"Ga ter rechterzijde binnen."
Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een
grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad
binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in
den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk
neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een
soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur
ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden
stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering,
waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met
vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte
ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.
Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve
duisternis gewoon was geworden, beproefde het door de traliën te zien,
maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het
een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine
houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren
verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij
waren altijd gesloten.
Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden
roepen en vragen:
"Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?"
't Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men
hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn
graf sprak.
In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren,
werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker
geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën,
achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd,
waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was
met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk
en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak,
maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.
Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op
dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een
zinnebeeld.
De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in
deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde
de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden
te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij
zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen
nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte
waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men
niets zag, zelfs geen spookbeelden.
Wat men zag was het binnenste eens kloosters.
Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, 't welk men het
klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge,
waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke
men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos
en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante
opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met
duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.
De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de
spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had, zonder
venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van
dit gewijde oord zien.
Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,--er was licht,
leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren
beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen
en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder
de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de
verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben
kunnen spreken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE REGEL VAN MARTINUS VERGA.
Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat
bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van
Martinus Verga.
Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner
monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere
woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van
den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.
Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus
Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen
stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te
Alcala was.
Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.
De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in
de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te
spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van
Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië,
de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny
en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen,
de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen,
de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want
Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van
den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt
van Molesme in de diocees van Langres. 't Was in 529 dat de duivel,
die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij
hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den
ouden tempel van Apollo werd gejaagd.
Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een
teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de
regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga
de strengste. Zij zijn in 't zwart gekleed met een borstdoek die,
volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet
reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier,
de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt,
ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit
is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar
gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.
De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben "de
eeuwige aanbidding," evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen
van het H. Sacrament worden genoemd, en in 't begin dezer eeuw te
Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat
Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen,
waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der
vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in
het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner
nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die
der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve
Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een
H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks
drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament
niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en
het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel
verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige
gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner
van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling
en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid,
het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen
twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche
Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche
Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.
Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus
Verga terug.
De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthouden zich
het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen
buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur
's ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen
onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit
een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden
den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning,
die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van
den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze
zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel
jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte,
veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van
beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben
de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken,
drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede,
kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij
doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.
De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke
kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een
priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, 't geen de langst
mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.
Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter
een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen. Onder de
predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier;
zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd
gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de
aartsbisschop van de diocees.
Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een
grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de
nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel
aan de knie.
Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke
gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste
zelfverloochening. Zooals op Christus' stem ut voci Christi, op een
gebaar, bij den eersten wenk, ad nutum, ad primum signum, dadelijk,
met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,
promptè, hilariter, perseveranter, et coecâ quadam obedientiâ, gelijk
de vijl in de hand van den werkman, quasi liman in manibus fabri,
niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,
legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.
Beurtelings verricht ieder wat zij de "verzoening" noemen. Deze
verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden. alle misslagen,
alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde
gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren 's avonds tot vier
uren 's morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den
steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en
de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan
uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en
met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen
der wereld. Dit is grootsch, verheven!
Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt,
zegt men eveneens "aan den paal zijn" als "om verzoening bidden." De
nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur,
die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.
"Om verzoening bidden" is eene daad, die de geheele ziel vervult. De
non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel,
het hoofd niet wenden.
Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij
blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand
soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.
De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige
bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in
herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus
Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie
enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.
Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.
Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster
geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van 't verderf der
ziel zijn.
Zij noemen het woord mijn niet. Zij bezitten niets en mogen aan niets
gehecht zijn. Zij noemen alles "het onze," bij voorbeeld: onze sluier,
onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij "ons hemd"
zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een
getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen,
dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij
herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke
dame, toen zij in haar orde trad zeide: "Vergun, moeder, dat ik een
heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben."--"Ha! zijt
ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn."
Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij
bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkander ontmoeten, zegt de eene:
"Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!" De
andere antwoordt: "In alle eeuwigheid!" Hetzelfde heeft plaats als de
eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt
of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen:
in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze "oefeningen"
werktuiglijk; en vaak zegt de eene "in alle eeuwigheid" voor de
andere den tijd heeft gehad te zeggen: "Geëerd en geloofd zij het
allerheiligste Sacrament des altaars!" dat tamelijk lang is.
Bij de visitandinen zegt de binnentredende Ave Maria, en de andere
antwoordt: Gratiâ plena. 't Is haar "goeden morgen", die inderdaad
"vol gratie" is.
Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal
geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters,
leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken,
en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: "Te vijf
uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd
en geloofd." Is het acht uren: "Te acht uren enz" en zoo vervolgens
bij elk uur dat slaat.
Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze
immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de
vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: "Op dit
uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!"
De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig
jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar
getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds
met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje
in 't missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: "Jezus, Maria,
Jozef!" Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag,
dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende
treurige uitwerking voort.
De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder
doen maken voor de begraving harer zusters. Het "gouvernement",
zooals zij 't noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet
werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster
verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.
Zij hadden echter de vergunning verkregen, om--een geringe
troost--op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude
kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger
aan het klooster behoord had.
Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de
diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezet al de kleine
heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk
eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië
zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van
het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld
geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer:
"De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen
nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst."
Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert,
de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na
de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de
misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig
heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en
leggen luid de "penitentie" op.
Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove
misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat
zij het Culpa noemen. Men legt zich om deze Culpa te doen, plat op
den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit
anders dan "moeder" wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar
bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht die Culpa
voor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier,
een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche
noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijn Culpa te
doen. Het Culpa is geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt
en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis
voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder
een psalm die met Ecce begon, maar in plaats van Ecce zong zij ut,
si, sol, en onderging voor deze verstrooidheid een Culpa gedurende
den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat
het geheele kapittel gelachen had.
Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het
zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk
men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de
priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar
naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig
iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het
klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande
onderhandelingen. Zoo 't een vrouw is, wordt de vergunning soms
verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden,
die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt
vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.
Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.
Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de
geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van
1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.
DERDE HOOFDSTUK.
STRENGHEDEN.
Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren
het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of
vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner
nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.
Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over,
waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men
de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen,
glanst en krult haar 't haar; dan knielt zij; men spreidt over haar
een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts
verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij
en zegt op treurigen toon: "Onze zuster is dood," de andere rij
antwoordt met helderklinkende stem: "Zij leeft in Jezus Christus!"
Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster
verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes,
waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een
Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam
van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door
deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en
de eeuw. Een harer zeide ons eens: "toen ik de straat zag huiverde
ik van top tot teen." Zij waren in 't blauw gekleed met een wit
mutsje op 't hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op
de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de
H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non
te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te
verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar
dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten
haar kleeding leenen. 't Verdient opmerking, dat deze vertooningen
waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een
heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen
voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een
wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich
mede. "'t Was iets nieuws, een verandering."
Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen
intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een
wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande
te zingen.
De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen
betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige
jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen
om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen:
"in alle eeuwigheid." Evenals de nonnen spraken de pensionnairen
haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd
niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in
dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar
moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire
weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was
niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde,
de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen
kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.
VIERDE HOOFDSTUK.
VROOLIJKHEID.
Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke
herinneringen achtergelaten.
Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De
klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De
vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van
jeugd overstroomde als 't ware dezen tuin, die, als een lijkkleed,
kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende
oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich
in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep,
na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling
dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend
werd. 't Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, en ieder
bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen,
stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte
verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht
verbergt; maar om 't even! Men was verheugd en lachte. Deze vier
doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen
van al die vreugde: 't was als een regen van rozen op een doodschen
akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der
zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond
een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen
huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in
het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche,
bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben,
en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven,
dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle
grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje,
van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.
Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke,
kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach
uitlokken. 't Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig
kind eens riep: "Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet
langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!"
Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd: