Cosette hief de oogen op. Zij had den man met de pop haar zien naderen,

evenals zij de zon tot haar zou hebben zien komen, zij hoorde deze

nooit gehoorde woorden: "dit is voor u," zij zag hem, zij zag de

pop aan, toen kroop zij langzaam achteruit, en verborg zich onder de

tafel in den hoek van den muur.

Zij schreide niet meer, noch kreet; 't was alsof zij niet durfde

ademen.

Vrouw Thénardier, Eponine, Azelma waren als zoovele beelden. Zelfs de

drinkers hielden een oogenblik op. Er heerschte een plechtige stilte

in de herberg.

Vrouw Thénardier, versteend en sprakeloos, begon weder gissingen te

maken:--Wie is deze oude? is hij arm? is hij millionair? Misschien

beiden, namelijk een dief.

Het gelaat van Thénardier vertoonde dien sprekenden plooi, welke het

menschelijk gezicht aanneemt, wanneer het heerschend instinct er in al

zijn dierlijke kracht op verschijnt. De kroeghouder zag beurtelings

de pop en den reiziger aan; hij scheen dien man even begeerlijk aan

te zien als hij een zak geld zou hebben aangezien. Dit duurde evenwel

slechts een oogenblik. Hij naderde zijn vrouw en zeide zacht tot haar:

"Dat ding kost ten minste dertig francs. Geen gekheid. Dien man moeten

wij zien in te pakken."

Ruwe naturen hebben dit met de naïeve gemeen, dat zij geen overgangen

kennen.

"Nu, Cosette," zei vrouw Thénardier met een stem, die zacht wilde

zijn, maar al den bitteren honig van booze vrouwen had, "neemt ge de

pop niet aan?"

Cosette waagde het, uit haar schuilhoek te komen.

"Nu, Cosetje," sprak Thénardier op vleienden toon, "mijnheer geeft

u een pop. Neem ze. Ze is voor u."

Cosette aanschouwde de tooverachtige pop met een soort van schrik. Haar

gezicht was nog met tranen bedekt; maar haar oogen begonnen zich

te vullen, evenals de hemel bij den dageraad, met de stralen der

blijdschap. Wat zij thans gevoelde, had eenige overeenkomst met

hetgeen zij gevoeld zou hebben, zoo men haar eensklaps gezegd had:

"Kleine, gij zijt koningin van Frankrijk."

Het scheen haar, alsof de bliksem uit de pop zou schieten, zoo zij

ze aanraakte.

Dit was in een zeker opzicht waar, want zij zeide bij zich zelve,

dat vrouw Thénardier op haar zou schelden en haar zou slaan.

De bekoring was echter te sterk. Zij naderde eindelijk en prevelde

bedeesd, zich tot vrouw Thénardier wendende:

"Mag ik, madame?"

Geen woorden kunnen haar te gelijk wanhopige, angstige en verrukte

houding uitdrukken.

"Drommels," zei vrouw Thénardier, "ze behoort u. Mijnheer geeft ze

u immers."

"Is 't waar, mijnheer?" hernam Cosette, "in ernst? is die "dame"

voor mij?"

De vreemdeling scheen de oogen vol tranen te hebben, en tot dien

graad van aandoening te zijn gekomen, dat men niet spreekt, ten einde

niet te weenen. Hij knikte Cosette toe en legde de hand der "dame"

in haar handje.

Cosette trok schielijk haar hand terug, alsof die der pop haar

brandde, en zag naar den grond. Wij moeten hier bijvoegen, dat zij

terzelfdertijd de tong ver uitstak. Eensklaps keerde zij zich om en

greep driftig de pop.

"Ik zal haar Kaatje noemen," zeide zij.

't Was een wonderbaar oogenblik, toen de lompen van Cosette in

aanraking kwamen met de linten en het frisch roodkleurig neteldoek

der pop.

"Madame," vroeg zij, "mag ik ze op een stoel zetten?"

"Ja, mijn kind," antwoordde vrouw Thénardier.

Nu beschouwden Eponine en Azelma Cosette met afgunst.

Cosette zette Kaatje op een stoel, ging voor haar op den grond zitten

en bleef haar stil, zonder te spreken, vol bewondering aanschouwen.

"Speel nu, Cosette," zei de vreemdeling.

"O, ik speel," antwoordde het kind.

Deze vreemdeling, deze onbekende, die als een bezoek der Voorzienigheid

aan Cosette geleek, was op dit oogenblik voor vrouw Thénardier het

meest gehate voorwerp. Zij moest zich evenwel bedwingen. Zij was

sterker ontstemd dan zij kon uithouden, hoezeer zij aan geveinsdheid

gewoon was, doordien zij haar man in al zijne handelingen trachtte

na te bootsen. Zij haastte zich haar dochtertjes naar bed te zenden,

en verzocht toen den bruinen man "verlof" ook Cosette naar bed te

doen gaan, "die," voegde zij er op moederlijken toon bij, "heden wel

zeer vermoeid moet zijn." Cosette ging naar bed en nam Kaatje op haar

armen mede.

Vrouw Thénardier ging nu en dan naar het einde der kamer, waar haar

man zat, om "haar hart te verlichten." Zij wisselde met haar man

eenige woorden, die te heftiger waren, wijl zij ze niet luid durfde

uitspreken:

"Die oude schurk! Wat heeft hij toch in den zin, om ons hier te komen

hinderen! hij wil dat het kleine monster spelen zal! hij geeft haar

een pop! een pop van veertig francs aan een schepsel, dat geen veertig

sous waard is! Straks zal hij haar nog majesteit noemen, evenals de

hertogin van Berry! Heeft dit gezonden zin? De oude onbekende moet

krankzinnig zijn!"

"Waarom? 't Is zeer natuurlijk," antwoordde Thénardier, "wijl 't hem

behaagt. Gij wilt dat het meisje werkt, hij wil dat ze speelt. Hij is

in zijn recht. Een reiziger doet wat hij wil, zoo hij betaalt. Wat

raakt het u, of deze oude een philanthroop is? 't raakt u niet of

hij een dwaas is. Wat kan 't u schelen? hij heeft immers geld!"

Taal van den meester en herbergiers-redeneering, waartegen niets is

in te brengen.

De man leunde met den elleboog op de tafel en had zich weder aan zijne

gepeinzen overgegeven. De overige reizigers, kooplieden en voerlieden,

hadden zich een weinig verwijderd en zongen niet meer. Zij beschouwden

hem op een afstand met een soort van eerbiedige schuwheid. Deze zoo

armoedig gekleede man, die zoo onverschillig de vijffrancsstukken

uit zijn zak haalde en reusachtige poppen aan kleine morspotten op

klompen schonk, was zekerlijk een rijk en machtig man.

Er verliepen verscheidene uren. De middernachtmis was geëindigd, het

kleine nachtfeest was afgeloopen, de drinkers waren heengegaan, de

herberg was gesloten, de gelagkamer was ledig, het vuur was uitgedoofd,

maar de man zat nog op dezelfde plaats en in dezelfde houding. Nu en

dan verwisselde hij van elleboog om op te steunen. Dit was alles. Sinds

Cosette er niet meer was, had hij geen woord gesproken.

Alleen de Thénardier's waren uit voegzaamheid en nieuwsgierigheid in

de kamer gebleven.

"Zal hij den nacht aldus doorbrengen?" bromde vrouw Thénardier. Toen

het twee uren na middernacht sloeg, verklaarde zij zich overwonnen en

zeide tot haar man: "Ik ga naar bed. Doe zooals gij wilt."--Thénardier

ging in een hoek aan een tafel zitten, stak een kaars aan en begon

de Courrier Français te lezen.

Aldus verstreek ruim een uur. De waardige herbergier had ten minste

driemaal de courant gelezen, van den datum af tot den naam van den

drukker toe. De vreemdeling verroerde zich niet.

Thénardier bewoog zich, hoestte, spuwde, snoot den neus, schraapte

met zijn keel. Geen beweging van den man.--Slaapt hij? dacht

Thénardier.--De man sliep niet, maar niets kon hem uit zijn gepeins

wekken.

Eindelijk nam Thénardier zijn pet af, naderde zacht en waagde te

zeggen:

"Wil mijnheer niet "ter rust gaan"?"

"Naar bed gaan" had hem te onfatsoenlijk en gemeenzaam geschenen. "Ter

rust gaan" was deftig en eerbiedig. Zulke woorden hebben de geheime,

wonderbare eigenschap, dat zij den volgenden dag het bedrag der

rekening doen zwellen. Een kamer waar men "slaapt" kost een franc;

een kamer, waar men "rust" moet twintig francs kosten.

"Ja!" zei de vreemdeling, "gij hebt gelijk. Waar is de stal?"

"Mijnheer," zei Thénardier met een glimlach, "ik zal mijnheer

voorgaan."

Hij nam de kaars, de man nam zijn pakje en stok, en Thénardier geleidde

hem naar een kamer op de eerste verdieping, die bijzonder fraai was,

met mahoniehouten meubels, ledikant en rood katoenen gordijnen.

"Wat is dat?" vroeg de reiziger.

"'t Is onze bruidskamer," zei de herbergier. "Mijn vrouw en ik bewonen

een andere. Wij komen hier slechts drie- of viermaal in 't jaar."

"De stal zou mij even lief zijn geweest," zei de man koel.

Thénardier hield zich, alsof hij deze vleiende aanmerking niet hoorde.

Hij ontstak twee nieuwe waskaarsen, die op den schoorsteen stonden. Een

tamelijk goed vuur brandde in den haard.

Op den schoorsteen lag onder een glazen stolp een vrouwenkapsel van

zilverdraad en oranjebloesem.

"Wat is dit?" vroeg de vreemdeling.

"'t Is de bruidstooi mijner vrouw mijnheer," zei Thénardier.

De reiziger beschouwde dat voorwerp met een blik, die scheen te zeggen:

"dat monster is dus ook eens een meisje geweest."

Thénardier loog trouwens. Toen hij het huis had gehuurd om er een

kroeg van te maken, had hij deze kamer dus gestoffeerd gevonden, het

huisraad overgenomen met den bruidskrans er bij, in de verwachting,

dat die aan zijn vrouw een bevallig aanzien zou verleenen en aan zijn

huis een zekere "respectabiliteit", zooals de Engelschen zeggen.

Toen de reiziger zich omkeerde, was de herbergier verdwenen. Thénardier

had zich bescheidenlijk verwijderd, zonder goeden nacht te durven

zeggen, daar hij iemand niet met oneerbiedige gemeenzaamheid wilde

behandelen, dien hij voornam den volgenden morgen op koninklijke

wijze te plukken.

De herbergier begaf zich naar zijn kamer. Zijn vrouw was te bed,

maar sliep niet. Toen zij haar man hoorde komen, keerde zij zich om

en zeide:

"Weet ge, dat ik Cosette morgen de deur uit gooi?"

Thénardier antwoordde koel:

"Wat zijt ge driftig!"

Zij spraken verder geen woord; na eenige oogenblikken was hun kaars

uitgebluscht.

De reiziger had zijn pakje en stok in een hoek gelegd.

Toen de herbergier hem verlaten had, zette hij zich op een stoel en

bleef een poos in gedachten verdiept. Vervolgens trok hij zijn schoenen

uit, nam een der kaarsen, blies de andere uit, opende de deur, ging

uit de kamer en zag om zich, als iemand die iets zoekt. Hij ging door

een gang en kwam aan de trap. Daar hoorde hij een zeer zacht gerucht,

dat de ademhaling van een kind geleek. Hij ging hierop af en het

bracht hem voor een driehoekig hok onder de trap, of liever door de

trap zelf gevormd. 't Was eenvoudig de ruimte onder de treden. Daar,

onder allerlei oud mandewerk en vodden, in stof en spinnewebben,

was een bed, indien een stroozak, door welks gaten men het stroo kon

zien, en een oude deken, door welks gaten men den stroozak kon zien,

aldus genoemd mogen worden. Lakens waren er niet. De stroozak lag op

den vloer, en in dat bed sliep Cosette.

De man trad nader en zag haar aan.

Cosette sliep gerust en was geheel gekleed. Des winters ontkleedde

zij zich niet, om minder kou te lijden.

Zij hield de pop, wier groote oogen in de duisternis glinsterden,

tegen zich gedrukt. Nu en dan loosde zij een zwaren zucht, als ware

zij op 't punt te ontwaken, en schier stuipachtig klemde zij de pop

in haar armen. Slechts één harer klompen stond bij haar bed.

Door een open deur, dicht bij de slaapplaats van Cosette, kon men

in een groote donkere kamer zien. De vreemdeling trad er binnen. De

glazen deur deed in de kamer twee gelijke kleine, heldere bedden

opmerken. Ze waren van Azelma en Eponine. Achter deze bedden ontdekte

men flauw een teenen wieg zonder gordijnen, waarin het jongetje sliep,

dat den ganschen avond geschreeuwd had.

De vreemdeling vermoedde, dat deze kamer met die der echtgenooten

in verbinding was. Hij wilde zich verwijderen, toen zijn blik op den

schoorsteen viel; een dier groote herbergsschoorsteenen, waarin altijd

zoo weinig vuur is, zoo er in 't geheel vuur in is, en die zich zoo

koud laten aanzien. In dezen schoorsteen was geen vuur, zelfs geen

asch; wat er in was, trok echter de aandacht des reizigers. 't Waren

namelijk twee nette kinderschoentjes van verschillende grootte; de

reiziger herinnerde zich de lieve, overoude gewoonte der kinderen

in Frankrijk om op den Kerstdag hun schoenen onder den schoorsteen

te zetten, opdat hun goede fée er des nachts een fraai geschenk in

brenge. Eponine en Azelma hadden dan ook niet nagelaten, ieder haar

schoentje onder den schoorsteen te zetten.

De reiziger bukte.

De fée, dat wil zeggen de moeder, was er reeds geweest, en in ieder

schoentje zag men een fraai, geheel nieuw half-francstuk blinken.

De man richtte zich op en wilde gaan, toen hij achter in den donkersten

hoek van den schoorsteen nog een ander voorwerp bespeurde, een

leelijk, lomp, half gebroken en met asch en slijk bedekt klompje. 't

Was Cosettes klompje. Ook Cosette had met dat aandoenlijk vertrouwen

der kinderen, dat, schoon telkens bedrogen, echter nooit den moed

opgeeft, haar klompje in den schoorsteen gezet.

De hoop van een kind, dat nooit iets anders dan wanhoop heeft gekend,

is iets zeer verhevens en liefelijks.

In dat klompje was niets.

De vreemdeling tastte in zijn zak, bukte en legde in Cosettes klompje

een louis d'or.

Toen keerde hij zacht naar zijn kamer terug.

NEGENDE HOOFDSTUK.

THÉNARDIER AAN 'T WERK.

Den volgenden morgen, ten minste twee uur vóór het dag was, zat

Thénardier bij een kaars in de gelagkamer aan de tafel met een pen

in de hand, en maakte de rekening op van den reiziger in de bruine jas.

Zijn vrouw stond half gebogen naast hem en zag toe. Zij spraken geen

woord. 't Was aan de eene zijde diepe overweging, aan de andere

eerbiedige bewondering, als waarmede men een gewrocht van den

menschelijken geest ziet ontstaan en zich ontwikkelen. Men hoorde

gerucht in huis, 't was de "leeuwerik" die de trap veegde.

Na een groot kwartieruurs en eenige doorhalingen, bracht Thénardier

dit meesterstuk voor den dag:

Nota voor mijnheer No. 1.

Soupé fr. 3.

Kamer fr. 10.

Kaarsen fr. 5.

Vuur fr. 4.

Bediening fr. 1.

------

Te zamen fr. 23.

"Drie-en-twintig francs!" riep de vrouw verrukt, doch met eenige

aarzeling vermengd.

Evenals alle groote kunstenaars, was Thénardier niet tevreden.

"Hm!" prevelde hij.

't Was de toon van Castlereagh, terwijl hij op 't congres van Weenen

de rekening voor Frankrijk opmaakte.

"Gij hebt gelijk, Thénardier, hij mag dit wel betalen," mompelde

de vrouw, aan de pop denkende, welke hij in tegenwoordigheid harer

dochtertjes aan Cosette had gegeven, "'t is niet meer dan billijk;

ofschoon wat veel. Hij zal 't niet willen betalen."

Thénardier antwoordde met zijn koelen glimlach:

"Hij moet betalen."

Deze glimlach was de hoogste uitdrukking van zekerheid en gezag. Wat

zóó gezegd was moest gebeuren. De vrouw sprak er niet verder over. Zij

bracht de tafels in orde; de man ging heen en weder door de kamer. Na

eenige oogenblikken zeide hij:

"Ik moet wel vijftienhonderd francs betalen."

Hij zette zich in den hoek van den haard, met de voeten in de warme

asch en peinsde.

"Nu, ge vergeet toch niet, dat ik vandaag Cosette de deur uitzet. Het

monster, ik kan haar niet uitstaan, met haar pop! Ik zou liever

Lodewijk XVIII trouwen dan haar een dag langer in mijn huis hebben."

Thénardier stak zijn pijp aan, en antwoordde tusschen de rookwolken:

"Gij zult de rekening aan den man geven."

Toen ging hij uit.

Nauwelijks was hij uit de kamer, toen de reiziger binnenkwam.

Thénardier verscheen weder onmiddellijk achter hem, bleef in de half

open deur staan en was alleen zichtbaar voor zijn vrouw.

De bruine man had zijn stok en zijn pakje in de hand.

"Zoo vroeg bij de hand!" zei vrouw Thénardier, "gaat mijnheer ons

reeds verlaten?"

Dit zeggende draaide zij verlegen de rekening in haar hand en maakte

er met haar vingers vouwen in. Haar strak gelaat vertoonde een haar

geheel ongewone uitdrukking van bedeesdheid en schroom.

't Scheen haar moeielijk zulk een rekening aan iemand te geven,

die zoo geheel 't voorkomen van "een arme" had.

De reiziger scheen verstrooid en in gedachten. Hij antwoordde:

"Ja, madame, ik vertrek."

"Ge hebt dus te Montfermeil geen zaken te doen?"

"Neen, ik reis hier slechts door, anders niet.--Wat ben ik u schuldig,

madam?"

Vrouw Thénardier reikte hem de toegevouwen rekening over, zonder een

woord te zeggen.

De man vouwde het papier open en zag het in; maar blijkbaar dacht

hij aan iets anders.

"Madame," vroeg hij, "maakt ge goede zaken hier te Montfermeil?"

"Zoo, zoo, mijnheer," antwoordde vrouw Thénardier, verbaasd dat hij

niet op eene andere wijze uitviel. Op treurigen, jammerenden toon

voegde zij er bij: "'t Is een slechte tijd, mijnheer! en hier, in

deze omstreken zijn weinig welgestelden. 't Zijn allen geringe lieden,

weet ge. Zoo er niet nu en dan fatsoenlijke en rijke reizigers kwamen

als mijnheer! Wij hebben zoovele lasten. Onder andere, die kleine

kost ons ontzettend."

"Welke kleine?"

"Wel, de kleine, die gij gezien hebt! Cosette; de "leeuwerik" zooals

men ze hier noemt."

"Ha," zei de man.

Zij voer voort:

"De boeren zijn zoo dom met hun bijnamen; zij heeft meer van een

vleermuis dan van een leeuwerik. Weet ge, mijnheer, wij vragen niet,

maar kunnen evenmin geven. Wij verdienen niets en hebben veel te

betalen. Het patent, de personeele belasting, deuren en vensters,

de opcenten! Mijnheer weet, dat er ontzettend veel belasting moet

betaald worden. Bovendien heb ik mijn dochtertjes; ik heb niet noodig

het kind van een ander te voeden."

De man hernam met eene stem, welke men onverschillig tracht te maken,

doch evenwel beeft: "Zoo men er u eens van ontlastte?"

"Van wie? van Cosette?"

"Ja."

Het roode heftige gezicht der herbergierster straalde van hatelijke

vreugde.

"O, mijnheer, houd haar, neem haar mede, doe met haar wat ge wilt en

de H. Maagd en al de Heiligen in den hemel zegenen u er voor."

"Afgedaan!"

"Waarlijk? Neemt ge haar mede?"

"Ik neem ze mede."

"Aanstonds?"

"Aanstonds. Roep het kind."

"Cosette!" riep vrouw Thénardier.

"Ondertusschen zal ik u mijn schuld betalen," hernam de man. "Hoeveel

is 't?"

Hij sloeg een blik in de rekening en kon een beweging van verbazing

niet onderdrukken.

"Drie-en-twintig francs!" zeide hij, de vrouw aanziende, en herhaalde:

"Drie-en-twintig francs!"

Op deze wijze herhaald lag in deze woorden de uitdrukking tusschen

het verwonderings- en het vraagteeken.

Vrouw Thénardier had den tijd gehad, zich tot den schok voor te

bereiden. Zij antwoordde stoutmoedig:

"Ja, mijnheer, 't is drie-en-twintig francs."

De vreemdeling legde vijf vijffrancstukken op de tafel.

"Ga nu het kind halen," zeide hij.

Op dit oogenblik trad Thénardier in 't midden der kamer en zeide:

"Mijnheer is nog zes-en-twintig sous schuldig."

"Zes-en-twintig sous!" herhaalde de vrouw.

"Twintig sous voor de kamer, zes voor het avondeten," hernam Thénardier

koel. "Wat de kleine betreft moet ik met mijnheer nog een woord

spreken. Ga, vrouw."

Vrouw Thénardier was als verbijsterd door de verrassende spranken

van haars mans schitterenden geest. Zij gevoelde dat de groote acteur

thans ten tooneele trad; zij antwoordde niet en ging heen.

Zoodra zij alleen waren, bood Thénardier den vreemdeling een stoel

aan. De reiziger ging zitten; Thénardier bleef staan en zijn gelaat

nam een zonderlinge goedhartigheid en onnoozelheid aan.

"Ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik dit kind onuitsprekelijk liefheb."

De vreemdeling zag hem strak aan.

"Welk kind?" vroeg hij.

"'t Is zonderling, hoe men zich aan iets hechten kan," vervolgde

Thénardier. "Wat is al dat geld? Neem uw vijffrancstukken terug. Ik

houd onuitsprekelijk van dat kind!"

"Van welk?" vroeg de vreemde.

"Wel, van onze kleine Cosette. Wilt ge dit niet van ons wegnemen? Nu,

ik spreek openhartig; zoo waar als ik een eerlijk man ben, ik kan er

niet in bewilligen. Ik zou het kind missen. Ik heb ze van jongs af

bij mij gehad. 't Is waar, dat ze ons veel kost; 't is waar, dat ze

haar gebreken heeft; 't is waar, dat wij niet rijk zijn; 't is waar

dat, toen ze ziek was, ik meer dan vierhonderd francs aan artsenijen

betaald heb. Maar men moet iets voor den lieven God doen. Zij heeft

noch vader noch moeder, ik heb haar grootgebracht. Ik heb brood voor

mij en voor haar. Kortom, ik ben aan 't kind gehecht. Ge begrijpt,

men kan zich ergens aan hechten; ik ben een eenvoudige goede kerel;

ik redeneer niet, en houd van de kleine; mijn vrouw is driftig,

maar houdt ook van haar. 't Is als ware het ons kind. Ik moet haar

in huis hooren keuvelen."

De vreemde bleef hem strak aanzien. Thénardier voer voort:

"Vergeving, verschooning, mijnheer, men geeft zoo maar zijn kind

niet aan den eerste den beste. Niet waar, heb ik geen gelijk? 't

Is zoo, gij zijt rijk, gij schijnt een zeer goed man, en zoo het

tot haar geluk was? Maar wie weet dat? Ge begrijpt dat, zoo ik haar

liet gaan en dit offer bracht, ik zou willen weten waar zij bleef,

ik zou haar niet uit het oog willen verliezen, zou moeten weten bij

wien zij is, om haar nu en dan te bezoeken, opdat zij zou weten dat

haar goede pleegvader nog altijd over haar waakt. Er zijn voorwaar

maar al te veel onmogelijke zaken. Ik weet zelfs uw naam niet. Zoo

ge haar medenaamt, zou ik moeten vragen: waar is de Leeuwerik toch

gebleven? Ik zou ten minste een stukje papier, een paspoort of iets

van dien aard moeten zien.

Zonder op te houden den herbergier met dien blik aan te zien, die,

om zoo te spreken, tot in het diepst der ziel dringt, antwoordde de

vreemde met ernstige, vaste stem:

"Mijnheer Thénardier, men neemt geen pas om zich vijf uren van

Parijs te verwijderen. Zoo ik Cosette medeneem, neem ik haar mede,

dit is alles. Ge zult noch mijn naam, noch mijn woonplaats vernemen;

ge zult haar verblijf niet vernemen, en 't is mijn bedoeling dat zij

u nooit wederzie. Ik breek den draad, dien zij aan den voet heeft,

en zij vliegt weg. Wilt gij dit, ja of neen?"

Evenals goede en kwade geesten aan sommige teekenen de tegenwoordigheid

van een hoogeren geest erkennen, zoo begreep Thénardier, dat hij

met een zeer sterk man te doen had. Dit werd hem als ingegeven; hij

begreep het dadelijk met zijn gewone scherpzinnigheid. Hij had reeds

den vorigen avond, terwijl hij met de voerlieden dronk, rookte en zong,

den vreemdeling oplettend gadegeslagen, hem als een kat beloerd en

hem als een wiskunstenaar bestudeerd. Uit eigen beweging, voor zijn

pleizier en uit instinct had hij hem gadegeslagen, en hem bespied

als werd hij er voor betaald. Geen gebaar, geen beweging was hem

van dezen man in de bruine jas ontsnapt. Zelfs vóór de onbekende zijn

belangstelling in Cosette deed blijken, had Thénardier hem geraden. Hij

had de doordringende blikken van den ouden man verrast, die zich immer

op het kind richtten. Wat was de reden dezer belangstelling? Wie was

deze man? Waarom zulk een armoedige kleeding, met zooveel geld in den

zak? Deze vragen, welke hij zich deed en niet kon oplossen, kwelden

hem. Hij had er den ganschen nacht over gedacht. 't Kon Cosettes vader

niet zijn. Misschien een grootvader? maar waarom zich dan niet dadelijk

kenbaar gemaakt? Zoo men recht op iets heeft, bewijst men het. 't

Was duidelijk, dat deze man geen recht op Cosette had. Wie was hij

dan? Thénardier verloor zich in gissingen. Hij meende alles te zien,

en zag niets. Hoe het zij, toen hij met den man een gesprek begon,

voelde hij zich sterk, in de overtuiging dat er een geheim onder

schuilde, dat de man er belang bij had onbekend te blijven; doch

bij het duidelijk en stellig antwoord van den vreemde, en toen hij

zag van dit geheimzinnig personage zoo eenvoudig geheimzinnig was,

gevoelde hij zich zwak. Iets dergelijks had hij niet verwacht. Al

zijn gissingen vielen nu in duigen. Hij zamelde zijn gedachten. In

een seconde overwoog hij dit alles. Thénardier was een dier menschen,

die in een oogenblik over een toestand oordeelen. Hij begreep dat

't nu het oogenblik was om regelrecht en snel door te tasten. Hij

handelde als de groote veldheeren op het beslissend oogenblik, dat

zij alleen weten te erkennen; hij ontblootte eensklaps zijn batterij.

"Mijnheer," zeide hij, "ik moet vijftienhonderd francs hebben."

De vreemde nam uit zijn zak een oude, zwart lederen portefeuille,

opende ze en haalde er drie bankbriefjes uit, welke hij op de tafel

legde. Toen hield hij zijn grooten duim op de briefjes en zeide tot

den herbergier:

"Haal Cosette."

Wat deed Cosette, terwijl dit plaats had?

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 10 / 24 段