"Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek,
dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers."
Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen,
en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean
het niet had gezien.
"Goed," zei Jean Valjean. "Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken."
"Wat, mijnheer de maire?"
"Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede,
dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen."
"Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en
dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij
immers hier bezorgd. 't Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst."
"Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen."
"Zoo!" zei Fauchelevent. "Hebt ge een kind?"
Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond
zijn meester.
Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos
had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn
das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen
hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas
aantrok, had Fauchelevent zich van zijn kniestuk met de schel bevrijd,
dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide
mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop
Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen
had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean
leggende, tot dezen zeide:
"O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het
leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten
u niet! Ge zijt een ondankbare!"
TIENDE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT HOE JAVERT NIETS ONTDEKT.
De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben
gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.
Toen Jean Valjean--in denzelfden nacht dat Javert hem bij het
sterfbed van Fantine in hechtenis nam--uit de stadsgevangenis
van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling
naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin
alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld,
gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed,
als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van
allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er
zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom
zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er
den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de
opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean
te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid
door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf
Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger
beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij
de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en,
wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast
schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.
Hij dacht niet meer aan Jean Valjean--de honden, die altijd ter
jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden--toen
hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet
met couranten ophield; maar Javert, een koningsgezinde, had de
bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den
prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij
belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean,
onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat
de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde
woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven:
"Ja, de dood is de beste keten!" Toen wierp hij het blad ter zijde
en dacht niet meer aan de zaak.
Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine
en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden,
betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men
zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil
had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door
haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door
een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind
van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar,
in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van
Javert en maakte hem nadenkend.
De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean
hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het
kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean
Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar
Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds
doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats
genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was
geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de
omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu
begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean
ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon
deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean
was dood.--Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in 't
rijtuig van "le Plat d'étain" in het slop van la Planchette en reed
naar Montfermeil.
Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.
In de eerste dagen hadden de Thénardier's in hun wrevel veel
gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in 't dorp
verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak
in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een
nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn
bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was,
spoedig begrepen, dat het nooit goed is mijnheer den procureur des
konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van
Cosettes "ontvoering" vooreerst het gevolg zouden hebben op hem,
Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog
der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen
in 't licht brenge. En hoe zou hij 't maken met de vijftienhonderd
francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg
in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo
men hem van het "gestolen" kind sprak. Hij begreep er niets van;
't is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem "de lieve
kleine" zoo spoedig "ontnomen" had, welke hij uit liefde nog een paar
dagen wilde behouden hebben, maar 't was haar "grootvader," die op de
natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak
van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil
kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean
verdwijnen.
Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn
geschiedenis te peilen.--"Wie was deze grootvader en hoe heette
hij?"--Thénardier antwoordde onnoozel: "Een rijk landbouwer. Ik heb
zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet."
Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde
naar Parijs terug.
"Jean Valjean is wel degelijk dood," zeide hij, "en ik ben een
uilskuiken."
Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart
1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie
St. Médard woonde en die men noemde den "bedelaar, die aalmoezen
geeft." Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens
eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig
meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil
kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor
spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man
aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.--De rentenier
was zeer schuw--ging slechts 's avonds uit--sprak met niemand--enkele
keeren slechts met de armen--en liet zich niet naderen. Hij droeg een
oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest
wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.--Dit prikkelde
niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen
rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op
zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunje en de plaats, waar
hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.
De "verdachte" naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een
aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean
schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet
minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.
Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean's dood was
officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man
legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.
Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw
uit te hooren, 't geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit
van de met millioenen gevoerden jas, en verhaalde hem de episode van
het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in
de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond
betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de
hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars
door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.
Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had
echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt,
en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en
haastte zich Javert te verwittigen.
Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met
twee mannen achter de boomen op den boulevard.
Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam
niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was
zijn geheim; 't geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl
het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede,
wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood
waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de
"gevaarlijkste soort van boosdoeners" genoemd hadden, een schitterende
zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie
zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij
daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk,
wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte
die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid
verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn
meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in
't licht te onthullen.
Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den
anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs
in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande,
was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean
niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.
Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar
gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen
publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de
Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De
aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De
agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op
hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den
indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen
herhaald, gemaakt zou hebben:--"Gisteren is een oud man met wit haar,
een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje
wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der
prefectuur overgebracht."--
Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de
vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij
twijfelde werkelijk.
Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.
Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe
ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk
af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken,
de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen,
dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean
Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs
gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in
kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te
dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer,
de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte,
eindelijk het geloof dat hij in 't bagno gestorven was, vergrootten
Javerts twijfel.
Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren
te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud,
eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig
vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien
hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere
talenten te verbergen--een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,
medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De
kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan
te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten
zou wezen "de hen met gouden eieren slachten." Wachten schaadde niet,
immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.
Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen
nopens dien raadselachtigen persoon doende.
't Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener
herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.
In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder
die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde
deze hevige siddering.
Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend
had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet
dus bij den commissaris in de straat Pontoise versterking vragen. Vóór
men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.
Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het
plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter
begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich
en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde
als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te
vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de
brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld,
waren hem voldoende: "Hebt ge een man met een meisje gezien?"--"Ik
heb hem twee sous laten betalen," antwoordde de brugwachter. Javert
kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean
Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek
te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan;
hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond,
en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat
Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar
den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar
den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen
zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn
te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.
Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean
nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links
en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.
Thans begon hij te spelen. 't Was voor hem een oogenblik van helsche
opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat
hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met
hem te vatten, in 't vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien,
met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat,
die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een
vreeselijke beteekenis, 't is de gestremde beweging van het gevangen
dier. Welk een genot, zulk een vangst.
Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van
te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.
Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand
te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook
wezen mocht.
Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de
zakken van een dief navorschende en onderzoekende.
Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de
vlieg niet meer.
Men kan zich zijne woede voorstellen.
Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze
agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet
zien voorbijgaan.
Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn
hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van
te denken. "'t Was geen hert, 't was een toovenaar."
Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.
Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.
't Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in
den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen
fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean
fouten beging. 't Was misschien een fout, dat hij aarzelde den
ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou
hem overtuigd hebben. 't Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in
zijn woning in hechtenis nam. 't Was een fout, dat hij hem niet had
aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. 't
Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op
het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en
't is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen
verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij
op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door
zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen,
maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en
deed het vlieden. Bovenal was 't een fout dat, na het spoor op de
brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en
kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij
achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een
muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen
hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige
voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten
en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die
bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men
met een jachtterm noemt "een volleerde hond." Maar wie is volmaakt?
De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.
De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een
menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den
kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk
kunnen breken, 't zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten
en verbonden zijn zij onverbreekbaar; 't is Attila die weifelend
tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat;
't is Hannibal die zich te Capua ophoudt; 't is Danton die zich te
Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.
Hoe 't zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte,
verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige
tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen,
klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het
eerste dat hem in 't oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het
touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed
dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In
dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende
gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid
gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan,
zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou
hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze
tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.
Bij 't aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking
achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion,
die door een dief verschalkt is.
BOEK VI.
KLEIN PICPUS.
EERSTE HOOFDSTUK.
KLEINE PICPUS-STRAAT NO. 62.
Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in
de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond
op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien,
die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden
was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur
zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats,
en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de
kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk
mede te nemen. 't Was echter een somber oord, dat men had gezien.
De ingang lachte; het huis bad en weende.
Zoo men er in slaagde, 't geen niet gemakkelijk was, den portier
voorbij te komen--iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker
machtwoord bezat--en men rechts een klein portaal binnenging, waar,
tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één
persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele
kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken
en men 't waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens
op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een
gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige
plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren
door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming,
waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden
verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was
gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer
zes voet in 't vierkant; 't was zindelijk, kil, met steenen bevloerd
en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht
viel door een groot venster met kleine ruiten, dat links de geheele
breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand;
men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De
wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.
Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur
een opening van ongeveer een voet in 't vierkant, met een traliewerk
van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten--ik
had schier mazen gezegd,--vormden, van omstreeks anderhalven duim. De
groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze
ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte
of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door
de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou 't
hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel
de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want
achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd,
kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet
als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing
een schelkoord.
Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht
bij zich een stem dat men er van schrikken zou.
"Wie is daar?" vroeg de stem.
't Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er
treurig van werd.
Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de
stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf
aan de andere zijde ware geweest.