en had daarin het goudstuk gevonden. 't Was geen gouden Napoleon,
maar een dier nieuwe twintig-francstukken der restauratie, waarop de
kleine Pruisische staart den lauwerkrans aan het borstbeeld vervangen
had. Cosette was als verblind. Haar lot begon haar te bedwelmen. Zij
wist niet wat een goudstuk was; nooit had zij er een gezien; zij
bergde het haastig in haar zak alsof zij het gestolen had. Evenwel
gevoelde zij, dat het haar behoorde; zij begreep, van waar dit geschenk
kwam, maar haar vreugd was met vrees vermengd. Zij was tevreden;
maar bovenal verbaasd. Deze heerlijke, schoone dingen schenen haar
niet wezenlijk. De pop joeg haar vrees aan, het goudstuk beangstigde
haar. Deze heerlijkheden deden haar onwillekeurig beven. Alleen de
vreemde man baarde haar geen vrees; integendeel, hij stelde haar
gerust. Sinds den vorigen avond dacht zij, bij al haar verbazing,
in haar slaap, in haar kleinen kinderlijken geest aan den man, die
zulk een oud, armoedig en treurig aanzien had en die zoo rijk en goed
was. Sinds zij dien goeden man in het bosch had ontmoet was alles
voor haar veranderd. Cosette, minder gelukkig dan de geringste zwaluw
in de lucht, had nooit geweten wat het is, in de moederlijke hoede
als onder een vleugel beschermd te zijn. Sedert vijf jaren, dat is
zoo ver haar geheugen reikte, rilde en beefde het arme kind. Steeds
was zij naakt geweest in den guren wind des ongeluks; nu scheen het
haar, dat zij gekleed was. Vroeger was haar ziel koud, nu was zij
warm.--Cosette had zooveel vrees niet meer voor Thénardier. Zij was
niet meer alleen; er was iemand bij haar.
Haastig had zij haar ochtendwerk begonnen. De louisd'or, welken zij bij
zich had, in 't zelfde zakje van haar voorschoot, waaruit den vorigen
avond het vijftien-sousstuk was gevallen, maakte haar verstrooid. Zij
durfde het niet aanraken, maar beschouwde het elke vijf minuten,
waarbij zij, wij moeten 't zeggen, de tong uitstak. Terwijl zij de
trap veegde, hield zij stil, vergat haar bezem en de geheele wereld,
en staarde bewegingloos naar de schitterende ster in haar zak.
't Was in zulk een beschouwing, dat vrouw Thénardier haar vond.
Op 't bevel van haar man kwam deze haar zoeken. Vreemd! zij gaf haar
geen klap en schold haar niet.
"Cosette, kom dadelijk," zei zij schier vriendelijk.
Een oogenblik later trad Cosette de gelagkamer binnen.
De vreemde nam het pakje, dat hij had medegebracht, en ontknoopte
het. Het bevatte een wollen jurkje, een schortje, een onderrok, een
halsdoek, wollen kousen, schoenen, kortom de volledige kleeding voor
een zevenjarig meisje. Alles was zwart.
"Neem dit, mijn kind," zei de man, "en kleed u spoedig."
't Begon te dagen toen de inwoners van Montfermeil, die hun deuren
allengskens openden, in de Parijsche straat een armoedig gekleed
man zagen voorbijgaan, die een in den rouw gekleed meisje met een
groote pop in de armen, aan de hand hield. Zij gingen in de richting
van Livry.
't Was onze man met Cosette.
Niemand kende hem; en wijl Cosette geen lompen meer droeg, herkenden
velen haar niet.
Cosette ging heen. Met wien? waarheen? dit wist zij niet. Al wat zij
begreep was, dat zij Thénardier's kroeg verliet. Niemand had er aan
gedacht haar vaarwel te zeggen, evenmin als zij om van iemand afscheid
te nemen. Zij verliet dat huis, gehaat en hatende.
Arm, zacht wezen, welks hart tot hiertoe immer onderdrukt was geweest.
Cosette ging ernstig voorwaarts, met groote oogen den hemel
aanschouwende. Zij had den louisd'or in het zakje van haar nieuwen
boezelaar gestoken. Nu en dan boog zij 't hoofd en sloeg er een blik
op, daarna zag zij telkens naar den man. Zij gevoelde iets, als ware
zij bij den goeden God.
TIENDE HOOFDSTUK.
WIE HET BESTE ZOEKT, VINDT SOMS HET SLECHTSTE.
Vrouw Thénardier had, als gewoonlijk, haar man laten handelen. Zij
verwachtte iets gewichtigs. Toen de vreemde en Cosette weg waren,
liet Thénardier een groot kwartier voorbijgaan. Toen ging hij tot
haar en toonde haar de vijftienhonderd francs.
"Meer niet?" zeide zij.
Dit was de eerste keer, sedert het begin van hun echtelijke
samenleving, dat zij een daad van den meester durfde berispen.
De slag trof.
"Inderdaad, ge hebt gelijk," zeide hij, "ik ben een ezel. Geef
mijn hoed."
Hij vouwde de drie bankbriefjes samen, stak ze in zijn zak en
verwijderde zich haastig. Hij vergiste zich echter in den weg en
ging rechts. Eenige buren, bij wie hij onderzoek deed, brachten
hem op het rechte spoor; de Leeuwerik en de vreemde waren den weg
naar Livry gegaan. Hij volgde deze aanwijzing, en ging snel voort,
in zich zelven sprekende.
"Die man is blijkbaar een in 't bruin gekleede millionair, en ik ben
een ezel. Eerst gaf hij twintig sous, toen vijf francs, vervolgens
nog vijftig francs, eindelijk vijftienhonderd francs en alles zonder
eenige moeielijkheid. Hij zou ook vijftienduizend francs hebben
gegeven. Maar ik zal hem inhalen.
Ook het vooraf gereed gemaakte pakje voor de kleine was iets
zonderlings, daar schuilt een geheim achter. Wanneer men geheimen
heeft, laat men ze niet spoedig los. De geheimen der rijken zijn
met goud gevulde sponsen, die men moet weten uit te persen." Al deze
gedachten woelden hem in 't hoofd.--"Ik ben een ezel," herhaalde hij.
Zoodra men buiten Montfermeil den hoek van den weg naar Livry bereikt
heeft, ziet men den weg zeer ver voor zich uit, in de hoogte. Hier
gekomen, zou hij, naar zijn berekening, den man en het kind kunnen
zien. Hij tuurde zoo ver zijn oogen reikten, maar bespeurde niets. Hij
deed weder onderzoek. Hiermede verloor hij tijd. Voorbijgangers zeiden
hem, dat de man en het kind, welke hij zocht, naar 't bosch, op den
weg van Gagny, waren gegaan. Hij spoedde zich in deze richting voort.
Zij waren hem een goed eind vooruit, maar een kind gaat langzaam en
hij liep snel. Bovendien waren hem de omstreken bekend.
Eensklaps bleef hij stil staan en sloeg zich voor 't hoofd, als iemand,
die het voornaamste heeft vergeten en wil terugkeeren
"Ik had mijn geweer moeten medenemen!" dacht hij.
Thénardier was een dier dubbele naturen, welke vaak in ons midden
verschijnen, zonder dat wij 't weten, en die verdwijnen, zonder dat
men ze gekend heeft, wijl het lot er slechts ééne zijde van heeft
getoond. Thénardier bezat in zijn gewonen rustigen toestand al wat
er noodig is een eerlijk man van zaken, een "goed burger" genoemd te
worden, wij zeggen niet--te zijn. Terzelfdertijd had hij, in zekere
omstandigheden, wanneer zekere schokken zijn onderste natuur deden
bovenkomen, alles wat noodig is om een schurk te zijn. Hij was een
herbergier, in wien iets gedrochtelijks verborgen lag. Satan moest
zich zeker nu en dan in een hoek der kroeg, waarin Thénardier huisde,
neerzetten en over dit meesterstuk van het afschuwelijke nadenken.
Na een korte aarzeling dacht hij:
"Zij zouden den tijd hebben mij te ontkomen."
Hij zette met snelle schreden, schier met een voorkomen van zekerheid
en met de sluwheid van den vos, die een troep patrijzen riekt,
regelrecht zijn weg voort.
Toen hij voorbij de vijvers was, de groote vlakte ter rechterzijde
van den weg naar Bellevue schuins overgegaan, en gekomen was
aan het met gras begroeide pad, dat bijna om den geheelen heuvel
loopt en den boog der oude waterleiding van de abdij van Chelles
overdekt, bespeurde hij inderdaad boven het struikgewas een hoed,
nopens welken hij reeds verscheidene gissingen had gemaakt. 't Was
de hoed van den man. Het struikgewas was laag. Thénardier begreep,
dat de man en Cosette dáár zaten. De kleinheid van het kind belette,
dat men het kon zien, maar men zag het hoofd der pop.
Thénardier bedroog zich niet. De man had zich dáár neergezet om Cosette
een weinig te laten rusten. De herbergier ging om het kreupelhout
heen en verscheen eensklaps voor de oogen van hen, welke hij zocht.
"Vergeving, verschoon mij, mijnheer," zeide hij hijgend, "maar neem
uw vijftienhonderd francs terug."
Dit zeggende reikte hij den vreemde de drie bankbriefjes.
De man sloeg de oogen op en vroeg:
"Wat beteekent dat?"
"Het beteekent, dat ik Cosette terugneem, mijnheer," antwoordde
Thénardier heel onderdanig.
Cosette beefde en klemde zich tegen den ouden man.
Deze antwoordde, terwijl hij Thénardier strak in de oogen zag en op
ieder zijner woorden drukte:
"Ge neemt Cosette terug?"
"Ja, mijnheer, ik neem haar terug. Ik moet u zeggen, dat ik heb
nagedacht. Ik heb eigenlijk het recht niet haar aan u af te staan. Weet
ge, ik ben een eerlijk man. Het kind behoort mij niet; het behoort
aan haar moeder. Haar moeder heeft het mij toevertrouwd; ik mag het
aan niemand dan aan haar moeder wedergeven. Ge zult mij zeggen, dat
haar moeder dood is. Goed, maar in dat geval kan ik het kind niet
overgeven dan aan dengene, die mij een door de moeder onderteekend
geschrift brengt, krachtens 't welk ik het kind aan dien persoon moet
overgeven. Dat is duidelijk."
Zonder te antwoorden tastte de man in zijn zak, en Thénardier zag
wederom de portefeuille met bankbriefjes te voorschijn komen.
De kroeghouder trilde van blijdschap.
"Ha!" dacht hij, "laat ik mij goed houden. Hij wil mij omkoopen."
Vóór de reiziger de portefeuille opende, sloeg hij een blik rondom
zich. De plaats was volkomen eenzaam; geen sterveling was in het bosch
noch op de vlakte te zien. De man opende de portefeuille en nam er,
niet een handvol bankbriefjes, zooals Thénardier verwacht had, maar
een klein papiertje uit, dat hij losvouwde en den herbergier aanbood,
zeggende:
"Ge hebt gelijk. Lees dus."
Thénardier nam het papier en las:
M. sur M. den 25 Maart 1823.
"Mijnheer Thénardier,
"Geef Cosette aan brenger dezes over. Men zal u alle kleinigheden
betalen.
"Met achting heb ik de eer u te groeten.
"Fantine."
"Ge kent deze handteekening?" hernam de man.
't Was wel degelijk Fantines handteekening. Thénardier herkende
haar. Er was niets tegen in te brengen. Hij gevoelde een dubbele,
hevige spijt, vooreerst dat zijn hoop op buit verijdeld was, en ten
tweede van geslagen te zijn. De man voegde er bij:
"Ge moogt dit papier te uwer verantwoording behouden."
Thénardier trok in goede orde terug:
"Deze handteekening is tamelijk goed nagemaakt," mompelde hij tusschen
zijn tanden. "Welnu, het zij zoo."
Toen beproefde hij nog een wanhopige poging.
"'t Is goed, mijnheer," zeide hij. "Wijl gij de brenger zijt. Maar men
moet mij "alle kleinigheden" betalen. Men is mij nog veel schuldig."
De man stond op en zeide, terwijl hij met zijn vingers het stof van
zijn kale mouw knipte:
"Mijnheer Thénardier, in Januari berekende de moeder, dat zij u
honderd-twintig francs schuldig was; in Februari zondt ge haar een
rekening van vijf-honderd francs; in het laatst van Februari hebt
ge driehonderd francs en in 't begin van Maart nogmaals driehonderd
francs ontvangen. Sinds zijn negen maanden verloopen, 't geen, tegen
den bepaalden prijs van vijftien francs, honderd-vijf-en-dertig francs
bedraagt. Gij hadt honderd francs te veel ontvangen. Dus hebt ge nog
vijf-en-dertig francs tegoed. Ik heb u nu laatstelijk vijftienhonderd
francs gegeven."
Thénardier ondervond nu, wat een wolf ondervindt op het oogenblik
dat hij zich door den stalen muil van de val gebeten en gegrepen voelt.
"Wie is deze duivel van een kerel?" dacht hij.
Hij deed wat de wolf doet: hij schudde zich. De vermetelheid was hem
reeds eenmaal gelukt.
"Mijnheer onbekend," zeide hij stoutmoedig en alle beleefdheid ter
zijde stellende, "ik zal Cosette terugnemen zoo ge mij geen duizend
kronen geeft."
De vreemde zeide bedaard:
"Kom, Cosette."
Hij nam Cosette met de linkerhand en met de rechterhand zijn stok,
die op den grond lag.
Thénardier lette op de dikte van den knuppel en de eenzaamheid
der plaats.
De man ging met het kind het bosch in, en liet den herbergier
verbluft staan.
Terwijl zij voortgingen, beschouwde Thénardier de breede eenigszins
gewelfde schouders en de grove vuisten van den man.
Toen viel zijn blik op zijn eigen tengere armen en magere handen.--Ik
ben toch zeer dom geweest, dacht hij, dat ik mijn geweer niet heb
medegenomen, daar ik op de jacht ging.
De herbergier gaf 't echter nog niet op.
"Ik wil weten, waar hij heen gaat," zeide hij bij zich zelven, en hij
volgde hen op een afstand. Twee dingen waren hem echter gebleven:
eene bespotting, het stuk papier door Fantine onderteekend; en een
troost, de vijftienhonderd francs.
De man voerde Cosette in de richting van Livry en Bondy. Hij ging
langzaam, met gebogen hoofd, in nadenkende en treurige houding. De
winter had het bosch doorzichtig gemaakt, zoodat Thénardier hen in
't oog kon houden, hoewel hij ver achter hen bleef. Van tijd tot
tijd wendde de man het hoofd om, ten einde te zien of men hem ook
volgde. Eensklaps ontdekte hij Thénardier. Plotseling ging hij met
Cosette in dicht kreupelhout, waar beiden onzichtbaar waren.
"Verduiveld!" dacht Thénardier, en hij versnelde zijn schreden.
De dichtheid van het houtgewas had hem genoopt hen meer te
naderen. Toen de man in het dichtste hout was, keerde hij zich
om. Thénardier trachtte zich vergeefs achter de takken te verbergen,
hij kon niet verhinderen dat de man hem zag. De man wierp hem een
wrevelen blik toe, schudde het hoofd en zette zijn weg voort. De
herbergier volgde hem. Zoo deden zij twee- of driehonderd
schreden. Eensklaps keerde de man zich weder om. Hij zag den
herbergier. Ditmaal zag hij hem met zulk een dreigenden blik aan, dat
Thénardier het "onnoodig" oordeelde verder te gaan. Hij keerde terug.
ELFDE HOOFDSTUK.
NO. 9430 KOMT WEDER TE VOORSCHIJN EN COSETTE TREKT DAT LOT.
Jean Valjean was niet dood.
Toen hij in zee viel, of liever er in sprong, was hij, zooals men
gezien heeft, niet geboeid. Hij zwom onder water naar een ten anker
liggend schip, waaraan een boot was vastgemaakt. Het gelukte hem zich
tot den avond in die boot te verbergen. Des nachts ging hij weder te
water en zwom naar de kust, welke hij op korten afstand van kaap Brun
bereikte. Daar kon hij zich, aangezien 't hem aan geen geld ontbrak,
kleederen verschaffen. Een herberg in den omtrek van Balaguier
was destijds het kleedermagazijn der ontvluchtte tuchtelingen,
een zeer winstgevend bedrijf. Toen volgde Jean Valjean, zooals al
die ongelukkige vluchtelingen, welke de waakzaamheid der wet en de
maatschappelijke vervolging van het spoor willen leiden, een donkeren,
kronkeligen weg. Hij vond een eerste schuilplaats te Pradeaux,
bij Bausset. Vervolgens ging hij naar Grand-Villard bij Briançon in
de Opper-Alpen. 't Was tastend en bevond, dat hij zijn weg volgde,
die duister en onbekend was, als die van den mol. Later heeft men
eenig spoor van zijn tocht gevonden in het departement der Ain op het
gebied van Civrieux, in de Pyreneeën te Accons, in een oord genaamd la
Grange-de-Doumecq, bij het gehucht van Chavailles, en in de omstreken
van Perigueux, te Brunies, kanton van Chapelle-Gonaguet. Eindelijk
bereikte hij Parijs. Men heeft hem nu te Montfermeil gezien.
Zijn eerste zorg toen hij te Parijs kwam, was geweest rouwkleederen
voor een zeven- of achtjarig meisje te koopen, en zich vervolgens van
een verblijf te voorzien. Daarna had hij zich naar Montfermeil begeven.
Men zal zich herinneren, dat hij reeds bij zijn voorgaande ontwijking
naar deze streek een geheimzinnige reis had gedaan, waarvan de justitie
eenige lucht had gekregen.
Men hield hem overigens voor dood, en dit vermeerderde de duisternis
die zich om hem gevormd had. Te Parijs kwam een der dagbladen in
zijn handen, die van het feit melding maakten. Hij voelde zich
gerustgesteld, schier evenzeer als ware hij werkelijk dood geweest.
Den avond van den dag, op welken Jean Valjean Cosette uit Thénardier's
klauwen had gerukt, kwam hij te Parijs terug. Hij ging in de
avondschemering met het kind door de barrière van Monceaux. Daar nam
hij een cabriolet, die hem naar de esplanade van 't Observatorium
voerde. Hij steeg uit, betaalde den koetsier, nam Cosette bij de hand,
en beiden gingen in den donkeren avond, door de eenzame straten in den
omtrek van l'Ourcine en la Glaciere, naar den boulevard de l'Hôpital.
De dag was voor Cosette wonderbaar en vol aandoeningen geweest;
zij hadden achter hagen brood en kaas gegeten, die zij in afgelegen
herbergen gekocht hadden; zij waren dikwerf van rijtuig veranderd,
en hadden een eind weegs te voet afgelegd. Zij klaagde niet, maar
zij was vermoeid; Jean Valjean bespeurde dit aan haar hand, waaraan
zij zich schier liet voorttrekken. Hij nam haar op zijn rug; Cosette,
zonder Kaatje los te laten, legde haar hoofd op Jean Valjeans schouder
en viel in slaap.
BOEK IV.
HET OUDE HUIS GORBEAU.
EERSTE HOOFDSTUK.
MEESTER GORBEAU.
Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken der Salpêtrière
waagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam
op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. 't
Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; 't was geen veld,
want er waren huizen en straten; 't was geen stad, want in de straten
waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras;
't was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? 't
Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; 't
was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker
des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.
't Was de oude wijk der Paardenmarkt.
Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde,
zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts
voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld,
waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven,
voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en
spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel
vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de
lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur,
voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw,
waarop in groote letters te lezen stond: hier mag niets aangeplakt
worden,--deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek
der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds
nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat
bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad
groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de
straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was
verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.
Het gebouw had slechts één verdieping.
Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in 't oog, dat deze
deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn
geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk
had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.
De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden
werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een
steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge
treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen,
en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste
der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle,
dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd,
welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht
was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het
cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men
eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50,
binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als
draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.
Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten;
maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens
verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl
de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de
voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar
ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande
aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend
jaloezie en blind was.
Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke
men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die,
met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan,
en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.
De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen,
waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal,
een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende
grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen
dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het
onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig,
somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht
doorsneden, naarmate de reten in 't dak, of in de deur waren. Een
belangrijke en schilderachtige bijzonderheid van dergelijke woningen
is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.
Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een
manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde
vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.
Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over
is, kan een denkbeeld geven van 't geen het was. In zijn geheel is
't een met 't ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren
zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des
menschen schijnt in 's menschen korten duur, en de tempel Gods in
Gods eeuwigheid te deelen.
De briefbestellers noemden dat gebouw 50-52, maar in de buurt was
het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.
Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van
kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld
vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw,
omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een
Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van
deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er
geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines
fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:
Maître Corbeau, sur un dossier perché,
Tenait dans son bec une saisie exécutoire;
Maître Renard, par l'odeur alléché,
Lui fit à peu près cette histoire:
Hé bonjour! etc. [4]
De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts
en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en
wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk
XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de
eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden
devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder
een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam,
met een pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer,
ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en
ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans
ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund
een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen;
meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan
een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de
tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.
Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau
eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l'Hôpital,
genummerd 50-52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.
Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau's-huis.
Tegenover No. 50-52 staat, onder het geboomte van den boulevard,
een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de
ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds
zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen--naar 't seizoen
groen of slijkkleurig--beplant was, en regelrecht op den ringmuur van
Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak
eener naburige fabriek.
De barrière was zeer dicht bij. In 't jaar 1823 bestond de ringmuur
nog.