen. 't Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men

twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was

niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken

en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte,

voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster

zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: "Men houdt

haar voor dood."--"Zij is 't misschien," antwoordde de andere.

Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine

verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der

pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men het oeil de boeuf

noemde. 't Was in deze tribune, met een rond raampje, een oeil de

boeuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk

was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping,

den prediker, of misdoenden priester kon zien; 't geen aan de nonnen

verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen

rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode

musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830

als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. 't Was den

eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus

predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie

en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich

ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden

der stilte, die in de kapel heerschte: "Ziedaar August!" De geheele

kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de

oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid

verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was

even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen

en de zinnelooze weder een lijk geworden.

Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen

in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat

"ziedaar August!" De heer de Rohan heette werkelijk August. 't Was

stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij

den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed

had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat

zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en

wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.

Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent,

bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis als Magnates mulieres

toegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de

twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de

oogen neder.

Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp

der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip,

in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris

van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in

de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen

zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde

der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk

aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.

Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was;

dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om

het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok

hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer

zestienjarige meisjes.

Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar

evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis,

welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.

Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie,

die thans reeds zeer verouderd is: "Mijn Zetulbé, kom, beheersch

mijn hart," en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes

luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de

hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene

maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden

muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat

Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd,

alles beproefd hebben om slechts een seconde den "jongeling" te zien

en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het

te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen

naar de derde verdieping om zoo mogelijk door de gesloten vensters in

de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm

boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren

nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen

eindelijk den "jongeling!" 't Was een arme, blinde, oude emigrant, die

op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET KLEINE KLOOSTER.

Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander

verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond,

het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde

Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden

gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen

der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte,

grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke

soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was,

een harlekijns-klooster kunnen noemen.

Sedert het Keizerrijk was 't aan al deze arme, verstoorde, verjaagde

geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de

vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het

gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus

hadden ze met welwillendheid ontvangen. 't Was een zonderling

mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning

veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven;

ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere,

de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en

van moeder Jakob.

Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. 't Was

een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het

begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure

hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner

nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor

de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken

scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig

genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte. In 1824 bleef van

deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.

Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames,

zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine

Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort

d'Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in

't klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat

zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar

Vacarmini. [7]

In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein

tijdschrift, de Intrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te

mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch

in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had

romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze

verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid

ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar

na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden,

zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde

de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis

nog zeer goed de harp.

Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel

achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze

twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden

zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en

juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar

met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt,

en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven

te verschrikken:

Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:

Dismas et Gesmas, media est divina potestas;

Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,

Nos et res nostras conservet summa potestas.

Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.

Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag

oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men

algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze

spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de

Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden

hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzen

wordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.

De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote

klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het

kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er

het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende,

in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der

kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een

kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen

was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter

het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter

rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze

kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan

wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten

banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen

op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben

der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten

bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang

met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den

tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar

stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander

bewijs dan de slagen der "disciplines" (geeselkoorden), die in de

banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EENIGE SILHOUETTEN.

In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus

jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij

behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van

"Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus." Zij was

herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw,

die "als een gebersten pot zong," zegt de brief, welken wij reeds

hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige

vroolijke in het klooster en daarom bemind.

Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite,

de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de

geschiedenis, zij verstond Latijn, Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch,

en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.

De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half

blinde non.

De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine,

schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en

moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes,

moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het

klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (Mlle Gauvain), nog jong,

met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (Mlle Drouet), die

in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen

Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mlle de Colgolludo),

moeder St. Adelaida (Mlle d'Averney), moeder Misericordia, (Mlle de

Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion

(Mlle de la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen

ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia

(Mlle de Laudinière), moeder Presentatie (Mlle de Siguenza), die

in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den

beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mlle de Suzon); welke

beide krankzinnig werden.

Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige

vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder

Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster

moeder Assomption.

Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had,

gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele

toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud,

verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van

de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit

had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit

engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen

het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha,

die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 17 / 24 段