Eenige dagen later, 't kon acht uren 's avonds zijn, was hij in zijn

kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur

van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De

oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds

met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean

wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. 't Is

waar, 't kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den

apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en

klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen,

en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude

vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.

Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: "Ga heel

stil naar bed," en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de

voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den

rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had,

met ingehouden adem, in 't donker zitten. Na een tamelijk geruime poos

niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken,

en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het

sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in 't donker

van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de

hand luisterde.

Na verloop van eenige minuten verdween het licht.

Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, 't geen scheen aan

te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had

uitgetrokken.

Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den

geheelen nacht geen oog.

Bij 't aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid

insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan 't einde van de

gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den

vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit

het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot

was, in de hoop in 't voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in

't huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. 't Was werkelijk

een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer

voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen

onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het

invallend daglicht zijn schaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen

van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een

stok onder zijn arm. 't Waren de forsche omtrekken van Javert.

Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard

hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen,

en dit durfde hij niet.

't Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hij te huis

was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest

dat beteekenen?

Te zeven uren 's ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde

brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg

haar niets. Zij was als gewoonlijk.

Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:

"Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen."

Op dien leeftijd en op dien boulevard is 't om acht ure reeds nacht.

"Ja, inderdaad," antwoordde hij op onverschilligen toon. "Wie was het?"

"Een nieuwe inwoner," zei de oude vrouw.

"Hoe heet hij?"

"Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets."

"En wat is die mijnheer Daumont?"

De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen,

en antwoordde:

"Een rentenier, evenals gij."

Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende

er die echter in te ontdekken.

Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van

een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn

zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te

doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers

en rolde luid over den vloer.

Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar

alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen

volkomen eenzaam. 't Is waar, dat men er zich achter een boom kon

verbergen.

Hij ging weder naar boven.

"Kom," zeide hij tot Cosette.

Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.

BOEK V.

EEN JACHT IN DEN NACHT MET STILLE HONDEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE ZIGZAGS DER STRATEGIE.

Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal,

is hier een opmerking noodig.

Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen

van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad

verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem

schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij

Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge

van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs,

't welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft

medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem

van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. 't Is mogelijk, dat,

ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden:

"In deze straat is dit huis," thans noch huis noch straat meer is,

de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen

geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude

Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij

vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van 't

geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is

verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt

men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters,

deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd,

dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men

niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen,

welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij

er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat

wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren

noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke

wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnen konden gaan en wij op

deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons

hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet,

die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke

bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige

verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te

zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich

zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er

niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland

gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. 't Zij ons dus

geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware,

en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen,

gaan wij voort.

Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten

ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging

vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.

Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een

bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere

het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende

voetsporen, in verwarring worden gebracht.

't Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar

zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op

de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de

schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in

't oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere

zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter

verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen,

in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.

Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes

eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks

gegeven. Bovendien--en tot deze opmerking zullen wij meermalen

terugkomen--was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en

aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te

denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.

Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij

vertrouwde op God, gelijk zij op hem. 't Was hem insgelijks alsof hij

iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde

een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij

volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs

niet volkomen zeker of het Javert was; en 't kon deze zijn, zonder dat

Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders

gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen

zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had

besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een

opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen,

tot hij er een vond om in te wonen.

Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk

Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der

middeneeuwen en 't gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan

hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene

straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen,

wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan,

dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren

zou hebben.

Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg,

ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris

van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct,

waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk

drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij

de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat

gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De

vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.

"Kom, kind," zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat

Pontoise te komen.

Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de

Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort

van pleintje ontstaat.

Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong

zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog

volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere

plek overgingen.

Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen

verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in

lange, bruine jassen, met ronde hoeden op 't hoofd en dikke stokken

in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder

verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken

vier spoken in burgerkleeding.

Op 't midden van 't pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander

raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de

aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand

in de richting waar Jean Valjean zich bevond; een ander wees met

nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde,

bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk

Javert.

TWEEDE HOOFDSTUK.

GELUKKIG DAT ER RIJTUIGEN OVER DE BRUG VAN AUSTERLITZ GAAN.

Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort

bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; 't was voor

hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de

deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes

naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden;

hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat,

en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.

Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet

bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend

oude opschrift leesbaar was:

De Goblet fils c'est ici la fabrique;

Venez choisir des cruches et des brocs.

Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.

A tout venant le Coeur vend des Carreaux. [5]

Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein

St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de

kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand

was achter hem. Hij ademde ruimer.

Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.

Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.

Hij ging naar 't brugwachtershuisje en betaalde een sou.

"'t Is twee sous," zei de invalide op de brug. "Ge draagt een kind

dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen."

Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking

aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.

Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den

rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de

brug overgaan.

Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar

voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.

Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen;

hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk

groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die

hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean

achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.

Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat

du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk

voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.

Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.

Vier donkere gestalten traden juist op de brug.

Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen

naar den rechteroever.

't Waren de vier mannen.

Jean Valjean rilde als 't weder betrapte wild.

Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog

niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op 't oogenblik

dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.

In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor

zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken

en in 't vrije veld te komen.

Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging

er in.

DERDE HOOFDSTUK.

MEN ZIE DEN PLATTEN GROND VAN PARIJS IN 1727.

Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse,

waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de

andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm

zou hij er van kiezen?

Hij aarzelde niet en koos den rechter.

Waarom?

Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de

rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.

Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette's schreden vertraagden

die van Valjean.

Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder

en sprak geen woord.

Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds

aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem

rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles

was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps

meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat,

ver achter hem, in de duisternis bewoog.

Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te

vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het

spoor te brengen.

Hij kwam aan een muur.

Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen

muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean

Valjean volgde.

Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.

Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen

of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die

blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien

kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in

een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.

Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken,

welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der

steeg en deze straat iets als een zwart beeld.

't Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en

den doortocht te beletten.

Jean Valjean trad achteruit.

Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de

voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de

nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen

volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De

velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn

er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes,

spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er

mede in verband staat.

Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had,

in de volkstaal "Klein Picpus."

Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de

poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen

eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid,

de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten

uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren

en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en

ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten

uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage

huizen en groote muren, even hoog als de huizen.

Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw

aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald,

doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig

jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer

kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.

Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten,

gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken

splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien

van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top

als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.

Hier nu bevond zich Jean Valjean.

Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende

gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze

gestalte sloeg hem gade.

Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.--Wat

hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien

bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden

zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde

Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof

bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner

mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid

waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op

Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij

onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij

zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker

uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde

zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend

zag hij ten hemel.

VIERDE HOOFDSTUK.

HET RONDTASTEN DER VLUCHT.

Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld

vormen van de steeg Droit-Mur en in 't bijzonder van den hoek, ter

linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter

rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels

armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende

woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de

kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant

der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat

was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag,

dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig

met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante

ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat

Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een

somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever,

twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.

De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een

onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde

planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten

werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte,

die blijkbaar later was aangebracht.

Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan

den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.

In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit

somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet

er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo 't hem gelukte er

binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld

en een hoop bij hem op.

In 't middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat

Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude

trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit

een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel

een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude

landhoeven ziet.

Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het

eerste wat Jean Valjean in 't oog viel. Hij zette Cosette met den rug

tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de

plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel

daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in

vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar

houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs

die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen

de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der

straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En

wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge

huis gebracht worden?

Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den

muur weder naar de Polonceau-straat.

Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had

achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals

wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem

bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren;

misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den

lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit,

waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten

minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.

De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.

Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van

binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde

hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte

haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden,

slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze

vermolmde sluiting open te breken.

Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke

deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch

middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het

eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij

een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon

zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets

anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk

een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.

VIJFDE HOOFDSTUK.

'T GEEN BIJ GASVERLICHTING ONMOGELIJK ZOU ZIJN.

In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand

gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of

acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau

in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 13 / 24 段