Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie
kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling
hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde "moord
aan de barrière van Fontainebleau" gepleegd, waarvan de justitie de
daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is
opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige
schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar
Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde,
evenals in een melodrama.
Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun
kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der
philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke
en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die,
voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft
afschaffen, noch ze met kracht handhaven.
Zeven-en-dertig jaren geleden was--uitgezonderd dit plein St. Jaques,
dat steeds afgrijselijk is geweest--misschien het treurigste punt
van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig
bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50-52 vond.
Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te
verheffen. 't Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten,
die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière,
welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is
tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den
man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen,
den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen
of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte
muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal
evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen,
lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den
grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. 't Was een
koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer
dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is
de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets
vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een
hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel
van den boulevard er de toegang van geweest zijn.
Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht
verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun
laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer
de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs
vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in
het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke
galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord,
waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men
waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde
schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen
tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk,
des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.
Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude
vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes
waren hartstochtelijke bedelaressen.
Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan
een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping,
en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederen dag verdween een
afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren,
is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude
voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote
stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en
ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten
van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines,
bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten
en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der
menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen
en nieuwe verheffen zich.
Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière
heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid
der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig
gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie
of vier malen daags langs rijden en de huizen als 't ware rechts en
links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken,
die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat
in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet
bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen
de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn
duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen
straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen
en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van
Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken;
op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine
was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.
TWEEDE HOOFDSTUK.
NEST VOOR UIL EN VLEERMUIS.
Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de
nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.
Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur,
trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende,
klom hij de trap op.
Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede
hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentrad en welke
hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering,
waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel
en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed
zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte
flauw dit armoedig vertrek. Achter in 't vertrek was een afgeschoten
ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar
dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.
Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals
hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een
zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering
te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen,
't welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid
eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort
zonder te weten waar zij was.
Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.
Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was
ingeslapen.
Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.
Hij knielde voor Cosettes bed.
Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der
December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange
schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen
kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen,
zoodat het van boven tot onder schudde.
"Ja, madame!" riep Cosette, die verschrikt wakker werd, "ik kom,
ik kom!"
Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog
half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.
"Ach, God! mijn bezem!" riep zij.
Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.
"Ha, ja, 't is waar!" zei het kind. "Goeden morgen, mijnheer."
Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het
geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.
Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en
nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean
deed--Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madame Thénardier ver
weg was? Of zij niet zou terugkomen? enz. enz. Eensklaps riep zij:
"Hoe fraai is 't hier!"
't Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.
"Moet ik ook vegen?" vroeg zij eindelijk.
"Speel maar," zei Jean Valjean.
Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier
iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man
onbeschrijfelijk gelukkig.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN DUBBEL ONGELUK MAAKT ÉÉN GELUK.
Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean
weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en
bespiedde haar ontwaken.
Iets nieuws kwam op in zijn ziel.
Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was
hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot,
vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch,
onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel
versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een
flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel
verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden,
doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De
menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd,
zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.
Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had,
voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem
was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje
waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen
eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote,
wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets
zoets en geheimzinnigs.
Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!
Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was,
smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben,
tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.
't Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.
De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugd doen
verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.
De eerste dagen verstreken in deze verrukking.
Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het
zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder
haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle
kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had
zij beproefd iets te beminnen. 't Was haar niet gelukt. Allen hadden
haar afgestooten, de Thénardier's, hun kinderen, andere kinderen. Zij
had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand
meer van haar willen weten. 't Is treurig om te zeggen, en wij hebben
't reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. 't
Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar
niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde,
drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man
te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld--eene inwendige
verwarming en ontluiking.
De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean
schoon, evenals zij het krot fraai vond.
Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van
de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven
aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de
heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen
hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.
De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean
en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove
aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht
deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom,
elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde
het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans
instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In
het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten
deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat
zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.
De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men
kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden,
Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand
maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.
Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean,
in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht, toen hij, in de
duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De
verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van
God geweest.
Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er,
kon men zeggen, in volkomen veiligheid.
De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op
den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men,
evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.
Het benedengedeelte van No. 50-52, een soort van vervallen schuur,
diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping
geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden,
die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding
van 't huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte,
zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes,
waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw,
die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.
Deze oude vrouw, die de hoofd-huurderes heette, doch in waarheid
de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze
woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de
Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje
wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw
opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze
zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en
alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.
Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een
gelukkig leven.
Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen
hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.
't Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes
nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was,
wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.
Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg
geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.
Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan,
terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren
lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu
zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude
tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.
Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een
hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede
gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.
Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier
het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder
en liet haar bidden.
Zij noemde hem vader, en wist niet welken anderen naam hij had.
Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar
pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij
keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen
schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij
niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou
wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen
hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn
niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een
soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.
't Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel
uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean,
in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen,
deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij
had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende
der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs
slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in
Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt;
hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan;
hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden
hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op
't punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en
zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze
heilige herinnering thans inderdaad aan 't verflauwen. Wie weet of Jean
Valjean niet op 't punt was van den moed te verliezen en opnieuw te
vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig
minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte
hem. 't Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; 't was door haar,
dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en
dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid
van 't evenwicht in 's menschen lot.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE OPMERKINGEN DER HOOFD-HUURDERES.
Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In
den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen,
meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard,
en trad de kerken binnen als 't donker was. Hij ging gaarne naar de
kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet
medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar 't was een vreugd voor 't
kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur
boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij
haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.
Cosette was zeer vroolijk.
De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de
mondbehoeften.
Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die
het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad,
sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes
kamertje door een houten deur doen vervangen.
Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de
straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige
vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou
en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die
zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook
zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk,
dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit
had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder
den naam van "de bedelaar die aalmoezen geeft."
De oude "hoofd-huurderes", een hatelijk wezen, geheel vervuld met
afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij 't
vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg
praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven-
en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette
uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat
zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op,
dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam, een
der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als
een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der
deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was
Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag
dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam,
toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening
een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag
met ontzetting dat 't een bankbriefje van duizend francs was. Het was
het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt
liep zij weg.
Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken,
het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde
hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag
ontvangen had.--Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór 's avonds
te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet
meer open.--De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte
allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en
vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes
St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.
De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in
de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was
hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude
vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig
op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en
meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder
twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.
Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet
alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had,
maar een dikke portefeuille, een groot mes, en--wat zeer verdacht
was--pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen 't
een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.
De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van
den winter.
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN VIJFFRANCSTUK VALT OP DEN VLOER.
Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren
put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging
hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met
hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij "tot de politie"
behoorde. 't Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden
prevelde.
Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging--hij had Cosette
niet bij zich--zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de
straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk
te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem
de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean
Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze
beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem,
dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat
van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had
gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de
duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend
deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven,
te vluchten,--den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen
had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct,
misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield
Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar
had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als
alle dagen.--Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! 't is
onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.
Nauwelijks durfde hij 't zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht
had meenen te zien.
Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te
hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals
op te heffen.
Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De
bedelaar was op zijn gewone plaats.--Goeden avond, vriend, zei Jean
Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en
zeide met jammerlijke stem: "Ik dank u, mijn goede heer."--'t Was
wel de oude bedelaar.
Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hij glimlachte.--"Hoe
drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn
oogen beginnen te foppen?" Hij dacht er niet verder over.