naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. 't Was
duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en
gangen doorzochten.
't Was--deze gissing kon niet falen--een patrouille, welke Javert
ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.
Javerts beide helpers waren bij hem.
Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden,
hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen,
waar Jean Valjean zich bevond. 't Was een vreeselijk oogenblik. Eenige
minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die
zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen
het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is,
een leven als in een graf.
Één ding was nog slechts mogelijk.
Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij
twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige,
in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de
omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.
Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno
te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een
volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder
haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders,
heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt
te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een
hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats
van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de
ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.
Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboom zag, met zijn
oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met
den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm
van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de
onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg,
om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.
Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den
muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.
Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.
De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar
te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen
was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een
buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn
zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.
Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te
middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean
Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een
touw hebben gegeven.
In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf
verblinden òf verlichten.
De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn
in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de
straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere
afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat
van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en
in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf,
om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein
ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl
het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.
Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean
over de straat, liep het slop in, brak het slot van 't kastje met
de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij
Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend,
naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.
Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken
waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin
als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat
zij niet als gewoonlijk hing.
Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn
zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan, dit alles begon
Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd
hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men
hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.
"Ik ben bang, vader," zeide zij zacht. "Wat komt daar?"
"Stil!" antwoordde de ongelukkige man, "'t is vrouw Thénardier."
Cosette schrikte. Hij hernam:
"Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw
Thénardier 't hooren. Zij komt om u te halen."
Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die
te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert
ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond
dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij 't kind niet
kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een
zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden,
trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom
op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die
de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven,
alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een
halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.
Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean
Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen
verstommen.
Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:
"Ga tegen den muur staan."
Zij gehoorzaamde.
"Spreek geen woord en wees niet bang," hernam Jean Valjean.
Toen voelde zij zich van den grond opheffen.
Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.
Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes
in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den
muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond,
welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond,
met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.
't Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur
veel hooger dan aan de straat.
Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij
was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog
niet losgelaten, toen een luid gerucht de komst der patrouille
aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:
"Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine
Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in 't slop is."
De soldaten stormden het slop Genrot in.
Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds
vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar
beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil
geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.
ZESDE HOOFDSTUK.
BEGIN VAN EEN RAADSEL.
Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die
een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd
schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze
tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan
het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze
ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige
kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken
in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar
stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met
kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras
begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.
Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar
beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen,
dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht
nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis
onduidelijk te voorschijn kwam.
Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers
onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te
dienen.
Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine
Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een
rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de
buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt
geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen waren koekoeken,
als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op
den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.
Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich
in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren,
als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.
Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er
was niemand, 't geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag
er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.
De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en
ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats
te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind
dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans
zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.
Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht
der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten
der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op
wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden,
welke men niet verstaan kon.
Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean
Valjean hield zijn adem in.
Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.
De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling
rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet
de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren
met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.
Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een
hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het
andere gruwelijk geweest was. 't Was een gezang, dat uit de duisternis
kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke
stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen
klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden,
stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken,
welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds
beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, 't welk
aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween,
scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.
Cosette en Jean Valjean knielden.
Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij waren;
maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige,
gevoelden dat zij moesten knielen.
Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam
scheen. 't Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.
Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij
zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. 't Was hem, alsof die
vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.
Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang
geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.
Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat,
niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem
geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur,
dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
VERVOLG VAN HET RAADSEL.
De nachtwind verhief zich, 't geen aanduidde, dat het tusschen één
en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij
naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij
dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in 't gezicht. Cosette had de
oogen wijd open en een peinzend gelaat, 't geen Jean Valjean leed deed.
Zij beefde nog altijd.
"Hebt ge slaap?" vroeg Jean Valjean.
"Ik ben koud," antwoordde zij.
Een oogenblik later hernam zij:
"Is zij er nog?"
"Wie?" vroeg Jean Valjean.
"Madame Thénardier."
Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had,
om Cosette stil te doen zijn.
"O," zeide hij, "zij is weg. Vrees niet meer."
Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.
De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind
werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde
er Cosette in.
"Voelt ge u nu minder koud?" vroeg hij.
"O, ja, vader."
"Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug."
Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere
schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor
al de benedenvensters waren ijzeren tralies.
Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij
boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de
teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in
een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen
en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een
flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje
in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel,
na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te
zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam
geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met
uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets,
dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat
deze akelige gestalte een touw om den hals had.
De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte
ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.
Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem
in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en
ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit
sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de
onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog
dat zij leefde.
Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en
te bespieden of 't geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar
zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond
liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een
onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur,
zonder te durven omzien. 't Scheen hem dat, zoo hij 't hoofd omwendde,
hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich
zou zien.
Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; 't zweet brak
hem van alle kanten uit.
Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort
van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit
gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen
met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk
een schrikbarend visioen vertoonde, haar de schitterende poorten des
hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf
ontsloot. 't Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met
een nummer! 't Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten,
om het te kunnen gelooven.
De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien
avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward
door zijn hoofd.
Hij ging naar Cosette. Zij sliep.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
HET RAADSEL WORDT DUISTERDER.
Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.
Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs,
en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn
tegenwoordigheid van geest.
Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig
leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben,
hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan
alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was,
wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.
Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen
tijd een zonderling geluid. 't Was als een schel, die van plaats
verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel
flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die 's
nachts in de weide zijn.
Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in
den tuin was.
't Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken
ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande,
met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of
uitlegde. De man scheen te hinken.
Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds
eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag,
omdat die hen in 't licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam
is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was;
nu sidderde hij, omdat er iemand was.
Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij
vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd
hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking
hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte,
hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij
de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud
huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.
Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het
meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de
bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het
geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook 't geluid;
't geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil,
dan zweeg ook het geluid. 't Scheen duidelijk, dat de schel aan den
man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man,
die een bel droeg als een ram of os?
Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij
waren ijskoud.
"Mijn God!" zuchtte hij. Hij riep zacht: "Cosette!"
Zij opende de oogen niet.
Hij schudde haar.
Zij ontwaakte niet.
"Zou zij dood zijn!" zeide hij, en richtte zich op, van 't hoofd tot
de voeten bevende.
De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn
oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën
bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid
bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij
beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht,
onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.
Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.
Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende,
flauw en op 't punt van te bezwijken.
Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?
Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld
ijlde hij uit de schuur.
Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te
bed zijn.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE MAN MET DE SCHEL.
Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij
had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.
De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden
was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:
"Honderd francs!"
De man rilde van schrik en zag op.
"Honderd francs," hernam Jean Valjean, "zoo ge mij voor dezen nacht
huisvesting geeft."
De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.
"Mijn Hemel! zijt gij 't, mijnheer Madeleine?" zei de man.
Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende
plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean
terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die
tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als
een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk,
waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw
was, kon men niet onderscheiden.
De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:
"Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge
hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja
waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe
ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat
ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere
God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge
toch hier gekomen?"
Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde
rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder 't spreken toonde
hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.
"Wie zijt gij? en wat is dit huis?" vroeg Jean Valjean.
"Wel drommels, hoe is 't mogelijk!" riep de grijsaard; "ik ben immers
degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij
een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?"
"Neen," zei Jean Valjean. "Maar van waar kent ge mij?"
"Ge hebt mij het leven gered," zei de man.
Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean
Valjean herkende den ouden Fauchelevent.
"Ha!" zei Jean Valjean, "zijt gij 't? ja, nu herken ik u."
"'t Is wel gelukkig," zei de oude man op verwijtenden toon.
"En wat doet ge hier?" hernam Jean Valjean.
"Wel, ik dek mijn meloenen."
De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak,
het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het
meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in
den tuin was, meerdere op het bed gelegd.
't Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean
Valjean van uit de schuur had opgemerkt.
De tuinman vervolgde:
"Ik dacht: de maan is helder, 't zal vriezen. Ik zal mijn meloenen
hun jas aandoen. En," voegde hij er luid lachend bij, "gij hadt dit
waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?"
Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den
naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten
zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de
rollen omgekeerd: hij, de indringer, was 't die vroeg:
"En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?"
"De schel," antwoordde Fauchelevent, "dient opdat men mij uit den
weg ga."
"Hoe! opdat men u uit den weg ga?"
De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.
"Te drommel!" zeide hij, "in dit huis zijn niet anders dan vrouwen;
veel jonge meisjes. 't Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De
schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen."
"Wat is dit voor een huis?"
"Kom, dat weet ge immers wel?"
"Neen, ik weet het niet."
"En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen."
"Antwoord mij, alsof ik niets weet."
"Welnu, 't is het klooster van Petit-Picpus."
Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de
Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine
gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door 't omvallen van
zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling
geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:
"Het klooster van Petit-Picpus!"
"Maar spreek," hernam Fauchelevent, "hoe drommels is 't u gelukt
hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn,
maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen."
"En gij zijt er!"
"Ik ben de eenige man."
"Ik moet hier echter blijven," hernam Jean Valjean.
"Ach, mijn God!" riep Fauchelevent.
Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:
"Vader Fauchelevent, ik heb u 't leven gered."
"Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij," antwoordde Fauchelevent.
"Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed."
Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude,
gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te
kunnen spreken. Eindelijk riep hij:
"O! 't zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins
vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij,
ouden man."
Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat
scheen te schitteren.
"Wat wilt ge dat ik doen zal?" vroeg hij.